Beantwoording technische vragen: verordening fysieke leefomgeving 1e tranche.docx
Tekst van het document
Technische vragen raadsvergadering 17 december 2020 Gewijzigde vaststelling overgangsverordening fysieke leefomgeving (1e tranche) Fractie
Vragen
Antwoorden
CDA
1. Er wordt aangegeven dat de zienswijzen zijn verwerkt in de nu voorgestelde geurnormering van de veehouderij. Heeft er overleg plaatsgevonden met belangorganisaties over het aanpassen van de geurnormen, na de verwerking van de zienswijzen in het raadsvoorstel? Zo ja, wat was hun reactie op de aanpassingen? Zo nee, waarom is er niet naar de indieners van zienswijzen gecommuniceerd?
Enerzijds is ons college doorgaand in gesprek met inwoners en partners in de samenleving, anderzijds werkt de gemeenten in stappen waartussen kleine pauzes zitten. De beleidsvorming verloopt immers in fasen (zie ook het antwoord op de vraag HART-1). In een eerste fase voor deze verordening was er extern overleg in zowel het project Vitaal buitengebied als het project omgevingsvisieomgevingsplan. Zo was er op 19 mei 2020 in het Thuislab Omgevingswet gelegenheid om met elkaar te spreken over geurnormering veehouderij. Die fase was gericht op het opstellen van de beleidsdocumenten. In een tweede fase heeft het college een ontwerpverordening ter inzage gelegd. In een derde fase zijn er zienswijzen ingezonden. In een vierde fase heeft het college een reactie op de zienswijzen geformuleerd. In een vijfde fase kan uw raad die reactie op de zienswijzen bekrachtigen. In een zesde fase deelt de gemeente de reactie op de zienswijzen met de inzenders. Natuurlijk kunnen er contacten zijn van het college en zijn organisatie mét externen in de fasen 2 t/m 5, en die waren er ook wel, maar het is niet zo dat
CDA
2. Wat kunnen de gevolgen, financieel en bedrijfsmatig, van deze maatregel zijn voor bedrijven, die bijvoorbeeld een kleine aanpassing moeten doen bij een nog recent bedrijf waar nu een geurnorm van 14 telt (wellicht voormalig landbouwontwikkelingsgebied)? Wat is het aantal bedrijven dat door de correcties in de geurnormen op of boven de norm komen te zitten?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 2 van 12
datum 30 november 2020
inzenders van zienswijzen een inhoudelijke reactie krijgen voordat het gemeentebestuur die inhoudelijke reactie heeft vastgesteld. Uit de email die de ZLTO-afdeling op 24 november 2020 uw leden toezond, blijkt ook wel dat zij begreep dat in de huidige fase 5 uw raad aan zet is. De geurnormen verplichten niet tot aanpassingen van bestaande bedrijven. Alleen indien voor een veehouderij een nieuwe omgevingsvergunning nodig is, wordt aan de geurnormen getoetst. En als er dan slechts een kleine aanpassing nodig is om aan de dan actuele geurnorm te voldoen, dan zijn de financiële gevolgen voor het bedrijf ook gering. Misschien komt het bedrijf voortaan zelfs in aanmerking voor financiering door specifieke banken of fondsen die vanuit hun randvoorwaarden van duurzaamheid eerder niet met dat bedrijf zaken zouden doen. Van de 679 bedrijven in de ODBN-analyse zijn er in Meierijstad 40 die door de voorgestelde geurnormen extra belemmerd worden (< 6%). In de analyse is natuurlijk niet zichtbaar hoeveel van die bedrijven zich al door andere factoren dan geurnormen moeilijker zouden ontwikkelen.
Wij hebben onze omgevingsdienst gevraagd of de adviseur daar misschien een aanvulling had op het voorgaande: Om dit aantal [geurnorm-overschrijdende bedrijven] boven water te krijgen zullen alle vergunningen los bekeken moeten worden omdat dit informatie is die niet op een andere manier digitaal vastgelegd en beschikbaar is. Enkel de emissies zijn zo geregistreerd, niet de op de geurgevoelige objecten berekende immissies. Dit heeft overigens een logische reden aangezien de geurfactoren uit de Rgv en de rekenmethodieken en rekenmodellen in de tijd regelmatig wijzigen, zoals bijvoorbeeld
CDA
3. In de “Aanleiding” raadsvoorstel wordt aangegeven dat dit een tussenproduct is ter voorbereiding van het ‘Omgevingsplan’ om de verzameling van bestemmingsplannen te harmoniseren en om recente beleidsnota’s te verwerken. Hoe gaat men om met speerpunten, zoals vitaal buitengebied, die nog niet uitgewerkt zijn in een beleidsnota? Wie bepaalt op welke wijze dit zijn vertaling krijgt in de omgevingsvisie? Op welke wijze hebben we als gemeenteraad hier nog inspraak in? Hoe wordt de integraliteit van beleidskeuzen geborgd? Hoe wordt voorkomen dat de nog niet uitgewerkte onderdelen de sluitpost gaan vormen, waarvan alle andere deelonderwerpen ruimte opgesoupeerd hebben? Wanneer kan de Raad hier een afweging in maken, zonder op het eind van het traject de totale visie op de schop te gooien? Op welke manier wordt de gemeenteraad bij deze aanpassingen betrokken en kan de raad haar eigen keuzen hierin maken?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 3 van 12
datum 30 november 2020
recentelijk met versie 2020 van het rekenmodel V-Stacks Vergunning. In een vergunning worden enkel dieraantallen binnen een bepaald huisvestingssysteem vergund, niet een bepaalde geuremissie of -immissie. a) In het huidige stadium van onze ontwikkeling van het omgevingsbeleid worden nog geen regels voorgesteld over onderwerpen waarover nog geen inhoudelijk beleid is geformuleerd. Maar omdat de omgevingsvisie integraal moet zijn voor het geheel van de fysieke leefomgeving, worden onderwerpen waarover niet eerder inhoudelijk beleid is geformuleerd aangevuld in de omgevingsvisie. De mate van detaillering van zulke aanvullingen varieert. b) Uw raad bepaalt de inhoud van de omgevingsvisie, slechts ingekaderd door artt. 3.2 en 3.3 Omgevingswet. Met enkele richtingwijzers in het koersdocument heeft u ons college op 18 april 2019 op weg geholpen om de inhoud van de omgevingsvisie te ontwikkelen. Verder biedt uw raad ons college een bouwsteen voor het omgevingsbeleid met elk raadsbesluit over de fysieke leefomgeving. c) Uw raad heeft geen inspraak maar is bevoegd voor, tijdens en na de beleidsontwikkeling door ons college. In het koersdocument voor de programmalijn, in het projectplan omgevingsvisie-omgevingsplan en in een recente raadsinformatiebrief staat beschreven hoe we de betrokkenheid van uw raad bij de ontwikkeling van de omgevingsvisie voor ons zien.
Uw raad heeft al inhoudelijke richtingwijzers meegegeven. Uw raad beslist in bijna elke vergadering over bouwstenen. Uw leden kunnen deelnemen aan bijeenkomsten van het BuitenLab Omgevingswet, het OpenLab Omgevingswet en aan sessies van het ThuisLab
CDA
4. Bij genoemde argumenten in het raadsvoorstel wordt expliciet de nadruk gelegd op de geurnormen voor de veehouderij. Waarom enkel op de veehouderij? Wanneer worden de normen uitgewerkt voor de overige bedrijvigheid in Meierijstad? Zijn de gevolgen die de aangepaste normen voor de veehouderij hebben, voor zowel de transitie, als voor de bedrijfsontwikkeling in beeld? Wat zijn deze gevolgen dan?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 4 van 12
datum 30 november 2020
Omgevingswet. Voor bijeenkomsten van het BuitenLab Omgevingswet worden uw leden nadrukkelijk uitgenodigd. Uw agendacommissie heeft met ons college besproken dat uw leden met ons in gesprek gaan aan de hand van een voorontwerp van de omgevingsvisie (d.d. 21 januari 2021). d) De integraliteit van beleidskeuzen wordt op verschillende manieren geborgd. Integraliteit komt om te beginnen van het coalitieakkoord en het collegewerkprogramma waarin ineens en tezamen beleidsvoornemens over verschillende onderwerpen zijn opgenomen. Vervolgens is er integraliteit dankzij een themadirecteur die de totstandkoming monitort van alle collegeadviezen inzake de fysieke leefomgeving. Tot slot is er integraliteit doordat zowel met het college als met uw raad er een collectief is dat besluit over de voorstellen over verschillende onderwerpen. Bij het bevorderen van integraliteit hebben we profijt van de omgevingsvisie-in-wording waarin de verschillende onderwerpen hun plek hebben. e) Zie de delen a en d van deze beantwoording. f) Zie het deel c van deze beantwoording. g) Zie de delen b en c van deze beantwooording. a) Omdat de Wgv die de wettelijke grondslag biedt voor hoofdstuk 7 van de verordening niet ziet op andere sectoren dan veehouderij. b) Tussen nu en 2029. Zie ook de beantwoording op vraag CDA-7. c) In algemene termen wel.
d) De gevolgen zijn dat veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor gestimuleerd worden om bij bedrijfsaanpassingen te investeren in het voorkomen en/of afvangen van geuremissie, en geremd worden bij eventuele
CDA
CDA
5. “Het project Vitaal buitengebied zou een kwaliteitskader voor geur en fijnstof opleveren als één van de deelprojecten. Dit geheel krijgt een plek in het nieuwe omgevingsbeleid: de analyse en de doelstelling worden opgenomen in de omgevingsvisie. De regels worden opgenomen in het omgevingsplan en andere maatregelen kunnen hun plek krijgen in programma’s op basis van de omgevingswet. Vooruitlopend op regels over verschillende bronnen van luchtvervuiling en geurhinder in het omgevingsplan, zijn in het tussenproduct de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad geurnormen op te nemen van de Wgv. Deze verordening kan niet gebruikt worden om meteen andere soorten geurhinder of luchtvervuiling aan te pakken.” Wat bedoelt u hiermee? 6. Er wordt gesteld dat nadelige gevolgen voor de veehouderij beperkt zijn. Welke gevolgen betreft dit dan en over hoeveel bedrijven gaat dit? Is er ook inzicht in de financiële consequenties voor deze bedrijven?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 5 van 12
datum 30 november 2020
wensen om op traditionele voet verder te groeien. Tot de gevolgen behoort ook dat het woon- en leefklimaat in het landelijk gebied verbetert en dat daarmee gunstiger condities ontstaan voor andere bedrijvigheid dan veeteelt (dat zijn ook de condities voor ondernemers die tot dan toe agrarisch ondernemer waren maar bijvoorbeeld doorgaan in recreatie). Die laatste zin verwijst ernaar dat art. 6 Wgv de grondslag is voor hoofdstuk 7 van de verordening en dat deze wettelijke grondslag geen mogelijkheden biedt voor geuremissie van andere bronnen dan bepaalde veehouderijen en ook niet voor andere emissies dan geur.
De mogelijke ontwikkeling van veehouderijen in Noord-Brabant is van veel factoren afhankelijk. De Meierijstadse geurnormen zijn daarvan maar een klein deel. Het gevolg van de voorgestelde geurnormen is dat één van de randvoorwaarden voor onveranderde groei van de veehouderij iets strenger wordt. En zoals we zien in andere gemeenten waar in het landelijk gebied al wel geurnormen gelden lager dan 14 OUE/m3, blijven er heus ontwikkelingsmogelijkheden over. Voor de vele bedrijven op al hun specifieke locaties te midden van andere functies, en met elk hun eigen combinatie van
CDA
7. De duurzaamheidsvisie beschrijft dat Meierijstad in 2050 schoonen emissieloos is. De geurnormering is daarvoor een instrument, aldus uw reactie op de zienswijzen. Wanneer is het beleid gereed voor het overige deel van Meierijstad? Waarom is het onderzoek niet breder en betrekken we niet alle sectoren (Industrie en Verkeer) bij de te nemen maatregelen?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 6 van 12
datum 30 november 2020
meewegende factoren, is niet zomaar te berekenen wat consequenties van een andere geurnorm zouden zijn. Andersom kunnen we ook niet zomaar berekenen wat de maatschappelijke lasten of misgelopen baten zijn van de geëxternaliseerde negatieve effecten van intensieve veehouderij. Maar het is wel uw beleid om de geëxternaliseerde negatieve effecten van veehouderij te beperken. We kiezen er niet voor om te studeren op alle aspecten van het omgevingsbeleid om dat omgevingsbeleid dan na alle studie en afweging pas te presenteren net voor de wettelijke deadline (2024 voor de omgevingsvisie en 2029 voor het omgevingsplan). We leven immers in het nu en de samenleving heeft vandaag al behoeften waarin te voorzien is met beleid en met beslissingen. De hoge ambities van uw duurzaamheidsvisie voor 2030 en 2050 kunnen ook niet gerealiseerd worden als we pas beginnen in 2024 of in 2029. Tegen de achtergrond van uw duurzaamheidsvisie en uw nota gezondheidsbeleid, en in samenhang met de omgevingsvisiein-wording, kan nu gebruik gemaakt worden van het Wgvinstrumentarium in een tussenstap op weg naar het omgevingsplan. Ons college verwacht u eind 2020 een voorontwerp van de omgevingsvisie te kunnen geven waarover we graag de dialoog voeren. In 2021 kan uw raad daar in de twee voorziene fasen besluiten over nemen.
Maar in deze drie versies van de omgevingsvisie zullen nog niet alle maatregelen voor alle sectoren met emissies in de lucht uitgewerkt kunnen zijn. Er komen nog uitwerkingen in het omgevingsplan (in dat waarschijnlijk in opeenvolgende tranches) en in programma’s (die sectoraal opgezet kunnen worden). Voor industrieel
CDA
8. In de argumentatie tegen de zienswijzen, wordt aangegeven dat de geurnormering ook is bedoeld om recreanten, scholieren of langsfietsende pendelaars te beschermen. Waar in de Wgv is dit aangegeven? In Infomil vinden we namelijk alleen dat het gaat om geurgevoelige objecten. Expliciet wordt aangegeven: ‘Omdat sprake moet zijn van een gebouw, wordt dag- of verblijfsrecreatie in de buitenlucht niet beschermd tegen geurhinder van veehouderijen.’ Hoe moeten we dit interpreteren?
CDA
9. In de stukken is een kaart opgenomen van de voorgestelde gebiedsindeling. Kan de oude situatie ook in IBABS worden opgenomen, zodat een vergelijking mogelijk is?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 7 van 12
datum 30 november 2020
geurbeleid zullen we samenwerken met provincie, ODBN en regiogemeenten. Voor lokaal of ‘klein’ geurbeleid ligt een dialoog met lokale bedrijven en inwoners erg voor de hand. In de uitrol van een allesomvattend geurbeleid binnen het omgevingsbeleid, is de toepassing van Wgv-geurnormen een relatief eenvoudige tussenstap. Laat ons voorop stellen dat ons college met de zienswijzennota niet de intentie heeft of heeft gehad om tegen zienswijzen te argumenteren. De argumenten die reclamanten aandragen worden open, belangstellend en rationeel gewogen. Vervolgens biedt de zienswijzennota daarbij een conclusie. Er is een onderscheid te maken tussen het doel van wetgeving en de methodiek die in de wet wordt gebruikt om dat doel te realiseren. Het doel van de formele wetgever met de Wgv is niet om geurgevoelige objecten tegen een berekende geuremissie te beschermen, maar om geurhinder voor mensen te verminderen. In de MvT staat die bredere scope ook: “De vitaliteit van het landelijk gebied moet worden ontwikkeld en verbeterd. Dat betekent onder meer ruimte voor een duurzame, vitale landbouw, vergroting van toeristisch-recreatieve mogelijkheden, hergebruik van agrarische bebouwing en nieuwbouw in het landelijk gebied.
Die ontwikkelingen vergen een integrale aanpak, onder meer voor de ontwikkeling van wonen en activiteiten in het landelijk gebied in relatie tot de (intensieve) veehouderij.” (TK 2005-2006, 30.453, nr. 3, § 2.3.) De huidige situatie is die volgens art. 3 lid 1 aanhef en onder a en b Wgv. Daarbij is er geen scherpe definitie en dus ook geen kaart met de bebouwde kom (zie verder https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/geur/handreikingwgv/vergunning/3-1-uitgangspunten/bebouwde-kom).
HIER
1. Bijlage 3b, Gebiedskaart geurnormen, waar is deze indeling op gebaseerd en bij welke gelegenheid is deze aan te passen. Bv van landelijk gebied, agrarisch naar landelijke gebied, hoofdfunctie natuur.
HIER
2. In samenwerking met ODBN zijn diverse scenario’s uitgewerkt en is gekozen voor scenario 2. Zijn de andere scenario’s met uitwerking beschikbaar om in te zien en waarom is gekozen voor scenario 2.
HIER
3. Bij het aspect van geurhinder van veehouderijen zijn adviezen van ODBN en GGD betrokken. Zijn ZLTO en omwonenden van agrarische bedrijven actief betrokken bij het ThuisLab Omgevingswet?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 8 van 12
datum 30 november 2020
In de daaraan nog voorafgaande situatie waren er geurkaarten voor de gemeente Sint-Oedenrode en de gemeente Veghel. Die zijn ook gedeeld in het ThuisLab Omgevingswet van 19 mei 2020. We voegen ze graag toe bij deze beantwoording. De gebiedsindeling is gebaseerd op een analyse van ondergrond en landschap (de landschapsanalyse uit het project Vitaal buitengebied), het beeld van actueel grondgebruik (concentraties van intensieve veehouderij en dichtheid van (burger)woningen) en ambities voor gebieden (bijvoorbeeld uit uw visie recreatie en toerisme). Uw raad heeft in iedere vergadering gelegenheid de gebiedsindeling aan te passen. Wij zouden graag de uitvoering van het agrarisch geurbeleid monitoren en over enkele jaren bezien bij het verder integreren in het omgevingsplan. Ja, de spreadsheet met normen, bronnen en emissies kunnen wij met u delen. Er is gekozen voor de normen van 2, 10 en 12 OUE/m3 met de gebiedsindeling zoals weergegeven op de kaart omdat wij menen dat dit het juiste evenwicht biedt tussen werken aan de realisatie van beleidsdoelen van het omgevingsbeleid én veehouderijen gelegenheid geven om zich aan te passen aan een emissieloze toekomst. Zoals u zult begrijpen uit ook de debatten over klimaatverandering en CO2-uitstoot en over natuurgebieden en stikstof-depositie hebben verschillende actoren uiteenlopende meningen over zulke evenwichten. Ja.
Lokaal
1. Wat zijn de afwegingskaders geweest om in dit voorstel alleen de geur uitstoot van de landbouw mee te nemen. En niet alle geur emissie in Meierijstad. Is dit niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel ? Het aantal stoppende veehouderijen door onder andere de stoppersregeling is bij de gemeente Meierijstad in beeld. Waarom dan nu dit voorstel , wetende dat de situatie drastisch gaat veranderen?
VVD
1. Op basis van welke criteria is het onderscheid tussen 'landelijk gebied, verweving van functies' (iii) en 'landelijk gebied, agrarisch' (ii) gemaakt?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 9 van 12
datum 30 november 2020
In de omgevingsvisie en het omgevingsplan in het nieuwe stelsel willen we heus voor verschillende bronnen of soorten van geurhinder beleid opnemen. Maar in het huidige stelsel is er een afzonderlijk instrumentarium voor geurhinder van bepaalde veehouderijen. Gelijkheid gaat over het gelijk bejegenen van gelijke gevallen. Onze nationale wetgever heeft kennelijk geoordeeld dat een IV-bedrijf en bijvoorbeeld een chocoladefabriek geen gelijke gevallen zijn. Daar heeft de nationale wetgever immers verschillende wettelijke regimes voor gecreëerd. Zoals in de zienswijzennota is aangegeven, mag een afname van het aantal veehouderijen wel verwacht worden maar is het toch met veel onzekerheden omgeven: hoeveel, wanneer, waar. In de procedures van landelijke of provinciale regelingen zitten voor ondernemers ook keuzemomenten, zodat er gedurende die procedures aangemelde bedrijven kunnen afvallen (en dus doorgaan). Uw ambitieuze doelstellingen voor luchtkwaliteit en gezondheid, of voor een aangenaam woon- en leefklimaat, zorgen voor urgentie. We willen niet alleen afwachten wat trends en ontwikkelingen in de agrarische sector voor effect zullen hebben, maar nu al onze instrumenten benutten om zorgvuldig te werken aan het realiseren van gestelde doelen. Het Wgv-instrumentarium hoort daarbij.
Op basis van een analyse van ondergrond en landschap (de landschapsanalyse uit het project Vitaal buitengebied), het beeld van actueel grondgebruik (concentraties van intensieve veehouderij en dichtheid van (burger)woningen) en ambities voor gebieden (bijvoorbeeld uit uw visie recreatie en toerisme). Zo rijst uit het project Vitaal buitengebied en de
VVD
2. In hoeverre is overwogen om het voormalige LOG BoerdonkKeldonk aan te duiden als 'landelijk gebied, agrarisch'? In welke zin onderscheid dit gebied zich wel of niet van de gebieden die zijn aangeduid als 'landelijk gebied, agrarisch'? In hoeverre is het voorstelbaar om ook het grondgebied van het voormalige LOG Boerdonk-Keldonk aan te duiden als 'landelijk gebied, agrarisch'?
VVD
3. Op basis van de ingediende zienswijzen is besloten om de in de ontwerpverordening voorgestelde norm van 8 odeur voor het 'landelijk gebied, verweving van functies' te verhogen naar 10
Zaaknummer 1948353725
Pagina 10 van 12
datum 30 november 2020
omgevingsvisie-in-wording een beeld op dat nu gebruikt is voor hoofdstuk 7 van de verordening op een manier die vergelijkbaar is met afzonderlijk vormgegeven gebiedsvisies die elders of eerder wel gebruikt zijn bij geurverordeningen. Bij het voorbereiden van de omgevingsvisie is die overweging inderdaad gemaakt, zoals ook voor het voormalige LOG ’t Woud. Maar de aanduiding van gebiedstypologieën in de omgevingsvisie is natuurlijk niet zozeer gefocust op veehouderij en geurhinder daarvan als de aanduiding van gebieden met hoofdstuk 7 van de verordening. Bij het voorbereiden van de geurnormering is de overweging voor het voormalige LOG Boerdonk-Keldonk opnieuw gemaakt. Maar we hebben hier een keuze gemaakt voor de gebiedstypologie iii. Landelijk gebied, verweving van functies ten eerste omdat het gebied omsloten wordt door drie van onze kernen (en niet door twee kernen zoals het LGA in het westen van Meierijstad, waarbij aan de zijde van het LGA bij die kernen bedrijvigheid en sportaccommodaties zijn gesitueerd) waardoor we zeker gewicht toekennen aan de nabije woonfuncties en ten tweede omdat het gebied zich op een as bevindt van Lijnt-Gerecht – Goorloop – Het Hurkske – Aa-dal waar we graag rekening houden met recreatieve en natuurfuncties. Onze gebiedsvisie voor het voormalige LOG Boerdonk-Keldonk is er dus niet een van agrarisch kerngebied.
De omgevingsvisie voor wat betreft het landelijk gebied in brede zin was overigens het onderwerp van de sessie van 28 mei 2020 van het ThuisLab Omgevingswet. Ons college stond er bij het beoordelen van de zienswijzen voor open om het ontwerp in zijn geheel te heroverwegen. Maar de zorgen van agrarische reclamanten zijn toegespitst op
odeur. Is er ook overwogen om in plaats daarvan de norm voor 'landelijk gebied, agrarisch' te verhogen van 12 naar 14 odeur?
VVD
VVD SP
4. Op basis van de geurverordeningen van de voormalige gemeenten Veghel en Sint-Oedenrode gold er voor een deel van het buitengebied van deze voormalige gemeenten een geurnorm die lager lag dan 14 odeur. Sinds het vervallen van die geurverordeningen per 1 januari 2019 veehouderijen geldt voor het hele buitengebied van de gemeente Meierijstad een geurnorm van 14 odeur. Zijn er veehouderijen geweest die door deze vanaf 1 januari 2019 geldende, deels hogere geurnorm, vergunningen hebben aangevraagd en verkregen die op basis van de voorheen geldende geurverordeningen van de voormalige gemeenten Veghel en Sint-Oedenrode niet zouden zijn verleend? 5. Waarom is er besloten om vooralsnog geen aanpassing door te voeren ten opzichte van de Wgv-standaard afstanden? 1. Belangrijk is het streven naar vergroening van tuinen. Waarom geldt dit blijkbaar niet voor grote woonerven in Veghels Buiten, die van gevel tot gevel bestraat worden? Heeft de gemeente hier niet een voorbeeldfunctie?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 11 van 12
datum 30 november 2020
de middelste norm van 8, nu 10, OUE/m3 en veel minder op de hoogste norm van 12 OUE/m3. Die hoogste norm heeft ook betrekking op een kleiner deel van het gemeentelijke grondgebied dan de middelste norm. Daar komt bij dat met het vasthouden aan de standaard-norm van 14 OUE/m3 (te) weinig uw ambitieuze doelstellingen voor luchtkwaliteit en gezondheid, of voor een aangenaam woon- en leefklimaat, in acht worden genomen. Op basis van de huidige gegevens uit Web-BVB, blijkt dat er in de gemeente Meierijstad 16 veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, sinds 1 januari 2019 een nieuwe vergunning hebben aangevraagd en gekregen. Dit betreft slechts 2 veehouderijen uit (de nabijheid van) een gebied waar voorheen een lagere geurnorm dan 14 OUE/m3 gold. Van deze veehouderijen zijn er géén veehouderijen waarbij de geurimmissie is gestegen tot boven de voormalige norm. Zie bijgevoegde spreadsheet VVD4. Dat lijkt ons niet nodig naast de aanpassing van de geurnormen om de gestelde doelen te bereiken. Het streven naar meer groen en minder steen geldt ook voor het openbaar gebied, maar de gemeente heeft daar geen hemelwaterverordening nodig om dat streven waar te maken. We richten het openbaar gebied immers zelf in. En daarbij worden afwegingen gemaakt waarin naast blauw en groen ook verkeer, parkeren en spelen een rol spelen.
Uw suggestie dat de gemeente een voorbeeldfunctie heeft, kunnen wij beamen. Wij veronderstellen dan ook dat uw raad daar invulling aan geeft bij het vaststellen van
Hart
1. Kunt u het proces van gevoerde participatie uiteenzetten?
PvdA
1. Het raadsvoorstel zelf ontbreekt in het document. Kan dat nog aangepast worden?
Zaaknummer 1948353725
Pagina 12 van 12
datum 30 november 2020
bestemmingsplannen met daarbij inrichtingsplannen en beeldkwaliteitsplannen. Zoals aangegeven op de pagina’s 5 en 6 van het raadsvoorstel onder het kopje Participatie, is er eerst burgerparticipatie of interactieve beleidsvorming geweest en vervolgens formele inspraak. In het raadsvoorstel hebben wij ons in die tekst beperkt tot het project omgevingsvisie-omgevingsplan. Want eerder waren er bijvoorbeeld stakeholders in het landelijk gebied die participeerden in het project Vitaal buitengebied of bewoners die participeerden in het project Droge voeten in Sint-Oedenrode. Overigens verwachten wij met de omgevingsvisie uitgebreider in te gaan op de participatie voor het project omgevingsvisieomgevingsplan gedurende de afgelopen jaren. Ons college heeft uw raad aangeboden een document zijnde ons raadsvoorstel, een document zijnde het conceptraadsbesluit tevens de tekst van de verordening, drie documenten zijnde bijlagen bij de verordening (twee wijzigingsverordeningen en een geurkaart), een document zijnde de zienswijzennota, een document zijnde de duurzaamheidsscan en een document biedende een achtergrond van geurnormen in de regio. Die documenten heeft uw griffie ook gepubliceerd in IBABS. Wij begrijpen niet waar uw fractie een raadsvoorstel ziet ontbreken.