B30b Advies Commissie M.E.R. over NRD Verbindingsweg N279.pdf
Tekst van het document
Verbindingsweg N279, Meierijstad Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport 25 juli 2019 / projectnummer: 3371
1.
Advies voor de inhoud van het MER De gemeente Meierijstad wil een verbindingsweg aanleggen tussen de N279 en de bedrijventerreinen aan de zuidwestkant van Veghel om te zorgen voor een betere doorstroming van het verkeer tussen het zuidelijk deel van de N279 en de huidige en toekomstige bedrijventerreinen in Veghel-West. Voor het besluit over de nieuwe weg wordt een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeenteraad van Meierijstad heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over de inhoud van het MER.
Essentiele informatie voor het MER De Commissie beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het MER. Dat wil zeggen dat voor het meewegen van het milieubelang in het besluit over het bestemmingsplan het MER in ieder geval onderstaande informatie moet bevatten: •
Een probleemanalyse van het studiegebied: Laat zien wat de concrete problemen zijn en waar en wanneer deze zich voordoen. Geef vervolgens aan tot welke doelstellingen voor verkeer en leefbaarheid deze problemen hebben geleid;
•
Een duidelijke beschrijving van de ontwikkelingen in het gebied: Beschrijf de ontwikkelingen van bedrijventerreinen in Veghel-West en de aanpassing van de N279, de Rembrandtlaan en de kruisingen over De Aa en de Zuid-Willemsvaart (Taylorbrug en nieuwe brug bij Keldonk);
•
De beschrijving van een nulplus-alternatief: geef daarin aan of (relatief) beperkte aanpassing van de infrastructuur de gesignaleerde problemen kunnen oplossen;
•
Inzicht in de effecten op leefomgeving: ga daarbij naast de effecten op lucht en geluid ook in op de effecten op ruimtegebruik, landschap, doorsnijding en barrièrewerking.
Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER. Onderwerpen die in de samenvatting centraal moeten staan, zijn de beschrijving van de verkeers- en leefbaarheidsproblemen, de referentiesituatie, de alternatieven, de toetsing op doelbereik en de weging van de verschillende effecten. Presenteer de alternatieven op duidelijke kaarten van het studiegebied en vergelijk ze met elkaar in een overzichtelijke effectvergelijkingstabel. In de volgende hoofdstukken beschrijft de Commissie in meer detail welke informatie het MER moet bevatten. De Commissie bouwt in haar advies voort op Notitie Reikwijdte en Detailniveau (hierna: notitie R&D).1 Dat wil zeggen dat ze in dit advies niet ingaat op de punten die naar haar mening in deze notitie R&D voldoende aan de orde komen.
1
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (R&D) Milieueffectrapport Verbindingsweg N279 (gemeente Meierijstad, 25 januari 2019).
-1-
consequenties van de PAS-uitspraak Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak gedaan over de Programmatische aanpak stikstofdepositie (PAS). Deze uitspraak kan consequenties hebben voor de Verbindingsweg N279. Uit de uitspraak blijkt dat de algemene vrijstelling voor zeer kleine hoeveelheden stikstofdepositie (<0,05 mol per hectare) niet meer geldig is en dat plannen en projecten die onder de vrijstelling en meldingsplicht vallen opnieuw moeten worden beoordeeld. De Verbindingsweg N279 leidt mogelijk tot een geringe toename van stikstofdepositie op reeds overbelaste Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde gebied ligt weliswaar op 19 kilometer afstand, maar ook toevoegen van een zeer kleine hoeveelheid stikstofdepositie op reeds overbelaste Natura 2000-gebieden kan leiden tot significante gevolgen voor Natura2000 gebieden. Door de uitspraak kan de Passende beoordeling behorende bij de PAS niet meer als toestemmingsbasis dienen voor plannen en projecten. En daarom moet mogelijk ook voor dit plan/project een eigen Passende beoordeling worden opgesteld. Het is aan het bevoegd gezag om binnen de kaders van de natuurbeschermingsregelgeving tot een adequate oplossing te komen. De Commissie gaat hier in paragraaf 4.1 van dit advies verder op in.
Figuur 1: In het MER te onderzoeken alternatieven (bron: notitie R&D, pagina 20)
-2-
Achtergrond De gemeente Meierijstad heeft ervoor gekozen om voor dit infrastructuurproject een m.e.r.-procedure te doorlopen. Met het doorlopen van de m.e.r.-procedure wil de gemeente het milieubelang volwaardig meenemen in de besluitvorming over de nieuwe verbindingsweg. Het college van burgemeester en wethouders is initiatiefnemer in de besluitvormingsprocedure voor het bestemmingsplan. De gemeenteraad is het bevoegd gezag en besluit over het bestemmingsplan. Waarom een advies? De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad - besluit over de nieuwe verbindingsweg. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3371 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
2.
Achtergrond en besluitvorming
2.1
Achtergrond De aanleiding voor het project Verbindingsweg N279 hangt nauw samen met de aanpak van de Provinciale weg N279 Veghel-Asten. In 2017 heeft de provincie Noord-Brabant besloten om het huidige tracé van de N279 op te waarderen en bij Veghel geen omleiding aan te leggen. De gemeente Meierijstad heeft na dit besluit zelfstandig onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid van de huidige en toekomstige bedrijventerreinen in Veghel West en Zuidwest vanaf de N279 vanuit zuidoostelijke richting. De Commissie adviseert de resultaten en uitkomsten van deze onderzoeken samen te vatten in het MER. Geef aan hoe deze de aanleiding/basis vormen voor het verdere onderzoek naar de bereikbaarheid en leefbaarheid van Veghel zoals aangekondigd in de Notitie R&D verbindingsweg N279.
2.2
Probleem- en doelstelling De Commissie adviseert om in de probleemanalyse nadrukkelijk in te gaan op de verkeerstructuur in het studiegebied. Maak daarbij onderscheid tussen het hoofdwegennet en het onderliggend wegennet in de gemeente. Ga daarbij in op de verschillende onderdelen van het wegennet en geef aan welke verkeersproblemen en leefbaarheidsproblemen daar spelen. Ga daarbij in ieder geval in op: •
het deelgebied bij de Rembrandtlaan, de aansluiting op de N279 en de Taylorbrug over het kanaal;
•
de ontsluiting van het bedrijventerrein Veghel-West, de aansluiting op de A50 en het verkeer op de Corridor richting de N279;
•
het (sluip)verkeer door Zijtaart en de wegenstructuur ten zuiden van het kanaal en de aansluiting op de brug bij Keldonk;
-3-
•
de maatregelen die benoemd zijn aan de hand van de ‘Zevensprong van Verdaas’2 (ook wel mobiliteitsladder genoemd) en hoe deze maatregelen zich verhouden tot de aanleg van een nieuwe verbindingsweg.
Beschrijf de probleemstelling vanuit bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid en geef aan hoe de doelstellingen van het project hieruit zijn afgeleid. Maak in het MER duidelijk wat de concrete problemen zijn en waar en wanneer deze zich voordoen. Maak hierbij gebruik van de inzichten uit de studies die zijn uitgevoerd door de provincie voor de N279 Veghel – Asten en de studies die daarna door de gemeente zelf zijn uitgevoerd. Geef aan tot welke doelstellingen de gesignaleerde problemen hebben geleid, en werk deze doelstellingen in het MER verder uit. Dit is nodig om in het MER te kunnen beoordelen of de verschillende alternatieven aan de (project-)doelstellingen voldoen. Werk de doelstelling leefbaarheid verder uit en geef aan welke aspecten hierbij worden meegenomen. Ga daarbij naast de gebruikelijke onderwerpen ook in op versnippering, barrièrewerking, en beleving van natuur en landschap.
2.3
Beleidskader Geef in het MER aan welke wet- en regelgeving en welk beleid relevant is voor het bestemmingsplan en of het voornemen kan voldoen aan de randvoorwaarden die hieruit voortkomen.
Te nemen besluit(en) De m.e.r.-procedure wordt doorlopen voor het bestemmingsplan waarin het voorkeursalternatief wordt vastgelegd. Daarnaast zullen andere besluiten worden genomen voor de realisatie van het voornemen. Geef aan welke besluiten dit zijn, wie daarvoor het bevoegde gezag is en wat globaal de tijdsplanning is.
3.
Voorgenomen activiteit en alternatieven
3.1
Algemeen Hoofdstuk 3 van de notitie R&D geeft een helder overzicht van de verschillende alternatieven en varianten. Na een analyse van de voor- en nadelen van de alternatieven is een selectie gemaakt van de alternatieven die in het MER zullen worden onderzocht. De Commissie adviseert om in het MER duidelijk aan te geven welke alternatieven en varianten in het selectieproces voorafgaand aan de notitie R&D zijn afgevallen en welke overwegingen daarbij hebben gespeeld.
3.2
Alternatieven De notitie R&D beschrijft de twee alternatieven die in het MER worden onderzocht. Het betreft een alternatief met een tracé parallel aan het kanaal en een alternatief ten westen van Zijtaart. Beide alternatieven sluiten aan op N279 bij de nieuwe aansluiting bij Keldonk. De nieuwe verbindingsweg moet op het bedrijventerrein Veghel-West aansluiten op de Corsica.
2
Zie toelichting op pagina 8 van de notitie R&D.
-4-
De Commissie adviseert om in het MER de ligging van de alternatieven en de verschillende varianten gedetailleerder uit te werken. Presenteer de alternatieven op duidelijke topografische kaarten en geef - als daarvan sprake is - aan waar woningen en natuur moeten wijken voor de aanleg van nieuwe infrastructuur.
3.3
Beschrijving van de referentiesituatie Beschrijf de bestaande toestand van het milieu in het studiegebied en de te verwachten milieutoestand als gevolg van de autonome ontwikkeling. De beschrijving van de bestaande huidige toestand van het milieu en de autonome ontwikkeling kan worden gebruikt als referentiesituatie. Gebruik deze referentie voor de beschrijving van de te verwachten milieueffecten. Onder de 'autonome ontwikkeling' wordt verstaan: de toekomstige ontwikkeling van het studiegebied zonder dat de voorgenomen activiteit wordt gerealiseerd. De Commissie adviseert om in het MER duidelijk aan te geven welke ontwikkelingen tot de autonome ontwikkeling behoren. Ga daarbij in op: •
de infrastructurele ontwikkelingen van de N279 tussen Veghel en Asten en de aansluiting bij Keldonk. De huidige brug bij Keldonk over de Zuid-Willemsvaart zal worden afgesloten en ongeveer 100 meter ten noordwesten zal, ter hoogte van de nieuwe aansluiting, een nieuwe (bredere en hogere) brug over het kanaal worden aangelegd;
•
de ontwikkeling van het verkeer op het huidige wegennet vanaf Keldonk en langs/door Zijtaart richting Verghel-West (en andersom);
•
de aanpassing van de Rembrandtlaan bij de aansluiting op de N279 en de bruggen over De Aa en de Zuid-Willemsvaart
•
de ruimtelijke ontwikkelingen op het bedrijventerrein Veghel-West en in het bijzonder het nieuwe bedrijventerrein Foodpark.
3.4
Nulplus-alternatief De Commissie adviseert om naast de twee alternatieven uit de notitie R&D ook de mogelijkheid van een zogenaamd nulplus-alternatief te onderzoeken. Dit onderzoek laat zien of relatief beperkte ingrepen in de infrastructuur de bestaande problemen kunnen oplossen. Als dat niet mogelijk is, geeft het onderzoek ook antwoord op de vraag waarom een grotere ingreep noodzakelijk is. Ga in dit nulplus-alternatief zoveel mogelijk uit van de bestaande infrastructuur en ligging van de wegen. Geef aan waar maatregelen (aanvullend op maatregelen waarover reeds is besloten) moeten worden getroffen om de verkeersproblemen op te lossen. De Commissie denkt daarbij aan een verbetering van de aansluiting op de bestaande N279, de aanpassing van de aansluiting op de Rembrandtlaan / Corridor, de verbetering en/of verbreding van de Taylorbrug, de aanpassing van de Corridor, inclusief bestaande kruispunten en rotondes en maatregelen op het onderliggend wegennet. Daarnaast adviseert de Commissie om na te gaan welke maatregelen kunnen worden genomen om oneigenlijk gebruik van het onderliggend wegennet (sluipverkeer) tussen Keldonk en Veghel-West te voorkomen. Verken de mogelijkheden van dit alternatief. Als dit alternatief kansrijk blijkt, werk het dan gelijkwaardig uit aan de andere alternatieven en betrek het in het onderzoek naar doelbereik en effecten.
-5-
4.
Bestaande milieusituatie en milieugevolgen
4.1
Inleiding De Commissie merkt op dat beschrijving van de te onderzoeken effecten in de notitie R&D al goed is uitgewerkt. De gemeente geeft aan waar mogelijk en relevant aan te sluiten bij het beoordelingskader van de provinciale studie naar de N279 Veghel-Asten. De Commissie adviseert daarbij ook na te gaan of en hoe gebruik kan worden gemaakt van de gegevens uit deze studie. Aanvullend op de uitwerking van het beoordelingskader geeft de Commissie nog een aantal specifieke aandachtspunten mee voor de beschrijving van de effecten op natuur en duurzaamheid. Voor het onderzoek naar de effecten op de leefomgeving adviseert zij het aspect lichthinder ook te onderzoeken.3 Het detailniveau van de milieueffectschattingen moet zodanig zijn dat keuzes tussen alternatieven en conclusies, bijvoorbeeld ten aanzien van het kunnen voldoen aan wettelijke eisen, afdoende kunnen worden onderbouwd. Geef aan welke aannames zijn gedaan bij de effectbepaling, welke onzekerheden in de effectbepaling een rol spelen en hoe groot deze onzekerheden bij benadering zijn. Beschrijf welke terugvalopties (maatregelen ‘achter de hand’) beschikbaar zijn, mochten de effecten na realisatie groter zijn dan waar van tevoren van uitgegaan is.
Effecten tijdens de aanleg Naast de effecten van het voornemen in de gebruiksfase adviseert de Commissie ook in te gaan op de effecten tijdens de aanlegfase. Daarbij moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan hinder tijdens de bouw en (tijdelijke) effecten van omleidingsroutes van verkeer.
4.2
Natuur Natuurwaarden algemeen Om de noodzakelijke informatie voor natuur in het MER op te nemen, is het belangrijk om eerst een globale omgevingsanalyse van het studiegebied te maken.4 Dit geeft een algemeen beeld van de natuurwaarden, de verschillende habitats, de aanwezige soortgroepen en hun onderlinge relaties in het studiegebied. Geef de waardevolle gebiedsdelen op kaart aan. Geef vervolgens aan welke kenmerkende habitats en soorten aanwezig zijn. Beschrijf de autonome ontwikkeling van de natuur in het gebied. Geef aan voor welke dieren en planten aanzienlijke gevolgen te verwachten zijn, wat de aard van de gevolgen is en wat deze gevolgen voor de populaties betekenen. Beschrijf mitigerende en/of compenserende maatregelen die eventuele aantasting kunnen beperken of voorkomen.
3
Zie ook de zienswijzen die hierop ingaan. Tijdens het locatiebezoek van de Commissie m.e.r. op 24 juni aan het plan- en studiegebied heeft de gemeente ook aangegeven bij de ontwerpen ook al rekening te houden met lichthinder veroorzaakt door voertuigen.
4
Als basis kan daarbij de informatie uit het MER rond de N279 Veghel-Asten worden gebruikt, aangevuld met specifieke gegevens uit gebied zoals ook in de zienswijzen wordt aangegeven.
-6-
Natuur netwerk Brabant Beschrijf voor het aanwezige NNB-gebied (verspreide NNB-gebieden rond Zijtaart en langs het kanaal) de daarvoor geldende ‘wezenlijke kenmerken en waarden’. Onderzoek welke gevolgen het initiatief op deze actuele en potentiële kenmerken en waarden heeft. Voor het NNB geldt een ‘nee-tenzij’-regime, licht dit in het MER nader toe. Breng ook aanwezige ecologische verbindingszones in beeld. Geef in het MER aan in hoeverre deze wezenlijke kenmerken van de gebieden worden aangetast of vernietigd. Ga specifiek in op de gevolgen van areaalverlies, fysieke doorsnijding/barrièrewerking en verstoring. Beschrijf bij eventuele gevolgen welke mitigerende en compenserende maatregelen genomen kunnen worden.
Beschermde soorten Beschrijf welke door de Wet natuurbescherming beschermde soorten te verwachten zijn in het plangebied, waar zij voorkomen en welk beschermingsregime voor de betreffende soort geldt.5 Ga in op de mogelijke gevolgen van het voornemen voor deze beschermde soorten en bepaal of verbodsbepalingen overtreden kunnen worden, zoals het verbod op het verstoren van een vaste rust- of verblijfplaats. Geef indien verbodsbepalingen overtreden kunnen worden aan of en in hoeverre de staat van instandhouding van de betreffende soort verslechtert. Beschrijf mogelijke en/of nodige mitigerende en/of compenserende maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verminderen.
Passende beoordeling nodig voor project Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Daaruit blijkt dat de Passende beoordeling bij het PAS niet als toestemmingsbasis kan dienen voor plannen en projecten die leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden met instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige soorten en habitattypen. Dit betekent dat voor dit project een eigen Passende beoordeling moet worden opgesteld, indien significante gevolgen als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden. In deze Passende beoordeling moet worden beoordeeld of aantasting van natuurlijke kenmerken kan worden uitsloten. De Commissie adviseert daarin een alternatief uit te werken dat past binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Daarin kunnen maatregelen worden opgenomen om effecten op Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het is, in het licht van bovengenoemde uitspraak, op dit moment niet duidelijk welk type mitigerende maatregelen kunnen worden meegenomen: •
Brongerichte maatregelen zijn waarschijnlijk onder omstandigheden nog toegestaan. Let op: autonome ontwikkelingen, zoals het voldoen aan geldende wet- en regelgeving, mogen hierbij niet worden meegenomen.6 o
Intern salderen met brongerichte maatregelen. Salderen binnen het voornemen is waarschijnlijk nog toegestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het nemen van extra bronmaatregelen binnen een bedrijf of het uit productie nemen van landbouwgrond ten behoeve van het plan.
5
In de zienswijzen (onder andere de zienswijze van Rijkswaterstaat) wordt aandacht gevraagd voor kerkuil en das en de effecten op de ecologische functie van de natuurontwikkelingszone langs de Zuid-Willemsvaart.
6
Een oude stal moet bijvoorbeeld eerst worden gecorrigeerd om aan de nieuwste emissie-eisen te voldoen, pas daarna mogen eventueel extra stalmaatregelen genomen worden om ontwikkelruimte te genereren.
-7-
o
Extern salderen7 met brongerichte maatregelen. Salderen met een bron elders is nu weer toegestaan buiten het PAS om. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het inzetten van ruimte van stoppende bedrijven (veehouderijen) of het verplaatsen van een bedrijfslocatie.
•
Gebiedsgerichte maatregelen. Het nemen van gebiedsgerichte maatregelen is waarschijnlijk niet toegestaan. Denk hierbij aan maatregelen zoals plaggen. Het is namelijk in de praktijk niet mogelijk de wetenschappelijke zekerheid te krijgen dat deze maatregelen tijdig effectief zijn.
•
Aerius. Het gebruik van Aerius voor het berekenen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is niet meer verplicht maar nog wel mogelijk. Let op dat voor korte afstanden tot de bron de toepassing van Aerius minder geschikt is (uitspraak Raad van State). De Commissie adviseert gebruik te maken van de nieuwste versie van Aerius.8
•
Emissiefactoren. Voor het bepalen van de omvang van de emissie als gevolg van bepaalde emissiearme stalsystemen kan (indien voor dit project relevant) niet worden uitgegaan van de emissiefactoren van de Regeling ammoniak en veehouderij. Hierdoor worden de effecten te laag berekend.
De Commissie merkt op dat op grond van de PAS-uitspraak (nog) niet duidelijk is welke maatregelen kunnen worden gezien als mitigerende maatregel en welke maatregelen moeten worden aangemerkt als Instandhoudingsmaatregel of Passende maatregel. Indien deze maatregelen als Instandhoudingsmaatregel of Passende maatregel worden aangemerkt kunnen ze niet meer als mitigerende maatregel voor het plan worden ingezet. De Commissie adviseert hier rekening mee te houden in de besluitvorming.
4.3
Duurzaamheid, klimaat en circulariteit De notitie R&D wekt de indruk dat de aanleg en het gebruik van de weg CO2-neutraal zal zijn, waarbij de CO2-emissie van het verkeer mee wordt genomen. Deze hoge ambitie is te prijzen, maar zou gezien haar verstrekkendheid meer aandacht moeten krijgen. Laat in het MER zien in hoeverre deze doelstelling gehaald zou kunnen worden, en wat het betekent als dat niet lukt. Bij duurzaamheid wordt een stevige doelstelling voor materialen en afval uitgesproken. Het doel op de korte termijn is dat al het afval dat ontstaat nuttig wordt gebruikt. Geef hierbij ook aandacht aan de hoogwaardigheid van hergebruik. Voor de langere termijn is het doel om de weg zo te maken dat hergebruik in de toekomst mogelijk is. Neem dit hergebruik in de toekomst als een apart onderdeel mee, omdat dit veel onzekerder is dan hergebruik nu. Houd er bij de CO2-berekening van hergebruik nu ook rekening mee dat hergebruik in de toekomst misschien niet meer gewenst of mogelijk is. Daarnaast adviseert de Commissie de verschillen in CO2-emissies tussen de alternatieven/varianten ook te bereken en te presenteren in het MER.
7
Het verbod op extern salderen is onverbindend verklaard. Er kan extern worden gesaldeerd met een bedrijf dat: op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie veroorzaakte maar daarna wel, of op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-gebied staat.
8
Binnenkort komt een versie van Aerius uit waarin de afronding op 0,05 (grenswaarde meldingsplicht) uit het PAS is verwijderd, waardoor ook kleinere deposities worden bepaald.
-8-
5.
Overige aspecten
5.1
Vergelijking van alternatieven De milieueffecten van de alternatieven moeten onderling én met de referentiesituatie worden vergeleken. Doel van de vergelijking is inzicht te geven in de aard en mate waarin de alternatieven andere effecten veroorzaken. Vergelijk bij voorkeur op grond van kwantitatieve informatie en betrek daarbij de doelstellingen en de grens- en streefwaarden van het milieubeleid. Geef daarnaast voor ieder van de alternatieven aan in welke mate de gestelde doelen kunnen worden gerealiseerd. Gebruik ook hiervoor eenduidige en, zo veel als mogelijk, kwantificeerbare toetsingscriteria.
5.2
Leemten in milieu-informatie Het MER moet aangeven over welke milieuaspecten onvoldoende informatie kan worden opgenomen door gebrek aan gegevens. Spits dit toe op milieuaspecten die in verdere besluitvorming een belangrijke rol spelen, zodat de consequenties van het tekort beoordeeld kunnen worden. Geef ook aan of dat wat ontbreekt op korte termijn kan worden ingevuld.
5.3
Omgaan met onzekerheden en maatregelen achter de hand Houd bij de vergelijking van de alternatieven en bij de toetsing van de alternatieven aan (project-) doelen en wettelijke grenswaarden expliciet rekening met de onzekerheden in effectbepalingen. Geef daarvoor in het MER inzicht in: •
de waarschijnlijkheid dat effecten optreden, d.w.z. het realiteitsgehalte van de verschillende effectscenario’s (best-case en worst-case);
•
het belang van de onzekerheden in effectbepalingen voor de significantie van verschillen tussen alternatieven, en daarmee voor de vergelijking van alternatieven;
•
op welke wijze en wanneer na realisering van het initiatief de daadwerkelijke effecten geëvalueerd worden, bijvoorbeeld via een oplevertoets, en welke maatregelen ‘achter de hand’ beschikbaar zijn als (project-)doelen en grenswaarden in de praktijk niet gehaald worden.
5.4
Vorm en presentatie Bijzondere aandacht verdient de presentatie van de vergelijkende beoordeling van de alternatieven. Presenteer de vergelijking bij voorkeur met behulp van tabellen, figuren en kaarten. Zorg ervoor dat: •
het MER zo beknopt mogelijk is, onder andere door achtergrondgegevens niet in de hoofdtekst zelf te vermelden, maar in een bijlage op te nemen;
•
een verklarende woordenlijst, een lijst van gebruikte afkortingen en een literatuurlijst zijn opgenomen;
•
recent, goed leesbaar kaartmateriaal is gebruikt, met duidelijke legenda.
-9-
5.5
Samenvatting van het MER De samenvatting is het deel van het MER dat vooral wordt gelezen door besluitvormers en insprekers en het verdient daarom bijzondere aandacht. Het moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER. Daarbij moeten de belangrijkste zaken zijn weergegeven, zoals: •
de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor;
•
de belangrijkste effecten voor het milieu bij het uitvoeren van de voorgenomen activiteit en de alternatieven, de onzekerheden en leemten in kennis die daarbij aan de orde zijn;
•
de vergelijking van de alternatieven en de argumenten voor de selectie van het voorkeursalternatief.
-10-
BIJLAGE 1: Projectgegevens Advies van de Commissie over het op te stellen MER De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep geeft aan welke onderwerpen naar zijn mening moeten worden behandeld in het MER en met welke diepgang. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ing. Eugène de Beer ir. Geert Bergsma dr. Henk Everts ing. Peter Kroeze dr. Kees Linse (voorzitter) drs. Roel Meeuwsen (secretaris) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport wordt opgesteld Bestemmingsplan Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit van de aanleg van een nieuwe weg de gemeente heeft op vrijwillige basis gekozen voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een MER.
Bevoegd gezag besluit en m.e.r.-procedure Gemeenteraad van Meierijstad Initiatiefnemer besluit College van burgemeester en wethouders van Meierijstad Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 7 mei 2019 heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft gebruikt? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3371 in te vullen in het zoekvak.