CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1_Toelichting en regels

Raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Leunestraat 2229.810 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Volgens de Raad van State (zie uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De herbestemming kan dus wel degelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezien de aard van de plannen zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland redelijkerwijs uitgesloten. Dit maakt dat de herbestemming van de reeds bestaande woning naar een burgerwoning niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.

4.13 Overige omgevingsaspecten Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is ten aanzien van de relatie tussen de volksgezondheid en veehouderij. Doorgaans dienen zeven stappen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Onderhavige voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens de hoeveelheid blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaats gaat vinden die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het eerder aangegeven stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico met de wijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning.

Hoofdstuk 4

26

Hoogspanningslijnen Op een afstand van circa 3,3 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering. Spuitzones gewasbescherming Hoewel er in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en de te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kortere afstanden zijn ook mogelijk, indien dat blijkt uit een locatie specifiek onderzoek. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object met betrekking tot het gewasbeschermingsmiddelen. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe.

Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt.

Hoofdstuk 4

27

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Algemene opzet 5.1.1 Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Hiervoor is de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. Onder vorige wetten werden bijna geen regels gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen (functie-, bouw- en gebiedsaanduidingen) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen.

Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten. 5.1.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling in één procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in één besluit, de omgevingsvergunning. Ook de thans in de wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen vergunningen en ontheffingen vallen onder de Wabo. Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. De ontheffing heet nu 'omgevingsvergunning voor het afwijken'. De bouwvergunning heet 'omgevingsvergunning voor het bouwen'. De sloop- en aanlegvergunning zijn gewijzigd in 'omgevingsvergunning voor het slopen' respectievelijk 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden´.

De terminologie in dit bestemmingsplan is conform de Wabo.

Hoofdstuk 5

28

5.2 Verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de verschillende planlocaties. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen opgenomen. De verbeelding is zowel digitaal als analoog beschikbaar. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter.

5.3 Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de opgenomen (dubbel)bestemmingen. Agrarisch met waarden – Landschapswaarden Bij het opstellen van deze bestemming is aansluiting gevonden bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’. Binnen deze aangewezen gronden zijn ze onder andere bestemd voor agrarische doeleinden en agrarische activiteiten bij wijze van hobby. Bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Op de verbeelding is binnen deze bestemming geen bouwvlak opgenomen, waardoor uitsluitend de genoemde bouwwerken in de planregels zijn toegestaan. Hieronder vallen bijvoorbeeld erf- en terreinafscheidingen en teeltondersteunende voorzieningen, conform het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Wonen Bij het opstellen van deze bestemming is aansluiting gevonden bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep/bedrijf aan huis. Voor de bouwmogelijkheden is aangesloten bij de vigerende planregels voor wonen. Binnen het bouwvlak is uitsluitend 1 woning toegestaan. Herbouw van de woning is eveneens uitsluitend toegestaan binnen de bestaande funderingen.

Op grond van de vigerende planregels is binnen de bestemming ‘Wonen’ maximaal 200 m2 aan bijgebouwen toegestaan. In deze ontwikkeling wordt hiervan afgeweken en wordt maximaal 350 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Voor het aan-huis-verbonden beroep/bedrijf zijn specifieke gebruiksregels opgenomen. Waarde – Archeologie 2 Deze bestemming voorziet in het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden en zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

29

5.4 Toelichting op de regels Hieronder volgt een toelichting op hoofdstuk 1, 3 en 4 van de regels. Hoofdstuk 1. Inleidende regels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijk hoofdstuk onder te brengen. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik onder het overgangsrecht vallen.

Hoofdstuk 5

30

6. UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten voor de realisatie van de plannen komen voor rekening van de initiatiefnemer, die daarvoor de benodigde budgetten heeft gereserveerd. Overeenkomstig artikel 6.24 lid 1 Wro wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin het verhaal van kosten geregeld is. Daarmee is verzekerd dat alle projectgebonden kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant en het Waterschap De Dommel. De provincie heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben. Het Waterschap heeft een positief advies gegeven met als aandachtspunt dat de bereikbaarheid van de B-watergang aan de noordzijde van het perceel gegarandeerd moet worden na realisatie van het landschappelijke inpassingsplan. Planprocedure Het ontwerp bestemmingsplan is van donderdag 18 februari 2021 tot en met woensdag 31 maart 2021 voor een ieder ter inzage gelegd. Gedurende deze periode is aan een ieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Na de ter inzage legging is het plan ongewijzigd ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden.

Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft in het voortraject van het principeverzoek met de buurt gesproken over hun voornemen. Er zijn hieruit geen bijzonderheden of gevoeligheden naar voren gekomen. Reacties waren unaniem positief.

Hoofdstuk 6

31

BIJLAGEN

Hoofdstuk 6

32

Bijlage 1: Landschappelijke inpassing

Hoofdstuk 6

33

Landschappelijke inpassing | Leunestraat 22, Sint-Oedenrode Inleiding Aanleiding Familie Bekkers is voornemens om op de woonkavel een tweetal schuren te slopen. De schuur aan de achterzijde van de stallen en de schuur direct achter het woonhuis. Daarnaast wil de familie de bestemming wijzigen van dagrecreatie naar wonen. In het kader van de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap SIntOedenrode’ dienen de te behouden bijgebouwen landschappelijk te worden ingepast. In dit plan is beschreven hoe daaraan vorm wordt gegeven. Huidige situatie Het perceel ligt aan de Leunestraat, een landelijke weg gelegen tussen Sint Oedenrode en Schoor. Het perceel is omgeven door agrarische gronden en kleine bospercelen van populier. Kenmerkend in dit gebied zijn de populierenrijen die de wegen begeleiden. Aan de zuidzijde van het perceel ligt een vijver/poel met daarachter een grote treurwilg en vooraan fruitbomen en een berk. Langs de oprit staan twee kastanjebomen met daarnaast enkele fruitbomen. Op de zuidwestelijke erfgrens staat een rij knotwilgen. Op het erf zijn enkele hagen toegepast. Op het terrein staat een loods en daarachter een gebouw waar de paardenstalling in gevestigd is. Deze twee gebouwen zijn vanaf de noordzijde goed zichtbaar.

Noordzijde kavel; schuren zijn goed zichtbaar verhoeven de ruijter | ideeën voor stad en land

Voorzijde woning

paardenstallen loods

knotwilgen

woonhuis poel

Plangebied Leunestraat 22

Huidige paardenkastanjes en fruitbomen 1970 Landschappelijke inpassing Leunestraat R001 | P. Bekkers | 11 februari 2019 | 1

Landschappelijke inpassing | Leunestraat 22, Sint-Oedenrode Landschappelijke inpassing De tekening hiernaast verbeeldt de landschappelijke inpassing van de Leunestraat 22. Onderstaande soorten zijn gekozen op basis van de landschappelijke kenmerken van de omgeving en gebiedseigen beplantingssoorten.

Achterste erfgrens: toevoegen knotwilgen ca. 7 stuks in aansluiting op bestaande knotwilgenrij. Rekening houdend met doorzichten vanuit de woning. Aanplant: struweelhaag 4-5 m breed (mogelijke soorten: hazelaar, inlandse vogelkers, meidoorn, rode kornoelje, zwarte els, veldesdoorn, Gelderse roos en lijsterbes. 2m hoog) In de struweelhaag 5 landschapsbomen (elzen of schietwilg) Voorzijde weiland Leunestraat: zone met kruidenrijk grasland, 5m breed, extensief beheerd

verwijderen opstallen en verharding

Zijdelingse en voorste erfgrens: toevoegen haag (beuk), 1,00 m hoogte Aanplant landschapsboom voorzijde kavel (linde, notenboom of zoete kers) Behoud bestaande bomen (kastanjes, berk, wilg en fruitbomen)

bestaande knotwilgen

0m

100m

Elzen als boomvormers in struweel (winterbeeld) verhoeven de ruijter | ideeën voor stad en land

Referentie kruidenrijk grasland

1970 Landschappelijke inpassing Leunestraat R001 | P. Bekkers | 11 februari 2019 | 2

Landschappelijke inpassing | Leunestraat 22, Sint-Oedenrode Beplantingsvoorschriften en beheersvoorschriften Hagen voorzijde en zijdelingse erfgrens woonkavel Aanplant • Beuk (Fagus sylvatica) • plantmaat 60-80 cm, uitgroeihoogte ca. 1.00 m, 5 stuks per strekkende meter. Beheer • Tweemaal per jaar snoeien.

Struweelhaag met enkele boomvormers (ten noordoosten van de schuur) Aanplant (ca. 4-5 meter breed) • Aanplant in verschoven verband 2-3 rijen. Plantafstand 1,50 meter tussen de rijen en in de rij. • Samenstelling soorten: - Acer campestre (veldesdoorn) - Viburnum opulus (Gelderse roos) - Prunus spinosa (sleedoorn) - Crataegus monogyna (meidoorn) • 5 boomvormers in de struweelhaag: Alnus glutinosa (els) of Salix alba (schietwilg) Aanplant op onderlinge afstand van ca. 8 meter. Plantmaat min. 1214 cm. Beheer De boomvormers door laten groeien. De struweelhaag 1 x per 2-3 jaar snoeien tot een hoogte van ca. 1,50m terugsnoeien. Bij grondbewerking van de aanliggende gronden wordt een minimale afstand van 1 meter vanaf de buitenkant van het element in acht genomen; • Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich bevindt op zodanige afstand van het element, dat schade door vraat en betreding wordt voorkomen; • Bij versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in het element worden verwerkt; • Werkzaamheden worden alleen verricht tussen 1 november en 1 april.

verhoeven de ruijter | ideeën voor stad en land

Knotwilgen achterste erfrgens Aanplant • Plantmaat min. 14-16 cm • soort: Salix alba • onderlinge afstand: min. 5 meter. Beheer • Knotten 1 x per 3-4 jaar, om en om.

Solitaire boom op voorerf Aanplant • Plantmaat 16-18 cm. • Boomsoort: keuze uit volgende inheemse soorten (aansluitend op lokale bodemgesteldheid): Tilia x europaea (Hollandse linde), Juglans regia (Notenboom), Prunus avium (zoete kers) Beheer Om jonge bomen in een goede vorm en conditie te krijgen is opkronen nodig. Daarbij dient er rekening te worden gehouden met het volgende: • De lengteverhouding tussen stam en kroon is ongeveer 1/3 en 2/3. • Per snoeibeurt (ong. 1x per 3 jaar) wordt niet meer dan 15% van de kroon weggesnoeid en de natuurlijke kroonvorm bewaard. • Snoei aan alle kanten gelijkmatig in verband met het evenwicht van de boom.

Kruidenrijk grasland Aanleg Gras verwijderen (afplaggen) en Inzaaien met kruidenrijk ruderaal grasmengsel (bijv. G2, Cuydt Hoeck), passend bij de bodemgesteldheid. Beheer Extensief maaien 1-2 x per jaar, maaisel afvoeren

1970 Landschappelijke inpassing Leunestraat R001 | P. Bekkers | 11 februari 2019 | 3

Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna

Hoofdstuk 6

34

Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’ Toetsing aan natuurwetgeving en -beleid <Status>

colofon

titel rapport Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’ datum 11 september 2020 projectnummer P03142 opdrachtgever Dhr. P. Bekkers BRO Projectleider JR Projectteam MvdS, NL, RdM bron Kaft NL

BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl

“Als we anderen de ruimte niet gunnen zullen we zelf steeds meer opgesloten raken.” Prof. Hans Galjaard

Inhoudsopgave 1

Inleiding Werkwijze quickscan flora en fauna

3 3

2

Planbeschrijving Huidige situatie Toekomstige situatie

4 4 4

3

Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Toetsing beschermde houtopstanden

6 6 6 7

4

Toetsing soortenbescherming Vogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelde diersoorten Vaatplanten

8 9 9 9 10 10 10 10 11

5

Conclusie Aanbevelingen

6

Samenvatting Geraadpleegde bronnen

vrijdag 11 september 2020

11 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 12 13

2

1 Inleiding Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

1

Inleiding

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de herbestemming van Leunestraat 22 van ‘Recreatie’ naar ‘Wonen’, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

1

Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 10 september 2020 tussen 13.30 – 14.30 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 22°C, zonnig, met een zuidwestenwind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.

BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.

vrijdag 11 september 2020

3

2 Planbeschrijving Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

2

Planbeschrijving

Het plangebied is gelegen in de gemeente Meierijstad, ten zuidwesten van de kern Sint-Oedenrode. Het ligt aan de Leunestraat, een landelijke weg gelegen tussen Sint Oedenrode en Schoor. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven. Huidige situatie Op het terrein staat een woning. Daarnaast staat op het terrein een loods en daarachter een gebouw waar een paardenstalling in gevestigd is. Aan de zuidzijde van het perceel ligt een vijver/poel met daarachter een grote treurwilg en vooraan fruitbomen en een berk.

Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied (1:25.000)

Figuur 2: Luchtfoto plangebied en directe omgeving

In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om een tweetal schuren te slopen, de schuur aan de achterzijde van de stallen en de schuur direct achter het woonhuis. Daarnaast wordt de bestemming gewijzigd van ‘Recreatie’ naar ‘Wonen’. De bestaande bedrijfswoning wordt hiermee bestemd als burgerwoning. Tevens zal het plangebied landschappelijk worden ingepast. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.

Figuur 3: Toekomstige situatie plangebied

vrijdag 11 september 2020

4

2 Planbeschrijving Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

Figuur 5: Binnenzijde van schuur direct achter het woonhuis

Figuur 6: Binnenzijde van schuur direct achter het woonhuis

Figuur 4: Schuur direct achter het woonhuis

Figuur 7: Schuur aan achterzijde stallen, gezien vanuit het westen

vrijdag 11 september 2020

Figuur 8: Schuur aan achterzijde stallen, gezien vanuit het noorden

Figuur 9: Vogelnesten in schuur direct achter het woonhuis

5

3 Toetsing gebiedsbescherming Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

3

Toetsing gebiedsbescherming

Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 10 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en omvang van de geplande werkzaamheden is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten.

vrijdag 11 september 2020

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB (zie figuur 10).

Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 170 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Figuur 10: Ligging NNN (groen) en Natura 2000-gebieden (rood gearceerd) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)

6

3 Toetsing gebiedsbescherming Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Binnen voorgenomen plannen zullen geen bomen worden gekapt. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is bij dit plan dan ook niet aan de orde.

vrijdag 11 september 2020

7

4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

4

Toetsing soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:   

Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde

vrijdag 11 september 2020

soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld.

Tabel 1

Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de

Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten

Vogels (artikel 3.1 Wnb)

Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb)

Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

-

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

-

-

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

8

4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken.

Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 14 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).

vrijdag 11 september 2020

Beide schuren zijn niet geschikt als broedlocatie voor gebouwbewonende vogelsoorten. Er is geen dakbeschot aanwezig onder de golfplaten daken, waardoor er geen nauwe ruimte onder het dak aanwezig zijn. De structuur van de bebouwing is niet geschikt voor soorten als huismus als gierzwaluw. Tevens zijn er geen sporen dan wel nesten van een uilensoort aangetroffen binnen de schuren. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Binnen de schuur achter het woonhuis zijn enkele nesten aangetroffen, vermoedelijk van merel en kauw (zie figuur 9). De nesten van deze soorten zijn niet jaarrond beschermd. Mogelijk kan in de klimop tegen de oostgevel een “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.

Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van

een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Beide schuren bevatten geen geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een gebouwbewonende vleermuizensoort, gezien het ontbreken van open stootvoegen, kierende dakranden en andere openingen naar ruimtes onder het dak of in de spouw. Tevens is er geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Toetsing Beide schuren bevatten geen potentiele verblijfplaatsen voor vleermuizen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, haas, huismuis en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen.

Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwik-

9

4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

keling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, wezel, steenmarter, eekhoorn en das voor. Gezien de beperkte omvang en het aanwezige habitat, betreft het hier geen essentieel leefgebied voor de bunzing en wezel. Daarnaast wordt voor de kleine marterachtigen bij voorbaat geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht, aangezien het plangebied kleiner dan 1 hectare betreft en bij de werkzaamheden geen leefgebied in potentie doorsneden wordt (Bouwens, 2017). Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuilof nestplaats voor steenmarter.

Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden

vrijdag 11 september 2020

zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis en hazelworm. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten.

Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten

Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, heikikker, boomkikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Bij de werkzaamheden gaat echter geen voortplantingswater of landhabitat verloren, waardoor een overtreding met betrekking tot deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing.

In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, gevlekte witsnuitlibel en speerwaterjuffer. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vermiljoenkever, vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig.

10

5 Conclusie Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten vaatplanten. Tevens is gezien het aanwezige biotoop in het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

5

Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. 

vrijdag 11 september 2020

Conclusie

Ten aanzien van broedvogels dient de sloop van de schuren buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

11

6 Samenvatting Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

6

Samenvatting

Tabel 2

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Tabel 3

Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen

Gebiedsbescherming

Afstand tot gebied

Sprake van aantasting

Vervolgtraject

Bijzonderheden / opmerkingen

Natura 2000

Ca. 10 km

Nee

-

Geen externe verstorende factoren

Natuurnetwerk Nederland

Ca. 170 m

Nee

-

Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk

Houtopstanden

-

Nee

-

Niet van toepassing

Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Soortgroep

Potentieel aanwezig

Sprake van overtreding

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Algemeen

Ja

Te voorkomen

Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp maken of controle vooraf

Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus

Jaarrond beschermd

Nee

Nee

-

-

Verblijfplaatsen

Nee

Nee

-

-

Foerageerhabitat

Minimaal

Nee

-

-

Vliegroutes

Minimaal

Nee

-

-

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de egel

Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Broedvogels

Vleermuizen

vrijdag 11 september 2020

12

6 Samenvatting Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur  Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.  Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht.  Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.  Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.  SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.

Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

Provinciale websites  Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant  Brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)  Dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in NoordBrabant)  Kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)

Algemene websites  Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)  Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)  Floron.nl (soortgegevens planten)  Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)  Sovon.nl (soortgegevens vogels)  Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)  Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)  Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)  Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)

vrijdag 11 september 2020

13

6 Samenvatting Quickscan flora en fauna ´Leunestraat 22´ te ‘Sint Oedenrode’

Hoofdvestiging Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 Vestiging Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen

www.bro.nl | info@bro.nl

vrijdag 11 september 2020

T +31 (0)77 373 06 01

14

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

15

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

16

Artikel 3

Agrarisch met w aarden - Landschapsw aarden

16

Artikel 4

Wonen

19

Artikel 5

Waarde - Archeologie 2

26

Hoofdstuk 3

Algemene regels

28

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

28

Artikel 7

Algemene bouw regels

29

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

32

Artikel 9

Algemene afw ijkingsregels

34

Artikel 10

Overige regels

36

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

37

Artikel 11

Overgangsrecht

37

Bijlagen bij regels

39

Bijlage 1

Staat van bedrijfsactiviteiten

40

Bijlage 2

Tabel omgevingsvergunning w erken en w erkzaamheden

48

Bijlage 3

Landschappelijke inpassing

59

NL.IMRO.1948.BGO000BP0082020P-VG01

Pagina: 3 van 62

Datum:24 juni 2021

NL.IMRO.1948.BGO000BP0082020P-VG01

Pagina: 4 van 62

Datum:24 juni 2021

Regels

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 Plan het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Leunestraat 22 met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGO000BP0082020P-VG01 van de gemeente Meierijstad. 1.2 Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 Beroep of bedrijf aan huis het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend. 1.6 Afhankelijke woonruimte een onderdeel van het hoofdgebouw of bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.7 Agrarische activiteiten bij wijze van hobby activiteiten gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren ondergeschikt aan de hoofdbestemming en in een omvang die niet als een bedrijfsmatige agrarische activiteit kan worden beschouwd. 1.8 Agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden, fokken of veredelen van dieren. 1.9 Archeologische waarden Waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen. 1.10 Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

NL.IMRO.1948.BGO000BP0082020P-VG01

Pagina: 6 van 62

Datum:24 juni 2021

1.11 Bebouwingscluster vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten de bebouwde kom. 1.12 Bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. 1.13 Bebouwingslint min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten de bebouwde kom. 1.14 Bed & breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. 1.15 Bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.16 Bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, inzamelen, herstellen, verhuur, opslag en distributie van goederen, alsmede het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen en bedrijven daaronder niet begrepen. 1.17 Bedrijfsactiviteit handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf. 1.18 Bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf. 1.19 Bedrijfsgebouw, agrarisch een gebouw dat dient voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

1.20 Bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) de totale binnen een gebouw en/of een terrein beschikbare vloeroppervlakte inclusief die van eventuele verdiepingen (exclusief geheel onder het peil liggende kelders en ruimtes), die gebruikt wordt voor de uitoefening van een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief (binnen)opslag, rust- en rookruimten, administratieruimten en dergelijke. 1.21 Bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke. 1.22 Bestaande situatie a. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. gebruik:

NL.IMRO.1948.BGO000BP0082020P-VG01

Pagina: 7 van 62

Datum:24 juni 2021

het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden. 1.23 Bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.24 Bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.25 Bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging,

maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt. 1.26 Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.27 Bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.28 Bouwperceel aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.

NL.IMRO.1948.BGO000BP0082020P-VG01

Pagina: 8 van 62

Datum:24 juni 2021

1.29 Bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.30 Bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.31 Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.32 Detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.33 Detailhandel, ondergeschikte niet-zelfstandige detailhandel, in een aan de hoofdfunctie of nevenactiviteit ondergeschikte aard, verschijningsvorm en omvang. 1.34 Erfbeplanting Afschermende (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf of een woning. 1.35 Erf Al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en voor zover een bestemmingsplan of een verordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.36 Escortbedrijf De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus. 1.37 Extensief recreatief medegebruik Die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie. 1.38 Functie doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan. 1.39 Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

NL.IMRO.1948.BGO000BP0082020P-VG01

Pagina: 9 van 62

Datum:24 juni 2021

1.40 Hoofdgebouw een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.41 Huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn: voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats. Bedrijfsmatige kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'. 1.42 Kernrandzone overgangszone van bestaand stedelijk gebied de stedenbouwkundige bebouwde kom naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies.

1.43 Nevenfunctie/nevenactiviteit activiteit uitgeoefend in aanvulling op en ondergeschikt aan de hoofdfunctie zoals recreatieve functies, agrarisch verwante functies, agrarisch technische functies, statische (binnen)opslag en verbrede landbouw, niet zijnde een aan huis gebonden beroep of bedrijf. 1.44 Ondergeschikte bouwdelen ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen. 1.45 Koffie- / theetuin Het al dan niet bedrijfsmatig verlenen van diensten in de vorm van het openstellen van en/of rondleiden door privétuinen binnen de bestemming "Wonen" inclusief het verstrekken van niet alcoholische dranken en de daarbij behorende versnapering. 1.46 Landschappelijke inpassing Het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap. 1.47 Mestbewerking De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7c1541a5-b1f3-4c03-b560-06d38a388211