CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Beleidskader duurzame energie opwek.pdf

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling beleidskader 'Duurzame energie opwek in Meierijstad'16.927 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Inwonerspanel Op 11 maart namen zo’n 60 inwoners deel aan het Inwonerspanel duurzame energie opwek. In de ochtend vonden er kennissessies plaats: één over techniek en tempo, de andere over meerwaarde en landschappelijke inpassing. In de middag delibereerden deelnemers over de vragen waar kan het in onze gemeente? Wie moet ervan profiteren? En welke randvoorwaarden moeten we stellen? Ze deden dit door zich te verplaatsen in de direct omwonenden, inwoners/ recreanten, de gemeente en de agrariër. Communicatie Op 18 januari organiseerden we een persgesprek over duurzame energie in het algemeen en het beleidskader in het bijzonder. Bestuurlijk spoor Raadsleden werden als toehoorder uitgenodigd tijdens de plenaire terugkoppeling van het inwonerspanel. Op 16 maart werd daarnaast een beeldvormde avond georganiseerd.

Om in te kunnen spelen op de actualiteit, wensen, ideeën en zaken die we tijdens de uitvoering ontdekten, wijkt de hierboven beschreven aanpak af van de oorspronkelijke aanpak. Zo bleek tijdens het proces dat er meer ruimte nodig was om stil te staan bij de totstandkoming van de zoekgebieden wind en bleek ook dat windturbines, in verband met de radarverstoring, nu niet mogelijk zijn in Meierijstad. Ook de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 en de duur van de daaropvolgende collegeonderhandelingen speelden een rol in dit proces. In de rapportage over de participatie wordt hier verder op ingegaan. Kader 4.1: Voorgenomen aanpak versus uitgevoerde aanpak

26 - 4 Aanpak

5 OPGAVE INLEIDING De gemeenteraad heeft op 8 november 2018 de duurzaamheidsvisie vastgesteld. In deze visie is opgenomen dat de gemeente in 2050 energieneutraal wil zijn. Dat betekent dat alle energie die in Meierijstad wordt verbruikt, in Meierijstad wordt opgewekt. Om een gemotiveerd besluit te kunnen nemen over de hoeveelheid hernieuwbare energieopwekking die dan nodig is, is het van belang inzichtelijk te hebben hoeveel het verbruik is. Vervolgens kan – aan de hand van een realisatiescenario – bekeken worden wat daarvoor op welk moment in de tijd nodig is om die doelstelling te kunnen realiseren. De enige voorwaarde die hiervoor door andere overheden voor is opgelegd staat in het klimaatakkoord en dat is dat op 1 januari 2025 alle aangevraagde benodigde vergunningen voor hernieuwbare opwek op land voor de RES-doelstelling af moeten zijn gegeven. Dit hoofdstuk gaat hier nader op in.

HUIDIGE ELEKTRICITEITSVRAAG Momenteel is er in de gemeente Meierijstad een elektriciteitsverbruik van circa 2.426 TJ (0,674 TWh) per jaar. Het gaat hierbij om cijfers uit 2020, dit

zijn de meest recente data die bekend zijn. Naast het elektriciteitsverbruik is er ook een energievraag vanuit de verwarming van huizen, bedrijven en de industrie en er is energiegebruik door het verkeer. We leggen in dit beleidskader voor duurzame energie opwek de focus op de elektriciteitsvraag.

TYPE ENERGIEVERBRUIK

TJ

Elektriciteitsverbruik

2.426

Warmteverbruik

4.588

Energieverbruik verkeer en vervoer

2.482

Totaal bekend energieverbruik

9.496

Tabel 5.1 Huidige energieverbruik Meierijstad CBS, 2020

TOEKOMSTIGE ELEKTRICITEITSVRAAG Hoe groot de exacte elektriciteitsvraag in 2050 zal zijn, is sterk afhankelijk van de ontwikkelingen in de energietransitie. Denk bijvoorbeeld aan een stijgende elektriciteitsvraag als gevolg van onder andere elektrische mobiliteit, het elektrificeren van de warmtevraag in gebouwen en het omzetten van elektriciteit in waterstof, voor verwarming en indus-

19 Klimaatmonitor, geraadpleegd 26 september 2022 20 De cijfers voor 2020 zijn representatief ondank de coronapandemie, er is geen grote afwijking t.o.v. voorgaande jaren. 27 - 5 Opgave

rekenen. We gaan deze berekening elke twee jaar uitvoeren.

triële processen. Als er rekening wordt gehouden met deze verwachte ontwikkelingen, komt de toekomstige elektriciteitsvraag in 2050 zoals berekend op 4.557 TJ. In figuur 5.1 is weergegeven hoe de toekomstige elektriciteitsvraag is opgebouwd, waarbij dus rekening gehouden is met al deze ontwikkelingen.

Elke twee jaar herijken we de energiemix, om inzicht te krijgen in de realisatie van de opwekdoelen; Daarnaast kunnen we zo nieuwe technieken en efficiency in bestaande technieken verwerken in de duurzaamheidsopgave voor opwek voor de gemeente Meierijstad. Als hier wijzigingen voor het beleidskader uit naar voren komen, nemen we deze over en leggen we deze voor besluitvorming voor aan de gemeenteraad.

Bij het bepalen van de toekomstige elektriciteitsvraag is er rekening gehouden met een restvraag voor warmte die niet elektrisch ingevuld kan worden, omdat de benodigde temperatuur binnen de zware industrie te hoog is, of voor oudere woningen die niet volledig van gas afgesloten kunnen worden. Deze restvraag kan ingevuld worden met bijvoorbeeld groengas of waterstof. Daarnaast wordt er in de berekening ook rekening mee gehouden dat een deel van de benodigde energie voor zwaar verkeer niet elektrisch ingevuld zal zijn in 2050. Omdat de batterijpakketten voor vrachtwagens te groot zijn, wordt, om in deze energiebehoefte te voorzien, waarschijnlijk ingezet op waterstof. In figuur 5.2 is de verdeling van de totale energievraag weergegeven. Deze energiemix is de basis waar we mee

Het uitvragen en realiseren van opwekinitiatieven wordt continue geëvalueerd. Daarnaast vindt er in 2025 een evaluatie plaats, waarin we kijken naar de, in dit kader, voorgestelde werkwijze. Ook evalueren we dan op welke wijze de hogere ambities in het beleidskader effect hebben op de binnengekomen initiatieven. Mocht uit de evaluatie blijken dat wijzigingen in het beleidskader nodig of wenselijk zijn, dan nemen we deze over en worden deze voorgelegd voor besluitvorming.

OPBOUW ELEKTRICITEITSVRAAG 2050 -631

823

4.557

1.279

48

369 TJ

s an al nb O

50 g

20

g Vr aa

in ar sp Be

co nv er en

tie ca

Figuur 5.1 opbouw elektriciteitsvraag in 2050

28 - 5 Opgave

sie

te w ar m

g El

ek

tr ifi

Ko ud ev ra a

te

it

gr oe

i m he El

ek

tr isc

e na m

ob

be vo l

ili

ki

ng sg ro e

g vr aa ge di ui H To e

i

243

2.426

VERDELING TOTALE ENERGIEVRAAG

1.272 TJ

Elektriciteit Warmte (restvraag)

715 TJ

Brandstof verkeer

4.557 TJ

Figuur 5.2 Verdeling totale energievraag

DOELSTELLING DUURZAME ELEKTRICITEIT (DE OPGAVE)

INVULLING OPGAVE TOT 2030

Zoals hierboven al aangegeven, is de benodigde elektrische energie in 2050 ongeveer 4.557 TJ. Uitgaande van het afgesproken doel, 100% energieneutraal, betekent dit dat de gemeente deze 4.557 TJ in 2050 moet opwekken op het eigen grondgebied. Dit is daarmee dus de opgave voor de gemeente Meierijstad in 2050.

Opwekscenario’s Om te komen tot de invulling van de opgave tot 2030 zijn zeer veel scenario’s denkbaar. We hebben gekozen om de, in onze ogen, twee meest realistische scenario’s verder uit te werken en te bespreken in de participatie. Het gaat daarbij om een scenario om in 2030 te komen tot het RES bod, wat we als minimaal scenario hebben weergegeven. Dit leidt tot de onderstaande verdeling in percentages:

REALISATIESCHEMA OPWEKCAPACITEIT MEIERIJSTAD

Scenario RES 2030 Tot 2030

2030 - 2040

2040 - 2050

22%

60%

18%

Figuur 5.3 Realisatieschema scenario RES 2030

Lineair scenario Tot 2030

2030 - 2040

2040 - 2050

28,6%

35.7%

35.7%

29 - 5 Opgave

Scenario RES 2030 Wanneer de opgave naar 2050 voor Meierijstad in te spelen voor 2/3e van de opgave met nieuwe gelijke delen wordt verdeeld komen we tot een technieken en er is ruimte voor uitval van projecten lineairTot scenario. de zonder dat dit ten kosten gaat van de minimale 2030 Dit heeft een aantal voordelen, 2030 - 2040 2040 - 2050 uitvragen/werkzaamheden worden gelijk verdeeld RES-doelstelling. Dit scenario geeft de volgende over de tijd, er blijft nog voldoende tijd over om in 22% 60%percentages: 18%

Lineair scenario Tot 2030

2030 - 2040

2040 - 2050

28,6%

35.7%

35.7%

Figuur 5.4 Realisatieschema Lineair scenario

Weergegeven in één grafiek, ziet dit er als volgt uit:

SCENARIO’S INVULLING OPGAVE GRONDGEBONDEN ZONNE-ENERGIE 2183 TJ 109 ha

408 TJ 133 ha

191 TJ 62 ha

2023

2030

2040

2050

Figuur 5.5 Scenario’s invulling opgave grondgebonden zonne-energie

In onderstaande grafieken wordt ingegaan op de invulling van de opgave tot 2030. Hierbij is gebruikgemaakt de technieken van zonne-energie en

30 - 5 Opgave

windenergie. In de scenario’s is al rekening gehouden met zon op dak, de windturbines bij Veghel, besparing en de al gerealiseerde zonneparken.

SCENARIO LINEAIR 2030 (1.302 TJ) 500

408

400 365

300 270

200

108

100

150

133

66

49

35

0 Zon op dak gerealiseerd

ha

Zon op dak nog te realiseren

Zon grondgebonden gerealiseerd + in procedure

Zon grondgebonden nog te realiseren

Windenergie (Veghel)

TJ

Figuur 5.6 scenario Lineair 2030

SCENARIO RES 2030 (1.008 TJ) 500

400

300

289

270

200

191 150 108

100 53

49

62 35

0 Zon op dak gerealiseerd

ha

Zon op dak nog te realiseren

TJ

Figuur 5.7 Scenario RES 2030

31 - 5 Opgave

Zon grondgebonden gerealiseerd + in procedure

Zon grondgebonden nog te realiseren

Windenergie (Veghel)

Welke weg naar de opgave in 2050 (met een tussenopgave in 2030) De gemeente kiest voor een lineair scenario in de invulling van de opgave richting 2050. Dit doen we omdat in de praktijk blijkt dat een deel van de opgave niet ingevuld wordt, dit zien we bijvoorbeeld ook in de eerste tranche zonneparken. Dit betekent dat er naast de vier windturbines in Veghel tot 2030 ongeveer 70 hectare zon op grote daken bij moet komen en ongeveer 130 hectare grondgebonden zon om op koers te blijven richting 2050. Het RES bod dat de gemeenteraad heeft vastgesteld is lager dan het voorgestelde lineaire scenario. Het RES bod gaat uit van ongeveer 62 hectares zon in 2030. In het lineaire scenario hanteren we een hoger aantal omdat we in de afgelopen jaren gemerkt hebben, in onze eigen gemeente en in gemeenten om ons heen, dat de uitval van projecten groot is. Daar komt bij dat in het klimaatakkoord is afgesproken dat vergunningen van projecten voor het RES bod 2030 uiterlijk in

32 - 5 Opgave

2025 afgegeven moeten zijn. Tranches en vergunningaanvragen vanaf 2026 worden dan ook gedaan voor realisatie rond/na 2030. Het lineaire scenario richt zich op de hoeveelheid hectares die uit wordt gevraagd in de periode tot 2030. Dit betekent niet automatisch realisatie in dezelfde periode. In de rekenmethodes voor de investeringsplannen van TenneT en Enexis baseren zij zich vooral op de ambities voor opwek zon op land; en minder op potentie van zon op grootschalige daken. Dat geeft ons een tweede reden om voor een hogere ambitie te gaan. In de slipstream van deze investeringen, en dus netuitbreiding, kan namelijk ook sneller en meer zon op dak op onze bedrijfsdaken gerealiseerd worden. Vanwege de verwachte uitval in projecten, gecombineerd met de druk op de netwerkbedrijven, is het ook aan te raden om uitgevallen hectares niet “weg te laten vallen” maar op een later moment weer in te zetten.

6 PARTICIPATIE INLEIDING In de vorige hoofdstukken is inzichtelijk gemaakt waar buiten de gemeente om rekening mee gehouden moet worden en in welk tempo we deze opgave op willen pakken. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ambities en voorwaarden waar initiatieven voor duurzame energie opwek binnen Meierijstad aan moeten voldoen. Goede participatie en communicatie is hierbij voor ons een randvoorwaarde en het startpunt, om zo aan draagvlak voor deze nieuwe projecten voor duurzame opwek te werken. In volgende hoofdstukken wordt ingegaan op de andere randvoorwaarden die we aan partijen willen meegeven. Het gaat dan onder andere om ruimtelijke kaders en overige ambities.

33 - 6 Participatie

In de projectfase bestaan er twee vormen van participatie: procesparticipatie en financiële participatie (deelname). Met procesparticipatie bedoelen we dat de omgeving (omwonenden en andere belanghebbenden) in een vroeg stadium betrokken is bij het proces van totstandkoming en uitwerking van een initiatief. Financiële participatie (deelname) verwijst naar de mate waarin de lusten in termen van financiën en eigendom ook bij anderen dan de initiatiefnemer terechtkomen. Financiële participatie (deelname) zorgt voor een eerlijkere verdeling van de lusten en lasten van duurzame energie opwek projecten. Onderstaand gaan we eerst in op procesparticipatie en daarna op financiële participatie. Waarom participeren? Participatie zorgt ervoor dat er in een vroegtijdig stadium zicht komt op belangen, wensen, ervaringen, kennis en creativiteit van inwoners en andere

betrokkenen en belanghebbenden bij projecten voor duurzame energie opwek. Participatie zorgt ervoor dat deze besproken kunnen worden en dat er een evenwichtige afweging gemaakt kan worden voordat er niet omkeerbare besluiten worden genomen. Participatie betekent niet dat alle partijen het met elkaar of met het project eens moeten worden. Het betekent wel dat belanghebbenden volwaardig betrokken zijn en worden bij de totstandkoming en uitwerking van een duurzaam energieproject. Een voorwaarde voor goede participatie is dat belanghebbenden écht worden gehoord en dat in gezamenlijkheid wordt bekeken of hun stem vorm kan krijgen in (een aanpassing van) het projectplan. Participatie zorgt er verder voor dat er een betere besluitvorming kan plaatsvinden doordat alle belangen vroegtijdig in beeld zijn en met deze belangen rekening kan worden gehouden. Zo worden, met de inbreng van belanghebbenden en belangstellenden, projectplannen verrijkt en verbeterd. Ook verkleint participatie de kans op vertraging door bezwaar- en beroepsprocedures. Omdat mogelijke bezwaren al vroegtijdig in het proces bekend zijn kunnen deze mogelijk weggenomen worden door aanpassingen in het projectplan.

Als aanpassingen in het projectplan niet mogelijk of wenselijk zijn, kan daar gedurende het participatietraject aandacht aan worden geschonken en kan worden aangegeven waarom zaken niet aangepast (kunnen) worden. Hierdoor ontstaat mogelijk begrip voor een keuze, wat de kans op een bezwaar- en beroepsprocedure verkleint. Participatie zorgt doorgaans voor meer draagvlak en betrokkenheid en bij goed uitgevoerde participatie is de kans op (een vlotte) realisatie groter. De gemeente hecht een groot belang aan het betrekken van (direct) omwonenden: zij dienen altijd betrokken te worden. Wie wordt gezien als direct omwonende zal per project worden bekeken. De intentie is daar ruimhartig mee om te gaan: we betrekken liever meer dan minder mensen.

PARTICIPATIEPLAN Hoe de proces- en financiële participatie vorm krijgt, wordt beschreven in een participatieplan. In dit plan moet in ieder geval aan bod komen: 1. in welke mate (en hoe) omwonenden en andere belanghebbenden (omgeving) betrokken worden bij de ontwikkeling van het duurzame energieproject; 2. welke middelen worden ingezet voor het informeren en betrekken van de omgeving; 3. hoe uitkomsten van het proces worden vastgelegd; 4. welke mogelijkheden worden geboden voor financiële participatie. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de opstelling van het participatieplan. De gemeente faciliteert, denkt mee en bewaakt. Kader 6.1 Participatieplan

34 - 6 Participatie

Rollen van de gemeente De gemeente kan verschillende rollen op zich nemen in de energietransitie. We lichten ze hieronder verder toe: Toetsende rol: Het toetsen van initiatieven aan wettelijke kaders. De gemeente treedt in deze rol vooral op als vergunningverlener. Faciliterende rol: Het opstellen van randvoorwaarden en de initiatiefnemer hierin faciliteren. Stimulerende rol: Het ondersteunen van initiatieven met behulp van subsidies, garanties, borgstelling en/of leningen, zodat deze initiatieven tot ontwikkeling of realisatie kunnen komen. Samenwerkingsrol: Het samenwerken met private partijen in een partnerschap, eventueel met een minderheidsaandeel in projecten. Eigenaarsrol: Het oppakken van opgaves voor eigen rekening, risico en rendement. Deze rol kan variëren van deelname in een risicovolle ontwikkeling tot (deelname in) exploitatie of het volledig inrichten en exploiteren van een gemeentelijk energiebedrijf. De gemeente heeft tot nu toe vooral geopereerd in een toetsende en/of faciliterende rol. We willen toegroeien naar (minimaal) een stimulerende en samenwerkingsrol en uiteindelijk zelfs naar een eigenaarsrol. Dat betekent dus dat de gemeente per project een andere rol kan oppakken en ook meerdere rollen kan pakken. Dit willen we doen door als gemeente sturend te zijn op de randvoorwaarden. In de toekomst wil de gemeente ook als eigenaar aan tafel zitten.

Zo krijgen we meer regie en zorgen we dat de baten terugvloeien in de lokale gemeenschap. Het lijkt ons echter niet wenselijk dit als gemeente solistisch op te pakken: we willen dit samen doen met inwoners van en bedrijven in onze gemeente. In de volgende paragraaf lichten we deze constructie verder toe.

FINANCIËLE PARTICIPATIE Investeringsplatform lokaal eigendom Het doel van de gemeente is om de energietransitie en de daaraan gekoppelde ontwikkelingen zo maximaal mogelijk in te zetten voor en door haar gemeenschap. Het gaat hier dan om wind- en

zonne-energie, maar, op termijn geldt dit ook voor warmte en andere duurzame energieprojecten. Deze beoogde aanpak sluit aan bij de signalen die opgehaald zijn in het participatietraject dat in de aanloop naar de totstandkoming van dit beleidskader is doorlopen. Ook sluit het aan bij de signalen die vanuit de rijksoverheid21 komen met betrekking tot lokaal eigendom bij bijvoorbeeld warmtenetten. De roep om meer regie en het lokaal terug laten vloeien van middelen uit duurzame energieprojecten is er één die al langer (h)erkend wordt. Wel bleek het lastig om te komen tot een methode die dit mogelijk maakt. Uit onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat de oplossing om het als overheid allemaal zelf te doen vaak een kostbare oplossing blijkt. Kostbaar vanuit financieel oogpunt maar ook als we kijken naar de kennis die we hiervoor aan boord moeten krijgen. Vandaar dat is gekeken naar andere, beter aansluitende methodes. Uiteindelijk heeft deze zoektocht geleidt tot het voorstel om te gaan werken met een model dat uitgaat van een hybride benadering. Hieronder wordt dit model verder uitgelegd. In dit model blijft het merendeel van de voordelen van een gemeentelijk energiebedrijf overeind en vallen een groot deel van de nadelen van een solitair gemeentelijk energiebedrijf weg.

Op het moment van schrijven lijkt dit model het beste aan te sluiten bij de inbreng uit de participatie en de landelijke wens tot meer sturing. Hoewel er wel nader onderzoek moet plaatsvinden om te zien hoe een dergelijk platform in detail werkt, lijkt financiële participatie door middel van een dergelijk investeringsplatform op dit moment de beste oplossing voor de gemeente Meierijstad. Zoals gezegd is hiervoor nader onderzoek nodig. De gemeente gaat daarom de mogelijkheden inventariseren om samen met lokale ondernemers en inwoners zelf lokaal eigendom tot stand te brengen. We werken dan samen in een zogenaamde energiegemeenschap in de vorm van een lokaal investeringsplatform (zie figuur 6.1). Dit platform beantwoordt ook aan de behoefte die in bijna alle participatieactiviteiten naar voren kwam de afgelopen jaren: de behoefte om als gemeente meer de regie te voeren en om de middelen lokaal terug te laten vloeien. Daarnaast sluit het platform ook aan

21 https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8945a8c0bcb7be54eae00d4d2bbb75763326f399/pdf 35 - 6 Participatie

bij de verwachtingen vanuit de Rijksoverheid waarbij voor bijvoorbeeld warmtenetten al is aangegeven dat deze in publieke handen moeten zijn. Met dit model hebben we als eigen gemeenschap meer sturing, zo wel op de fysieke randvoorwaarden als ook op de financiële randvoorwaarden en hoe deze in onze lokale gemeenschap terugvloeien. Het lokale investeringsplatform heeft als voordeel dat alle partijen binnen de lokale gemeenschap meebeslissen en investeren in de duurzame projecten die met het platform opgezet worden. Op het niveau van het investeringsplatform wordt besloten in welk type projecten geïnvesteerd wordt en welke voorwaarden hierbij meegenomen moeten worden. De randvoorwaarden die de gemeente hiervoor stelt, dienen hierbij als basis. Deze zijn hierbij het minimumniveau; de gemeente blijft immers ook de vergunningverlenende instantie en moet daarvoor eisen stellen. De partijen in het platform kunnen in overleg met elkaar wel besluiten tot strengere voorwaarden of bijvoorbeeld de verdeling van de geldstromen.

Ondernemers

Een ander belangrijk kenmerk van het model is de flexibiliteit die het model biedt. Alle partijen in het platform kunnen altijd vanuit hun positie meebepalen en beslissen, ook als zij zelf niet geïnvesteerd hebben in het betreffende project. Het is namelijk niet automatisch zo dat iedere deelnemende partij mee moet investeren bij ieder project. Elk project dat uit wordt gezet, is een apart project en kan een andere financieringsverdeling kennen. Zo zijn bijvoorbeeld projecten denkbaar waar de overheid 50% investeert en de ondernemers ook 50%, maar het is ook mogelijk dat een project dat alle partijen een gelijke deel van 1/3e financieren. En dit zijn slechts twee voorbeelden: allerlei andere verdelingen zijn natuurlijk ook mogelijk. Het platform is ook een manier om in de huidige markt 50% lokaal eigendom te realiseren. Wanneer door bijvoorbeeld grondpositie 100% eigendom voor het platform niet mogelijk is kan binnen dit platform ook 50% lokaal eigendom verdeeld worden onder de lokale partijen. Het model sluit dus aan op de wens om flexibel in te spelen op de activiteiten in de markt. Ook voldoet het aan de wens om zoveel mogelijk regie te realiseren en de eis van lokaal eigendom.

Inwoners

Lokale energie

Figuur 6.1 Model lokaal eigendom

36 - 6 Participatie

Overheden

Om succesvol lokale duurzame energieprojecten te ontwikkelen, te realiseren en te exploiteren, is het belangrijk een aantal uitgangspunten in acht te nemen. Aan de volgende uitgangspunten mag niet voorbijgegaan worden: ·

·

·

Uitgangspunt 1: Het contract met de grondeigenaar geeft toegang tot de ontwikkeling. Zonder toestemming om op één of meerdere percelen een energieopwekker te plaatsen, gaat een project niet door. Uitgangspunt 2: De kwaliteit van het project en de locatie zijn bepalend voor de haalbaarheid van een duurzaam energieproject. Dit wordt beoordeeld door de Commissie Omgevingskwaliteit Meierijstad op basis van het, door de gemeente vastgestelde, criterium (beleidsregels en wetgeving). Uitgangspunt 3: De beschikbaarheid van aansluit- en transportcapaciteit voor een duurzaam energieproject is een cruciale factor als het gaat om de energie-infrastructuur (capaciteit). Dit biedt echter ook kansen. Op dit moment is het aansluiten op het net een puur noodzakelijke actie. Bij een energiegemeenschap is het een sturend principe dat bepaalt wie, waar en hoe er energievoorzieningen in de gemeenschap worden aangelegd. Daarbij is de (nu) sturende rol van bijvoorbeeld Enexis minder aanwezig. Het kan namelijk betekenen dat initiatieven zelf gaan zorgen voor een gedistribueerd netwerk waarbij de aansluiting bij Enexis zeer klein (of, in het geval van een energieproject met opslag niet bestaand) zal zijn.

37 - 6 Participatie

·

·

Uitgangspunt 4: Juridische borging van afspraken is van wezenlijk belang om lokaal eigendom daadwerkelijk tot stand te brengen. Uitgangspunt 5: Lokaal draagvlak en acceptatie zijn, net als lokale besluitvorming, belangrijke facetten voor het borgen van lokaal eigendom in de richting van initiatiefnemers. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat energie (stroom) en warmte basisbehoeften zijn van onze gemeenschap. Het eigendom en zeggenschap moet daarom het liefst voor 100% in lokale handen zijn.

De komende periode wordt het beleid voor lokaal eigendom verder vormgegeven en aan de Raad, als vertegenwoordiger van de lokale gemeenschap, voorgelegd.

7 ZONNE-ENERGIE: GRONDGEBONDEN ZON

Selectie van grondgebonden zon projecten Elk duurzaam energieproject moet aan de ambities voldoen die worden omschreven in hoofdstuk 6 participatie en hoofdstuk 8 zonne-energie: uitgangspunten. Deze ambities worden na vaststelling van dit beleid vertaald in een, door het college vast te stellen, afwegingskader. Met deze werkwijze

kunnen we het afwegingskader beter juridisch borgen zodat het goed aansluit op de (wisselende) wetgeving. Ook zorgen we er zo voor dat ervaringen en hogere ambities in de tijd meegenomen kunnen worden in het afwegingskader

In deze hoofdstukken gebruiken we nog de terminologie op basis van de huidige ruimtelijke ordeningswetgeving. Het betreft dan bijvoorbeeld termen als ‘verklaringen van geen bedenkingen’ en ‘principeverzoeken’. Met dit beleidskader gaat het ons om het vastleggen van een werkwijze. De terminologie is daar ondergeschikt aan. Dit betekent dat de geschetste werkwijze - ondanks het vervallen van de huidige terminologie - onder de Omgevingswet met de dan geldende regelgeving voort wordt gezet. Kader 7.1 Terminologie

38 - 7 Zonne-energie: grondgebonden zon

Voor projecten met grondgebonden zon zijn er twee belangrijke randvoorwaarden waar men aan moet gaan voldoen: 1. De randvoorwaarden voor het beleid (opgenomen in dit beleidskader) en het, door het college uitgewerkte, afwegingskader met daarin de uitwerking van de gestelde ambities. Deze kunnen op basis van voortschrijdend inzicht en/of focus voor het type opwek, in de loop van de tijd aangepast worden. 2. De toekomstvisie (waarvan de omgevingsvisie onderdeel uitmaakt) en de daaruit voortvloeiende strategische en tactische gebiedsuitwerkingen. In deze visie gaat gekeken worden naar de opgaves in specifieke (deel) gebieden in onze gemeente. Mogelijk komen daar extra voorwaarden uit naar voren waar initiatieven zich aan moeten houden. Deze voorwaarden gelden dan naast het hierboven genoemde, en op dat moment geldende, afwegingskader. Indienen van een grondgebonden zonproject Initiatieven voor een grondgebonden zonproject kunnen op twee verschillende manieren bij de gemeente binnenkomen. De twee manieren zijn tranche initiatieven en unieke initiatieven, de twee varianten worden hieronder verder toegelicht. Tranche initiatieven De gemeente blijft initiatiefnemers van grondgebonden zonprojecten uitdagen om te komen met innovatieve duurzame energieprojecten. Dit doen we door het openstellen van een tranche.

Tot 2030 staan er twee tranches gepland, één in 2024 en één in 2026, als niet alle ruimte in de tranches wordt gebruikt is er een mogelijkheid om in de periode tot 2030 extra tranche(s) uit te vragen, binnen de afgesproken hoeveelheid hectares. Ieder initiatief dat ingediend is via een tranche moet aan hierboven beschreven voorwaarden voldoen, als mede aan de specifieke randvoorwaarden van het gebied waar men het project wil realiseren.

Naast deze algemeen geldende eisen, heeft iedere tranche ook een specifieke focus, waarmee we initiatiefnemers uitdagen om met innovatieve oplossingen te komen op bepaalde onderwerpen. Zo focust de tranche van 2024 zich op onafhankelijkheid van het net. De voorwaarden en specifieke focusgebieden van een tranche verschillen per tranche en worden bekend voor het openstellen van een tranche. Als we weten dat een dergelijke tranche er aan komt, communiceren wij hierover richting onze inwoners, zodat voor hen ook duidelijk is dat de tranche er aan komt. Unieke initiatieven Naast het indienen van een initiatief voor een grondgebonden zonproject via een tranche, kunnen initiatieven ook buiten een tranche worden ingediend. We noemen deze initiatieven unieke initiatieven. Door de mogelijkheid te bieden ook buiten de openstelling van tranches om een initiatief in te dienen, houden we mogelijkheid om kwalitatief goede kansen voor grondgebonden zonprojecten te bespreken of in behandeling te nemen als deze zich aandienen buiten het tijdpad van een tranche om. Om ervoor te zorgen dat deze aanpak geen ontsnappingsclausule kan worden voor initiatieven die niet door een tranche komen, stellen we hier een aantal eisen aan. Deze vorm voor initiatieven is een direct gevolg van ervaringen die we de afgelopen jaren hebben opgedaan met de eerste tranche en de wens voor flexibiliteit in uitvragen.

Deze wens kwam voor uit het participatietraject. Om gebruik te kunnen maken van deze mogelijkheid moet aan één van de volgende drie eisen worden voldaan: 1. Het gaat om lokale initiatieven van eigen ondernemers. · Onze eigen ondernemers zijn al druk bezig met duurzame energieopwekking en we merken dat dit een nieuw basisonderdeel in de bedrijfsvoering wordt. Bij uitbreiding/ wijziging van de onderneming komt steeds vaker duurzame energieopwekking ook als onderdeel naar voren. Wanneer dit niet op dak maar op een andere manier gaat, bijvoorbeeld als teeltondersteuning, dan

39 - 7 Zonne-energie: grondgebonden zon

willen we dit ook buiten een tranche om mogelijk maken. Investeringsbeslissingen lopen immers niet altijd gelijk op met de momenten waarop we als gemeente een tranche open hebben staan. 2. Het gaat om innovatieve methoden voor opslag of opwek of nu nog niet bekende innovaties/meerwaarde · De ontwikkelingen in de markt gaan razendsnel en wat we nu opschrijven in dit beleid kan morgen al verouderd zijn. Om de markt uit te dagen en open te blijven staan voor innovaties die aansluiten bij de ambities in dit beleidsdocument willen we ruimte bieden voor innovatieve initiatieven ook buiten de tranches om. Dit kan dus ook betekenen dat het gaat om initiatieven van partijen buiten de gemeente Meierijstad. 3. 100% lokaal eigendom · Deze voorwaarde geldt alleen in combinatie met één van de hier boven genoemde eisen maar de basis voor een uniek initiatief is dat er sprake is van 100% lokaal eigendom. Hier kan van afgeweken worden tot maximaal 50% lokaal eigendom maar dit is alleen mogelijk als het college hierover bij het principeverzoek besluit.

Ieder initiatief dat als ‘uniek initiatief’ ingediend wordt, moet voldoen aan de voorwaarden zoals hierboven beschreven en zoals genoemd in hoofdstuk 6, ‘Participatie’ en hoofdstuk 8, ‘Zonne-energie: uitgangspunten’. Zo gelden er dus, voor initiatieven die buiten een tranche om ingediend worden, extra voorwaarden. Voor beide trajecten geldt dat de gemeente eerst een ontvankelijkheidstoets doet voordat de Commissie Omgevingskwaliteit een beoordeling maakt. In het traject voor unieke initiatieven wordt de omgevingsdialoog vroeg in het proces opgestart. Dit gebeurt na een eerste toetsing van het initiatief door de gemeente. Na deze toetsing start een omgevingsdialoog, op basis waarvan het plan verder wordt uitgewerkt en aangescherpt. Na aanscherping van het plan wordt deze dus beoordeeld door de Commissie Omgevingskwaliteit. Daarna vindt er een brede omgevingsdialoog plaats, alvorens het college een besluit neemt. Hierna wordt de reguliere vergunningsprocedure gevolgd.

PROCES VAN INDIENEN INITIATIEVEN Infinitief komt binnen in de tranche

Initiatief komt binnen buiten de tranche

Preselectie door gemeente/ commissie

Eerste toetsing door gemeente

Start omgevings dialoog

Nadere planuitwerking

Brede omgevingsdialoog - binnen tranche: start - buiten tranche: vervolg Beoordeling door commissie

Omgevingsdialoog is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer Bij de start van het initiatief alleen uitleg van de gemeente over het totale proces; gemeente wel zichtbaar aanwezig in de omgevingsdialoog

Figuur 7.1: proces van indienen initiatieven

40 - 7 Zonne-energie: grondgebonden zon

Gemeentelijk proces (niet inhoudelijk)

College besluit

Start vergunnings traject

Vergunningstraject Nadat het college een akkoord geeft op het principeverzoek wordt de reguliere vergunningprocedure gevolgd. We hanteren hierbij de huidige werkwijze waarbij voor de huidige verdeling voor zonneparken de verklaring van geen bedenkingen (VVGB) wordt overgenomen uit het oude beleidskader. Voor grondgebonden zonprojecten kleiner dan 5 hectare zijn deze opgenomen in de ‘categorie van gevallen’. Hiervoor is geen VVGB nodig. Initiatieven van 5 hectare of groter vereisen wel een VVGB. Zoals aangegeven wordt deze verdeling in hectare overgenomen na invoering van de omgevingswet. Er wordt op een later moment bekeken hoe dit exact vormgegeven wordt. Grondgebonden zonprojecten voor eigen particulier gebruik Voor grondgebonden zonprojecten voor eigen particulier gebruik golden in het vorige beleidskader aparte voorwaarden. De gemeente heeft de intentie om de mogelijkheden voor grondgebonden zonprojecten voor eigen, particulier, gebruik breder en makkelijker te maken. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan de inzet van zonnepanelen op percelen voor monumentale panden, om een voorbeeld te noemen. We kijken hoe we binnen de huidige wetgeving voor ruimtelijke ordening dit soort initiatieven zo positief mogelijk kunnen benaderen.

41 - 7 Zonne-energie: grondgebonden zon

8 ZONNE-ENERGIE: UITGANGSPUNTEN Lokaal investeringsplatform

Maatwerk per gebied/locatie

Landschap is leidend

Multifunctioneel ruimtegebruik/ meerwaarde

Herijking om de twee jaar

Lineair doel tot 2050

Uitgangspunten Onderzoek naar reststroken en zon boven parkeren en op gevels

Figuur 8.1 Uitgangspunten duurzame energie opwek op land

42 - 8 Zonne-energie: uitgangspunten

Participatie is vereist

Duurzame energie opwek op land is één van de vele ruimteclaims die we op het grondgebied van onze gemeente hebben. Andere zaken die een claim leggen op de grond zijn bijvoorbeeld wonen, bedrijventerreinen, transitie van de landbouw en natuur. Al deze claims vragen om een integrale benadering. Deze integrale benadering van alle ruimteclaims worden samengebracht in de toekomstvisie van Meierijstad, onder de werkwijze van de omgevingsvisie. In het vorige beleidskader werden ook al gebieden vermeld. Dat doet echter geen recht aan deze integrale aanpak In het traject van de toekomstvisie, en de daaruit voortvloeiende integrale strategische- en tactische gebiedsuitwerkingen, zal duidelijk worden in welke gebieden en onder welke ruimtelijke ordeningsvoorwaarden duurzame energie opwek op land in de toekomst mogelijk is. Op het moment van schrijven wordt nog gewerkt aan deze toekomstvisie. Dit betekent niet dat dat er, zolang er nog geen toekomstvisie is, geen mogelijkheid is voor initiatieven. De uitwerking in deze toekomstvisie is het einddoel om zo transparant mogelijk de keuzes binnen gebieden te maken maar elke dag komen er initiatieven binnen bij de gemeente en wordt deze integrale keuze al gemaakt.

Tot op het moment dat er duidelijkheid is over deze integrale gebiedsbenadering vanuit de toekomstvisie wordt er gewerkt met de huidige, op projectbasis gebaseerde, integrale gebiedsbenadering.

In het figuur aan het begin van dit hoofdstuk staan de hoofduitgangspunten opgenomen die in dit, en vorige hoofdstukken, van dit beleidskader terug te vinden zijn. In dit hoofdstuk gaan we verder in op de specifieke ambities en randvoorwaarden die we vanuit het beleidsterrein duurzaamheid van belang vinden voor initiatieven van opwek op land en die nog niet in eerdere hoofdstukken zijn behandeld. Sommige van deze ambities gaan al verder dan de huidige wetgeving, en de uitwerking hiervan zal plaatsvinden in afwegingskaders die juridisch getoetst worden op uitvoerbaarheid. Het college stelt deze afwegingskaders vast. Met deze werkwijze kan er elke keer bekeken worden hoe gestelde ambities voor duurzame opwek onder de dan geldende wettelijke randvoorwaarden meegenomen kunnen worden. Landschap is leidend De randvoorwaarden die horen bij het type landschap waarin een project gepland wordt, zijn leidend. We houden daarbij vast aan de bestaande ontwerpprincipes (zie kader 7.1). Wel komt er een nadere uitwerking per gebied. Hierin staan de specifieke randvoorwaarden voor het betreffende landschapstype. De verdere uitwerking van deze randvoorwaarden maken onderdeel uit van de toekomstvisie Meierijstad

ONTWERPPRINCIPES 1. Volg de hoofdrichting van het landschap 2. Volg de bestaande verkavelingsstructuur 3. Respecteer belangrijke zichtlijnen naar het achterliggende landschap 4. Gebruik en behoud gebiedseigen beplantingen en/of landschapselementen 5. Houd minimaal 100 meter afstand tot woningen 6. Sluit aan op bestaande (hoofd)structuren (barrières) in het landschap 7. Creëer een passende overgang naar de omgeving (rand). 8. Creëer een verzorgd totaalbeeld 9. Geef de bodem ademruimte Kader 8.1 Ontwerpprincipes

43 - 8 Zonne-energie: uitgangspunten

Locatiekeuze zon grondgebonden Op dit moment wijst de gemeente nog geen gebieden aan voor grondgebonden zonneprojecten. De enige uitsluitingsgebieden die aan worden gehouden zijn de zogeheten NatuurNetwerk Brabant (NNB) gebieden. Andere uitsluitingsgebieden worden meegenomen in de toekomstvisie, waar een integrale ruimtelijke afweging gemaakt wordt. Dit betekent dat we op dit moment ook niet kiezen voor clustering in een bepaald gebied.

zonnepark. De gemeente beoordeelt initiatieven op maatschappelijke meerwaarde. Daarbij hanteren we de volgende criteria: · Hoe worden andere opgaven in de omgeving gekoppeld aan het initiatief? Houd daarbij rekening met · multifunctioneel ruimtegebruik; · de koppeling met andere opgaven buiten eigen initiatief. · Hoe wordt er invulling gegeven aan lokaal eigendom? · Hoe profiteert de lokale omgeving/het omliggende gebied van het zonnepark? Houd daarbij rekening met: · verduurzaming van omgeving; · inpassing in het lokale landschap;

Multifunctioneel ruimtegebruik We hanteren geen strikte definitie van multifunctioneel ruimtegebruik, omdat de invulling hiervan per locatie anders zal zijn. Als het gaat om multifunctioneel ruimtegebruik denken we bijvoorbeeld aan teelt-ondersteunende voorzieningen of een combinatie met energieopslag of waterberging. Het grazen van schapen tussen de panelen zien we niet als multifunctioneel ruimtegebruik.

Ook bij dit criterium willen we werken met voorbeelden en kwalitatieve eisen. Zo dagen we de markt uit om met nieuwe ideeën te komen. Gezien de hoog dynamische ontwikkelingen in het vakgebied willen we daarnaast nieuwe ontwikkelingen, die we nu nog niet in dit kader op kunnen nemen, beoordelen op basis van dit criterium.

Maatwerk per gebied Ieder gebied heeft, naast verschillen in landschapstype, zijn eigen specifieke kenmerken, mogelijkheden en behoeften. Een opzet en aanpak die in het ene gebied goed werkt, is in het andere gebied mogelijk niet passend. Elk gebied vraagt dus een maatwerk-benadering.

·

de bijdrage aan lokale maatschappelijke doelen.

In het vorige beleid werd multifunctioneel ruimtegebruik opgenomen als ‘wenselijk’, in dit nieuwe beleid kiezen we er voor het als vereiste op te nemen. Van deze vereiste kan alleen van worden afgeweken met een afdoende motivering en een akkoord van het college. Voorbeelden van wat verstaan wordt onder multifunctioneel ruimtegebruik worden in het afwegingskader, ter inspiratie, opgenomen. Zo is helder wat we als gemeente verstaan onder multifunctioneel ruimtegebruik. In het afwegingskader zal ook duidelijk aangegeven worden wat we niet onder multifunctioneel ruimtegebruik verstaan.

Participatie is vereist De gemeente neemt regie in het proces en is zichtbaar en aanwezig waar nodig. De initiatiefnemer blijft verantwoordelijk voor de omgevingsdialoog. De gemeente zal wel zichtbaar en betrokken zijn in het proces.

Maatschappelijke meerwaarde Naast het combineren van opgaven op eenzelfde locatie kan het zonnepark ook op een andere manier meerwaarde genereren. Denk bijvoorbeeld aan natuurontwikkeling met revenuen van het

Minimaal 50% lokaal eigendom en lokaal investeringsplatform In het vorige kader is 50% lokaal eigendom opgenomen als streven. In dit beleidskader nemen we dit op als eis. Van deze eis kan alleen afgeweken

44 - 8 Zonne-energie: uitgangspunten

De start van elk traject begint met uitleg van de gemeente over het proces. Ook licht de gemeente de verwachtingen met betrekking tot de rol van een ontwikkelaar en de rol van de inwoners en belanghebbenden toe, zoals ook aangegeven is in hoofdstuk 6, Participatie.

worden als in het projectvoorstel een significante extra bijdrage op de andere ambities en randvoorwaarden wordt geleverd. In de basis is deze eis van 50% lokaal eigendom een minimum. Deze eis wordt gecombineerd met het lokale investeringsplatform, mits besloten wordt dat we een lokaal investeringsplatform op zetten. Als het lokale investeringsplatform opgericht is, is dit de eerste voorkeurspartner om gebruik te maken van de minimale eis van 50% lokaal eigendom. Aanvullende voorwaarden Naast de hierboven beschreven ambities en uitgangspunten, stellen we nog een aantal aanvullende voorwaarden: · Aansluiting op het elektriciteitsnet: initiatiefnemer moet de garantie kunnen afgeven dat de op te wekken stroom meteen gebruikt kan worden, dan wel via opslag, dan wel op het netwerk of in een andere vorm. Het is een pré wanneer dit is afgestemd met het verbruik en de stroompieken op het net. Het is een verplichting dat er met een transportindicatie of een andere waarborg aangetoond kan worden dat we de energie ergens kwijt kunnen.

45 - 8 Zonne-energie: uitgangspunten

·

·

·

Onderzoek naar milieu- en omgevingseffecten is nodig, zoals dat het geval is in elke reguliere procedure. Het is een pre dat dit inzicht er vroegtijdig is, voor de start van de omgevingsdialoog. Projecten die werken met duurzaam materiaalgebruik en/of streven naar gebruik van circulaire materialen hebben onze voorkeur. Na ontmanteling (na maximaal 25 jaar) dient het perceel in dezelfde staat teruggebracht te worden, tenzij kan worden aangetoond dat hier gemotiveerd van wordt afgeweken. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan (deels) nieuw ontwikkelde natuur. Mogelijke compensatie voor instandhouding van natuur wordt op projectbasis bekeken.

9 WINDENERGIE INLEIDING Op dit moment is er binnen de gemeente Meierijstad één windpark van vier windturbines in ontwikkeling. Dit is windpark Veghel Win(d)t, langs de A50, nabij bedrijventerrein De Dubbelen en De Amert. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de mogelijkheden en effecten van windturbines in vier zoekgebieden. In dit hoofdstuk lichten we dit onderzoek verder toe.

UITKOMSTEN ONDERZOEK PLAN-MER (MILIEUEFFECTRAPPORT) In de onderzoeken van de planMER zijn vier zoekgebieden nader onderzocht, dit gaat om de volgende gebieden: · ·

Zoekgebied 1: Wijboschbroek langs de Zuid-Willemsvaart/ N279; Zoekgebied 2: Rooise heide/Schijndelse heide

46 - 9 Windenergie

· ·

ten westen van de Schijndelseweg; Zoekgebied 3: Schijndelse heide ten oosten van de Schijndelseweg; Zoekgebied 4: Het Lijnt langs de Zuid-Willemsvaart/N279 (4A en 4B).

Voor deze vier zoekgebieden is verder onderzoek gedaan naar de milieueffecten van windturbines in deze gebieden. Ondanks dat de Plan-Mer gepauzeerd is, worden onderstaande onderzoeksresultaten wel overgenomen. Per zoekgebied zijn de belangrijkst conclusies samengevat:

Zoekgebied 1: Wijboschbroek, langs de Zuid-Willemsvaart / N279 Milieueffecten De belangrijkste milieueffecten zijn de effecten op leefomgeving, natuur, landschap, ruimtegebruik en waterkeringen. Het gebeid kent relatief veel woningen. De opstelling scoort landschappelijk slechter doordat het niet mogelijk is om alle windturbines in een gelijke lijn te plaatsen. Ook leidt realisatie van windenergie tot een substantieel verlies aan NatuurNetwerk Brabant (NNB) gebied. Daardoor heeft het grote effecten op het huidige ruimtegebruik. Het gebied ligt parallel aan de Zuid-Willemsvaart, hierdoor zijn effecten op de waterkering vooraf niet uit te sluiten. Door het grote aantal windturbines dat hier geplaatst kan worden, scoort dit alternatief wel het beste op elektriciteitsopbrengst en vermeden uitstoot. Mogelijkheden Om geluidseffecten en verlies van NNB-gebied te verminderen is het mogelijk dat er minder windturbines geplaatst worden. Ook voor drie windturbines blijft echter NNB-gebied nodig. Daarnaast leveren drie windturbines minder duurzame elektriciteit op. Windturbines kunnen ook verder van de waterkering af geplaatst worden, dan is alleen de connectie met de infrastructuur wel minder duidelijk. Conclusie Zoekgebied 1 heeft een aantal substantiële belemmeringen voor het realiseren van windenergie. Het ligt daarmee voor de hand om dit zoekgebied als ongeschikt aan te merken.

Zoekgebied 2: Rooise heide / Schijndelse heide, ten westen van de Schijndelseweg Milieueffecten Dit gebied scoort relatief goed, maar er zijn wel een aantal aandachtspunten. Er zijn weinig huizen of andere gebouwen, waardoor de effecten op de leefomgeving beter scoren dan bij de andere zoekgebieden. Het open landschap leidt er tegelijkertijd wel toe dat er weinig afscherming is voor bijvoorbeeld slagschaduw (de schaduw van de wieken). De windturbines zullen dan ook goed zichtbaar zijn in de omgeving. Er zijn geen belangrijke NNB-gebieden in de omgeving, maar wel een

47 - 9 Windenergie

gemeentelijk aangewezen weidevogelbeheergebied. Er is aanvullend onderzoek nodig om de effecten op deze gebieden en op de betreffende (vogel) soorten te beoordelen. Gezien de kenmerken van het gebied worden er vooraf geen risico’s verwacht die zo groot zijn dat ze de realisatie van windenergie zullen verhinderen. Mogelijkheden Om effecten te verminderen kunnen minder windturbines geplaatst worden, maar dit levert natuurlijk minder duurzame elektriciteit op. Er is genoeg ruimte aanwezig om tot een optimale opstelling te komen. Zo kunnen effecten als geluid en slagschaduw worden verminderd. Ook zijn maatregelen aan windturbines (bijvoorbeeld stille windturbines of het toepassen van een stilstand-voorziening) een mogelijkheid om effecten op de leefomgeving te verminderen. Conclusie Zoekgebied 2 heeft geen substantiële belemmeringen en is daarmee geschikt voor de realisatie van windenergie. Zoekgebied 3: Schijndelse heide, ten oosten van de Schijndelseweg Milieueffecten In dit gebied zijn de belangrijkste punten de effecten op leefomgeving, veiligheid en ruimtegebruik. Er zijn in dit gebied relatief veel mensen die last hebben van geluid en slagschaduw van windturbines. Daarnaast is er een industrieterrein aan de noordzijde van het zoekgebied. Dit kan leiden tot een opstapeling van geluid voor omwonenden.

Ook zorgt het industrieterrein ervoor dat het gebied slechter scoort op veiligheid in verband met de mogelijke aanwezigheid van (beperkt) kwetsbare objecten, zoals grote kantoorruimtes. Ook ligt de voormalige stortplaats Vlagheide in het gebied. Er zijn plannen om van deze stortplaats een recreatiegebied te maken. De realisatie van een windturbine kan hiermee conflicteren. Er ligt ook een NNB-gebied direct rond de stortplaats, dat mogelijk invloed ondervindt van een windturbine.

Mogelijkheden Een mogelijkheid is het verminderen van windturbines, waardoor één van de locaties (op de voormalige stortplaats) af kan vallen. Er is (beperkte) schuifruimte, waardoor effecten, zoals externe veiligheid, verminderd kunnen worden. Ook kunnen maatregelen aan de windturbines de effecten op de leefomgeving verminderen. Conclusie Zoekgebied 3 heeft enkele substantiële belemmeringen. Door te kiezen voor andere posities en minder windturbines, kunnen deze effecten worden verminderd. Het gebied is daarmee beperkt geschikt voor de realisatie van windenergie. Zoekgebied 4A: Het Lijnt, langs de Zuid-Willemsvaart / N279 – grondgebied Meierijstad Milieueffecten Dit gebied heeft een aantal aandachtspunten. Met name op landschappelijke herkenbaarheid van de opstelling wordt negatief gescoord. Dit betekent, dat de opstelling op het oog niet logisch aansluit op het onderliggende landschap. Door bebouwing aan beide zijden van de winturbines scoort het gebied slechter op geluidsbelasting per windturbine. Ook is er minder ruimte om effecten te kunnen verminderen. Het gebied heeft vanuit natuurperspectief de minste ecologische risico’s. Mogelijkheden De schuifruimte is beperkt. Geluidseffecten kunnen verminderd worden door de onderste of bovenste windturbine af te laten vallen en te kiezen voor een stil windturbinetype.

Ook kunnen effecten op de leefomgeving verminderd worden door maatregelen aan de windturbines. Conclusie Met name het geluidsaspect vormt een belemmering voor zoekgebied 4A. Vooral omdat er weinig ruimte is om te schuiven door omliggende bebouwing. De effecten kunnen worden verminderd door aanpassingen aan de opstelling of het type windturbine. Daarmee is het gebied op dit moment beperkt geschikt voor de realisatie van windenergie.

48 - 9 Windenergie

Zoekgebied 4B: Het Lijnt, langs de Zuid-Willemsvaart / N279 – incl. grondgebied Laarbeek Milieueffecten Om in dit gebied een logische, aaneengesloten opstelling te realiseren met minimaal drie windturbines is het grondgebied van de buurgemeente Laarbeek nodig. Het gebied kent daarnaast nog een aantal aandachtspunten. Dit zoekgebied scoort slecht op landschappelijke herkenbaarheid. Er liggen veel woningen dichtbij. Net als bij zoekgebied 4A leidt dit tot geluidsoverlast en beperkte schuifruimte. Tot slot ligt er een hoogspanningsverbinding en buisleiding aan de zuidzijde van het zoekgebied, die mogelijk voor beperkingen voor de ruimte voor windturbines zorgen. Mogelijkheden Ook hier is de schuifruimte beperkt. Geluidseffecten kunnen verminderd worden door de bovenste of onderste windturbine af te laten vallen en te kiezen voor een stil windturbinetype. Ook zijn maatregelen aan de windturbines (toepassen van stilstand-voorziening of geluidmodus) een mogelijkheid om effecten op de leefomgeving te verminderen. De gehanteerde voorbeeldopstelling in zoekgebied 4A bevat een windturbine op grondgebied van de gemeente Laarbeek. De gemeenteraad van Laarbeek heeft echter onlangs, bij de actualisatie van het beleid, besloten niet langer actief mee te werken aan de realisatie van windenergie in Laarbeek.

Op het moment van het bepalen van de alternatieven was dit echter nog wel een mogelijke optie, vandaar dat deze is meegenomen. Het wijzigen van het beleid van de gemeente Laarbeek heeft tot gevolg dat de voorbeeldopstelling 4A op dit moment niet langer uitvoerbaar is. Conclusie Zoekgebied 4B heeft enkele substantiële belemmeringen. Met name de beperkte schuifruimte door de omliggende bebouwing kan een probleem voor geluidseffecten opleveren. Realisatie wordt daarnaast onzeker omdat grondgebied van een buurgemeente nodig is. Daardoor is dit zoekgebied op dit moment ongeschikt.

RADARVERSTORING

VOORLOPIGE CONCLUSIE

Naast de hierboven benoemde uitkomsten van de onderzoeken van het MER waren er ook een aantal algemeen geldende uitkomsten. De belangrijkste betrof de mogelijke radarverstoring door windturbines.

Op dit moment zijn er vanwege de radarverstoring geen nieuwe grootschalige windturbineprojecten mogelijk in de gemeente Meierijstad. Daarom is het beleidskader op dit moment voor deze wijze van duurzame opwek niet verder ingevuld. Mogelijk wordt in de toekomst een (technische) oplossing gevonden waardoor dit wel mogelijk is. Bijvoorbeeld door versterking van de radar; het vervallen van de (provinciale) eis dat er minimaal 3 windturbines bij elkaar moeten staan of door technische ontwikkelingen van windturbines. Wanneer er in de toekomst toch mogelijkheden blijken te zijn zal dit beleidskader verder aangevuld worden. Omdat windturbines een belangrijk onderdeel in de energievoorziening kunnen zijn, ziet de gemeente dus niet definitief af van deze vorm van opwek. Op dit moment lijken er echter binnen onze gemeente geen mogelijkheden te zijn voor grote windturbines.

Uit het radarverstoringsonderzoek van TNO blijkt dat géén van de voorbeeldopstellingen op dit moment voldoet aan de huidige norm. Daardoor zal het ministerie van Defensie een initiatief voor het opwekken van windenergie in één van deze zoekgebieden niet steunen. Het TNO-onderzoek is gebaseerd op de inzet van een representatieve, toekomstbestendige windturbine. Het is mogelijk dat kleinere windturbines op een enkele locatie wel door een radartoets kunnen komen. Dit zal echter niet gelden voor de huidige en toekomstige windturbinestandaarden vanuit de markt.

NORMEN GELUID, SLAGSCHADUW EN EXTERNE VEILIGHEID De bestaande wetgeving op het vlak van geluid, slagschaduw en externe veiligheid wordt op dit moment herzien. Dit proces is naar verwachting in 2023 afgerond. Met name op het gebied van geluid is er veel maatschappelijke en politieke discussie over de hoogte van de normen. De uitkomsten van deze discussie en de nieuwe normen kunnen gevolgen hebben voor de mogelijkheid van windenergie binnen de verschillende zoekgebieden in Meierijstad. In de onderzoeken van het milieueffectrapport zijn daarom de gevolgen binnen zoekgebieden breed in beeld gebracht. Dit zorgt ervoor dat deze gevolgen duidelijk in beeld zijn en, als de nieuwe normen bekend zijn, er meteen gekeken kan worden wat voor gevolgen dit heeft.

49 - 9 Windenergie

VOORWAARDEN VOOR KLEINSCHALIGE WINDTURBINES Op dit moment lijken er geen mogelijkheden voor grootschalige windenergie binnen de gemeente Meierijstad. Wel was er binnen het oude beleid al de mogelijkheid om kleinschalige windturbines te realiseren. Deze mogelijkheid is ook opgenomen in het nieuwe beleid. Hiervoor zijn de volgende voorwaarden van toepassing: 1. Er is aangetoond dat het ondoelmatig is om te voorzien in de eigen behoefte door plaatsing van zonnepanelen op het dak van de (agrarische) bedrijfsgebouwen. 2. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door situering op het achtererfgebied (nabij de aanwezige bebouwing). 3. De tiphoogte van de windturbine bedraagt niet meer dan 25 meter. 4. Er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar Beplantingsplan. Dit beplantingsplan is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken. 5. Er worden geen bomen gekapt voor het beter functioneren van de windturbine. 6. De ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden niet onevenredig aangetast. 7. De windturbine is aanvaardbaar vanuit milieu- en veiligheidsoogpunt. 8. De belangen van derden (omwonenden) worden niet onevenredig geschaad. Kader 9.1 kleinschalige windturbines

50 - 9 Windenergie

10 BIJLAGEN Bijlage 1:

PlanMER windenergie - Memo Aanvulling planMER windenergie - Publiekssamenvatting Planmer Windenergie - Planmer Windenergie (incl. bijlagen)

Bijlage 2:

Nota van Beantwoording planMER windenergie

Bijlage 3:

Actualisatie energiemix document

51 - 10 Bijlagen

52 - 10 Bijlagen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=0232fb91-d42c-4f94-8b0c-9a84d77deac5