B7c Bijlage 2 - Rapport Monitor Regiovisie BW en MO
Tekst van het document
Monitor regiovisie beschermd wonen en maatschappelijke opvang Vervolgmeting 2023
September 2023 Afdeling Onderzoek & Statistiek Gemeente ‘s-Hertogenbosch
Samenvatting Aanleiding De samenwerkende gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, Vught, Zaltbommel en ’s-Hertogenbosch hebben hun ambities voor beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO) en aanpalende beleidsterreinen zoals Zorg & Veiligheid en Wonen vastgelegd in de Regiovisie 2020 en verder (2019). Eén van de onderdelen van deze visie is monitoring. In dit rapport staan de resultaten van de derde meting. Eerdere metingen zijn gedaan in 2020 en 2021. Aanpak Voor de monitor is gebruik gemaakt van beschikbare informatie uit diverse bronnen. Het gaat om een mix van kwantitatieve en kwalitatieve informatie. De conclusies over ervaringen van cliënten zijn gebaseerd op het onderzoek door de UvA1. Dit meerjarig onderzoek geeft in inzicht in trajecten over meerdere jaren van in totaal 75 cliënten BW en MO. Hierna volgen per ambitie de belangrijkste bevindingen. Ook wordt toegelicht wat de voortgang is van de aanbevelingen uit de eerste meting (2021) voor zover deze nog niet al waren gerealiseerd. Thuis in de wijk Wij ontwikkelen een integrale ondersteuning voor kwetsbare mensen in de wijk, met aandacht voor de leefomgeving, daginvulling en financiën. • • •
•
• •
•
Het aantal incidenten van overlast door verwarde/overspannen personen is in 2022 in de meeste gemeenten verder toegenomen. Deze ontwikkeling zien we ook landelijk. In ’s-Hertogenbosch en Vught is dit aandeel hoger dan landelijk. In de meeste gemeenten in de regio zijn er in 2022 minder incidenten van overlast door daklozen dan in 2020 en 2021, behalve in Meierijstad en Boxtel. Landelijk zien we geen daling, maar juist een stijging. Vroegsignalering van betalingsachterstanden kan bijdragen om dakloosheid te voorkómen. Veelal is dit goed belegd. Alleen voor particuliere huur en hypotheekverstrekkers is dit lastig te organiseren. Ook diverse andere organisaties en professionals zouden een rol kunnen spelen bij vroegsignalering, zoals corporaties, ambulant ondersteuners en deurwaarders. Volgens het UvA-onderzoek hebben relatief weinig cliënten BW/MO een vorm van werk of dagbesteding. Degenen die langdurig in zorg verblijven participeren het minst. Cliënten MO geven vaak aan dat hun onstabiele of chaotische woonsituatie participatie verhinderen. Bij BW noemen cliënten vaker fysieke en psychische kwetsbaarheden als belemmering. Bij meer seniore cliënten kan een afname van vrijwilligerswerk en ambulante begeleiding ontstaan. Dit kan, onder invloed van toenemende beperkingen, leiden tot een afname van contact. Dit wordt in het UvA-onderzoek aangeduid als een aandachtspunt.
De pilot ‘zachte landing in de wijk’ wordt in 2023-2024 vervolgd en verbreed naar meerdere wijken in de regio. Als het gaat om een goede landing in de wijk is volgens het onderzoek door de UvA voldoende aandacht voor het voorkómen of oplossen van burenconflicten nog steeds een aandachtspunt. Contact van cliënten met buurtgenoten en buurtactiviteiten is wisselend. Zo blijkt uit het onderzoek door de UvA. Vanuit kleinschalige voorzieningen wordt dit contact wel gestimuleerd.
1 ambulantisering en regionalisering maatschappelijke opvang en beschermd wonen, rapportage 2023, vijfde
meting
2
Vanuit organisaties voor en door ervaringsdeskundigen worden samen met lokale partijen lokale inlooppunten ontwikkeld. Aanbevelingen ‘Thuis in de wijk’, meting 2021: ➢ Ontwikkel een divers participatieaanbod dat geschikt is voor zowel de doelgroep BW als MO. ➢ Zorg dat het investeren in een sociaal netwerk een basis is bij de begeleiding, afhankelijk van de behoefte van de cliënt. Het contact met de buurt kan daar een onderdeel van zijn. ➢ Zorg voor een betere samenwerking tussen zorgaanbieder en lokale toegang (zoals sociale wijkteams) bij uitstroom in de wijk. ➢ Investeer in de samenwerking van beleidsterreinen op bepaalde onderwerpen zoals schulden. Realisatie: ➢ Uit de resultaten van de derde meting blijkt dat de aanbevelingen uit de eerste meting ook de komende jaren nog aandacht vragen. ➢ Voor het vergroten van de participatie onder cliënten is een eerste stap gezet doordat vanaf 2022 dagbesteding een vast onderdeel is in de zorgcontracten voor beschermd wonen. ➢ De pilot ‘zachte landing in de wijk’ wordt in 2023-2024 vervolgd en wordt verbreed naar de regio.
Toegang beschermd wonen, maatschappelijke opvang en wonen De regie op de regionale toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang is onafhankelijk georganiseerd en de verbinding met wonen is gelegd. •
•
•
•
De toegang tot BW en MO is lokaal geregeld. Iedere gemeente geeft zelf de beschikkingen af. Wel wordt er gestreefd naar uniformiteit in de werkwijze binnen de regio, bijvoorbeeld door gebruik van een uniform onderzoeksformat. Alle aanmeldingen komen langs in het Netwerk Opvang en Wonen. Hier wordt een gezamenlijk besluit genomen over het meest passende traject. De toegang tot de maatschappelijke opvang is per juni 2022 overgegaan naar de gemeenten. Daarmee is deze onafhankelijk van de aanbieder(s) geworden. Cliënten krijgen een bredere intake en de gemeente heeft meer mogelijkheden om ondersteuning in te zetten (niet alleen maatschappelijke opvang). Voor gemeente ’s-Hertogenbosch regelt de Centrale Toegang Maatschappelijke Opvang (CTMO) de toegang tot MO. Daarnaast heeft de CTMO regionale taken, zoals een informatie- en adviesfunctie. En regelt de toegang van mensen die zich melden van buiten de regio. De regiogemeenten verlenen eveneens toegang tot de maatschappelijke opvang. Zij doen vooral onderzoek als iemand uit hun gemeente zich meldt en nog niet dakloos is. Of als iemand in aanmerking komt voor kleinschalige opvang in hun gemeente. Bij complexe casussen kunnen zij het CTMO inschakelen voor ondersteuning. De toegangsverlening en samenwerking tussen gemeenten heeft nog volop de aandacht.
Naast gemeente ’s-Hertogenbosch hebben inmiddels ook alle regiogemeenten een lokale urgentiepluscommissie. Zij geven urgenties af voor huurwoningen voor cliënten BW en MO.
Maatschappelijke opvang Zo min mogelijk mensen maken gebruik van de maatschappelijke opvang. Degenen die toch een beroep moeten doen op de maatschappelijke opvang stromen zo snel als mogelijk door naar een passende plek. •
Het preventieplan dak- en thuisloosheid krijgt vanaf 2022 verdere uitwerking en uitvoering, o.a. door de pilot Onder de Pannen en woon/werktrajecten via Springplank. De lopende activiteiten
3
•
•
•
• •
zullen worden afgezet tegen de actielijn “preventie dakloosheid” in het Nationaal Actieplan aanpak dakloosheid. Waar nodig worden de regionale en lokale activiteiten geüpdatet. Met de overheveling van de toegang naar de gemeenten komt meer zicht op de situatie en achtergronden van de groep die zich meldt voor de opvang. Het ETHOS-onderzoek dat in oktober beschikbaar komt, levert hier verdiepende informatie over. Ook over de dreigend dakloze groep. Op dit moment is er al aandacht voor diverse groepen, zoals jongvolwassenen en gezinnen. En is er een taakstelling om voor deze groepen meer plekken te realiseren. Ook is er met projecten als Housing first en de hostels specifieke aandacht voor inwoners met een complexe zorgvraag. En met ‘Wonen eerst’ wordt onderzocht hoe inwoners met juist een lichte woonzorgvraag (weer) direct gehuisvest kunnen worden met begeleiding, in plaats van een plek in de opvang. De gewenste verschuiving van grootschalige naar meer kleinschalige voorzieningen krijgt steeds meer vorm. Er komen meer plekken voor kleinschalige opvang beschikbaar, zowel in ’s-Hertogenbosch als in de regiogemeenten. En per 1 januari 2023 zijn de twee grootschalige opvanglocaties in ’s-Hertogenbosch samengevoegd op de Oranje Nassaulaan. De dag- en nachtopvang (Inloopschip) aan de Hinthamerstraat is vanaf dan gesloten.
Cliënten zijn veelal tevreden over de opvang en begeleiding in de kleinschalige opvang. De toegang is de afgelopen jaren verbeterd. En er wordt door de begeleiding goed ingezet op uitstroom. Ambulante begeleiding na uitstroom verdient nog aandacht. De regio streeft naar een gemiddelde verblijfsduur van 3 maanden in de opvang. Deze wordt in 2022 nog niet gehaald. Zo is de gemiddelde verblijfsduur in de dag- en nachtopvang zo’n 6 maanden en in de jongerenopvang bijna 5 maanden. Aanbeveling ‘Maatschappelijke opvang’, meting 2021: ➢ Zet in op de verdere uitwerking en uitvoering van de regionale en lokale acties uit het preventieplan dak- en thuisloosheid van de regio. Realisatie: ➢ Er zijn vanaf 2022 diverse preventieactiviteiten voor dak- en thuisloosheid opgepakt. De lopende activiteiten zullen worden afgezet tegen de actielijn “preventie dakloosheid” in het Nationaal Actieplan aanpak dakloosheid dat eind 2022 is opgesteld. Waar nodig worden de regionale en lokale activiteiten op basis daarvan nog geüpdatet.
Beschermd wonen Mensen die een beroep moeten doen op beschermd wonen, wonen zo zelfstandig mogelijk ‘Thuis in de Wijk’. • •
•
•
In 2022 maken 527 inwoners uit de regio gebruik van beschermd wonen. Dat is vergelijkbaar met 2021. De meeste cliënten wonen in ’s-Hertogenbosch (75%) en Meierijstad (16%). De regio streeft naar een verschuiving richting lichtere vormen van beschermd wonen. In 2022 zien we deze verschuiving doorzetten. Hoewel het aandeel cliënten met een intramurale voorziening niet is veranderd vergeleken met 2021, is het aandeel kleinschalig thuis toegenomen. Kleinschalig thuis is een lichtere vorm van ondersteuning dan zelfstandig thuis. De regio vindt flexibiliteit in het op- en afschalen van zorg belangrijk, zodat inwoners altijd de juiste en passende hulp ontvangen. Om dat mogelijk te maken is dit onderdeel van de nieuwe inkoop BW per 1-1-2022. Een groot aantal aanbieders is zowel gecontracteerd voor WmoBW als Wmo-licht. Verslavingsproblematiek speelt een grote rol in instabiliteit in trajecten en langdurig verblijf binnen voorzieningen. Cliënten geven aan dat er aanbod wordt gemist in de verslavingszorg. In 2023 is een pilot gestart om verslavingsexpertise van Novadic-Kentron in te brengen in de 4
•
begeleiding bij reguliere BW-aanbieders. Om een duurzame plaatsing te bevorderen en escalatie en uitzetting te voorkomen. Een zekere continuïteit van ambulante ondersteuning is ook bij cliënten die zijn uitgestroomd passend. Het zelfstandig wonen kan voor cliënten op momenten nog onvoorspelbaar verlopen en kwetsbaar zijn. Een goede signaleringsfunctie over hoe het met iemand gaat, bijvoorbeeld vanuit de ggz, is dan ook belangrijk. Aanbevelingen ‘Beschermd wonen’, meting 2021: ➢ Monitor of de nieuwe inkoop voldoende flexibiliteit biedt in het op- en afschalen van ambulante zorg. ➢ Ontwikkel met de zorgaanbieders de benodigde flexibiliteit in de begeleiding. Realisatie: Flexibiliteit in op- en afschalen van ambulante zorg is vanaf 2022 onderdeel van de nieuwe inkoop BW. Het is belangrijk de uitvoering en praktische uitwerking daarvan te blijven monitoren.
Wonen Kwetsbare mensen die een woonvraag hebben, worden zo snel mogelijk naar een passende woonruimte geholpen met zo min mogelijk verhuisbewegingen. •
•
• •
•
•
Om lokaal beschermd wonen en opvang te kunnen bieden, is het belangrijk dat er voldoende plekken beschikbaar zijn in de verschillende gemeenten. Voor beschermd wonen zijn er nu 49 plekken lokaal beschikbaar. Dat zijn er minder dan vorig jaar (67), omdat op een aantal locaties de Wmo-plekken Wlz-plekken zijn geworden. Het aantal plekken voor kleinschalige opvang is verder uitgebreid. Het is de bedoeling dat er eind 2023 in elke gemeente een kleinschalige opvang is. Op dit moment zijn er zo’n 62 kleinschalige opvangplekken beschikbaar, waarvan zo’n 38 in ’s-Hertogenbosch en 24 in de regiogemeenten. Onder cliënten uit het onderzoek door de UvA zijn voor- en tegenstanders van regionalisering. Plaatsing vraagt dan ook om maatwerk. Bij regionalisering gaat het erom dat MO- en BWplekken ook beschikbaar zijn in regiogemeenten, zodat inwoners in hun eigen gemeente hulp kunnen krijgen en niet alleen zijn aangewezen op de centrumgemeente ’s-Hertogenbosch. Er is veel variëteit in de duur die cliënten in een BW/MO-instelling verblijven voordat zij een eigen woning betrekken. De gemiddelde verblijfsduur in BW is aanzienlijk langer dan in MO. Voor MO is er de afgelopen vijf jaar een ontwikkeling te zien naar kortere trajecten. Door de urgentiepluscommissie in ’s-Hertogenbosch is in 2022 130 keer urgentieplus toegekend voor een huurwoning. Dat is iets meer dan voorgaande jaren.
Er kwamen 17 aanvragen vanuit een andere gemeente in de regio. Opvallend is dat deze bijna allemaal een woning toegekend hebben gekregen in ’s-Hertogenbosch. Terwijl er beleidsmatig juist op wordt ingezet dat een cliënt gaat wonen in de plaats van herkomst. Inmiddels hebben ook de andere gemeenten in de regio een urgentiepluscommissie of iets soortgelijks. In 2023 is er volgens prognose behoefte aan zo’n 290 urgentiepluswoningen in de regio. Er wordt in 2023 minder uitstroom naar de regiogemeenten verwacht dan in de prognose van 2022. In ’s-Hertogenbosch hebben toekenningen van woningen die via de nieuwe aanpak ‘Wonen eerst’ zullen gaan verlopen waarschijnlijk een verminderend effect op de uitstroom via urgentieplus. Gemeenten stemmen met woningcorporaties af over het aantal beschikbare woningen voor uitstroom BW en MO. In regiogemeenten is dat zo’n 20-25% van het aantal vrijkomende sociale huurwoningen, in ’s-Hertogenbosch 33%.
5
•
Uit het onderzoek door de UvA komt naar voren dat uitstroom soms lang duurt, omdat er bij begeleiders veel behoedzaamheid is om iemand te laten uitstromen. Daartegenover ervaren sommige cliënten juist druk om uit te stromen. Aanbevelingen ‘Wonen’, meting 2021: ➢ Ontwikkel samen met de zorgaanbieders en woningcorporaties een meer specifieke prognose voor de uitstroom. ➢ Zorg dat er regiodekkend urgentiepluscommissies zijn. ➢ Zorg dat er in elke gemeente of subregio een kleinschalige opvang beschikbaar is. ➢ Ontwikkel het concept ‘scheiden wonen en zorg’ samen met de zorgaanbieders en woningcorporaties verder door. Realisatie: De aanbevelingen uit 2021 zijn grotendeels gerealiseerd. Er wordt jaarlijks een prognose van de uitstroom gemaakt. Ook zijn er lokale urgentiepluscommissies opgezet in alle gemeenten. Kleinschalige opvang is eind 2023 (waarschijnlijk) in alle gemeenten gerealiseerd. Scheiden wonen en zorg blijft het streven, maar blijkt in de praktijk lastig te realiseren voor geclusterde woonvormen.
Bemoeizorg/ zorg & veiligheid We leiden mensen die het écht nodig hebben toe naar de juiste zorg en ondersteuning (bemoeizorg) en voeren regie op de snijvlakken van zorg en veiligheid. •
•
• •
•
Het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg (CvTB) biedt een integraal hulpaanbod voor mensen met complexe problemen. Farent, Reinier van Arkel, Cello, Novadic-Kentron en Maatschappelijke Opvang werken hierin samen. Het CvTB heeft een meldfunctie voor inwoners, hulpverleners en instanties. Ook voeren zij consultaties uit en indien nodig zorgtrajecten. Het CvTB heeft in 2022 in totaal 734 inwoners geholpen. Dat zijn er minder dan voorgaande jaren. In 2022 waren er 517 nieuwe aanmeldingen. Ook de instroom van cliënten neemt de afgelopen jaren af en is lager dan verwacht. Volgens de prognose zal het aantal aanmeldingen voor het jaar 2023 weer hoger uitkomen. Net als de instroom zien we ook dat de uitstroom van cliënten bij het CvTB in 2022 lager is dan voorgaande jaren. Vanaf januari 2020 is er de Wet verplichte GGz (Wvggz). Het Crisis- en Interventie Team (CIT) van Farent voert hiervoor de meeste taken uit. De rol van het CvTB is het triageren en uitvoeren van verkennend onderzoek. En bijvoorbeeld advisering over mogelijke andere opties voor dwang en drang. In 2022 zijn er in de regio 46 meldingen Wvggz binnengekomen, waarvan er voor 34 een zorgmachtiging is aangevraagd. Het CIT is 24/7 bereikbaar en inzetbaar voor mensen die (acuut) psychosociale ondersteuning nodig hebben. Het CIT werkt veel samen met het CvTB en zij hebben vaak te maken met dezelfde cliënten.
In 2022 deed het CIT in totaal 1.821 interventies. Dit aantal nam afgelopen jaren toe.
6
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
Inleiding ..................................................................................................................................... 9 1.1
Aanleiding en doel............................................................................................................. 9
1.2
Onderzoeksopzet .............................................................................................................. 9
1.3
Landelijke ontwikkelingen ............................................................................................... 10
1.4
Leeswijzer ....................................................................................................................... 12
Thuis in de wijk ........................................................................................................................ 13 2.1
Ambitie ............................................................................................................................ 13
2.2
Samenleven in de buurt .................................................................................................. 13
2.3
Vroegsignalering betalingsachterstanden....................................................................... 16
2.4
Participatie/daginvulling .................................................................................................. 17
2.5
Werk en financiën ........................................................................................................... 18
2.6
Verbinding met de buurt .................................................................................................. 18
Toegang beschermd wonen, maatschappelijke opvang en wonen ....................................... 20 3.1
Ambitie ............................................................................................................................ 20
3.2
Werkwijze toegang .......................................................................................................... 20
3.3
Verbinding met wonen .................................................................................................... 22
Maatschappelijke opvang ....................................................................................................... 23 4.1
Ambitie ............................................................................................................................ 23
4.2
Preventie en doelgroepen ............................................................................................... 23
4.3
Gebruik maatschappelijke opvang .................................................................................. 25
4.3.1
Maatschappelijke Opvang Den Bosch .................................................................... 25
4.3.2
Novadic-Kentron ...................................................................................................... 26
4.3.3
Verdihuis .................................................................................................................. 27
4.3.4
Springplank073 ........................................................................................................ 27
4.3.5
Winteropvang .......................................................................................................... 28
4.4 5.
6.
Ervaringen kleinschalige opvang .................................................................................... 28
Beschermd wonen .................................................................................................................. 29 5.1
Ambitie ............................................................................................................................ 29
5.2
Aantal cliënten beschermd wonen .................................................................................. 29
5.3
Juiste en passende hulp ................................................................................................. 32
Wonen ..................................................................................................................................... 34 6.1
Ambitie ............................................................................................................................ 34
6.2
Regionalisering ............................................................................................................... 35
6.3
Verhuizingen in zorg ....................................................................................................... 35
6.4
Zoektocht naar passende woning ................................................................................... 36
6.5
Urgentieplus en Housing first .......................................................................................... 37
6.6
Prognose benodigde urgentiepluswoningen 2023 ......................................................... 40
7
7.
Bemoeizorg / zorg & veiligheid ............................................................................................... 42 7.1
Ambitie ............................................................................................................................ 42
7.2
Het CvTB ......................................................................................................................... 42
7.3
Cijfers 2022 ..................................................................................................................... 43
7.4
Wvggz en CIT.................................................................................................................. 46
Bijlage: indicatorenlijst .................................................................................................................... 48
8
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
Aanleiding De samenwerkende gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, Vught, Zaltbommel en ’s-Hertogenbosch hebben hun ambities voor beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO) en aanpalende beleidsterreinen zoals Zorg & Veiligheid en Wonen vastgelegd in de Regiovisie 2020 en verder (2019). Eén van de onderdelen van deze visie is monitoring. In dit rapport staan de resultaten van de derde meting. Eerdere metingen zijn uitgevoerd in 2020 en 2021. Doel Het doel van deze monitor is tweeledig. Enerzijds gaat het erom terug te kijken naar de realisatie van eerder gestelde doelen (Regiovisie, 2019; Regioplan Doordecentralisatie, 2021). Maar ook is de monitor bedoeld om vooruit te kijken en de resultaten te gebruiken voor het aanscherpen van de ambities voor de toekomst en voor het maken van beleidskeuzes.
1.2
Onderzoeksopzet
Uitgangspunten Deze monitor is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • De ambities zoals geformuleerd in de regiovisie zijn leidend. • Er is gekozen voor een beperkt aantal indicatoren per ambitie. • Er zijn indicatoren gekozen waarvoor informatie beschikbaar is voor de hele regio. • Er is gekozen voor een mix van kwantitatieve en kwalitatieve informatie om een zo compleet mogelijk beeld te kunnen geven van de realisatie van de ambities. • Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van reeds bestaande informatie(bronnen). Bronnen Voor de monitor is gebruik gemaakt van informatie uit diverse bronnen, namelijk: • GGD gezondheidsmonitors • Politiecijfers • Rapportages van RIOZ • Cijfers en verslagen van diverse organisaties, zoals zorgaanbieders van maatschappelijke opvang en het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg • Rapport meerjarig onderzoek door de UvA ‘ambulantisering en regionalisering maatschappelijke opvang en beschermd wonen’, 2023, vijfde meting • Analyse kleinschalige opvang in de regio, op basis van vijf metingen met cliëntinterviews tussen 2018-2022, UvA, 2023 • Input van diverse beleidsmedewerkers In de monitor wordt de meest recent beschikbare informatie gepresenteerd. Meestal gaat het over het jaar 2022. Kwalitatieve informatie uit onderzoeken UvA Bij de onderzoeken door de UvA gaat het om kwalitatieve informatie.
Het meerjarige onderzoek geeft inzicht in trajecten over meerdere jaren van in totaal 75 cliënten. Niet alle cliënten zijn tijdens alle vijf de metingen gesproken. In de vijfde meting zijn interviews gehouden met 44 cliënten. Het gaat om diepte-interviews waarbij per casus veel en diverse informatie is opgehaald. Aangezien de meeste cliënten op meerdere momenten zijn geïnterviewd, is de afgelopen jaren een tijdreeks opgebouwd. Dit biedt inzicht in de zorgpaden van cliënten. Het gaat om relatief weinig cliënten ten
9
opzichte van de hele cliëntpopulatie. Hierdoor zijn de resultaten van het onderzoek eerder indicatief dan representatief voor de hele cliëntpopulatie. Het onderzoek geeft veel en waardevolle informatie over cliëntervaringen. Maar voor een volledig beeld van de situatie is het belangrijk deze ervaringen te interpreteren binnen de gehele context van structuren, processen en andere ervaringen, zoals die van stakeholders. In eerdere metingen zijn naast interviews met cliënten ook focusgroepen gehouden met stakeholders (zoals woningcorporaties en beleidsmedewerkers Wonen en BW/MO van gemeenten en zorgaanbieders) binnen het werkveld van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. In de vijfde meting is dat niet gedaan. Doorontwikkeling monitor Voor deze monitor wordt geen op zichzelf staand onderzoek uitgevoerd, maar wordt gebruik gemaakt van beschikbare informatiebronnen. De werkgroep monitoring blijft voor volgende metingen op zoek naar nieuwe bruikbare informatie. In 2023 was de laatste meting van het onderzoek door de UvA. Dit onderzoek krijgt vanaf 2024 vervolg door een cliëntervaringsonderzoek voor de regio wat zal bestaan uit een kwantitatief en een kwalitatief deel.
1.3
Landelijke ontwikkelingen
Ontwikkelingen ten aanzien van de zorg en huisvesting van mensen met een (psychische) kwetsbaarheid volgen elkaar snel op en zijn omvangrijk van aard. Deze ontwikkelingen zijn belangrijk om mee te nemen als context bij de kwantitatieve en kwalitatieve informatie die in dit rapport wordt gepresenteerd. Een aantal belangrijke ontwikkelingen zijn: Ambulantisering GGZ Landelijk is het Hoofdlijnenakkoord ambulantisering GGZ 2019-2022 vastgesteld. Het uitgangspunt van dit plan is dat zorg en ondersteuning zoveel mogelijk in de eigen omgeving plaats moeten vinden. In het plan is vastgesteld dat partijen zich maximaal inspannen om te zorgen dat mensen niet onnodig in een ggz-kliniek (Zvw gefinancierd) of beschermd wonen-plek (Wmo gefinancierd) hoeven te blijven. Integraal Zorgakkoord (IZA) Samen met zorgverzekeraar VGZ werken we aan een regionale coalitie van partijen in NoordoostBrabant en de Bommelerwaard. Deze coalitie bestaat uit VGZ, gemeenten, zorg- en welzijnsorganisaties en patiënten/cliëntenvertegenwoordiging. In een te ontwikkelen regioplan staan de belangrijkste (domeinoverstijgende) opgaven voor de komende jaren om de zorg toegankelijk, van goede kwaliteit en betaalbaar te houden.
Op het brede terrein van beschermd wonen, maatschappelijke opvang en ggz gaat het onder andere over laagdrempelige steunpunten in de regio voor mensen met een psychische kwetsbaarheid, de vorming van mentale gezondheidscentra en de stimulering van digitale en/of hybride zorg. De uitvoering gaat plaats vinden per ziekenhuisregio, waarbij het verzorgingsgebied van het Jeroen Bosch Ziekenhuis vrijwel overlapt met de Wmo-regio Meierij-Bommelerwaard. Wet langdurige zorg (Wlz) Per 1 januari 2021 is de Wlz opengesteld voor mensen met een psychische kwetsbaarheid van chronische aard. Een deel van de cliëntgroep beschermd wonen kan vanaf dan een beroep doen op de Wlz. Het gaat om zo’n een derde van de inwoners die voorheen gebruik maakte van Wmo beschermd wonen. Met deze overgang is ook een deel van het geld van beschermd wonen overgeheveld naar de Wlz. In 2023 is landelijk geconstateerd dat er een blijvend hoge instroom in de Wlz-ggz is. Er is bestuurlijk afgesproken om de instroom in de Wlz-ggz terug te dringen met korte- en langetermijn-
10
maatregelen. Maatregelen op de korte termijn zijn o.a. dat er per zorgkantoorregio nadere analyses en afspraken worden gemaakt over het toeleiden naar Wmo en Wlz-ggz. Doordecentralisatie De wet Woonplaatsbeginsel en de daaraan gekoppelde doordecentralisatie van middelen voor Wmo-BW naar regiogemeenten is uitgesteld naar 1 januari 2025. Dit uitstel was al door het ministerie van VWS aangekondigd vóór de val van het kabinet-Rutte IV, omdat de parlementaire behandeling niet tijdig afgerond kon worden. In onze regio zijn er al stappen gezet vooruitlopend op de doordecentralisatie, zoals decentrale toegang, administratie en facturering. Ook zijn alle gemeenten in onze regio actief met lokale toegang tot (kleinschalige) opvang en urgentieplusregelingen. Vanuit de regionale middelen zijn er ook lokale uitvoeringsmiddelen beschikbaar (lokaal uitvoeringsbudget, uitkering uit regionale reserve). Uitstel of afstel van doordecentralisatie beschermd wonen is geen beletsel om in onze regio de regionale samenwerking en regiovisie uit te blijven voeren. Nationaal actieplan aanpak Dakloosheid: eerst een thuis Op 5 december 2022 is dit landelijk actieplan door alle betrokken ministeries, VNG, MOorganisaties, woningcorporaties en belanghebbenden ondertekend. Met dit plan wordt beoogd om in 2030 dakloosheid te laten verdwijnen, of hoogstens te beperken tot kortdurende opvang.
Beoogd is een paradigma-shift: dakloosheid is in essentie een woonprobleem, geen sociaal probleem. Door stevige inzet op 1. bestaansminimum voor iedereen, 2. preventie en 3. huisvesting, moet dakloosheid sterk verminderd kunnen worden. In onze regio wordt in oktober bekend wat de uitkomsten zijn van het ETHOS telonderzoek dak- en thuislozen. Deze uitkomsten worden gebruikt voor de regionale vertaling van het Nationaal actieplan. Landelijk wordt gemonitord hoe ver we staan met de realisatie. Volkshuisvestingsbeleid Het Kabinet Rutte IV formuleerde een ambitieus volkshuisvestingsbeleid. De regie op wonen en woningbouw werd versterkt door middel van een Nationale Woon- en Bouwagenda, met o.a. een programma ‘Een Thuis voor Iedereen’ (huisvesting voor aandachtsgroepen en urgenten, verbinding met de Nationale Aanpak Dakloosheid “Eerst een Thuis”). Deze sterkere regie op volkshuisvesting moet leiden tot meer betaalbare huisvesting, onder andere voor de cliënten die uitstromen uit beschermd wonen of maatschappelijke opvang.
11
1.4
Leeswijzer
Het rapport is opgebouwd aan de hand van de zes inhoudelijke thema’s uit de regiovisie: • Thuis in de wijk • Toegang beschermd wonen, maatschappelijke opvang en wonen • Maatschappelijke opvang • Beschermd wonen • Wonen • Bemoeizorg / Zorg & Veiligheid Ieder hoofdstuk start met een korte samenvatting van de belangrijkste punten uit dat hoofdstuk. In de bijlage staat een overzicht van de indicatoren die de basis vormen voor deze rapportage.
12
Thuis in de wijk
2.
Samenvatting: • Het aantal incidenten van overlast door verwarde/overspannen personen is in 2022 in de meeste gemeenten verder toegenomen. Deze ontwikkeling zien we ook landelijk. In ’s-Hertogenbosch en Vught is dit aandeel hoger dan landelijk. • In de meeste gemeenten zijn er in 2022 minder incidenten van overlast door daklozen dan in 2020 en 2021, behalve in Meierijstad en Boxtel. Landelijk zien we geen daling, maar juist een stijging. • Vroegsignalering van betalingsachterstanden kan bijdragen om dakloosheid te voorkómen. Veelal is dit goed belegd. Alleen voor particuliere huur en hypotheekverstrekkers is dit lastig te organiseren. Ook diverse andere organisaties en professionals zouden een rol kunnen spelen bij vroegsignalering, zoals corporaties, ambulant ondersteuners en deurwaarders. • Relatief veel cliënten BW/MO hebben geen vorm van werk of dagbesteding. Degenen die langdurig in zorg verblijven participeren het minst. Cliënten MO geven vaak aan dat hun onstabiele of chaotische woonsituatie participatie verhinderen. Bij BW noemen cliënten vaker fysieke en psychische kwetsbaarheden als belemmering. • Bij meer seniore cliënten kan een afname van vrijwilligerswerk en ambulante begeleiding ontstaan. Dit kan, onder invloed van toenemende beperkingen, leiden tot een afname van contact. Dit wordt in het UvA-onderzoek aangeduid als een aandachtspunt.
• De pilot ‘zachte landing in de wijk’ wordt in 2023-2024 vervolgd en verbreed naar meerdere wijken in de regio. Als het gaat om een goede landing in de wijk is volgens het onderzoek door de UvA voldoende aandacht voor het voorkómen of oplossen van burenconflicten nog steeds een aandachtspunt. • Contact van cliënten met buurtgenoten en buurtactiviteiten is wisselend. Vanuit kleinschalige voorzieningen wordt dit contact wel gestimuleerd. Vanuit organisaties voor en door ervaringsdeskundigen worden samen met lokale partijen lokale inlooppunten ontwikkeld.
2.1
Ambitie
In de regiovisie staat de volgende ambitie voor ‘Thuis in de wijk’: We ontwikkelen een integrale ondersteuning voor kwetsbare mensen in de wijk, met aandacht voor de leefomgeving, daginvulling en financiën. Dit betekent: • Het ontwikkelen van een zorgvuldige werkwijze in verbinding met de omgeving bij het vestigen van (groepen) kwetsbare inwoners. • Sturen op een intensieve samenwerking tussen gespecialiseerde zorg en voorliggend veld. • Inzet op vroegsignalering (Eropaf) en snelle financiële ondersteuning om ergere problemen (bijv. huisuitzetting) te voorkomen. • Voortzetten en versterken van het regionale programma Thuis in de Wijk. • Ontwikkelen en stimuleren van flexibiliteit in het op- en afschalen van zorg.
2.2
Samenleven in de buurt
De regio wil zoveel mogelijk inclusieve wijken en buurten, waar ook kwetsbare inwoners een fijne plek hebben. De indicatoren in deze paragraaf geven een algemeen beeld over de ‘sociale samenhang in de buurt’ per gemeente. Waarbij de kanttekening moet worden geplaatst dat de sociale samenhang in een gemeente tussen verschillende wijken en buurten behoorlijk uiteen kan lopen.
13
Sociale samenhang in de buurt het laagst in ’s-Hertogenbosch en Vught Het aandeel inwoners van 18 jaar en ouder dat veel sociale samenhang ervaart in de buurt varieert in 2022 van 13% in ’s-Hertogenbosch tot 22% in Sint-Michielsgestel. In ’s-Hertogenbosch en Vught ligt dit aandeel iets lager dan het gemiddelde van de GGD-regio Hart voor Brabant (15%). Zowel in Vught als Meierijstad is het gevoel van sociale samenhang tussen 2020 en 2022 licht gedaald. In de andere gemeenten is dit gelijk gebleven of gestegen. We zien verschillen naar leeftijd. Onder 65-plussers is het aandeel dat veel sociale samenhang ervaart wat hoger, variërend van 20% in Vught tot 31% in Sint-Michielsgestel. De ervaren sociale samenhang nam onder deze groep in alle gemeenten tussen 2020 en 2022 toe. Ditzelfde zien we voor de regio Hart voor Brabant totaal. Figuur 1 Aandeel inwoners (18+) dat veel sociale samenhang ervaart in de buurt* 50% 2020
40%
2022
30% 20%
17%
16% 15%
14%
13% 13%
17% 18%
20%
17%
21% 22%
10% 0%
Bron: GGD Hart voor Brabant, volwassenen- en ouderenmonitor. *Maasdriel en Zaltbommel vallen onder de GGD-regio Gelderland Zuid, die deze indicator niet meet. Figuur 2 Aandeel inwoners (18+) dat minstens 2x per maand contact heeft met buren* 100% 80%
82% 83%
78% 78%
76% 76%
82%80% 78% 80% 78% 81% 73%77%
83% 84%
60% 40% 20% 0%
2020
2022
Bron: GGD Hart voor Brabant en GGD Gelderland Zuid, volwassenen- en ouderenmonitor *Maasdriel en Zaltbommel vallen onder de GGD-regio Gelderland Zuid.
Regelmatig contact met buren het minst in ’s-Hertogenbosch en Maasdriel De GGD heeft in het inwonersonderzoek van 2022 aan volwassenen gevraagd hoe vaak zij contact hebben met buren of mensen die bij hen in de straat wonen. Het merendeel van de inwoners vanaf 18 jaar uit de regiogemeenten heeft minstens 2x per maand contact met buren. Dit aandeel varieert
14
van 76% in ’s-Hertogenbosch tot 84% in Sint-Michielsgestel. Onder 65-plussers is dit aandeel iets groter, variërend van 84% in Maasdriel tot 90% in Sint-Michielsgestel. Meeste overlast verwarde personen in ’s-Hertogenbosch en Vught Net als voorgaande jaren zijn er ook in 2022 behoorlijke verschillen tussen gemeenten in het aantal incidenten van overlast door personen met verward/overspannen gedrag. In Maasdriel is dit met 2,7 incidenten per 1.000 inwoners het laagst en in ’s-Hertogenbosch met 10,2 het hoogst. Net als in de vorige meting ligt in ’s-Hertogenbosch en Vught het aandeel incidenten hoger dan landelijk. In ’s-Hertogenbosch kan dit verklaard worden door het stedelijke karakter en in Vught speelt mee dat er een grote concentratie is van zorgvoorzieningen in deze gemeente. In 2022 in meeste gemeenten verdere toename incidenten overlast verwarde personen Het streven is dat het aantal incidenten van overlast door personen met verward /overspannen gedrag daalt. Maar de afgelopen jaren, met name vanaf 2020, is dit aantal gestegen. Dat zien we zowel landelijk als in de regio. In de regio valt op dat in ’s-Hertogenbosch, Vught, Boxtel en Sint-Michielsgestel met name het verschil tussen 2021 en 2022 behoorlijk groot is. Zo nam het aantal incidenten in ’s-Hertogenbosch in die periode toe van 8,2 per 1.000 inwoners naar 10,2.
In Zaltbommel en Maasdriel was er in die periode juist een afname. Figuur 3 Aantal incidenten van overlast door verward/overspannen persoon per 1.000 inwoners 10,2
10,0
10
8
7,9 6,1 5,3
6
4,8 3,7
4
2,7
2 0
2017
2018
2019
2020
2021
2022
Bron: dataportaal politie
In 2022 veelal iets minder overlast van daklozen dan in de jaren daarvoor In de meeste gemeenten is het aandeel incidenten van overlast door daklozen in 2022 lager dan in 2020 en 2021, behalve in Meierijstad en Boxtel. Landelijk zien we geen daling, maar nam het aandeel incidenten van overlast door daklozen in 2022 juist verder toe.
15
Figuur 4 Aantal incidenten van overlast door daklozen per 1.000 inwoners 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0
3,2
1,9 0,6
2017
2018
0,5
2019
2020
1,0
0,3
2021
0,5
0,4
2022
Bron: dataportaal politie
2.3
Vroegsignalering betalingsachterstanden
Eén van de onderdelen van de ambitie is de inzet op vroegsignalering (Eropaf) en snelle financiële ondersteuning om ergere problemen (zoals huisuitzetting) te voorkomen. Hoewel vroegsignalering van dakloosheid breder is dan het letten op betaalachterstanden, is het vroeg signaleren van betaalachterstanden wel een belangrijk preventief middel. Betalingsachterstanden huur en zorgpremie veelal goed belegd Uit de metingen door de UvA blijkt dat vroegsignalering van betalingsachterstanden goed is belegd. Bij achterstanden in huur of zorgpremie krijgt de gemeente een signaal en kan op basis daarvan een inwoner actief benaderen voor hulp. Alleen het signaleren van particuliere huurachterstanden blijkt lastig voor gemeenten, omdat het ingewikkeld is om deze aan te laten sluiten bij een dergelijk meldingssysteem. Huurachterstand bij particuliere verhuurder In ’s-Hertogenbosch bestaat in het kader van Thuis in de Wijk wel een ‘doorbraakmethodiek’ waarbij in geval van huurachterstand bij een particuliere verhuurder kan worden onderhandeld voor een huurder. Het idee is door de relatief lage kosten van de huurachterstand te betalen op een andere plek hoge kosten (van MO) te voorkomen. In de andere gemeenten pakken sociaal raadslieden en buurtmaatschappelijk werk dit soort casussen op.
Rol van diverse organisaties Naast gemeenten zijn er veel meer instanties en professionals die een rol kunnen spelen bij vroegsignalering en het voorkomen van dakloosheid, zoals een ambulant ondersteuner, Veilig Thuis, corporaties, nutsbedrijven en deurwaarders. Uit één van de casussen in de vijfde meting van de UvA blijkt echter dat mensen niet altijd ontvankelijk zijn voor preventieve hulp en er moeilijk contact te krijgen is. Zij zitten soms in een ontkenningsfase of sluiten zich af voor de buitenwereld. Maar het komt ook voor dat de cliënt wel zelf aan de bel trekt, maar dat er niet bemiddeld kan worden.
16
2.4
Participatie/daginvulling
De regio vindt het belangrijk dat er overal integrale ondersteuning is voor kwetsbare mensen in de wijk. Aandacht voor de leefomgeving, daginvulling en financiën zijn daarbij van belang. Relatief veel cliënten zonder daginvulling In de vijfde meting door de UvA blijkt dat bijna de helft van de cliëntparticipanten ten tijde van het interview geen werk of dagbesteding heeft. Ook in de voorgaande metingen was dit een relatief grote groep (zo’n 4 op de 10). Ongeveer een derde van de cliëntparticipanten heeft een vorm van dagbesteding of vrijwilligerswerk, een vijfde heeft een betaalde baan. Dit vraagt om een nadere analyse van de werk- en dagbestedingssituatie van cliënten BW en MO. Participatie verschilt per type traject Uit het onderzoek door de UvA blijkt dat cliëntparticipanten die langdurig in zorg verblijven het minst participeren. Eerdere negatieve ervaringen, verhuizingen of vervoersproblematiek kunnen participatie in de weg staan. Degenen die wel participeren zijn tevreden over de participatie. Van de cliënten die zijn uitgestroomd naar een eigen woning participeert ongeveer de helft door middel van werk of dagbesteding. De rest participeert niet, vooral vanwege een mismatch van vraag en aanbod, of de professionele begeleiding hierin. Juist voor zelfstandig wonen vormt een gebrek aan waardevolle daginvulling een risico op een geïsoleerd bestaan.
Onder de cliëntparticipanten met onderbroken trajecten / herhaalde dakloosheid is de participatie het grootst (zo’n 6 op de 10 participeert). Voor een aantal vormt deze participatievorm een relatief stabiele factor, ook voor contact met begeleidende en signalerende instanties. Zo’n 1 op de 5 actief op zoek naar daginvulling In de resultaten van het UvA-onderzoek van afgelopen jaren blijkt dat zo’n 1 op de 5 cliëntparticipanten actief op zoek is naar een waardevolle daginvulling. Dit aandeel is hoger onder cliënten die zijn uitgestroomd naar een zelfstandige woning. Toch blijkt het ook voor deze groep niet altijd te lukken, bijvoorbeeld omdat de daginvulling niet aansluit bij de wensen. Redenen om niet te participeren Cliënten in de maatschappelijke opvang geven vaak aan dat hun onstabiele of chaotische leefsituatie de reden is om geen zinvolle daginvulling op te starten. Cliëntparticipanten vanuit beschermd wonen noemen vaak fysieke of psychische kwetsbaarheden als belemmering voor participatie. De belemmeringen op het gebied van participatie die in eerdere metingen door de UvA naar voren kwamen, zoals gebrek aan passend vervoer, lijken nog onvoldoende opgelost voor de cliënten. Dit kan naast participatie en een zinvolle daginvulling ook sociale participatie en ontmoeting met familie en vrienden in de weg staan.
Vanaf 2022 wordt dagbesteding als apart product ingekocht In de vorige meting door de UvA kwam naar voren dat participatie nog niet als apart onderdeel is meegenomen in de inkoopcontracten met zorgpartijen. Dat is inmiddels wel geregeld. In de nieuwe inkoop vanaf 2022 zijn drie modules dagbesteding voor BW-cliënten beschikbaar. Recent kunnen BW-cliënten daarnaast dagbesteding aangeboden krijgen via Wmo-licht, als dat passender is. In de Bommelerwaard zijn zorg en participatie altijd al als aparte producten gefinancierd. Dit wordt erg belangrijk gevonden. In 2022 is voor 55 cliënten dagbesteding BW ingezet (regionaal bekostigd). Voor zo’n 20 cliënten BW is Wmo groepsbegeleiding ingezet (lokaal bekostigd).
17
2.5
Werk en financiën
Merendeel cliënten heeft een uitkering Meer dan de helft van de cliëntparticipanten uit het onderzoek door de UvA heeft een uitkering. Cliënten die zijn uitgestroomd naar een eigen woning hebben vaker een UWV uitkering dan cliënten die langdurig zorg ontvangen of met onderbroken trajecten/herhaalde dakloosheid te maken hebben. Zij hebben vaker een bijstandsuitkering. Uit de interviews blijkt dat in een aantal gevallen wanneer iemand dakloos raakt, een uitkering kan worden stopgezet (bij afwezigheid van een adres), met oplopende schulden tot gevolg. Ook komt het regelmatig voor dat een bijstandsuitkering wordt stopgezet, terwijl cliënten een moeilijke periode in hun leven doormaken (zoals een scheiding, verslaving of verlies door overlijden). Dit kan grote gevolgen hebben zoals het kwijtraken van de woning en schulden. De grote sociale en financiële meerkosten (huisuitzetting, dakloosheid, gebruik opvang, urgentietraject) die hiermee gemoeid zijn benadrukken het belang van preventie. En in dit soort gevallen lijkt de handhaving vanuit werk en inkomen haar doel voorbij te schieten. Project ‘Simpel Switchen’ voor transitie van uitkering naar betaald werk Divosa is in 2019 het project ‘Simpel Switchen’ gestart. Dit is ontwikkeld om de transitie van een uitkering naar betaald werk (financieel) makkelijker te maken en risico’s weg te nemen.
In ’s-Hertogenbosch wordt Simpel Switchen vooralsnog ingezet voor deelnemers van PRA. PRA is een traject voor arbeidsmatige dagbesteding dat voorliggend wordt ingezet op een indicatie dagbesteding via de Wmo. Wanneer er sprake is van een combinatie van een uitkering UWV en arbeidsmatige dagbesteding dan laat de gemeente eerst door het UWV een berekening maken om voor de cliënt de financiële gevolgen op een rijtje te zetten. Deze gevolgen zijn veelal dusdanig negatief dat cliënten de stap niet makkelijk (durven te) maken. Samenwerking met UVW voor werk of daginvulling voor arbeidsongeschikten In de vorige meting door de UvA is aangegeven dat de gemeente ’s-Hertogenbosch samenwerking zoekt met het UWV voor de cliënten die bij het UWV bekend staan als arbeidsongeschikt. Vanuit het UWV is voor deze cliënten geen verdere begeleiding mogelijk, terwijl andere vormen van werk (zoals vrijwilligerswerk of zinvolle daginvulling) nog wel ontwikkelpunten kunnen zijn voor deze groep. Inmiddels is het voor enkele cliënten mogelijk om vanuit het UWV mee te doen aan PRA (algemene voorziening arbeidsmatige dagbesteding). Financiële ondersteuning biedt rust In alle metingen door de UvA zien we dat het merendeel van de cliëntparticipanten ondersteuning ontvangt bij het beheren van het inkomen (bewindvoering en budgetbeheer). Dit geldt ook voor de groep die in een zelfstandige woning woont.
Veel cliëntparticipanten geven aan dat dit hen rust biedt.
2.6
Verbinding met de buurt
De ambitie van de regio is om een zorgvuldige werkwijze te ontwikkelen in verbinding met de omgeving bij het vestigen van (groepen) kwetsbare inwoners. Afbouw professionele begeleiding bij senioren Uit de vijfde meting van de UvA komt naar voren dat bij meer seniore cliëntparticipanten een afname van vrijwilligerswerk en ambulante begeleiding kan ontstaan. En dit, onder invloed van toenemende beperkingen, kan leiden tot een afname van contact. Dit wordt in het UvA-onderzoek aangeduid als een aandachtspunt.
18
Ambulante begeleiding nog steeds geen spil bij burenconflict In de vierde meting door de UvA kwam naar voren dat er meer aandacht nodig is voor het bieden van begeleiding bij het oplossen van burenconflicten. Dit lijkt in de vijfde meting nog steeds een aandachtspunt. Hier komt een casus naar voren waarbij een burenconflict nog steeds niet is opgelost en er volgens de cliënt onvoldoende hulp is vanuit de woningcorporatie. Ook ervaart de cliënt weinig ondersteuning van de ambulante begeleiding. Voor cliënten die uitstromen via een huurcontract met hiermee gecombineerde begeleiding, kan de huurpositie in zo’n situatie kwetsbaar zijn. Het lijkt van belang dat begeleiding hier extra aandacht voor heeft. Vervolg pilot Zachte landing in de wijk In 2023-2024 wordt in tien wijken in ’s-Hertogenbosch en de regio de pilot ‘Zachte landing in de wijk’ vervolgd. Bij dit project wordt het instrument bewustwordingsgesprekken in buurten ingezet. Betrokken partijen zijn MO Den Bosch en Farent. In het kader van kennisdeling zal deze pilot ook worden toegepast in twee wijken in de gemeenten Boxtel (2023) en Meierijstad (2024). Ontwikkeling lokale inlooppunten Organisaties voor en door ervaringsdeskundigen in deze regio zijn Door&Voor en Markieza. Deze organisaties ontwikkelen komende tijd in alle zeven gemeenten in de regio, in samenwerking met lokale partijen, lokale inlooppunten.
Contact vanuit kleinschalige opvang met buurtgenoten Uit de vijfde meting door de UvA blijkt dat vanuit de kleinschalige voorzieningen het contact met buurtactiviteiten wordt gestimuleerd, die uiteindelijk kunnen zorgen voor een positieve ervaring van de buurt waar iemand verblijft. Contact met buurtgenoten komt onder zelfstandig wonende cliënten vooral voor wanneer er toevallig goed contact is met buren of wanneer er participatie in de buurt is waar zij graag komen. Redenen waarom cliënten niet participeren in buurtactiviteiten zijn vooral onzekerheid, berusting of mismatch tussen het aanbod en de individuele wensen.
19
3. Toegang beschermd wonen, maatschappelijke opvang en wonen Samenvatting: • De toegang tot BW en MO is lokaal geregeld. Iedere gemeente geeft zelf de beschikkingen af. Wel wordt er gestreefd naar uniformiteit in de werkwijze binnen de regio, bijvoorbeeld door gebruik van een uniform onderzoeksformat. Alle aanmeldingen komen langs in het Netwerk Opvang en Wonen. Hier wordt een gezamenlijk besluit genomen over het meest passende traject. • De toegang tot de maatschappelijke opvang is per juni 2022 overgegaan naar de gemeenten. Daarmee is deze onafhankelijk van de aanbieder(s) geworden. Cliënten krijgen een bredere intake en de gemeente heeft meer mogelijkheden om ondersteuning in te zetten (niet alleen maatschappelijke opvang). Voor gemeente ’s-Hertogenbosch regelt de Centrale Toegang Maatschappelijke Opvang (CTMO) de toegang tot MO. Daarnaast heeft de CTMO regionale taken, zoals een informatie- en adviesfunctie. En regelt de toegang van mensen die zich melden van buiten de regio. • De regiogemeenten verlenen eveneens toegang tot de maatschappelijke opvang. Zij doen vooral onderzoek als iemand uit hun gemeente zich meldt en nog niet dakloos is. Of als iemand in aanmerking komt voor kleinschalige opvang in hun gemeente. Bij complexe casussen kunnen zij het CTMO inschakelen voor ondersteuning. De toegangsverlening en samenwerking tussen gemeenten heeft nog volop de aandacht.
• Naast gemeente ’s-Hertogenbosch hebben inmiddels ook alle regiogemeenten een lokale urgentiepluscommissie. Zij geven urgenties af voor huurwoningen voor cliënten BW en MO.
3.1
•
Ambitie
In de regiovisie staat de volgende ambitie voor ‘toegang beschermd wonen, maatschappelijke opvang en wonen’: De regie op de regionale toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang is onafhankelijk georganiseerd en de verbinding met wonen is gelegd. Dit betekent: • Voortzetten, versterken en uitbreiden van het regionale Netwerk Opvang en Wonen. • Regionale afspraken over de route naar woonruimte in de gehele regio. • Voortzetten van de regie op de toegang tot de maatschappelijke opvang (ook de nachtopvang). • Regionale afspraken over regievoering bij mensen die niet worden toegelaten tot maatschappelijke opvang (of beschermd wonen). • Een goede verbinding tussen de toegang voor kwetsbare mensen tot beschermd wonen, maatschappelijke opvang en wonen.
3.2
Werkwijze toegang
Toegang tot BW en MO is lokaal georganiseerd Elke gemeente heeft een eigen lokale toegang die zelf beschikkingen afgeeft voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Zo heeft Zaltbommel een multidisciplinair Buurtteam, werkt Vught met een integraal loket en werken Maasdriel en Meierijstad met gebiedsteams. Hoewel de benamingen van de toegangsteams anders zijn, is de werkwijze de laatste jaren steeds uniformer geworden. Elke gemeente doet onderzoek volgens een uniform
20
onderzoeksformat en brengt dit in bij het Netwerk Opvang en Wonen. Daar wordt gezamenlijk besloten over het meest passende traject. Vervolgens geeft de gemeente zelf de beschikking af. Toegang Maatschappelijke Opvang De toegang tot de maatschappelijke opvang is per juni 2022 overgegaan naar de gemeenten. Daarmee is deze onafhankelijk van de aanbieder(s) geworden. Cliënten krijgen een bredere intake en de gemeente heeft meer mogelijkheden om ondersteuning in te zetten (niet alleen maatschappelijke opvang). In de gemeente ’s-Hertogenbosch regelt de Centrale Toegang Maatschappelijke Opvang (CTMO) de lokale toegang tot MO. In vergelijking met andere toegangstrajecten Wmo verloopt de toegangsverlening bij het CTMO veel sneller (enkele dagen). Ook is de samenwerking met bijvoorbeeld de woningcorporatie of afdelingen Participatiewet verbeterd. En de overgang naar de gemeentelijke toegang begint bij het CTMO meer inzicht op te leveren in aantallen cliënten, herkomstgemeente (ook binnen de regio) en bijvoorbeeld redenen waarom mensen zich melden. In de regiogemeenten is de snelheid van de toegangsverlening voor MO wisselender. Momenteel worden hieromtrent verschillende oplossingsrichtingen onderzocht. Lokale en regionale taken CTMO De CTMO regelt de lokale toegang voor MO voor gemeente ’s-Hertogenbosch en is daarnaast aan zet als mensen van buiten de regio zich melden.
De CTMO kijkt in die gevallen in hoeverre sprake is van regiobinding en of de kans op herstel hier het grootst is. Waar nodig dragen zij over naar andere regio’s. Inwoners die (dreigend) dak- of thuisloos zijn kunnen bij de CTMO terecht zonder afspraak. Zij worden geholpen bij hun vragen over dakloosheid en waar nodig bij het krijgen van toegang tot één van de maatschappelijke opvangvoorzieningen in ’s-Hertogenbosch of de regio. De casussen worden vervolgens ingebracht bij het regionale Netwerk Opvang en Wonen. Toegangsmedewerkers toetsen aanvragen die binnenkomen. De regiogemeenten verlenen eveneens toegang tot de maatschappelijke opvang. Zij doen vooral onderzoek als iemand uit hun gemeente zich meldt en nog niet dakloos is. Of als iemand in aanmerking komt voor kleinschalige opvang in hun gemeente. Bij complexe casussen kunnen zij het CTMO inschakelen voor ondersteuning. De toegangsverlening en samenwerking tussen gemeenten heeft nog volop de aandacht. De regionale taken van de CTMO zijn: - Landelijke toegankelijkheidsfunctie: onderzoek en terugleiding buitenregionale (en buitenlandse) inwoners die zich melden voor maatschappelijke opvang; - Ondersteuning bij onderzoek bij (complexere) ondersteuningsvragen; - Informatie en advies over maatschappelijke opvang in de regio Meierij en Bommelerwaard.
Netwerk Opvang en Wonen, toegangstafels en veldtafel Lokaal wordt door de betreffende gemeente onderzoek gedaan naar de hulpvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Voor alle casussen BW en MO geldt dat zij vervolgens anoniem worden besproken in het Netwerk Opvang en Wonen. Hier wordt een besluit genomen of beschermd wonen of maatschappelijke opvang de juiste voorziening is. En welke voorziening het meest passend is. Vervolgens wordt de beschikking lokaal geregeld. Er zijn wekelijks meerdere toegangstafels voor de regio waarin de casussen anoniem gepresenteerd worden om het best passende traject te bespreken. Er zijn tafels voor BW, MO en urgentieplus (urgentie voor een huurwoning bij een woningcorporatie). Op de experttafel BW zijn in 2022 bijvoorbeeld 582 casussen (nieuwe aanvragen en verleningen) ingebracht. Voor de aantallen urgentieplus zie paragraaf 6.5. Maandelijks is er daarnaast een veldtafel om de situatie van mensen met een complexe zorgvraag te bespreken en te zoeken naar een passende plek als dat niet via de reguliere weg is gelukt.
21
3.3
Verbinding met wonen
Lokale urgentiepluscommissies gestart Gemeente ’s-Hertogenbosch heeft vanaf 2019 een urgentiepluscommissie voor het regelen van urgenties voor huurwoningen voor cliënten die uitstromen uit verblijfsinstellingen voor BW en MO. Ook in de andere gemeenten zijn inmiddels lokale urgentiepluscommissies opgezet. In SintMichielsgestel, Boxtel en Meierijstad is hiermee in 2022 gestart en in Zaltbommel, Maasdriel en Vught in 2023. Dit past bij de beweging om zowel opvang als uitstroom te spreiden over alle gemeenten en inwoners die dakloos raken de mogelijkheid te geven weer in de eigen gemeente te gaan wonen. Afstemming over werkwijze urgentieplus In de vierde meting door de UvA gaven woningcorporaties aan dat zij ervaren dat zorgaanbieders in de regio niet goed de weg weten wanneer zij een aanvraag voor urgentieplus willen indienen. Inmiddels is dit verbeterd. De zorgaanbieders worden over urgentieplus geïnformeerd via de ontwikkeltafel Beschermd wonen en de accountgesprekken vanuit RIOZ. Met de regio zijn afspraken gemaakt over de werkwijze van de lokale/subregionale urgentieplusregelingen. En er is een afstemmingsoverleg met de voorzitters en secretarissen van de urgentieplusregelingen. De voorzitters van het regionaal Netwerk Opvang en Wonen participeren in meerdere urgentieplustafels, zodat er enige eenheid van beoordeling van aanvragen in de regio is.
22
4.
Maatschappelijke opvang Samenvatting: • Het preventieplan dak- en thuisloosheid krijgt vanaf 2022 verdere uitwerking en uitvoering, o.a. door de pilot Onder de Pannen en woon/werktrajecten via Springplank. De lopende activiteiten zullen worden afgezet tegen de actielijn “preventie dakloosheid” in het Nationaal Actieplan aanpak dakloosheid. Waar nodig worden de regionale en lokale activiteiten geüpdatet. • Met de overheveling van de toegang naar de gemeenten, komt meer zicht op de situatie en achtergronden van de groep die zich meldt voor de opvang. Het ETHOS-onderzoek dat in oktober beschikbaar komt, levert hier verdiepende informatie over. Ook over de dreigend dakloze groep. • Op dit moment is er al aandacht voor diverse groepen, zoals jongvolwassenen en gezinnen. En is er een taakstelling om voor deze groepen meer plekken te realiseren. Ook is er met projecten als Housing first en de hostels specifieke aandacht voor inwoners met een complexe zorgvraag. En met ‘Wonen eerst’ wordt onderzocht hoe inwoners met juist een lichte woon-zorgvraag (weer) direct gehuisvest kunnen worden met begeleiding, in plaats van een plek in de opvang. • De gewenste verschuiving van grootschalige naar meer kleinschalige voorzieningen krijgt steeds meer vorm. Er komen steeds meer plekken voor kleinschalige opvang beschikbaar, zowel in ’s-Hertogenbosch als in de regiogemeenten.
En per 1 januari 2023 zijn de twee grootschalige opvanglocaties in ’s-Hertogenbosch samengevoegd op de Oranje Nassaulaan. De dag- en nachtopvang (Inloopschip) aan de Hinthamerstraat is vanaf dan gesloten. • Cliënten zijn veelal tevreden over de opvang en begeleiding in de kleinschalige opvang. De toegang is de afgelopen jaren verbeterd. En er wordt door de begeleiding goed ingezet op uitstroom. Ambulante begeleiding na uitstroom verdient nog aandacht. • De regio streeft naar een gemiddelde verblijfsduur van 3 maanden in de opvang. Deze wordt in 2022 nog niet gehaald. Zo is de gemiddelde verblijfsduur in de dag- en nachtopvang zo’n 6 maanden en in de jongerenopvang bijna 5 maanden.
4.1
Ambitie
In de regiovisie staat de volgende ambitie voor ‘maatschappelijke opvang’: Zo min mogelijk mensen maken gebruik van de maatschappelijke opvang. Degenen die toch een beroep moeten doen op de maatschappelijke opvang stromen zo snel als mogelijk door naar een passende plek. Dit betekent: • Transformatie van de maatschappelijke opvang om passende hulp te bieden en zo de dooren uitstroom te bevorderen. • Ontwikkelen van een samenhangend pakket voor doelgroepen (o.a. voor jongeren, gezinnen met kinderen, lvb en mensen met complexe problematiek).
4.2
Preventie en doelgroepen
Uitvoering preventieplan dak- en thuisloosheid Vanaf 2022 krijgt het preventieplan dak- en thuisloosheid verdere uitwerking en uitvoering in een aantal regionale en lokale pilots en activiteiten, zoals: • Woon/werktrajecten via Springplank: In 2022 en 2023 is een pilot met Springplank uitgevoerd in het kader van preventie dakloosheid. Inwoners die dakloos zijn of raken en waarbij
23
werk/dagbesteding een belangrijke schakel is om dakloosheid te voorkomen of op te lossen, worden ondergebracht in een woonvoorziening van Springplank (in ’s-Hertogenbosch). Zij worden hier begeleid naar werk én gewerkt wordt aan de dakloosheid. Deze pilot wordt voortgezet in 2024 en 2025. • In Vught en ’s-Hertogenbosch is gestart met Onder de Pannen voor het tegengaan van ‘gedwongen dakloosheid’. Dit is gericht op hospitaverhuur voor economisch daklozen, zoals na een echtscheiding of faillissement. Inwoners kunnen hun koop- of huurwoning deels voor een jaar onderverhuren aan dakloze inwoners zonder verslaving of psychische problemen. Er is daarbij geen korting op toeslagen of uitkering. • Er is een onderzoek uitgevoerd naar de meerwaarde van een buddy voor dak- en thuislozen. • Er zijn afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheden rondom het verstrekken van briefadressen door respectievelijk de centrumgemeente of lokale gemeente en dit wordt nu uitgewerkt. In het Nationaal Actieplan aanpak dakloosheid, dat regionaal en lokaal uitgewerkt gaat worden, is een aparte actielijn “Preventie dakloosheid” opgesteld. De inhoud van de voorstellen in deze actielijn wordt door de regio afgezet tegen hetgeen al in gang is gezet en waar nodig worden de activiteiten geüpdatet.