Bijlage 1 Integrale verordening Sociaal Domein Meierijstad
Tekst van het document
De raad van de gemeente Meierijstad wil voor de inwoners van zijn gemeente in één verordening en in begrijpelijke taal aangeven welke regels gelden voor: •
werken en participeren;
•
uitkeringen;
•
schuldhulpverlening;
•
gezond en veilig opgroeien;
•
vervoer naar school;
•
wonen in een veilige en gezonde omgeving.
Daarom stelt de raad hierbij vast de:
Verordening Sociaal Domein Meierijstad
Inhoud Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 2 De hulpvraag ....................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3 Werk en participatie........................................................................................................... 10 Hoofdstuk 4 Gezond en veilig opgroeien .............................................................................................. 18 Hoofdstuk 5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving .................................................................... 20 Hoofdstuk 6 Vervoer naar school .......................................................................................................... 26 Hoofdstuk 7 Inkomen en schulden ........................................................................................................ 31 Hoofdstuk 8 De vorm van ondersteuning .............................................................................................. 36 Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en gemeente ........................................................................... 41 Hoofdstuk 10 Inwonersparticipatie ........................................................................................................
49 Hoofdstuk 11 Kritiek op de uitvoering .................................................................................................... 52 Hoofdstuk 12 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding................................................................................... 53 Hoofdstuk 13 Van oud naar nieuw ........................................................................................................ 55 Hoofdstuk 14 Begrippenlijst ................................................................................................................... 57 Bijlage 1: Tarieven .......................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
2
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Waar gaat deze verordening over? Deze Verordening Sociaal Domein Meierijstad geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • werken en participeren; • uitkeringen; • schuldhulpverlening; • gezond en veilig opgroeien; • vervoer naar school; • wonen in een veilige en gezonde omgeving. 1.2 Waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat: • mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; • mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; • mensen hun financiën op orde hebben; • mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; • mensen een geschikte en schone woonruimte hebben waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en • kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die bij hen past. 1.3 Taak van de gemeente Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken.
Het gaat om de: • Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) • Jeugdwet; • Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; • Wet publieke gezondheid (Wpg). De gemeente hoeft niet te ondersteunen als de inwoner geholpen kan worden op grond van een andere wet dan hierboven benoemd. Bijvoorbeeld als zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Het college is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. Ook dat is in deze verordening geregeld.
3
1.4 Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1. zijn bedoeld om de doelen onder punt 1.5 te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; 2. zijn goed leesbaar; 3. regelen niet meer dan nodig is; 4. houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5. kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor inwoners; 6. zijn onderling afgestemd op elkaar; 7. respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen; 8. passen bij de werkwijze van de gemeente om samen met de inwoner te kijken wat er nodig is en of dit past binnen de grondwaarden (doelen) van (een van de) verschillende wetten (‘werken volgens de bedoeling’). In hoofdstuk 9 staat uitgebreid beschreven hoe de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. 1.5 Kerndoelen Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kerndoelen: 1. De inwoner staat centraal. 2. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren. 3. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoners. 4.
De gemeente ondersteunt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). 5. Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te kunnen doen aan de samenleving. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14. 1.6 Leeswijzer Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden. Als in deze verordening het woord ‘ouders’ staat dan vallen daar onder: pleegouders/ouders en/of hun vertegenwoordigers die in de zin van Algemene wet bestuursrecht (Awb) als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden. Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten. 1.7 Verband tussen verordening en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel.
Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd.
4
Hoofdstuk 2 De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de gemeente ondersteuning kan geven en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Kerndoelen: • De gemeente maakt ondersteuning makkelijk bereikbaar. • De hulpvraag van de inwoner staat centraal. • De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner. • De gemeente geeft geen ondersteuning als er al een andere regeling geldt waarop de inwoner een beroep kan doen. Paragraaf 2.1 Melding hulpvraag bij de gemeente (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs)
Artikel 2.1.1 Hulpvraag melden Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen zich melden bij de door de gemeente ingerichte Toegang. Deze Toegang is te vinden in 3 gebieden: Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode. Voor Jeugd geldt dat inwoners zich kunnen melden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente. De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen: • schriftelijk, met een brief • mondeling, persoonlijk • telefonisch • digitaal (via de website) of een e-mail Artikel 2.1.2 Uitnodiging gesprek 1. Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente neemt binnen twee werkdagen na de melding contact op met inwoner voor een intakegesprek. 2. Na het intakegesprek kan de inwoner uitgenodigd worden voor een vervolggesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek gaat. 3. Het gesprek kan telefonisch of digitaal plaatsvinden als dat voldoende is. 4. Ook geeft de gemeente in de uitnodiging aan dat de inwoner iemand mee mag nemen naar het gesprek om hem te ondersteunen. Dit kan een familielid, vriend of bekende zijn, maar ook een (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). 5. De gemeente wijst ook op de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).
Artikel 2.1.3 Gegevens De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en de beoordeling van de melding. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. In de uitnodiging voor het gesprek staat welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Hiervoor gelden dan dezelfde voorwaarden.
5
Paragraaf 2.2 Gesprek na de melding (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb)
Artikel 2.2.1 Doel en inhoud gesprek 1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. 2. In het gesprek onderzoekt een medewerker van de Toegang a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de (on)mogelijkheden van de inwoner. c. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat? d. wat heeft de inwoner nodig aan ondersteuning en in welke omvang? e. in hoeverre de ondersteuning geleverd kan worden via de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk en algemene en/of voorliggende voorzieningen. Het college stelt nadere regels vast over algemene voorzieningen en gebruikelijke hulp. f. of er contact nodig is met anderen over de persoonlijke situatie van de inwoner; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd. g. of een extern onafhankelijke adviseur ingeschakeld wordt voor het onderzoek; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd. 3. De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden die de gemeente biedt om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. 4. Bij dit gesprek kan ook iemand aanwezig zijn om de inwoner te ondersteunen, zoals een familielid, vriend of bekende of (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).
Artikel 2.2.2 Verslag en/of plan 1. Zo snel mogelijk na het gesprek maakt de medewerker een verslag en/of plan van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd. 2. Als het gesprek telefonisch heeft plaatsgevonden kan er een verkort verslag worden gemaakt. 3. Als het gaat om Wmo-ondersteuning, jeugdhulp en Participatiewet stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat hij dat niet wil. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit terug naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven. Als de inwoner ondersteuning-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag als een aanvraag. 4. Als het om jeugdondersteuning en Wmo gaat, kan de medewerker ook tijdens het gesprek een verslag maken en daarin aangeven wat er nodig is voor de inwoner. Als de inwoner en de medewerker tijdens het gesprek samen vaststellen welke ondersteuning er nodig is, dan wordt het door de inwoner ondertekende verslag gezien als een aanvraag.
6
Paragraaf 2.3 Aanvraag (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)
Niet elke aanvraag gaat op precies dezelfde manier. Verschillen per soort ondersteuning of wet staan hieronder beschreven in artikel 2.3.1. Artikel 2.3.1 Aanvraag 1. Na de melding en het gesprek met een medewerker van de gemeentelijke Toegang, kan de inwoner een aanvraag indienen. De aanvraag kan schriftelijk (per brief) of digitaal (via de website of e-mail) worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, in welke vorm. 2. Een aanvraag kan zonder melding vooraf worden gedaan als het gaat om een uitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder of om vervoer van kinderen naar school. Het gesprek met een medewerker vindt, indien nodig, plaats nadat de aanvraag is ingediend. 3. De aanvragen voor financiële tegemoetkomingen kunnen direct schriftelijk en digitaal worden gedaan. De gemeente kan besluiten dat een onderzoek en een gesprek over de hulpvraag niet nodig zijn. De aanvraag wordt dan direct afgehandeld. Alleen als er aanleiding voor is, of op verzoek van de inwoner, volgt een gesprek. 4. De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente. Voor Wmo en jeugdhulp geldt dat een door de inwoner ondertekend verslag van het gesprek kan worden gezien als een aanvraagformulier voor ondersteuning. 5.
De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Artikel 2.3.2 Voorwaarden voor ondersteuning 1. Als een inwoner ondersteuning aanvraagt, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. de ondersteuning is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. de inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit resultaat ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemene voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en c. de ondersteuning past bij het gewenste resultaat en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Voor sommige vormen van ondersteuning zijn in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. Deze extra voorwaarden zijn opgenomen in de verschillende hoofdstukken. 3. De ondersteuning is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4.
De gemeente kan ondersteuning weigeren als een inwoner de gevraagde ondersteuning zelf al heeft ingeroepen of gekocht, voordat de gemeente heeft besloten op een aanvraag of voordat een melding is gedaan, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. 5. De inwoner is verplicht mee te werken aan regiegesprekken als deze voor de voortgang van de ondersteuning door Toegang nodig worden gevonden Artikel 2.3.3 Advisering De gemeente kan een externe deskundige vragen om een advies. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of aanvraag. Artikel 2.3.4 Beslistermijn 1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag of melding is ontvangen. 2. De gemeente kan de termijn voor ten hoogste 8 weken verdagen.
7
3. In spoedeisende gevallen treft het college zo snel mogelijk een passende voorziening. Het college legt vervolgens de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking (besluit). Paragraaf 2.4 Beslissing (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)
Artikel 2.4.1 Inhoud besluit 1. In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura (product of dienst), in de vorm van een PGB, in geld of op een andere manier wordt gegeven. (Zie voor meer uitleg hoofdstuk 8) 2. Geeft de gemeente de ondersteuning in natura, dan staat in het besluit in ieder geval: a. wat de ondersteuning inhoudt en waarvoor de ondersteuning bedoeld is; b. wanneer de ondersteuning ingaat en hoe lang de ondersteuning duurt; en c. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de ondersteuning gelden. 3. Geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van een PGB, dan staat in het besluit in ieder geval : a. waarvoor het PGB bedoeld is; b. hoe hoog het PGB is en hoe dit berekend is; c. wanneer het PGB ingaat en wanneer het PGB eindigt; d. hoe de besteding van het PGB verantwoord moet worden; en e. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het PGB gelden. 4. Geeft de gemeente ondersteuning in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval : a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c. hoe vaak het geld wordt betaald; en d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van het geld. 5.
Voor Jeugd en Wmo geldt dat het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen 6 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.
8
Paragraaf 2.5 Uitzonderingen Artikel 2.5.1 Jeugdhulp via arts en anderen (Jeugdwet, Awb)
1. De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. Voor deze ondersteuning gelden dezelfde voorwaarden en kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders die opgenomen zijn in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. 2. Als een jeugdige zich bij een jeugdhulpaanbieder meldt met een verwijzing, niet via de gemeentelijke toegang, dan beoordeelt de jeugdhulpaanbieder in lijn met deze verwijzing inhoudelijk welke product(en) de jeugdige precies nodig heeft, met welke frequentie en voor hoe lang (de duur en de omvang). De jeugdhulpaanbieder past bij de genoemde beoordeling en bepaling van de inhoud van het product de werkwijze toe zoals de gemeentelijke toegang deze toepast zoals beschreven in het bovengenoemde productenboek en de bijbehorende werkinstructie. 3. Als de jongere of zijn ouders daar om vragen, stuurt de gemeente hem/hen een brief met daarin het besluit over de jeugdhulp. Voor dit besluit gelden dezelfde rechten en plichten als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. Artikel 2.5.2 Spoedeisende gevallen (Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs)
1. In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de ondersteuning krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) ondersteuning in afwachting van een onderzoek van de gemeente: a. het bieden van ondersteuning en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor uithuisplaatsing of gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; d. schuldhulpverlening; e. vervoer van en naar school (vervoersvoorziening gaat op zijn vroegst in op de dag van de aanvraag); f. het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend. 2. Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om ondersteuning niet afgewacht kan worden. 3. Voor Jeugd geldt dat deze hulp buiten kantoortijden loopt via de Crisisdienst van Jeugdbescherming Brabant of GGZ en een maximale termijn heeft van 4 weken. Na deze 4 weken of zoveel eerder als mogelijk volgt dan alsnog een ‘gewoon’ besluit.
9
Hoofdstuk 3 Werk en participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners die een uitkering hebben en kunnen werken, worden geholpen bij het vinden van een duurzaam en passend werk, bij voorkeur in een reguliere en betaalde baan. Als betaald werk niet haalbaar is, dan wordt gekeken op welke wijze participeren aan de samenleving mogelijk is. De gemeente kan helpen door het inzetten van zogenaamde voorzieningen. Welke ondersteuning dat kan zijn, staat in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert. Kerndoelen: •
De inwoner wordt zo goed mogelijk naar duurzaam, passend werk of participatie geleid.
•
Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente.
•
Iedereen doet mee aan de samenleving.
Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1.1 Doelgroepen (PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk: 1. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; 2. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er ondersteuning kan worden gegeven; 3. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben (startkwalificatie). De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden of leidt hen naar hulpverlening of zorg. Artikel 3.1.2 Samenwerking (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente werkt samen met UWV, gemeenten in de regio en andere organisaties om inwoners te ondersteunen bij het vinden van passend werk. 2. De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners, die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk aanbieden. Artikel 3.1.3 Budget De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening uitgeeft. Voor wettelijke loonkostensubsidie en beschut werk kan geen budgetplafond worden vastgesteld.
10
Artikel 3.1.4 Voorzieningen (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op zijn positie op de arbeidsmarkt. 2. De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen (zie begrippenlijst). Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. 3. De gemeente beoordeelt per persoon welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal zaken, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en of er bij de gemeente voldoende budget beschikbaar is. 4. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en wat van belang is voor die ondersteuning. Ook wordt vastgelegd welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt over de ondersteuning en over wat de inwoner zelf doet om eerder aan werk te komen. Paragraaf 3.2 Wettelijke voorzieningen Artikel 3.2.1 Beschut werk (PW)
1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als het UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken een veilige werkplek te bieden. 3. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. 4. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de werktijden of de werkbegeleiding. 5. De gemeente kan inwoners, die in aanmerking komen voor beschut werk, voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: a. ondersteuning bij het invullen van de dag; b. sociale activering; c. scholing; d. schuldhulpverlening. Artikel 3.2.2 Loonkostensubsidie (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op het werkplek zal zijn, wordt een loonwaardemeting uitgevoerd. 4. De gemeente stelt de loonwaarde vast volgens de methodiek die is vastgesteld door het regionale werkbedrijf van de arbeidsmarktregio Noordoost-Brabant. 5. De loonwaardemeting wordt minimaal eens per 6 maanden en maximaal eens per 5 jaar uitgevoerd. De meting wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de werknemer en zijn ontwikkelmogelijkheden.
11
Artikel 3.2.3 Ondersteuning op de werkplek van een jobcoach (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente kan een inwoner een jobcoach aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. 3. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever en inwoner. Artikel 3.2.4 Ondersteuning bij een leerwerktraject (PW)
1. De gemeente kan een jongere, die een leerwerktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten, ondersteuning aanbieden die nodig is voor het volgen van een leerwerktraject. 2. Het moet gaan om jongeren: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma niveau 2. 3. Er wordt alleen extra ondersteuning ingezet als de ondersteuning die al door school of door de werkgever wordt geboden onvoldoende is. Paragraaf 3.3 Regionale voorzieningen Artikel 3.3.1 Werkervaringsplaats (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage (werkervaringsplaats) aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 5. De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt afgesproken welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, begin- en einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. Ook wordt vastgelegd waarom er geen sprake is van verdringing /oneerlijke concurrentie Lid 3. 6. Het aantal gewerkte uren in een werkstage bedraagt niet meer dan 40 uur per week. Een werkstage duurt maximaal 3 maanden en kan éénmalig met 3 maanden worden verlengd. Artikel 3.3.2 Proefplaatsing (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. 2. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk, maar ook om te kijken of de functie kan worden aangepast zodat deze goed bij de inwoner past. 3. Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal 6 maanden als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. 4. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband legt de werkgever uit wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden.
12
5. Een proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden verlengd met 3 maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner. 6. De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Daarin worden het doel van de proefplaatsing opgenomen, hoe lang de proefplaatsing duurt, wat de werkzaamheden en de werktijden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt. 7. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 8. De werkgever zorgt voor een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering. Paragraaf 3.4 Lokale voorzieningen Artikel 3.4.1 Scholing (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk voor een langere periode te maken. 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de talenten en mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt. Artikel 3.4.2 Indienstnemingssubsidie (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke subsidie geven. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. 3. De indienstnemingssubsidie bedraagt eenmalig € 500 per kalenderjaar. 4. De werkgever moet in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt minimaal 6 maanden; b. de werknemer ontvangt loon hoger dan de bijstandsnorm; c. het werk leidt niet tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en leidt ook niet tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5. Bij een deeltijd-dienstverband wordt de subsidie naar rato berekend. 6. De indiensttredingssubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een ander artikel uit de Participatiewet aanspraak maakt op een financiële tegemoetkoming in verband met de indiensttreding van de werknemer. Artikel 3.4.3 Persoonlijke ondersteuning (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden die nodig is om de stap te zetten naar betaald werk. 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de persoonlijke ondersteuning. Artikel 3.4.4 Sociale activering (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente kan een inwoner, die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die hem dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. Vrijwilligerswerk is hier een voorbeeld van. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
13
Artikel 3.4.5 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal (PW, IOAW, IOAZ)
1. Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren (referentieniveau 1F, niveau basisonderwijs). 2. Deze voorziening wordt vastgelegd in een taalplan. In het taalplan wordt in ieder geval beschreven: a. welke vorm van ondersteuning wordt aangeboden; en b. hoe de voortgang wordt beoordeeld. Artikel 3.4.6 Kinderopvang (PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang)
1. De gemeente verleent op aanvraag een bijdrage in de kosten van kinderopvang als de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Algemene nabestaandenwet (Anw) uitkering en de kinderopvang is nodig om deel te kunnen nemen aan een activiteit van de gemeente op weg naar werk (een voorziening); of b. de inwoner volgt een voltijd hbo- of universitaire opleiding, voortgezet onderwijs of vavoonderwijs; of c. er is sprake van een sociaal medische indicatie, als gevolg van lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen van de ouder of om een dreigende ernstige ontwikkelingsachterstand van het kind op te heffen of te verminderen; d. de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau. 2. De gemeente legt in nadere regels vast welke aanvullende voorwaarden gelden en wat de hoogte van de vergoeding is. Op de kosten wordt de kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst wordt verstrekt in mindering gebracht. Artikel 3.4.7 Andere voorzieningen en vergoedingen (PW, IOAW, IOAZ)
1. De gemeente kan andere voorzieningen op aanvraag inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan of te blijven of om de kans op werk te vergroten. 2. De gemeente kan de kosten vergoeden die een inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Artikel 3.4.8 Nazorg (PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen. Paragraaf 3.5 Tegenprestatie (PW, IOAW, IOAZ)
Artikel 3.5.1 Doel van de tegenprestatie 1. De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als deze dit een passende manier vindt voor de inwoner om iets terug te doen voor de samenleving. 2. De gemeente legt geen tegenprestatie op als: a. er een grote kans is op betaalde arbeid. De reden hiervoor is dat de focus gericht moet zijn en blijven op betaalde arbeid. b. als de inwoner mantelzorg of vrijwilligerswerk verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie. Artikel 3.5.2 Voorwaarden tegenprestatie 1. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 14
2. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de interesses en capaciteiten van de inwoner. Artikel 3.5.3 Inhoud van de tegenprestatie 1. De duur van de tegenprestatie wordt bepaald op basis van de individuele omstandigheden van belanghebbende met een maximale duur van 12 maanden. Hierin spelen de volgende factoren een rol: • de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de inwoner; • de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de inwoner; • het arbeidsvermogen van de inwoner. 2. De omvang van de tegenprestatie wordt bepaald op basis van de individuele omstandigheden van de inwoner met een maximum van 30 uur per week. Paragraaf 3.6 Meedoen in de samenleving met een beperking of een psychisch of psychosociaal probleem (Wmo)
Een inwoner die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig heeft om mee te doen in de samenleving (participatie), kan op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen. Hij moet wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 (voorwaarde voor ondersteuning) van deze verordening. De gemeente kijkt altijd of de inwoner mogelijkheden heeft om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. En of het resultaat bereikt kan worden met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemene voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoner, zodat hij in staat is om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hieronder staan de vormen van ondersteuning die de gemeente in ieder geval kan geven: • Groepsbegeleiding • Individuele begeleiding • Vervoer op Maat • Hulpmiddelen voor vervoer Artikel 3.6.1 Uitgangspunten a. De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk kunnen meedoen in de samenleving. Inwoners kunnen op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen als ze voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.3.2 in deze verordening.
Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. b. Het college kan in nadere regels vaststellen op welke manier dit artikel wordt uitgevoerd. Artikel 3.6.2 Groepsbegeleiding De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die niet in staat is de dag goed in te vullen, ondersteuningop-maat kan krijgen (geïndiceerde dagbesteding). De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner onder begeleiding één of meer dagdelen per week mee kan doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Meierijstad heeft in haar wijken en dorpen veel algemene voorzieningen voor dagbesteding. De gemeente kijkt daarom altijd eerst of deze algemene voorzieningen voor dagbesteding passend zijn voor de vraag van de inwoner. Groepsbegeleiding is voorliggend aan individuele begeleiding. Bij groepsbegeleiding kan een indicatie voor vervoer gegeven worden. Dat kan alleen als de inwoner niet zelfstandig, of met behulp van het netwerk of met behulp van een algemene voorziening zich van de woning van de inwoner naar de locatie voor groepsbegeleiding kan verplaatsen.
15
Artikel 3.6.3 Individuele begeleiding De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die niet in staat is de normale dagelijkse activiteiten te doen, ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner in meerdere of mindere mate individueel begeleid wordt bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent dat de begeleider ondersteunt bij de dagelijkse gang van zaken en dat hij de inwoner ondersteunt om op een goede manier met zijn omgeving en netwerk om te gaan. De begeleider kan ook ondersteunen bij vaak terugkerende activiteiten. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar kan als dat nodig is wel de regie overnemen. Artikel 3.6.4 Vervoer op Maat 1. De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking onvoldoende kan verplaatsen ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner geholpen wordt met vervoer dicht bij huis zodat hij zelfstandig kan blijven en mee kan doen met sociale, recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. Bij het vervoer op maat gaat het om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of c. het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit (van de gemeente) om de dag in te vullen.
Uitgesloten zijn activiteiten zoals benoemd in artikel 3.6.4.2 lid f en lid g. 2. De gemeente kent de volgende mogelijkheden voor Vervoer op Maat: Het collectief maatwerkvervoer: het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met het collectief maatwerkvervoer. De inwoner komt alleen in aanmerking voor collectief maatwerkvervoer als men geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, men het openbaar vervoer niet kan bereiken of als lokale andere vervoersmogelijkheden niet mogelijk zijn. Voor collectief vervoer geldt het volgende: a. Er is een kilometergrens van 2000 kilometer per jaar. Daarboven wordt niet meer vergoed; b. Als een inwoner later in het jaar gebruik gaat maken van het collectief vervoer, wordt het aantal kilometers berekend voor de resterende dagen van het kalenderjaar (2000/ 365 x resterende aantal dagen tot en met 31 december); c. De gestelde kilometergrenzen gelden voor ritten binnen de vervoersregio en de vastgestelde puntbestemmingen. Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2022 e.v.); d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van het maximale aantal kilometers (zie Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2022 e.v.); e. Voor het reizen met het collectief vervoer geldt een reizigersbijdrage.
Het college kan daarvoor nadere regels vaststellen (zie nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2022 ev.); f. Het vervoer is niet bedoeld voor woon-werkverkeer en vervoer naar geïndiceerde dagbesteding; g. Het vervoer is niet bedoeld voor ziekenvervoer dat vergoed wordt vanuit de zorgverzekering; h. Het vervoer is alleen bedoeld voor vervoer voor sociale doeleinden als de inwoner ook WLZindicatie heeft. 3. Een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding: hiermee kan de inwoner de werkelijke kosten tot maximaal 2000 kilometer per jaar declareren. 4. Het geschikt maken van de eigen auto door een autoaanpassing: hiervoor wordt maximaal één keer per 7 jaar een reële vergoeding verstrekt. Een autoaanpassing is alleen mogelijk als dit de meest goedkope en passende oplossing is. 5. Om Vervoer op Maat beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met een lokale vervoersvoorziening, daarna naar collectief maatwerkvervoer, daarna naar een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding en als laatste naar het geschikt maken van de eigen auto. De goedkoopst mogelijke passende voorziening wordt toegekend.
16
Artikel 3.6.5 Hulpmiddelen voor vervoer 1. De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking niet kan verplaatsen in en om de woning, ondersteuning-op-maat kan krijgen. Die ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van een rolstoel of ander hulpmiddel voor vervoer om zich te verplaatsen in en om de woning. 2. Hiervoor kent de gemeente de volgende ondersteuning: a. Voor dagelijks zittend gebruik wordt een hiervoor geschikte rolstoel toegekend. b. Voor verplaatsen dichtbij huis wordt een hulpmiddel voor vervoer toegekend. c. Voor sportieve activiteiten wordt een vergoeding voor het kopen en onderhouden van een sportrolstoel toegekend. Deze vergoeding wordt één keer per 3 jaar verstrekt. d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van de termijn genoemd bij c. Artikel 3.6.5 Vervanging hulpmiddelen voor vervoer Als de gemeente eerder een hulpmiddel voor vervoer heeft verstrekt en deze moet worden vervangen, doet de gemeente dit alleen als het hulpmiddel voor vervoer: 1. technisch is afgeschreven; 2. verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of 3. geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het verplaatsen dichtbij huis.
17
Hoofdstuk 4 Gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet)
Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de jongeren zelf, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij op aanvraag een beroep doen op ondersteuning van de gemeente. Deze ondersteuning wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde ondersteuning te verminderen. Daarbij staan het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Voor deze laatste groep van 18 tot 23 jaar is onder bepaalde wettelijke voorwaarden verlengde jeugdhulp mogelijk. Pleegzorg geldt standaard tot 21 jaar en is verlengd mogelijk tot 23 jaar. Kerndoelen: • De jongere moet gezond en veilig kunnen opgroeien. •
De gemeente stemt de ondersteuning af op de ouder(s) en jongeren en zorgt voor goede aansluiting op andere hulp.
•
Vrij toegankelijke ondersteuning gaat voor ondersteuning-op-maat.
Artikel 4.1 Uitgangspunten bij het bieden van ondersteuning 1. Bij het bieden van ondersteuning houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging, maatschappelijke opvattingen en de culturele achtergrond van de jongere en de ouder(s). 2. Alle ondersteuning is gericht op het bereiken van persoonlijke stabiliteit of het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouder(s) en hun sociale netwerk. 3. De gemeente betrekt de wensen van de jongere en zijn ouder(s) bij de keuze voor de vorm van jeugdhulp. 4. Pleegouders kunnen voor ondersteuning in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra ondersteuning vragen aan de gemeente. 5. Als het gewenste resultaat van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met ondersteuning die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om ondersteuning door het Centrum voor Jeugd en Gezin. Kan het gewenste resultaat niet bereikt worden met die ondersteuning, dan wordt ondersteuning-opmaat ingezet. Artikel 4.2 Vrij toegankelijke voorzieningen 1. De gemeente zorgt ervoor dat kinderen en jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien.
Om dat te bereiken, ondersteunt de gemeente jongeren en hun ouders in ieder geval met de onderstaande vrij toegankelijke voorzieningen: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken of kernen, scholen en kinderopvang samenwerken en elkaar aanvullen; b. ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van informatie, persoonlijk advies en specifieke cursussen of trainingen; c. jeugdgezondheidszorg (GGD); d. het jongerenwerk en jongerencentra; e. generalistische basiszorg van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG); f. een vertrouwenspersoon en onafhankelijke cliëntondersteuning; g. voorzieningen voor spoedeisende situaties. 2. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen door bovengenoemde instanties en dat daar ook zo vroeg mogelijk ondersteuning wordt geboden. 18
3. De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag, 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan de vrij toegankelijke en individuele voorzieningen verbonden voorwaarden. Artikel 4.3 Individuele voorzieningen (ondersteuning-op-maat) 1. De gemeente kan in ieder geval de volgende ondersteuning-op-maat aanbieden: a. consultatie en advies; b. respijtzorg (verblijf licht, logeeropvang); c. begeleiding (basis en specialistisch); d. daghulp (basis, specialistisch en intensief); e. orthopedagogische behandeling (basis en specialistisch); f. generalistische Basis GGZ; g. specialistische GGZ; h. dyslexiezorg; i. medicatie consultatie; j. vaktherapie; k. intensieve specialistische jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige; l. pleegzorg; m. verblijf (gezinsvervangend, basis, specialistisch en intensief); n. gesloten jeugdhulp; o. crisishulp; p. vervoer in het kader van de jeugdwet. 2. Deze ondersteuning is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente of een verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering nodig. 3.
Voor deze ondersteuning gelden de voorwaarden voor jeugdhulpaanbieders die opgenomen zijn in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. Artikel 4.4 Overgang van 18- naar 18+ 1. De gemeente is ervoor verantwoordelijk dat jongeren, die jeugdhulp krijgen, ondersteund blijven als die ondersteuning nog nodig is als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente samen met de jongere en jeugdhulpaanbieder zorgt voor een toekomstplan voor de jongere op alle belangrijke onderwerpen. 2. Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: a. scholing, werk en/of participatie; b. wonen; c. inkomen; d. zorg en ondersteuning; e. vrije tijd; f. het netwerk van de jongere. 4. Het is onder bepaalde wettelijke voorwaarden mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het toekomstplan. 5. Als een jeugdige ouder dan 18 jaar niet in aanmerking komt voor verlengde jeugdhulp en ondersteuning nog wel wenselijk is, kan de jeugdige een aanvraag indienen voor ondersteuning vanuit de Wmo. 6. Als sprake is van pleegzorg, dan wordt deze ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan.
De jeugdhulp kan zo nodig onder bepaalde wettelijke voorwaarden worden verlengd totdat de jongere 23 jaar wordt.
19
Hoofdstuk 5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving (Wmo)
Inwoners met een beperking en/of met (langdurige) psychosociale problemen hebben soms ondersteuning nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te ondersteunen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de ondersteuning die de gemeente aan deze inwoners kan geven. Kerndoelen: •
Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven.
•
De gemeente stemt de ondersteuning af op de inwoner.
Paragraaf 5.1 Algemeen Artikel 5.1.1 Uitgangspunten 1. De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen als ze voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.3.2 in deze verordening. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. 2. Het college kan in nadere regels vaststellen op welke manier dit hoofdstuk wordt uitgevoerd. Paragraaf 5.2 Zelfstandig en veilig wonen Artikel 5.2.1 Geschikte woning: aanpassen of verhuizen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgt als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2. Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning. De gemeente kan de aanvraag om aanpassing van de woning dan afwijzen. Zeer hoge kosten zijn kosten van meer dan € 10.000 in de periode van de komende 5 jaar.
Bij de eerste melding wordt in het onderzoek door de gemeente gekeken of door de gezondheidssituatie van de inwoner of de situatie van de woning in een periode van 5 jaar nog meerdere aanpassingen verwacht worden die het bedrag van € 10.000 gaan overschrijden. 3. De inwoner komt bij een afwijzing van een aanvraag om een woningaanpassing zoals genoemd in het tweede lid in aanmerking voor een vergoeding voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze vergoeding bedraagt € 2.650 en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van consumentenprijzenindex van het CBS. De verhuiskostenvergoeding kan pas worden toegekend als uit onderzoek blijkt dat dit ook de juiste voorziening is. Het onderzoek betreft de beperkingen van de aanvrager, de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, en alle andere relevante feiten en omstandigheden. Het college kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belangenafweging die gemaakt moet worden.
20
Artikel 5.2.2 Wanneer geen aanpassing De gemeente geeft geen ondersteuning-op-maat in de volgende situaties: a. De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt; b. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen; c. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropener, stalling voor vervoersvoorzieningen, etc.; d. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden; e. De inwoner is, zonder dringende reden, verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning naar een andere woning waar wel ondersteuning nodig is; f. De inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg; g. De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de belemmeringen bij het normale gebruik van zijn woning weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven; h.
De inwoner heeft niet zijn hoofdverblijf in de woning waar de woonvoorziening voor wordt aangevraagd. Uitgezonderd hiervan is het bezoekbaar maken van één woning binnen de gemeente voor een inwoner verblijvende in een Wlz-instelling, indien dit noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te kunnen deelnemen aan het sociaal leven. Artikel 5.2.3 Vervanging eerder verstrekte voorziening Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als: a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of c. de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner. Artikel 5.2.4 Onderhoud, keuring, reparatie en verzekering De hoogte van de vergoeding voor de kosten van onderhoud, keuring, reparatie en verzekering van de woonvoorzieningen is gelijk aan de werkelijke kosten. De aanbieder en de gemeente bepalen hoeveel onderhoud en welke keuring er nodig is. Artikel 5.2.5 Overlijden Na het overlijden van de inwoner, kan de voorziening worden toegekend aan de inwonende partner of huisgenoot, als deze door zijn beperking hier ook al gebruik van maakte. Paragraaf 5.3 Een schone en leefbare woning Artikel 5.3.1 Huishoudelijke verzorging 1.
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. De gemeente stelt in overleg met de inwoner en de door hem gekozen zorgaanbieder vast hoeveel uur nodig zijn om de woning schoon en leefbaar te houden. Uitgangspunt is daarbij het HHM rapport van 2019 dat objectieve criteria bevat voor een schone en leefbare woning en waarin concrete normen zijn opgenomen. 2. De gemeente kan ook besluiten om een collectieve voorziening huishoudelijke verzorging toe te kennen als er sprake is van meerdere inwoners die woon- en gebruiksruimtes delen.
21
3. Huishoudelijke verzorging wordt alleen ingezet als de inwoner geen mogelijkheden heeft om het gewenst resultaat op eigen kracht te bereiken en hij dit resultaat ook niet kan bereiken met gebruikelijke zorg van huisgenoten. 4. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de inwoner de volgende voorziening kan krijgen: a. Ondersteuning bij een schoon huis. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon, waarbij vooral het zware schoonmaakwerk wordt gedaan. b. Regie op het huishouden. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp, maar er wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding waarbij uiteindelijk de regie ook weer bij de inwoner komt en/of het aanleren van schoonmaakvaardigheden. 5. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning-opmaat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. Paragraaf 5.4 Beschermd wonen Artikel 5.2.1 Beschermd wonen 1. Beschermd wonen is ondersteuning-op-maat waarbij inwoners daar wonen waar 24 uurs toezicht en/of begeleiding aanwezig is. Dit wonen gebeurt zelfstandig, geclusterd of binnen een instelling. 2. Beschermd wonen is bestemd voor: a.
volwassenen met psychiatrische problemen met beperkt psychische of psychosociale functioneren eventueel gecombineerd met beperkt intellectueel vermogen en/of gedragsproblemen en tijdelijk niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; b. volwassenen met licht verstandelijke beperking met beperkt psychisch of psychosociaal functioneren en/of gedragsproblemen die tijdelijk niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Bij beschermd wonen wordt een veilige leefomgeving geboden door vormen van toezicht en begeleiding. Het college kan Nadere regels stellen voor de verschillende vormen van beschermd wonen. 4. De ondersteuning is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie (meedoen in de samenleving) maar is ook gericht op het psychisch en sociaal functioneren, het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of van gevaar voor de inwoner zelf en anderen. 5. Binnen beschermd wonen worden zes pakketten onderscheiden. Dit zijn: - Intramuraal Beschermd wonen Intensief - Intramuraal Beschermd wonen basis - Kleinschalig Thuis intensief - Kleinschalig Thuis basis - Zelfstandig Thuis intensief - Zelfstandig Thuis basis 6. Deze pakketten kunnen aangevuld worden met één van de drie bestaande modules Dagbesteding Beschermd wonen.
Dit zijn: - 1 t/m 3 dagdelen - 4 t/m 6 dagdelen - 7 t/m 9 dagdelen Artikel 5.2.2 Toe- en afwijzingsgronden 1. Een inwoner kan op aanvraag in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. de inwoner een geldende psychiatrische diagnose heeft van een arts (BIG-geregistreerde artikel 14-functionaris);of b. het nodig is om de inwoner of directe omgeving te beschermen als gevolg van deze gediagnosticeerde psychiatrische aandoening; en c. de regio Meierij en Bommelerwaard de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is.
22
2. De inwoner komt niet in aanmerking voor beschermd wonen als: a. de inwoner zelfstandig kan wonen zonder dat specifieke ondersteuning noodzakelijk is, die 24 uur en 7 dagen per week beschikbare ondersteuning en/of begeleiding vereist; of b. de inwoner geen medisch toetsbare psychiatrische diagnose kan overleggen waaruit de noodzaak tot beschermd wonen blijkt of c. de inwoner wel een aantoonbare diagnostische behoefte tot beschermd verblijf heeft, maar hiervoor nog onder behandeling staat; d. de regio Meierij en Bommelerwaard niet de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is. In dat geval wordt de aanvraag ter behandeling doorgezonden naar de regio die het meest kansrijk is. Paragraaf 5.5 Maatschappelijke opvang Artikel 5.5.1 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner van 18 jaar en ouder, ondersteuning-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang.. 2. Onder maatschappelijke opvang worden de voorzieningen dag- en nachtopvang, opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, jongerenopvang, kleinschalige opvang en woon-werktrajecten verstaan. 3. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang uit voor de zeven gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, ’s-Hertogenbosch, Vught en Zaltbommel. 4. De kleinschalige opvang in Meierijstad is een lokale verantwoordelijkheid.