CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

B4 Quickscan Natuurwetgeving

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte ontwerp verklaring van geen bedenkingen realisatie zonnepark Schootsedijk ong. Sint-Oedenrode9.728 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN NATUURWETGEVING Zonnepark Schootsedijk Sint-Oedenrode Statkraft Markets B.V.

22 OKTOBER 2020

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Contactpersoon WOUTER VAN OVERMEIRE

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1632 6201 BP Maastricht Nederland

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

2 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Leeswijzer

5

PLANGEBIED EN INGREEP

6

2.1

Huidige situatie

6

2.2

Voorgenomen ingreep

7

2.3

Afbakening effecten

8

WET NATUURBESCHERMING

9

3.1

Gebiedsbescherming

9

3.1.1

Methode

9

3.1.2

Ligging

9

3.1.3

Effecten

9

3.1.4

Deelconclusie gebiedsbescherming

10

3.2

Soortbescherming

10

3.2.1

Methode

10

3.2.2

Aanwezigheid beschermde soorten

10

3.2.3

Effectbeschrijving

12

3.2.4

Toetsing

13

3.2.4.1

Beschermingscategorieën relevante soorten

13

3.2.4.2

Overtreding verbodsbepalingen

13

3.2.5

Vervolgstappen

14

3.2.5.1

Soortgericht onderzoek

14

3.2.5.2

Mitigerende maatregelen

14

3.2.6

Deelconclusie soortbescherming

14

NATUURNETWERK BRABANT

15

4.1

Methode

15

4.2

Ligging

15

4.3

Effecten

15

4.4

Conclusie

15

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

3 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

5

KANSEN VOOR NATUUR

16

6

CONCLUSIE

17

BIJLAGEN BIJLAGE A WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING

18

Gebiedsbescherming

18

Soortbescherming

19

BIJLAGE B WETTELIJK KADER NNN

22

COLOFON

27

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

4 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Statkraft Markets B.V. (hierna: Statkraft) heeft het voornemen een zonnepark van minimaal acht hectare te realiseren in de gemeente Meierijstad, provincie Noord-Brabant. Statkraft wil met het voornemen een bijdrage leveren aan de energietransitie binnen de gemeente Meierijstad. Om het zonnepark te kunnen realiseren moet voor de geplande locatie planologische toestemming worden verkregen, aangezien het geldende bestemmingsplan een zonnepark op de gewenste locatie niet mogelijk maakt. Om duidelijkheid te krijgen over de planologische haalbaarheid van het project is in samenwerking met Arcadis een notitie met concept inrichtingsplan opgesteld1. Hiermee wordt een voorstel geschetst voor de inrichting van ‘Zonnepark Schootsedijk’. De notitie is als principeverzoek ingediend bij de Gemeente Meierijstad en akkoord bevonden. Derhalve is Arcadis verzocht een quickscan Wet natuurbescherming uit te voeren en een ecologisch advies te geven over de inrichting van het zonnepark. Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten of kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wnb of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de Provincie Noord-Brabant bekend als het Natuurnetwerk Brabant (hierna NNB).

Als laatst is de huidige natuurwaarde beoordeeld en een advies opgesteld over de kansen voor de natuur bij de inrichting van het zonnepark.

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is een beschrijving van de twee locaties in de huidige situatie opgenomen, evenals een beschrijving van de voorgenomen ingreep. Hoofdstuk 3 betreft de Wnb, hierin is een beschrijving van de ligging en effecten op Natura 2000-gebieden opgenomen, evenals een beschrijving van aanwezigheid van beschermde soorten met effectbeschrijving en toetsing. In hoofdstuk 4 is beschreven waar het NNB is gelegen en of sprake is van kans op negatieve effecten. In hoofdstuk 5 zijn de kansen voor de natuur opgenomen en in hoofdstuk 6 zijn alle conclusies weergegeven. Bijlage A beschrijft het wettelijk kader van de Wnb en Bijlage B het kader van het NNN (NNB).

1

Statkraft (2020) – Concept-Inrichtingsplan Zonnepark Schootsedijk Sint-Oedenrode – 09 april 2020.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

5 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

2

PLANGEBIED EN INGREEP

2.1

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen tussen de wegen Gagel, Gaspeldoorn en Schootsedijk in het buitengebied van Sint-Oedenrode ten westen van de A50 (Provincie Noord-Brabant). Het gebied beslaat een akkerbouwperceel met een oppervlakte van circa negen hectare. In het perceel lopen twee sloten, waarbij langs de oostelijke sloot binnen het plangebied zaadmengsels van gras- en graanzaden zijn ingezaaid ten behoeve van akkervogels. Grenzend aan het perceel lopen verschillende afwateringssloten, (onverharde) wegen, bomenrijen en een productie grasland in het oosten. Daarbuiten is veel productieland aanwezig in de vorm van boomkwekerijen, landbouw en veeteelt. Ten noorden en oosten van het plangebied is Golfclub De Schoot gesitueerd. De dichtstbijzijnde woonerven liggen op respectievelijk 40 m (zuidoosten), 175 m (zuidwesten) en 220 m (noordwesten) van het plangebied. In Figuur 1 en 2 zijn een kaart en een impressie van het plangebied opgenomen.

4.

3.

2.

6.

5. 1.

Figuur 1. Plangebied (oranje omkaderd) van het Zonnepark Schootsedijk. ©Cyclomedia, 2019. De nummers geven de locaties van de foto’s uit Figuur 2 weer.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

6 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Figuur 2. Boven: Impressie van onverharde weg met bomenrijen ten westen van het plangebied. Midden: Huidige begroeiing in het plangebied rondom de twee sloten in het midden van het perceel. Onder: verwijzing naar de inrichting voor akkervogels (links) en de overgang naar het grasland perceel in het oosten (rechts).

2.2

Voorgenomen ingreep

Statkraft is voornemens een acht hectare groot zonnepark te realiseren op een productie akkerland in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Voor het realiseren van het zonnepark is van de volgende werkzaamheden uitgegaan: • Graafwerkzaamheden ten behoeve van het aanleggen van bekabeling; • Aanbrengen van funderingen voor de zonnepanelen en bijgebouwen (exacte type is niet bekend); • Plaatsing van afrastering rondom het plangebied; • Kansen voor natuur benutten door inrichting van natuur aan te laten sluiten op de omgeving (exacte invulling nader te bepalen); Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

7 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

•

Volledig gebruik van het terrein in de gebruiksfase.

De definitieve inrichting is nog niet bepaald. Derhalve wordt uitgegaan dat bestaande vegetatiestructuren en watergangen verwijderd worden. Met de quickscan wordt een advies gegeven voor een ecologische inrichting die de natuurwaarden in het plangebied en de omgeving kan versterken.

2.3

Afbakening effecten

Op basis van het geplande voornemen zijn de volgende effecten op de reeds aanwezige flora en fauna te verwachten, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen tijdelijke effecten (gedurende de bouwfase) en permanente effecten (na realisatie). Tijdelijke effecten: • Verstoren van beschermde diersoorten door werklieden met materieel; • Laten verdwijnen van standplaatsen van beschermde plantsoorten en/of waardplanten van beschermde insecten; • Doden en/of verwonden van beschermde diersoorten; • Tijdelijk oppervlakteverlies van leefgebieden en groeiplaatsen van beschermde flora en fauna. Permanente effecten: • Permanent verlies van leefgebied van flora en fauna (nest- en verblijfplaatsen en foerageergebied).

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

8 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

3

WET NATUURBESCHERMING

Onder de Wnb valt de bescherming van Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb) en beschermde soorten (hoofdstuk 3 Wnb). In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de Natura 2000-gebieden in paragraaf 3.1 en vervolgens op de soortbescherming in paragraaf 3.2. Het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage A.

3.1

Gebiedsbescherming

3.1.1

Methode

Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en daarnaast de aard van de ingreep (graafwerkzaamheden en rijbewegingen materieel), is aan de hand van een bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van het voornemen.

3.1.2

Ligging

Het plangebied ligt ten oosten van de Natura 2000-gebieden: “Kampina & Oisterwijkse Vennen” (9,25 km), “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (12,5 km) en “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” (16,25 km) (zie Figuur 3).

Figuur 3. Ligging plangebied (oranje ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (rood gearceerde vlakken). Bron: kaartenbank.brabant.nl, geraadpleegd op 15 oktober 2020.

3.1.3

Effecten

Door de ligging (afstand tot gevoelige habitattypen van de Natura 2000-gebieden) en de voorgenomen ingreep zijn effecten als gevolg van emissies van stikstof, met als gevolg en verzuring en vermesting, op voorhand niet uitgesloten. Deze effecten ontstaan als gevolg van de graafwerkzaamheden en de bewegingen door groot materieel. Alle directe verstoringen zoals geluid, trillingen worden op basis van afstand uitgesloten. Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

9 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

3.1.4

Deelconclusie gebiedsbescherming

De kwalificerende natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten op deze kwalificerende natuurwaarden op voorhand niet uit te sluiten. Derhalve dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden om mogelijke negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde gebieden in het kader van de Wnb te toetsen.

3.2

Soortbescherming

3.2.1

Methode

Voor het onderdeel soortbescherming zijn een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar (periode 01-01-2015 t/m 31-12-2020). Daarnaast is gebruik gemaakt van de verspreidingsatlas (verspreidingsatlas.nl) voor de verspreidingsgegevens van beschermde soorten. Het veldbezoek is uitgevoerd op 15 oktober 2020 door een ecoloog in dienst bij Arcadis. De omstandigheden tijdens het veldbezoek waren half bewolkt, 1 bft. wind en 9°C. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en zo ja welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.

3.2.2

Aanwezigheid beschermde soorten

In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Tabel 1 Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het plangebied per relevante soortgroep Soortgroep Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Conclusie Flora Bureauonderzoek Beschermde In het plangebied en de omgeving (+1.5 km) zijn geen waarnemingen plantensoorten bekend van beschermde plantensoorten (NDFF). kenmerkend voor Het plangebied ligt niet binnen de verspreidingsgebieden van beschermde akkers zijn niet uit te planten (verspreidingsatlas). sluiten. Veldbezoek Het plangebied bestaat uit een akkerbouwperceel met twee sloten. Langs de ene sloot is aan weerszijde zadenmengsels voor akkervogels ingezaaid. Ontwikkeling van beschermde (akker) plantensoorten die hier voorheen voorkwamen zoals getande veldsla, glad biggenkruid, grote leeuwenklauw, korensla en naakte lathyrus niet uit te sluiten. De vegetatie bij de andere sloot bestond uit algemene kruiden. Overige deel van het perceel bestaat uit zand en was onbegroeid. Broedvogels Bureauonderzoek Algemeen zonder In de omgeving van het plangebied (+1.5 km) is een waarneming bekend beschermde jaarrond van een zwartkop (NDFF).

In het plangebied zijn geen waarnemingen broedvogels komen beschermd bekend van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. voor. nest Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn algemene broedvogels zoals groenling, houtduif, ringmus, roodborst, roodborsttapuit en vink waargenomen. Deze soorten gebruikte het plangebied en de omgeving om te foerageren. Soorten als roodborsttapuit en veldleeuwerik gebruiken de ingezaaide stroken mogelijk om in te broeden.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

10 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Soortgroep

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat

Conclusie

Broedvogels met jaarrond beschermd nest

Bureauonderzoek In het plangebied zijn waarnemingen bekend van foeragerende huismus (categorie 1 soort) en jagende ransuil (categorie 4 soort2) bekend (NDFF). In de omgeving (+1.5 km) zijn waarnemingen bekend van steenuil (categorie 1 soort), gierzwaluw en roek (categorie 2 soorten), grote gele kwikstaart, kerkuil, ooievaar en slechtvalk (categorie 3 soorten) en boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief en zwarte wouw (categorie 4 soorten). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is één soort uit categorie 4 waargenomen: buizerd. Het ging om een roepend dier uit de richting van het golfterrein. Door het ontbreken van geschikte nestgelegenheid zoals bomen of gebouwen in het plangebied zijn geen nesten van deze soorten aanwezig. De bomen aan de rand van het plangebied hadden geen horsten van jaarrond beschermde vogels (zoals roofvogels). Door het ontbreken van nesten in de directe omgeving van het plangebied en het totaal oppervlak aan foerageergebied sluit een essentiële foerageerfunctie uit. In de omgeving zijn vergelijkbare alternatieven in de vorm van landbouwpercelen en de tuinbouwpercelen aanwezig. Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied (+1.5 km) zijn waarnemingen bekend van aardmuis, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel (NDFF).

Binnen het plangebied zijn enkel waarnemingen van haas en konijn bekend. De waarnemingen van de bunzing en wezel waren ten noorden en oosten van het plangebied op het golfterrein of de aangrenzende wegen en nabij de Ollandsche Waterloop ten westen van het plangebied. De waarneming van de das zijn nabij een bosje ten oosten van het plangebied. Veldbezoek Het grootste gedeelte van het plangebied is door ontbreken van schuilgelegenheid en variatie matig geschikt voor grondgebonden zoogdieren. Enkel de ingezaaide strook voor akkervogels biedt voedsel en schuilmogelijkheden voor kleine zoogdieren zoals kleine marterachtigen en algemene soorten zoals haas, konijn en muizen. Veelgebruikte wissels zijn naar de omgeving zijn niet vastgesteld. Op de rand van het plangebied zijn prooiresten aangetroffen (dode houtduif met bloed en afgebeten vleugelpennen wat duidt op roofdier zoals bunzing, vos of wezel). De begroeiing naast het plangebied (onverharde weg met bomen en golfterrein) vormt een geschikte verbinding met omliggende gebieden voor grondgebonden zoogdieren zoals egels, marterachtigen en reeën. Verblijfplaatsen van grotere zoogdieren zoals bever, das, vos en wild zwijn zijn uitgesloten door afwezigheid van holten en hogere dichtere struwelen in het plangebied. Essentiële foerageerfuncties zijn afwezig in het plangebied en zijn in de omgeving (zoals op het golfterrein) aanwezig.

Bureauonderzoek In het plangebied en de omgeving (+1.5 km) zijn waarnemingen bekend van de gewone grootoorvleermuis (NDFF). Het gaat hier om een aangelegd winterverblijf in een achtertuin ten oosten van het plangebied. Veldbezoek De bomen rondom het plangebied (niet in het plangebied) vormen lijnstructuren die functies zoals verblijfplaatsen en vliegroutes kunnen

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten komen enkel in het plangebied om te foerageren. Verblijfplaatsen en andere essentiële functies zijn uitgesloten.

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen

Beschermde grondgeboden zoogdieren zoals kleine marterachtigen en algemeen voorkomende soorten zoals haas, konijn en muizen zijn niet uit te sluiten in het plangebied. Door de groene verbinding net buiten het plangebied zijn enkele soorten zoals das, ree en vos sporadisch te verwachten op de rand van het plangebied. Enkel verblijfplaatsen van bever, das, vos en wild zwijn zijn uitgesloten.

Vleermuizen zijn niet uit te sluiten in het plangebied, maar essentiële functies ontbreken. Functies naast het plangebied

2 De provincie Noord-Brabant hanteert een beleidskader dat voortvloeit uit de voormalige Flora- en faunawet. Daarbij zijn vogels met

jaarrond beschermde nesten in vijf categorieën ingedeeld. Nesten van soorten uit categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Nesten van soorten uit categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Effecten op de nesten van deze soorten dienen getoetst te worden. Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

11 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Soortgroep

Reptielen

Amfibieën

Vissen

Overige soorten

3.2.3

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat herbergen. Sporadisch zou het plangebied gebruikt kunnen worden om te foerageren op insecten die boven de ingezaaide stroken aanwezig zijn. Bureauonderzoek In de omgeving (+1.5 km) zijn waarnemingen bekend van levendbarende hagedis (NDFF). De locaties liggen ten noorden van het golfterrein. Het plangebied ligt niet binnen de verspreidingsgebieden van andere (beschermde) reptielen (verspreidingsatlas). Veldbezoek Het gebrek aan afwisseling in structuren en de eentonige zandbank in het plangebied zijn niet geschikt als leefgebied voor beschermde reptielen. Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied (+1.5 km) zijn waarnemingen bekend van gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF). Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de poelkikker (verspreidingsatlas). Alle waarnemingen bevinden zich rondom de Ollandsche Waterloop en het eerste deel van de Beeksche Waterloop dat hierop aansluit. Veldbezoek Rondom het plangebied liggen watervoerende sloten. In deze sloten is vis aanwezig, waardoor aanwezigheid van strikter beschermde soorten uitgesloten is. Algemene soorten komen hier mogelijk in voor. De sloten in het plangebied stonden droog. De sloten en de vegetatie in het plangebied vormen mogelijk geschikt leefgebied voor algemene soorten zoals gewone pad.

Door de geïsoleerde ligging en het ontbreken van vegetatie met structuurwisseling in het plangebied zijn strikter beschermde soorten uitgesloten in het plangebied. Bureauonderzoek In het plangebied en de omgeving (+1.5 km) zijn geen waarnemingen van vissen bekend (NDFF). Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper (verspreidingsatlas). Veldbezoek Het plangebied is ongeschikt voor grote modderkruiper door ontbreken van sloten met een sliblaag. De wateren rondom het plangebied zijn potentieel geschikt voor de grote modderkruiper. In de afwateringssloot aan het perceel ten westen van het plangebied is een vis (soort onbekend) waargenomen. Bureauonderzoek In het plangebied en de omgeving (+1.5 km) zijn waarnemingen van grote vos, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart bekend (NDFF). De waarnemingen van de grote vos waren bij een bosje ten zuiden van het plangebied, de iepenpage rondom de boomkwekerij en van de kleine ijsvogelvlinder en de teunisbloempijlstaat bevonden zich rondom de Ollandsche Waterloop. Veldbezoek In het plangebied ontbreken waardplanten voor de genoemde soorten. Enkel in de ondergroei van de bomenlaan rondom het plangebied komt een waardplant (boswilg) van de grote vos voor. Andere waardplanten voor de kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart komen er mogelijk ook voor.

Het plangebied biedt daarnaast weinig tot geen voedsel voor ongewervelden.

Conclusie zijn mogelijk aanwezig. Beschermde soorten afwezig.

Algemeen voorkomende soorten zijn niet uit te sluiten in en rondom het plangebied. Strikter beschermde soorten zijn uitgesloten door de geïsoleerde ligging en de aanwezigheid van vis in de afwateringssloten rondom het plangebied.

Beschermde soorten in het plangebied afwezig.

Beschermde soorten in het plangebied afwezig. Aanwezigheid van enkele soorten rondom het plangebied is niet uit te sluiten.

Effectbeschrijving

In Tabel 2 is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten, op basis van de conclusie in de vorige paragraaf, een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen zoals beschreven in hoofdstuk 2.2.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

12 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Tabel 2 Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden Soortgroep Mogelijke effecten

Toetsing vereist?

Flora

Opzettelijk verwijderen van beschermde soorten.

Ja

Broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten

Opzettelijk verstoren door activiteiten. Doden van individuen en vernielen van verblijfplaatsen door graafwerkzaamheden. Ontnemen van foerageergebied door verwijderen en verdwijnen van vegetatie.

Ja

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

Ontnemen van foerageergebied door verwijderen en verdwijnen van vegetatie.

Nee, de verstoring is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding, mede doordat voldoende alternatief in de omgeving aanwezig is.

Grondgebonden zoogdieren

Opzettelijk verstoren door activiteiten. Doden van individuen en vernielen van verblijfplaatsen door graafwerkzaamheden. Ontnemen van foerageergebied door verwijderen en verdwijnen van vegetatie.

Ja

Vleermuizen

Ontnemen van foerageergebied door verwijderen en verdwijnen van vegetatie. Doordat er voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn, heeft dit geen effecten op mogelijk aanwezige soorten. Verstoring van functies buiten het plangebied zijn uitgesloten, omdat deze niet verstoord worden door het voornemen: geen extra verlichting of obstakels.

Nee

Amfibieën

Opzettelijk verstoren door activiteiten. Doden van individuen en vernielen van voortplantingsplaatsen door dichten van sloten en graafwerkzaamheden. Ontnemen van foerageergebied door verwijderen en verdwijnen van vegetatie.

Ja

3.2.4

Toetsing

3.2.4.1

Beschermingscategorieën relevante soorten

In Tabel 3 is per soort/soortgroep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3 Beschermingscategorie van de relevante soorten

Beschermingscategorie Vogelrichtlijnsoorten

Soort/soortgroep • Vogels zonder jaarrond beschermde nesten.

Andere soorten met vrijstelling

• •

Algemene grondgebonden zoogdieren; Algemene amfibieën.

Andere soorten zonder vrijstelling

•

Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel).

Binnen de provincie Noord-Brabant geldt een vrijstelling voor de binnen het plangebied algemeen voorkomende soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren zie bijlage A. Deze zijn hieronder daarom niet meegenomen. Voor deze soorten geldt de zorgplicht, zie verder in paragraaf 3.2.5.1.

3.2.4.2

Overtreding verbodsbepalingen

In Tabel 4 en Tabel 5 is op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Daarbij is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in de volgende paragraaf.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

13 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Tabel 4 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn

Soort Broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten

Lid 1

Lid 2

X

X

Lid 3

Lid 4

Lid 5

Als gevolg van Graafwerkzaamheden en verwijderen vegetatie.

Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding; Lid 5: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Tabel 5. Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van andere soorten.

Soort

a

b

Flora

c X

Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel)

X

X

Als gevolg van Graafwerkzaamheden en verwijderen vegetatie. Graafwerkzaamheden en verwijderen vegetatie.

Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

3.2.5

Vervolgstappen

3.2.5.1

Soortgericht onderzoek

Op basis van de quickscan is de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet uitgesloten in het plangebied. Nader soortgericht onderzoek naar beschermde planten en kleine marterachtigen is noodzakelijk indien de ingezaaide strook verwijderd wordt voor de realisatie van het zonnepark. Op basis van dit onderzoek volgt of ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk is.

3.2.5.2

Mitigerende maatregelen

De mitigerende maatregelen die voor de broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten genomen kunnen worden om overtreding van de Wnb te voorkomen worden hieronder weergegeven. Broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten: • Verwijder vegetatie buiten het broedseizoen (broedseizoen loopt globaal van maart t/m augustus) om vestiging van nesten te voorkomen; • Kort houden vegetatie gedurende werkzaamheden, zodat dekking of broedgelegenheid voor akkervogels minimaal is; • Controleer regelmatig of soorten die op kale bodems broeden aanwezig zijn en jaag deze zo nodig weg voor de start van het broedseizoen (soorten zoals de kievit). Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om in het werkgebied te verblijven tijdens de werkzaamheden; • Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting waardoor de dieren in de gelegenheid zijn om te vluchten naar andere leefgebieden.

3.2.6

Deelconclusie soortbescherming

In het plangebied komen verschillende beschermde soorten voor. Voor de meeste soorten geldt een vrijstelling, waardoor op basis van mitigerende en zorgplichtmaatregel overtreding van de Wnb is uitgesloten. Enkel voor beschermde planten en kleine marterachtigen is dit niet uitgesloten. Dit is afhankelijk van het ontwerp en de uitvoering van het zonnepark. Indien de ingezaaide strook voor akkervogels verwijderd wordt, is soortgericht onderzoek naar de functie van deze strook voor kleine marterachtigen noodzakelijk. Op basis van dit onderzoek volgt of ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk is. Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

14 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

4

NATUURNETWERK BRABANT

4.1

Methode

Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNB en daarnaast de aard van de ingreep, is door een bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van het voornemen.

4.2

Ligging

Het plangebied ligt op minimaal één kilometer van vastgesteld NNB.

Figuur 4. Ligging van het plangebied (naar benadering in oranje) ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant (licht groene vlakken en lijnen). Bron: kaartenbank.brabant.nl, geraadpleegd op 22 oktober 2020.

4.3

Effecten

Doordat het plangebied buiten het NNB ligt, is ruimtebeslag op voorhand uitgesloten. In de Provincie NoordBrabant is toetsing van externe effecten noodzakelijk. De beheertypen voor de delen van het NNB ten oosten en westen zijn respectievelijk “N16.04 Vochtig bos met productie” en “N16.04 Vochtig bos met productie” + “N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland” + “L01.01 Poel en kleine historische wateren” (bron: kaartenbank.brabant.nl). Het plaatsen van een zonnepark heeft geen negatieve externe werking, omdat de invloed van het voornemen geen afbreuk doet aan de gestelde doelen.

4.4

Conclusie

Doordat effecten uitgesloten zijn, zijn geen verdere vervolgstappen noodzakelijk.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

15 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

5

KANSEN VOOR NATUUR

Huidige natuurwaarden In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een landbouwperceel met daarin twintig meter brede strook met ingezaaide planten voor akkervogels. Ten westen van het perceel ligt een onverharde weg met twee bomenlanen. Deze bestaat voor 99 procent uit douglasspar met ondergroei van verschillende loofboomsoorten zoals boswilg, gewone vlier, lijsterbes, ratelpopulier, vogelkers en vuilboom en bramenstruweel met hop en diverse kruidachtige planten. Ten noorden is dit vergelijkbaar, enkel bestaan de bomenlanen voor 95 procent uit eikenbomen en de overige uit berk en douglasspar. Ten oosten van het perceel ligt een productie grasland. Ten zuiden ligt een verharde weg met een bomenlaan met voor de helft douglasspar en de andere helft ratelpopulier. De ondergroei is hier beperkt door het beheer. Verder weg van het plangebied ligt ten zuiden een boomkwekerij, in het noorden en oosten een golfbaan en in het westen landbouwpercelen. Het plangebied is geïsoleerd gelegen en natuurgebieden zoals bloemrijke graslanden langs wateren en bossen liggen op minimaal anderhalve kilometer van het plangebied. Daartussen liggen hoofdzakelijk landbouw- en veeteeltpercelen met (on)verharde wegen met bomenlanen.

Kansen voor verbetering natuurwaarden Door de geïsoleerde ligging is het belangrijk de kansen te richten op mobiele soorten die in staat zijn de grotere afstanden te overbruggen. Dit gaat hoofdzakelijk om vogelsoorten en kleine zoogdieren die via de groenstructuren het plangebied kunnen bereiken. Voor twee groepen vogels: akkervogels en struweelvogels, zijn kansen voor verbetering van de natuurwaarden. Voor akkervogels zijn kansen door nog meer ingezaaide stroken toe te passen: één rondom de andere sloot in het plangebied en één op de rand van de oostzijde van het plangebied. Voor struweelvogels zijn kansen aan de west- en noordzijde van het plangebied. Door hier mantelzoom overgang te creëren door het aanplanten van inheemse bloeiende heesters. Naast akker- en struweelvogels profiteren ook andere soortgroepen zoals amfibieën, insecten en zoogdieren die in de directe omgeving voorkomen van deze maatregelen. Daarnaast schermt deze beplanting het aanzicht op de panelen af, creëert het een hogere belevingswaarde voor recreanten en vormt het een extra bescherming tegen golfballen. Verschil ten opzichte van eerste concept inrichtingsplan3 Bij het eerste inrichtingsplan is rekening gehouden met de algehele biodiversiteit. Dit door overal kruidenrijk grasland te realiseren door kruidenmengsels in te zaaien en ruimte van tweeënhalf meter tussen de panelen te creëren.

Voor een goede slagingskans is het belangrijk dat het plangebied een goede verbinding heeft met de omgeving. Daardoor kunnen verschillende soorten het plangebied bereiken. Echter is het plangebied relatief geïsoleerd. Daarom is met het nieuwe voorstel specifiek gericht op akker- en struweelvogels. Het zonnepark moet ook rendabel zijn en daardoor wordt voor dit zonnepark geadviseerd de panelen lager en dichter op elkaar te plaatsen. Hierdoor ontstaat binnen het perceel meer ruimte voor bloemstroken voor akkervogels en struweel rondom. De overige ruimten tussen de panelen kunnen op natuurlijke wijze begroeid raken door natuurlijke verspreiding van zaden. Daarnaast blijven er open plaatsen over die nodig zijn voor verschillende insectensoorten (zoals wilde bijen) voor het creëren van verblijven in de bodem. Voorstellen voor verbeteren natuurwaarden Om de kansen te realiseren kan gedacht worden aan het toepassen van onderstaande maatregelen: • Aanplanten van een circa tien meter brede strook met inheemse bloeiende bomen en heesters aan de west- en noordzijde van het plangebied (om schaduwwerking te voorkomen) bestaande uit soorten zoals: boswilg, braam, hondsroos, kardinaalsmuts, lijsterbes, meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, vlier en vuilboom. Hierdoor wordt een mantelzoom vegetatie ontwikkelt.

Verschillende soorten uit verschillen soortgroepen vinden hierin beschutting, nestplaatsen en voedsel. • Inzaaien van circa tien meter brede stroken ten behoeven van akkervogels; • Openingen in de omheining, waardoor het plangebied toegankelijk blijft voor kleine (zoog)dieren; • Plaatsen informatievoorziening voor bewoners/toeristen; • Onderhoud: • Gezaaide stroken 1-2 keer per jaar; • Struweel snoeien circa eens per 3-5 jaar; • Eventueel extra inzaaien na 3-5 jaar indien natuurlijke begroeiing marginaal is.

3 Statkraft (2020) – Concept-Inrichtingsplan Zonnepark Schootsedijk Sint-Oedenrode – 09 april 2020.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

16 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

6

CONCLUSIE

Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is een AERIUS-berekening noodzakelijk, omdat met de ingreep effecten als gevolg van emissies van stikstof op voorhand niet zijn uitgesloten. Soortbescherming Afhankelijk van de definitieve inrichting is mogelijk in het kader van de soortbescherming nader onderzoek noodzakelijk. Indien de ingezaaide strook verdwijnt is onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en het leefgebied van kleine marterachtigen noodzakelijk. In het kader van de Wnb zijn geen vervolgstappen noodzakelijk, indien tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de mitigerende en zorgplichtmaatregelen. Natuurnetwerk Brabant Door de voorgenomen plannen zijn effecten op het Natuurnetwerk Brabant uitgesloten op basis van de ligging en de vastgestelde doelen van het Natuurnetwerk Brabant. Hierdoor zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Kansen voor natuur Natuurvriendelijke inrichting van het plangebied biedt verschillende kansen voor het versterken van de natuurwaarden in en rondom het plangebied. Verschillende soortengroepen komen al voor of zijn te verwachten vanuit de omgeving. Belangrijkste factor hierin is het versterken van de leefgebieden van akkeren struweelvogels. Andere soortgroepen zoals amfibieën, insecten en zoogdieren liften mee met deze maatregelen.

Als laatst leidt een natuurlijker aanzicht tot een hogere belevingswaarde van het gebied voor zowel bewoners als toeristen.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

17 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

BIJLAGE A WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING Gebiedsbescherming Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.

Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied- de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking4.

Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden).

4 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

18 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Soortbescherming Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven. De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3).

Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • • •

Soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1). Soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2). Andere soorten (Wnb paragraaf 3.3).

Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • •

bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5)

Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c).

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

19 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Verbodsbepalingen Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b).

Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. Een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. b. Een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw. c. Een bestendig gebruik. d. Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 24; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het bevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. De provincie Noord-Brabant heeft een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten (voor enkele soorten geldt de vrijstelling enkel in een specifieke periode): • • • • • • • • • • •

Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker (of bastaardkikker) Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis

Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

• • • • • • • • • • •

Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wild zwijn Woelrat

20 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1.

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van:(art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of in het algemeen belang. Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

21 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

BIJLAGE B WETTELIJK KADER NNN Paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant Artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. 2. Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. 3. Als de inrichting en beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een bestemmingsplan vast overeenkomstig het eerste lid. Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant 1.

In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 Compensatie. 2. Op de overdraai van de wieken van een windturbine die buiten het Natuur Netwerk Brabant staat, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. Artikel 3.17 Afwijkende regels ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant kan een ontwikkeling toelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor: a. nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig artikel 3.18; b. het nee, tenzij-principe, overeenkomstig artikel 3.19; c. de saldo-benadering, overeenkomstig artikel 3.20; d. een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig artikel 3.21. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op Natura 2000-gebied. Artikel 3.18 Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant 1.

Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. 2. Een bestemmingsplan kan bepalen dat ontwikkelingen binnen een omheind militair terrein zijn toegestaan als negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel als mogelijk worden beperkt en er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie. 3. Een bestemmingsplan kan bepalen dat nieuwvestiging is toegestaan als: a. het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door Stedelijk gebied loopt; b. de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. Artikel 3.19 Toepassing van het Nee, tenzij-principe 1. Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan het nee, tenzij-principe, bevat een onderbouwing dat: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant; Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

22 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

c. er geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen; d. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt; e. er bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; f. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. 2. Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat: a. gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten; b. een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen; c. tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen. 3. Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek. Artikel 3.20 Toepassing van de saldobenadering 1. Bij de saldobenadering is er sprake van een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel. 2.

Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan de saldo-benadering, bevat een visie die de ontwikkelingen binnen het betrokken gebied in samenhang beziet en die tot doel heeft een grotere kwaliteitswinst voor meerdere functies, waaronder de natuur, te bereiken. 3. De visie beschrijft in ieder geval: a. de omvang van het gebied; b. de doelen voor de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant waardoor een beter functioneren van het Natuur Netwerk Brabant ontstaat; c. er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; d. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. 4. Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek. Artikel 3.21 Kleinschalige herbegrenzing 1. Een bestemmingsplan kan een ontwikkeling binnen Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat: a. de aantasting van areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is; b. de ontwikkeling slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant; c. de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel; d.

er een afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden; e. er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing; f. er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; g. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. 2. Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek. Artikel 3.22 Compensatie 1. De verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door: 1. fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 3.23; 2. financiële compensatie, overeenkomstig artikel 3.24. 2. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling: a. natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag; b. tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak; c. tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak; Onze referentie: D10017477:10 - Datum: 22 oktober 2020

23 van 27

QUICKSCAN NATUURWETGEVING

d. bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk; e. bij verstoring van natuur: maatwerk. Artikel 3.23 Fysieke compensatie 1. De fysieke compensatie vindt plaats in: a. de niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant; b. de niet gerealiseerde ecologische verbindingszones. 2. Fysieke compensatie kan ook plaatsvinden in, aansluitend op of nabij het aangetaste gebied als dit deel uitmaakt van de saldobenadering bedoeld in artikel 3.20 Toepassing van de saldobenadering. 3. Een bestemmingsplan waarvoor een compensatieplicht geldt, borgt de uitvoering van de compensatie. 4. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid bevat een verantwoording over: a. de omvang van het netto verlies aan ecologische waarden en kenmerken en op welke locatie dat optreedt; b. de locatie waar en de wijze waarop het netto verlies, genoemd onder a, wordt gecompenseerd; c. de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie; d. de termijn van uitvoering; e. de inhoud en realisatie van de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen; f. het reguliere- en ontwikkelingsbeheer. 5. De uitvoering van de fysieke compensatie wordt binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, bedoeld in het derde lid afgerond. 6.

In aanvulling op het vijfde lid, wordt bij een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, de uitvoering van de compensatie in ieder geval afgerond op het moment dat de aantasting daadwerkelijk start. 7. In afwijking van het vijfde lid kan bij een omvangrijke en zware compensatieverplichting, de uitvoering van de compensatie een termijn van maximaal tien jaar bedragen, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Artikel 3.24 Financiële compensatie 1. De financiële compensatie wordt bepaald op grond van de omvang van de compensatieverplichting overeenkomstig artikel 3.22, tweede lid, en omvat de volgende kostenelementen: a. kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering; b. kosten van de aanschaf van vervangende grond; c. kosten van de basisinrichting; d. kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd. 2. De financiële compensatie wordt uiterlijk zes weken na de vaststelling van het bestemmingsplan gestort in de provinciale compensatievoorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatietaakstelling. Artikel 3.25 Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone strekt tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van: a.

ten minste 50 meter in Stedelijk Gebied en in Verstedelijking Afweegbaar; b. ten minste 25 meter in alle overige gebieden. 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels, om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, die in ieder geval: a. het oprichten van bebouwing beperken; b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken. 3. Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant van overeenkomstige toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=70c9ed0a-be10-4af6-af52-eb5c86d3045b