Bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Dorpshart Eerde
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
Dorpshart Eerde
Planstatus
vastgesteld
Projectnummer
NL.IMRO.1948.EER001BP0012020P-VG01
Datum
16 december 2021
Bestemmingsplan Dorpshart Eerde Gemeente Meierijstad Vastgesteld
Rapportnummer:
P02535_3
IMRO-identificatiecode:
NL.IMRO.1948.EER001BP0012020P-VG01
Datum:
16 december 2021
Contactpersoon opdrachtgever:
Shaak
Projectteam BRO:
JR, MvDn, JvdA, GvdS
Concept:
oktober 2020, november 2020
Voorontwerp:
--
Ontwerp:
24 juni 2021
Vastgesteld:
16 december 2021
Beknopte omschrijving:
Herziening bestemmingsplan ten behoeve van herbestemming van de H Antonius Abt kerk in Eerde en het realiseren van nieuwbouw ten behoeve van de huisvesting van de Petrus en Paulusbasisschool en het realiseren van nieuwe appartementen. Meierijstad
Bron foto kaft:
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 6
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde situatie
7 7 8
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
12 12 16 19
4.MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1Inleiding 4.2M.e.r.-plicht 4.3Archeologie en cultuurhistorie 4.4Flora en fauna 4.5Waterparagraaf 4.6Bodem 4.7(Ondergrondse) infrastructuur 4.8Bedrijven en milieuzonering 4.9Geurhinder 4.10Akoestiek 4.11Luchtkwaliteit 4.12Externe veiligheid 4.13Hoogspanningslijnen 4.14Spuitzones gewasbescherming 4.15Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.16Verkeer en parkeren
24 24 24 24 27 30 35 37 37 41 42 43 45 52 52 52 53
Inhoudsopgave
1
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Systematiek van de regels 5.3Toelichting op de bestemmingen
57 57 57 59
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
61 61 61
6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure
63 63
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Regiekaart Bijlage 2: Ladderonderbouwing Bijlage 3: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 4: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Onderbouwing wateraspect infiltratie onderzoek Bijlage 7: Quickscan Flora en fauna Bijlage 8: Boom Effect Analyse Bijlage 9: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bijlage 10: Selectieadvies Gemeente Meierijstad Bijlage 11: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 12: Aanvullende onderzoeken akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 13: Parkeerbalans Bijlage 14: Stikstofonderzoek Bijlage 15: Externe veiligheid buisleidingen Bijlage 16: Advies veiligheidsregio Bijlage 17: Notitie zienswijzen en ambtelijke wijzingen
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Onderhavig plan behelst de herbestemming van een deel van de Heilige Antonius Abtkerk (gemeentelijk monument) en de nieuwbouw van een school, kinderopvang en appartementen in de kern Eerde, gemeente Meierijstad. De kerk wordt opgedeeld in twee delen. De kapel van de kerk blijft voorlopig in functie voor gelovigen. Het overige deel wordt ingericht als multifunctionele accommodatie met o.a. een aula die zowel door de school als voor andere functies kan worden gebruikt. In de kerk komen verdiepingen waar 3 appartementen worden gerealiseerd. De Petrus Paulusbasisschool wordt deels in de kerk en deels in de nieuwe aanbouw aan de kerk gerealiseerd. In de aanbouw is op de begane grond ruimte voor één appartement, op de eerste verdieping van de aanbouw komen 7 appartementen. Deze appartementen hebben de mogelijkheid om omgezet te worden naar schoollokalen mocht hier behoefte aan zijn. Tevens kunnen bij uitvallende vraag de 5 klaslokalen en de kinderopvang omgezet worden naar appartementen. Wanneer bij uitvallende vraag de kapel niet meer gebruikt wordt kan deze ook omgezet worden naar 3 appartementen. Daarnaast wordt een nieuw appartementengebouw gerealiseerd met maximaal 5 appartementen.
In totaal worden er met onderhavig bestemmingsplan 16 appartementen rechtstreeks mogelijk gemaakt en daarnaast 9 appartementen bij uitvallende vraag en middels een afwijkingsbevoegdheid. Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse is Kom Eerde (2010). Het perceel heeft de enkelbestemming “Maatschappelijk”, “Groen” en “Verkeer en verblijf”, dubbelbestemming “Waarde-Archeologie” en gedeeltelijk dubbelbestemming “Molen-biotoop”. De ver- en nieuwbouwplannen passen niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan en derhalve dient het bestemmingsplan te worden herzien. Er is op 7 november 2019 een intentieovereenkomst getekend tussen initiatiefnemer en de gemeente. Voor het plan dient een bestemmingsplan opgesteld te worden om de planologische haalbaarheid van het plan aan te tonen. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan (postzegelplan) ex artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Kapelstraat en de Esdonkstraat in de kern van het dorp Eerde. Direct ten noordoosten van de kerk ligt de begraafplaats. In de omgeving van het plangebied zijn diverse maatschappelijke functies, winkels en woningen gesitueerd. Het plangebied betreft de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Veghel, sectie F, perceelnummers 4549, 4550, 4795 en 5478. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 13.631 m 2. In figuur 1.1 is een luchtfoto van de nabije omgeving en een gedetailleerde luchtfoto afgebeeld waarop de globale ligging van het plangebied te zien is. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied (bron: Google Maps)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Kom Eerde’, zoals dat op 22 juli 2010 door de gemeenteraad van de (voormalige) gemeente Veghel is vastgesteld. Het plangebied is bestemd als “Maatschappelijk”, “Groen”, “Verkeer en verblijf”, de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie” en gedeeltelijk dubbelbestemming “Molen-biotoop”. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn twee bouwvlakken opgenomen. Ter plaatse van de kerk geldt een maatvoering van de bouwhoogte en goothoogte van respectievelijk 20 meter en 15 meter. Ter plaatse van de kerktoren geldt een maatvoering van bouwhoogte en goothoogte van beide 40 meter. Daarnaast is hier de lettertekenaanduiding ‘gemeentelijk monument’ opgenomen. Ter plaatse van het andere bouwvlak geldt een maatvoering van een maximum bouwhoogte en goothoogte van beide 7 meter en een maximum bebouwingspercentage terrein 70%. Tot slot geldt er ter plaatse van twee bomen de bestemming ‘dubbelbestemming – natuurmonument’.
Hoofdstuk 1
5
De ver- en nieuwbouwplannen passen niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Voor de gewenste ontwikkeling is een functiewijziging van het plangebied noodzakelijk. Het plangebied krijgt een bestemming ‘gemengd’, daar waar nieuwe appartementen zijn voorzien wordt specifiek gebruik voor ‘wonen’ vastgelegd. Om de deze nieuwe situatie juridisch-planologisch mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: één verbeelding (plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de voorschriften voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Achtereenvolgens is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied en de toekomstige ruimtelijk-functionele invulling van het gebied. Vervolgens is ingegaan op de beleidsinkadering, de milieu- en overige aspecten, sectorale onderzoeks- en analyseresultaten, economische uitvoerbaarheid en handhaving. Afgesloten is met het weergeven van de maatschappelijke haalbaarheid en de te doorlopen procedure. Rapportages van uitgevoerde sectorale omgevingsonderzoeken (zoals akoestisch onderzoek, historische toets bodemkwaliteit en aanmeldnotitie m.e.r. e.d.) zijn als separate bijlagen bij deze toelichting gevoegd.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie De Heilige Antonius Abtkerk staat in de kern van het dorp Eerde. De kerk is opgericht omstreeks circa 1872 en aangeduid als een gemeentelijk monument. Initiatiefnemer, SHAAK heeft de het kerkgebouw gekocht van de R.K. Parochie Heilige Franciscus met de omliggende grond. Met de aankoop en de gewenste herbestemming van de kerk wordt de sloop van de Heilige Antonius Abtkerk voorkomen. De begraafplaats is gelegen achter de kerk, de begraafplaats is opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, maar er wordt niets gewijzigd in de gebruiksfuncties. Figuur 2.1 toont de Heilige Antonius Abtkerk met de openbare parkeerplaats.
Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied (bron: Google Streetview)
De Eerdse basisschool “Petrus en Paulus” is momenteel gehuisvest in een uit 1962 daterend gebouw ten noordoosten grenzend aan het plangebied. Het schoolgebouw is dus inmiddels al 58 jaar oud. Het gebouw, waarin ook kinder- en peuteropvang zijn ondergebracht, voldoet in technische, ruimtelijke en functionele zin niet meer aan de hedendaagse eisen, die aan het geven van onderwijs en aan een schoolgebouw worden gesteld; het gebouw laat vooral op het gebied van functionele en ruimtelijke kwaliteit nogal wat te wensen over. Basisschool Petrus en Paulus dient door nieuwbouw te worden vervangen. Vervanging op de huidige locatie heeft niet de voorkeur, mede omdat deze locatie kansen
Hoofdstuk 2
7
biedt voor de realisatie van de structuurvisie Eerde. In de voormalige Structuurvisie Eerde (vastgesteld door de gemeenteraad op 12 december 2002) staat de locatie van de huidige school aangegeven als potentiele locatie voor woningbouw. Het terrein naast de kerk is een alternatieve locatie voor de realisatie van een nieuw gebouw ten behoeve van de basisschool. Ten opzichte van een solistische school creëert nieuwbouw van de school gedeeltelijk in en naast de kerk aanvullend de kans om de kerk als beeldbepalend gebouw voor de toekomst te behouden. In de Structuurvisie Eerde van 2002 wordt al gesproken over de clustering van voorzieningen rondom de kerk, “Op de plaats van de voormalige ‘De Drie Ghemalen’ kan te zijner tijd wellicht een nieuwe school gebouwd worden”. De kerk, het kerkplein met het omliggende groen en de monumentale bomen wordt gezien als een sterk punt in de kern Eerde. Met de transformatie en het behoud van de kerk zorgt voor waarborging van het dorpse karakter van het kerkdorp Eerde. De omgeving van de kerk met de nieuwe voorzieningen wordt tot een nieuw hart van het dorp gemaakt.
2.2 Beoogde situatie Om De Heilige Antonius Abtkerk in stand te houden en te restaureren wordt al lang gezocht naar alternatief medegebruik. Tegelijkertijd werd er gezocht naar een nieuwe locatie voor een nieuwe school, gezien de huidige basisschool aan vervanging toe is. De gemeente heeft in het Mijlpalen van Meierijstad 2017-2022 en het regeerakkoord 2017-2021 aangegeven dat bij investeringen in onderwijshuisvesting een multifunctionele accommodatie een uitgangspunt is. Deze twee zaken worden met voorgestane ontwikkeling samengevoegd, de sloop van de Heilige Antonius Abtkerk wordt voorkomen en er wordt een nieuwe basisschool opgericht. Een lang gekoesterde wens van de dorpsgemeenschap is ook herbouwen van de pastorie. Het plan voorziet in herbouw van een volume dat geïnspireerd is op de pastorie. Met de integratie van de school ontstaan er uitdagingen en kansen voor de kerk. In opdracht van de gemeente Meierijstad heeft Pronexus in januari 2019 een nieuwe prognose opgesteld. Uit deze prognose komt naar voren dat de school een groei zal doormaken van 84 leerlingen in 2020 naar een top van 113 leerlingen in 2029. In de periode daarna tot 2039 (=einde prognoseperiode) schommelt het leerlingenaantal tussen de 111 en 112 leerlingen.
In samenspraak met het schoolbestuur is vastgesteld, dat voor wat de onderwijshuisvesting uitgegaan wordt van een stabiel leerlingenaantal van 110 leerlingen. Het nieuwe schoolgebouw zal in ieder geval voldoen aan de kwaliteitseisen Frisse Scholen, niveau B en BENG (bijna energieneutraal gebouw). Functioneel programma De Heilige Antonius Abtkerk wordt getransformeerd en er worden nieuwe gebouwen gerealiseerd ten behoeve van appartementen, een kinderdagverblijf met peuterspeelzaal en een basisschool. Het kerkgebouw krijgt een nieuwe bestemming en zal onder andere worden gebruikt als multifunctionele ruimte. De kapel van de kerk blijft voorlopig in gebruik voor gelovigen. De school wordt deels in de kerk en deels in de nieuwbouw aan de kerk gerealiseerd. Een nieuw appartementengebouw biedt ruimte voor 4 à 5 appartementen. Op de eerste verdieping van de nieuwbouw aan de kerk komen 7 appartementen met de mogelijkheid tot omzetting naar schoollokalen. Op de begane grond wordt 1
Hoofdstuk 2
8
appartement voorzien met 5 klaslokalen en een kinderdagverblijf. Deze 5 klaslokalen en het kinderdagverblijf kunnen, bij uitvallende vraag (middels een afwijkingsbevoegdheid) worden getransformeerd in 6 appartementen. In het kerkgebouw zijn 3 appartementen voorzien. Wanneer bij uitvallende vraag de kapel niet meer gebruikt wordt kan deze worden getransformeerd naar 3 appartementen. In totaal worden er met onderhavig bestemmingsplan 16 appartementen rechtstreeks mogelijk gemaakt en bij uitvallende vraag nog eens 9 appartementen middels een afwijkingsbevoegdheid. Ten behoeve van de ontwikkelingen is een regiekaart opgesteld, deze is te zien in figuur 2.1 en tevens opgenomen in de bijlagen.
Figuur 2.1 Regiekaart ontwikkelingen Dorpshart Eerde
Op basis van het huidige bestemmingsplan zijn er ter plaatse van het plangebied reeds maatschappelijke functies en gebouwen toegestaan. Met de herbestemming wordt het bestaande bouwvlak en het toegestane aantal vierkante meters oppervlakte bebouwing/functies kleiner. Met het nieuwe voorliggende bestemmingsplan is flexibiliteit ingebouwd dat wanneer de klaslokalen overbodig blijken kunnen worden getransformeerd in appartementen. In totaal worden er 16 tot maximaal 25 appartementen gerealiseerd. Daarnaast kunnen bij toenemende vraag de appartementen worden omgezet tot klaslokalen. Het gebouw krijgt de bestemming “gemengd”, waardoor meerde functies mogelijk worden gemaakt en bovendien uitwisselbaar zijn. Bij het opstellen van de bestemmingsregeling is het uitgangspunt dat niet méér dan 25 appartementen worden mogelijk gemaakt.
Hoofdstuk 2
9
Stedenbouwkundige visie De kerk in Eerde is een markant gebouw in het hart van Eerde. In de structuurvisie over Eerde wordt het belang van de kerk als stedenbouwkundig ankerpunt nog eens bevestigd (Bureau B+B stedenbouw en landschapsarchitectuur, 2003). Tevens is het een gemeentelijk monument. In de 19e eeuw is de oorspronkelijke schuurkerk op het St. Antoniusplein vervangen door een trotse neogotische kerk. H. Antonius Abt kerk van architect Hendrik Tulder, bouwperiode van 1871 tot 1872 Met de bouw van deze kerk werd ook de basis gelegd voor het vormen van een kerkdorp. In eerste instantie ontstond een verdicht bebouwingslint tussen de nieuwe kerk en de plaats waar ooit de kapel stond. Eerde werd een plaatselijk centrum voor andere gehuchten. Een aantal van deze gehuchten bestaan nog steeds. De oude parochiegrens definieert ook nu nog het dorp Eerde met in het centrum de kerk met zijn markante toren. De toren is vernietigd in de Tweede Wereldoorlog en in 1962 is gestart met nieuwbouw van de toren. De naastgelegen pastorie is later gesloopt en op deze locatie heeft lang een dag activiteitencentrum gestaan voor de zorginstelling Dichterbij (de drie gemalen). De bebouwing van dit zorgcentrum stond aan de linkerzijde van de kerk. Wat ook te zien is aan de bestemming ‘Maatschappelijk’ met het grote bouwvlak in het vigerende bestemmingsplan.
De kerk wordt opgedeeld in twee delen; Een kapeldeel voor de geloofsgemeenschap en een deel voor de school. Het deel van de school in het middenschip kan multifunctioneel ingezet worden. De aula/speelruimte in het middenschip kan middels flexibele wanden gekoppeld worden aan het kapeldeel. De ruimte in de kerk is niet voldoende en niet geschikt voor groepslokalen. Er is gekozen voor een nieuwbouw deel dat een contrast vormt met de kerk. Tussen het gesloten deel van de nieuwbouw en de kerk ligt een transparant midden deel. De groepsruimten van het kinderdagverblijf liggen daar haaks op en zijn intern verbonden via groep 1. Ook tussen dit bouwdeel en de herbouw pastorie ligt een transparant middendeel met uitsluitend verkeersruimte. In het pastorie deel zijn woningen gevestigd. Concept: Twee traditionele gebouwen en een contrastrijk gesloten L-vormig nieuwbouw deel op afstand. De onderdelen zijn vervolgens gekoppeld met een transparant tussen lid. Hiermee wordt een integraal kindcentrum mogelijk met een grote flexibiliteit naar de toekomst. Wonen en kind functies kunnen flexibel uitgewisseld worden om behoefte veranderingen in de toekomst te kunnen faciliteren. Met het gekozen concept ontstaat een geconcentreerd bebouwingsplan waarbij er nog voldoende ruimte blijft voor speel- en belevingsgroen.
Alle monumentale bomen worden gerespecteerd en er is voldoende groeiruimte ook voor de nabij gelegen monumentale beuk. De L-vormige massa omarmt de speelruimte voor de midden en bovenbouw en loopt vrij over naar het park. De speelruimte voor de kleinsten ligt omsloten aan de voorzijde tussen kerk en pastorie.
Hoofdstuk 2
10
Het beeld aan de voorzijde refereert aan het beeld uit de historie met het verschil dat ook het nieuwbouw deel een eigen gezicht heeft aan het plein. Het kerkplein is hiermee weer meer een plein geworden en wordt in de hoek begeleid door gebouwen. In samenspraak met de Dorpsraad wordt er een inrichtingsschets opgesteld ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte met o.a. wandelpaden en openbare fietsparkeervoorzieningen. Qua hoogte krijgt de nieuwbouw twee lagen en het nieuwe appartementengebouw zal als twee lagen met een kap worden uitgevoerd. Het doel is om het nieuwe appartementengebouw de uitstraling te geven van een pastorie en hiermee de verhoudingen van de oorspronkelijke pastorie terug te brengen in het dorpsbeeld. De verhoudingen zijn bekend vanuit een reconstructie van oude foto’s. De oorspronkelijke pastorie had hoge ramen en hoge verdiepingshoogten en een zolderruimte. In krijgt de nieuw pastorie bouwlagen met hoge verdiepingshoogten en met een bijpassende robuuste kap. Figuur 2.2 geeft een impressie van de toekomstige situatie van het plangebied.
Figuur 2.2: Impressies toekomstige situatie (Bron: LA │ Architecten Ingenieurs)
Hoofdstuk 2
11
3.
BELEIDSKADER Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de van belang zijnde beleidsuitgangspunten van de diverse overheidsinstanties.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke per 11 september 2020 in werking is getreden. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio’s; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes, welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: - Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; - Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; - Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en
Hoofdstuk 3
12
vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien wordt de woning landschappelijk ingepast en heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden zodat er een beter en meer geïntegreerde ontwikkeling ontstaat. Doorwerking plangebied Het onderhavig plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Het beleid inzake het verplaatsen van de basisschool, herbestemmen van de kerk (gemeentelijk monument) en de planologische ruimte voor het realiseren van nieuwe/extra wooneenheden en multifunctionele ruimte wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang.
In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkelingen. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden: 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten; 2.
indien uit de beschrijving, bedoeld in trede 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
Hoofdstuk 3
13
3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in trede 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Per 1 juli 2017 is de nieuwe ladder in werking getreden. Hierin wordt de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Concreet betekent dit dat onderzoek naar het actuele en regionale aspect van de behoefte en Trede 3 komt te vervallen. Daarnaast wordt de mogelijkheid geboden om de laddertoets ‘door te schuiven’ naar een uitwerkings- of wijzigingsplan, mits dit voorafgaand is bepaald door het bevoegd gezag. Doorwerking plangebied Het initiatief voorziet in het realiseren van 16 tot maximaal 25 appartementen in een deel van het gemeentelijke monument de Antonius Abtkerk en in nieuwbouw. De ontwikkeling voorziet tevens in een school en kinderopvang.
In de nieuwe bestemmingsregeling wordt de enkelbestemming “maatschappelijk” omgezet naar “gemengd”, waardoor meerde functies mogelijk worden gemaakt en bovendien uitwisselbaar zijn. Door de omvang van het initiatief dient het te worden beschouwd als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Bij het opstellen van de bestemmingsregeling is het uitgangspunt dat niet méér dan 25 appartementen zullen worden mogelijk gemaakt. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. De beoogde ontwikkeling van maximaal 25 appartementen, betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming “maatschappelijk”, Op basis daarvan is wonen niet toegestaan en is een wijziging van de bestemming noodzakelijk. 2. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Realiseren van 25 woningen valt onder deze definitie. 3. Vanaf 12 nieuwe woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Aangezien het om de toevoeging gaat van maximaal 25 woningen, kan het initiatief gekwantificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Voor de onderbouwing van de kwantitatieve woonbehoefte is gekeken naar de relevante regio op basis van verhuisbewegingen. Daaruit blijkt dat de primaire regio de gemeente Meierijstad betreft (62% van de verhuisbewegingen). Als secundair gebied is tevens gekeken naar de regio Noordoost-Brabant (17% van de verhuisbewegingen). Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder. Onderstaand volgt een beknopte toelichting, voor de volledige Ladderonderbouwing wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 3
14
Kwantitatieve behoefte De boogde ontwikkeling van maximaal 25 woningen voorziet in een kwantitatieve behoefte en kan redelijkerwijs worden ingepast in de harde plancapaciteit. De bevolking en het aantal huishoudens in de gemeente Meierijstad en de regio Noordoost-Brabant nemen de komende jaren aanzienlijk toe. Het aantal huishoudens groeit daarbij meer dan het aantal inwoners, wat duidt op een toename van het aantal kleinere huishoudens (een- en tweepersoons). De gemeente Meierijstad onderstreept dat er de komende jaren sprake is van een aanzienlijke woningbehoefte en houdt daarom rekening met het hoge provinciale behoeftescenario. Wanneer de woningbehoefte, in de gemeente Meijerijstad wordt afgezet tegen de totale plancapaciteit blijkt dat deze voldoende toereikend is om invulling te geven aan de groeiende woningbehoefte tot 2030. Wanneer uitsluitend wordt gekeken naar de harde plancapaciteit is echter sprake van een aanzienlijke behoefte aan ruim 1.781 woningen voor de hele gemeente. Dat betekent dat de komende jaren nog een groot aantal woningbouwinitiatieven nodig is om in de groeiende woningbehoefte te kunnen voorzien. Voor een deel kunnen deze worden ingevuld met plannen vanuit de zachte plancapaciteit, ook gezien de reeds gemaakte afspraken en mogelijkheden, maar voor een ander deel zijn nieuwe initiatieven in gemeente Meierijstad nodig, zo ook in de kern Eerde.
Voor de regio Noordoost-Brabant geldt een vergelijkbaar beeld. De totale plancapaciteit is ruim voldoende om te voorzien in de behoefte tot 2030. De harde plancapaciteit is echter verre van toereikend. Gelet op de harde plancapaciteit is in de regio Noordoost-Brabant tot 2030 sprake van een behoefte aan ruim 9.500 woningen. Kwalitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van maximaal 25 appartementen, kleinschalige tot middelgrote appartementen, zowel koop als huur en gericht op kleinschalige huishoudens, starters en senioren geeft invulling aan een kwalitatieve behoefte. Op regionaal niveau is er veel behoefte aan woningen in het middensegment, zowel huur als koop. Tevens is er een groeiende behoefte aan kleinere en betaalbare woonruimte voor kleinschalige huishoudens. Bovendien heeft het een meerwaarde dat woningen omgezet kunnen worden (flexibel concept). Op lokaal niveau wordt nadrukkelijk ingegaan op de behoefte door ouderen. Het aantal ouderen neemt toe en blijft bovendien langer thuis wonen (‘dubbele vergrijzing’). Bovendien is er behoefte aan kleinere woningen, zowel door een toename van ouderen en eenen tweepersoons huishoudens. Ook neemt de behoefte aan betaalbare woningen toe, zeker voor starters op de woningmarkt, maar ook huishoudens met een middeninkomen. Tevens neemt de behoefte aan nieuwe, flexibele woonvormen en –concepten toe.
Onder meer woonvormen die kunnen meebewegen met veranderingen op de woningmarkt door het gemak waarmee deze gesplitst, samengevoegd of uitgebreid kunnen worden zijn gewenst. Woonwensenonderzoek bevestigd de behoefte door starters en ouderen en een tekort aan zowel huur- als koopappartementen in de regio. Met name in landelijk gebied is de vraag naar betaalbare huurwoningen hoog (starters). Ouderen richten zich zowel op het goedkope als middeldure segment en hechten nadrukkelijk waarde aan levens-loopbestendigheid van woningen (nultreden).
Hoofdstuk 3
15
De huidige samenstelling van de woningvoorraad in de gemeente Meierijstad en de kern Eerde, overwegend eengezins en koop, geeft onvoldoende invulling aan de huidige demografische ontwikkelingen en daaruit voortvloeiende kwalitatieve woningbehoefte.
Geen onaanvaardbare effecten Naar verwachting leidt de beoogde ontwikkeling niet tot onaanvaardbare (ruimtelijke effecten). Allereerst gaat het om een relatief kleinschalig project van maximaal 25 woningen, die deels bovendien worden gesitueerd in bestaand vastgoed. De ontwikkeling van maximaal 25 kleinschalige tot middelgrote appartementen, zowel koop als huur, en gericht op kleinschalige huishoudens, starters en ouderen voorziet bovendien in een behoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief. Doordat de ontwikkeling gebruik maakt van de bestaande kerk wordt verloedering van het karakteristieke gebouw voorkomen. Een toename van bewoners, maar ook door de toevoeging van andere functies (school en kinderdagopvang) dragen bij aan reuring en de leefbaarheid in de directe omgeving. Initiatief gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied De planlocatie is gelegen in de kern Eerde, binnen bestaand stedelijk gebied. Binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Kom Eerde’ heeft de boogde locatie de enkelbestemming ‘maatschappelijk’. Dit biedt ruimte voor stedelijke functies.
In artikel 1.1.1 onder h van het Besluit ruimtelijke ordening biedt een definitie van bestaand stedelijk gebied: ‘het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastuctuur’. Gezien de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de directe omgeving kan de planlocatie dus als bestaand stedelijk gebied aangemerkt worden. Op dit punt is daarom geen nadere motivering vereist.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De herbestemming van de kerk en nieuwbouw ten behoeve van de basisschool en appartementen hebben geen grote invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet de ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de
Hoofdstuk 3
16
ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Interim Omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is op 1 maart 2020 geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt binnen gronden die op de kaarten behorende bij de Verordening ruimte als ‘Stedelijk gebied’ en ‘Kern in landelijk gebied’ zijn aangeduid. Dit is te zien in figuur 3.1.
Hoofdstuk 3
17
Figuur 3.1: Uitsnede plangebied Interim Omgevingsverordening
De volgende artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing op de voorgestane ontwikkelingen binnen het plangebied. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De kwantitatieve woonbehoefte in de regio is aangetoond in de toets aan de Ladder voor duurzame
Hoofdstuk 3
18
verstedelijking. Er is sprake van een herontwikkeling van de kerk met de verplaatsing van de basisschool en de ontwikkeling van 16 tot maximaal 25 appartementen. Het stedenbouwkundig plan voorziet in een ruimtelijke kwaliteitsimpuls voor het centrum van Eerde. Er is sprake van een inbreidingsplan en transformatieopgave in stedelijk gebied. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Zo gaan de bouwplannen uit van energie neutrale nieuwbouw waarbij de laatste ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid zijn verwerkt. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Veghel 2030 Op 19 december 2013 is de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd voor de voormalige gemeente Veghel. Inmiddels is de gemeente gefuseerd met gemeente Schijndel en gemeente Sint-Oedenrode tot gemeente Meierijstad. In de structuurvisie wordt er voor gekozen om voort te bouwen op typisch Veghelse kwaliteiten. Dat betekent dat de inspanningen erop gericht moeten zijn om Veghel als 'werkstad' op de kaart te houden en als 'woondorp' juist meer op de kaart te zetten. Doorwerking plangebied De Kapelstraat in Eerde bestaat uit verdichte lintbebouwing en maakt onderdeel uit van het historische lusvormige bebouwingslint en is daarmee een van de hoofdstraten die door de kern Eerde loopt. Enige groei wordt nodig geacht om het dorp Eerde levendig te houden en het voorzieningenniveau op peil te houden volgens de gemeentelijke Structuurvisie. Hierbij is het wel van belang dat het bouwprogramma maximaal moet inspelen op de diversiteit van de doelgroepen. Twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen hebben de laagste prioriteit aangezien hier al veel woningen van zijn in Eerde. De realisatie van 16 tot maximaal 25 nieuwe appartementen sluit aan op hetgeen in de structuurvisie is beoogd.
Tegelijkertijd krijgt de kerk een passende nieuwe functie, de herbestemming zorgt ervoor dat sloop van dit gemeentelijk monument wordt voorkomen. De bestaande basisschool in Eerde is aan vervanging toe en krijgt met onderhavige ontwikkeling een nieuw schoolgebouw waarmee tevens de gemeenschappelijke ruimten ook voor andere functies dienst kunnen doen. Zo is er sprake van een multifunctionele accommodatie met ruimte voor verschillende functies en voorzieningen. In de toekomstige situatie wordt gestuurd op behoud van een deel van de voorzieningen in Eerde en tegelijkertijd worden er nieuwe appartementen op een markante en passende woonlocatie toegevoegd. In de Structuurvisie Veghel staat dat herstructurering van het gebied rond de kerk zou benut kunnen worden om het dorp van een centraal dorpspark te voorzien. Met onderhavige ontwikkeling wordt de kerk herbestemd en worden verschillende voorzieningen geclusterd in en rondom de kerk in een groene omgeving. De ontwikkeling tezamen geeft een impuls aan het centrum van Eerde en draagt bij aan de versterking van het dorpshart Eerde.
Hoofdstuk 3
19
Figuur 3.2: Ligging plangebied in structuurvisiekaart (Bron: voormalige gemeente Veghel)
Woonvisie Meierijstad 2018 Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie voor Meierijstad vastgesteld. Als kaders voor de nieuwe visie zijn onder andere uitgangspunten uit het Europees, rijks- en provinciaal beleid en het Coalitieakkoord 2017-2022 gehandhaafd. Enkele uitgangspunten (die van toepassing zijn op onderhavig initiatief) hieruit zijn: Waar wonen en werken jeugd aantrekt en er een goede ruimtelijke balans is tussen werken, wonen en leven en iedereen kan meedoen; Er is ondersteuning waar die nodig is en een divers woningaanbod; Meierijstad neemt de behoefte van de woningzoekenden als uitgangspunt bij het formuleren van de woonvisie; Meierijstad maakt het mogelijk dat gebouwd kan worden in alle kernen. De woningbehoefte kent kwantitatieve en kwalitatieve aspecten. Door de demografische ontwikkelingen is er tot 2030 in Meierijstad nog een behoorlijke toename van de kwantitatieve woningbehoefte (jaarlijks ongeveer 1% toevoeging aan de bestaande woningvoorraad), daarna vlakt die behoefte aan extra woningen af.
Die demografische ontwikkeling heeft de volgende kenmerken: het aantal gezinnen en jongere huishoudens blijft nagenoeg gelijk; het aantal ouderen en het aantal alleenstaanden neemt behoorlijk toe; de bevolking van Meierijstad vergrijst (naar verwachting is in 2040 1 op de 4 huishoudens 75 jaar of ouder: een verdubbeling van het aantal oudere huishoudens ten opzichte van nu).
Hoofdstuk 3
20
In kwantitatief opzicht is er tot 2028 een behoefte aan 49 woningen in de kern Eerde (zie tabel 3.1).
Tabel 3.1: Overzicht woningbehoefte tot 2028 per kern (Woonvisie 2018)
Kwantitatieve woonbehoefte Meierijstad De gemeente Meierijstad monitort jaarlijks de ontwikkelingen en stelt het woonbeleid bij. Op 2 juni 2020 is de gemeenteraad van Meierijstad middels een raadsinformatiebrief geïnformeerd over de woningbouwprogrammering. Hierbij is gekeken naar wat er is gerealiseerd en er wordt een prognose gegeven voor de periode 2020 t/m 2029. Zoals tabel 3.1 al aangaf is ook in tabel 3.2 af te lezen dat er in kwantitatief opzicht een woningbehoefte is van 49 woningen in de kern Eerde. De totale kwantitatieve woningbehoefte voor de gemeente Meierijstad komt neer op 3.940 woningen.
Hoofdstuk 3
21
Tabel 3.2: Overzicht woningbouwplannen i.r.t. woonbehoefte per kern, gemeente Meierijstad (Raadsinformatiebrief d.d. 02-06-2020)
Voor de kern Eerde geldt dat er per 1-1-2020 een behoefte is van 23 woningen (oorspronkelijke behoefte van 49 min het aantal gerealiseerde woningen in 2018 (9) en het aantal gerealiseerde woningen in 2019 (17)). Het totaal aantal woningen in plannen (harde en zachte plancapaciteit) voor de periode 2020-2024 bedraagt 9 woningen. Het totaal aantal gerealiseerde en geplande woningen bedraagt daarmee 35 woningen tegen een behoefte van 49 woningen. Op dit moment zijn er niet veel inbreidingslocaties in Eerde bekend waardoor het in ruimtelijk-planologisch opzicht verdedigbaar is om onderhavig plan met 16 (met uitbreiding tot maximaal 25) extra wooneenheden in de vorm van appartementen op een inbreidingslocatie in procedure te brengen. De toevoeging van de woningen van onderhavige ontwikkeling past binnen de kaders van de woonvisie en ook binnen de provinciale behoefteraming van september 2020. De harde en zachte plancapaciteit is lager dan de behoefte. Kwalitatieve woonbehoefte In het samenwerkingsverband met regio Noordoost Brabant is in 2019 een woonwensenonderzoek uitgevoerd. In maart 2020 is hiervan de definitieve rapportage gepubliceerd. - Inwoners van Meierijstad willen veelal in Meierijstad blijven wonen. 86% van de zelfstandig wonende huishoudens is (zeer) tevreden over hun woning en woonomgeving.
67 % van de verhuisgeneigde starters en 81% van de verhuis-geneigde doorstromers. Met name in of nabij het centrum wonen is gewenst. - 74% van der 65-plussers wil zo lang mogelijk in de eigen woning blijven wonen en slechts 5% van hen verwacht te moeten verhuizen als de gezondheid achteruit gaat. 26% van de 65-plussers wil verhuizen naar een woning met zorgfaciliteiten. - Het aantal spoedzoekers (mensen die dringend op zoek zijn naar een andere woning) blijkt onder doorstromers (zeer) beperkt. Het aantal spoedzoekers dat een tijdelijke woning zou accepteren ligt rond de 280.
Hoofdstuk 3
22
-
23% van de eigenaar-bewoners denkt de komende 2 jaar energiebesparende maatregelen te nemen. Er is een grote interesse in bijzondere woonvormen onder mensen met een verhuiswens. Starters en doorstromers noemen met name zelfbouw op een eigen kavel, zelfbouw in een project (CPO) en transformeren van vastgoed als gewenste woonvormen. Doorstromers vanaf 65 jaar hebben met name interesse voor kleinschalige woonzorgprojecten, wonen met gelijkgestemden of wonen met gemeenschappelijke voorzieningen.
Wanneer de vraag uit het onderzoek over het huidige aanbod van Meierijstad wordt gelegd, wordt duidelijk waar de komende jaren de aandacht naar uit zou moeten gaan. Op hoofdlijnen sluit dit beeld aan bij de huidige woonvisie en de doorvertaling daarvan in onder meer de woningbouwprogrammering en het plan van aanpak om de woningbouw te versnellen. Zo is er behoefte aan o.a.: - huurappartementen, zowel voor starters als voor doorstromers; - betaalbare huurwoningen (tussen €424 en €607), zowel voor starters als voor doorstromers; - betaalbare koopwoningen (tot €225.000), met name voor starters; - middeldure huurwoningen (>€720); - kleinere woningen, zowel in koop- als huursector, appartementen en grondgebonden. Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling voorziet in een netto toename van 16 tot maximaal 25 appartementen. Het gaat hierbij om het ontwikkelen van de lokale vraag naar betaalbare, multifunctionele appartementen. De appartementen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Woonwensenonderzoek bevestigd de behoefte door starters en ouderen en een tekort aan zowel huur- als koopappartementen in de regio. De beoogde kleinschalige tot middelgrote appartementen, zowel koop als huur en gericht op kleinschalige huishoudens, starters en senioren geeft invulling aan een kwalitatieve behoefte.
De voorgestane ontwikkeling is in lijn met de Woonvisie Meierijstad 2018, omdat invulling wordt gegeven aan de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte in de gemeente voor de kern Eerde. Over de nadere concretisering van de kwalitatieve behoefte kunnen tussen de gemeente en initiatiefnemer afspraken gemaakt.
Hoofdstuk 3
23
4.
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een initiatief ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.
4.2 M.e.r.-plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied Voor onderhavig initiatief is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Aanbevolen wordt - na nadere kennisname van de beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van voorliggend initiatief geen milieueffectrapportage wordt vereist.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Hoofdstuk 4
24
Doorwerking plangebied archeologie De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de voormalige gemeente Veghel (2009, geactualiseerde versie 2014) in een zone met een hoge archeologische verwachting. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en een verstoringsdiepte vanaf 30 cm -mv. Binnen het bestemmingsplan Kom Eerde (2010) geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 cm -mv. De geplande ingrepen beslaan een oppervlakte van circa 1.450m2 en zullen naar verwachting dieper reiken dan 50 cm -mv. Conform het gemeentelijk beleid is dus archeologisch onderzoek nodig. Derhalve heeft Salisbury BV een bureau en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en het archeologiebeleid van de gemeente Meierijstad. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen, in deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Het plangebied maakt deel uit van het Brabantse dekzandgebied en ligt op de dekzandrug waarop Eerde gevestigd is. Het gebied was vanaf het Laat-Paleolithicum al bewoonbaar en archeologische resten vanaf deze periode t/m de Nieuwe tijd zijn in het plangebied te verwachten.
Op basis van het bureauonderzoek zijn drie archeologisch relevante niveaus voor het plangebied vastgesteld. Het diepst gelegen niveau omvat de top van de pleistocene dekzandafzettingen, hierin kunnen resten vanaf het Laat-Paleolithicum t/m de Late Middeleeuwen voorkomen. Op deze afzettingen wordt een esdek verwacht dat in de Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd is ontstaan en waarin resten uit de Late Middeleeuwen t/m Nieuwe Tijd worden verwacht. Verder kunnen bebouwingsresten uit de Nieuwe tijd worden verwacht, direct vanaf het maaiveld. De archeologische verwachting voor alle periodes is hoog, met uitzondering van de locatie van het voormalige gebouw ‘De Drie Ghemalen’, waar een middelhoge verwachting geldt door de mogelijke verstoring. Uit het booronderzoek blijkt dat het diepste archeologische niveau, de top van het dekzand, in een groot deel van het plangebied niet meer intact is. In twee boringen is nog een restant van een podzolprofiel gezien, maar in de overige boringen is de top van het dekzand ofwel opgenomen in het esdek of verstoord door de sloop van voormalige bebouwing. Diep ingegraven sporen zoals greppels of kuilen kunnen wel nog in het dekzand aanwezig zijn. Het dekzand is aangetroffen op 1,15 – 1,95 m beneden maaiveld (8,33 - 9,41 m +NAP). Ook het tweede archeologische niveau is grotendeels verstoord.
Slechts in twee boringen is duidelijk nog sprake van een esdek. Hier zijn mogelijk nog sporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd aanwezig maar in de rest van het plangebied is dit niveau volledig verstoord door de sloop van de bebouwing. Op basis van de boringen is niet eenduidig of er nog sprake is van behoudenswaardige resten van de bebouwing uit de Nieuwe tijd. Uit het booronderzoek blijkt dat in vrijwel het gehele plangebied sprake is van verstoring door de sloop van de bebouwing, maar het is niet zeker of er nog intacte funderingsresten of aan de bebouwing gerelateerde sporen of vondsten aanwezig zijn in het plangebied. De
Hoofdstuk 4
25
puinresten in de verstoorde laag betreffen zowel relatief modern rood baksteen als oranje en gele baksteenspikkels die mogelijk ouder zijn. Eén boring is gestuit op ondoordringbaar puin, mogelijk is hier een restant van een fundering geraakt. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert Salisbury Archeologie in het plangebied een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Op basis van het verkennende booronderzoek kan niet in voldoende mate worden vastgesteld of er archeologische resten in het plangebied voorkomen. Aangezien booronderzoek niet geschikt is voor het opsporen van funderingsresten uit de Nieuwe tijd en/of sporen uit het Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen, heeft een proefsleuvenonderzoek de voorkeur als vervolgstap binnen de AMZ-cyclus. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Het vervolgonderzoek zal moeten aantonen of er sprake is van een vindplaats en de aard, omvang en datering hiervan vaststellen. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd PvE te worden opgesteld. Over de bevindingen en aanbevelingen uit het onderzoek is contact opgenomen met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Meierijstad. De gemeente Meierijstad is gevraagd het onderzoek te beoordelen en een selectieadvies op te stellen.
Het rapport is daartoe voorgelegd aan de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch. De gemeente heeft in haar selectieadvies aangegeven geheel in te stemmen met de inhoud en strekking van het rapport en met het advies van Salisbury om - binnen de lopende AMZ-cyclus - eerst nog nader onderzoek noodzakelijk te achten. Het selectieadvies is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Doorwerking plangebied cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Provincie Noord-Brabant is de Kapelstraat als historisch geografische lijn met redelijke hoge waarde aangeduid. Het initiatief heeft geen invloed op de Kapelstraat. De Heilige Antonius Abtkerk is aangeduid als MIP pand en is een gemeentelijk monument. De ontwikkeling draagt bij aan een passende nieuwe invulling van het kerkgebouw waarbij de cultuurhistorische waarden van het gebouw behouden blijven. Met de ontwikkeling wordt leegstand, verval en eventuele sloop van de kerk voorkomen. Daarnaast staat er in het plangebied een monumentale rode beuk en andere beeldbepalende bomen. Ten behoeve van het inzichtelijk krijgen of negatieve effecten op het duurzame behoud van 16 bomen in en rondom het plangebied te verwachten zijn is door Pius Floris Boomverzorging een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. De BEA is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
De BEA voorziet in randvoorwaarden ten behoeve van het duurzaam behoud van de bomen gedurende de werkzaamheden. Het definitieve planontwerp is aangepast met inachtneming van de resultaten uit de BEA. Met de gewenste ontwikkelingen worden de monumentale bomen behouden en de ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze bomen in en rondom het plangebied. Een gedeelte van het plangebied is gelegen binnen een molenbiotoop, dit is zowel op de CHW als in het vigerende bestemmingsplan opgenomen. Ten westen van het plangebied staat een molen welke
Hoofdstuk 4
26
is aangeduid als beeldbepalend cultuurhistorisch betekenisvol element. Om voor de molen vrije windvang te garanderen en het zicht op de molen veilig te stellen gelden bepaalde bouwregels. Met onderhavige ontwikkeling zijn deze bouwregels nageleefd. De dubbelbestemming Molenbiotoop wordt overgenomen in onderhavig bestemmingsplan om ook de vrije windvang en het zicht op de molen voor de toekomst veilig te stellen. Met de ontwikkeling van de nieuwe gebouwen wordt extra aandacht besteed aan de karakteristieken van de omgeving en vormt daarmee nieuwe karakteristieke bouwwerken. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief.
4.4 Flora en fauna De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ liggen op ca.
14,1 en 14,7 kilometer ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Bij onderhavige ontwikkeling kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om deze reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk
Hoofdstuk 4
27
behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 250 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast.