B2c Bijlage 2 - Volledige rapport - SKIP 2022.pdf
Tekst van het document
Monitor regioproject
‘Drugs, wat doet ’SKIP' het met jou?’
Boukje Dijkstra Mieke van Duijnhoven Linda van Tilburg Gemma Smulders Daniëlle Ketelaars
Resultaten monitor 2021 - determinanten en normalisering van drugsgebruik
Inhoud
Projectgegevens Opdrachtgever Lieke Vogels en Danielle van Pareren, projectleiders van het regioproject drugs ‘SKIP’. Projectgroep Boukje Dijkstra, Novadic-Kentron verslavingszorg, voorzitter/coördinator Mieke van Duijnhoven, GGD Brabant-Zuidoost, projectlid Linda van Tilburg, GGD Hart voor Brabant, projectlid Gemma Smulders, GGD Hart voor Brabant, projectlid Daniëlle Ketelaars, Novadic-Kentron verslavingszorg, projectlid Financiering Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Uitvoering GGD Brabant-Zuidoost GGD Hart voor Brabant Novadic-Kentron 32 gemeenten in Oost-Brabant Duur van de monitor Start: januari 2021 - maart 2024 Dataverzameling: oktober 2021 - december 2021 Dataverwerking en rapportage: januari 2022 - juni 2022
Inhoud
3
1. Inleiding
4
1.1 Achtergrond 1.2 Regioproject ‘SKIP’ 1.3 Leeswijzer
4 6 6
2. Methode
7
2.1 Doelgroep 2.2 Monitor 2.3 Procedure werving 2.4 Verwerking vragenlijst 2.5 Gebruikte indelingen in dit rapport 2.6 Analyses 2.7 Interpretatie van de resultaten
7 7 7 8 8 8 8
3. Respondenten
9
3.1 Respons 3.2 Leeftijd en geslacht 3.3 Woonsituatie 3.4 Opleiding en werk 3.5 Subjectieve etniciteit 3.6 Vrijetijdsbesteding 3.7 Werving 3.8 Gebruik
9 9 9 9 10 10 10 12
4. Determinanten van drugsgebruik
14
4.1 Attitude 4.1.1 Attitude ten aanzien van drugsgebruik 4.1.2 Uitkomstverwachtingen 4.1.3 Redenen om geen drugs te gebruiken 4.2 Sociale invloed 4.2.1 Ouders 4.2.2 Vrienden 4.2.3 Leeftijdsgenoten 4.3 Eigen effectiviteit 4.4 Intentie om drugs te gebruiken 4.5 Samenvatting
14 14 15 18 19 19 20 22 22 22 24
5. Normalisering
25
5.1 Vijf dimensies van normalisering 5.1.1 Recent en regelmatig gebruik 5.1.2 Toegang en beschikbaarheid 5.1.3 Uitproberen / experimenteren 5.1.4 Sociale accommodatie van drugsgebruik 5.1.5 Culturele accommodatie van drugsgebruik 5.2 Hoe normaal vinden jongvolwassenen het gebruik van drugs? 5.2.1 Hoe normaal wordt drugsgebruik gevonden: uitgesplitst naar middel 5.2.2 Hoe normaal wordt drugsgebruik gevonden: uitgesplitst naar setting 5.2.3 Hoe normaal wordt drugsgebruik gevonden: uitgesplitst naar subgroepen 5.3 Samenvatting 5.3.1 Vijf dimensies 5.3.2 Hoe normaal vinden jongvolwassenen drugsgebruik?
25 25 26 27 28 29
6. Discussie en conclusies
37
6.1 Beschrijving doelgroep in relatie tot drugsgebruik 6.2 Is het gebruik van drugs genormaliseerd? 6.3 Aanbevelingen voor preventie
37 38 38
7. Bronnen
40
Bijlage 1 - Toelichting representativiteit respondenten Trippen of Skippen
41
Bijlage 2 - Tabellen drugsgebruik
43
30 30 32 32 35 35 35
Klankbordgroep Jacqueline Vink (RU) Martha de Jonge (Trimbos-instituut) Karin Monshouwer (Trimbos-instituut) Hans Dupont (Mondriaan) Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
3
1. Inleiding
dienen te worden gemaakt over wat er uitgevraagd kan worden. Als gevolg hiervan is het monitoren van determinanten ten aanzien van middelengebruik in Nederland beperkt. Uit de literatuur kan geconcludeerd worden dat het zinvol is om psychosociale aspecten in relatie tot middelengebruik in kaart te brengen. De belangrijkste gedragsdeterminanten die middelengebruik verklaren zijn intentie, attitude, sociale invloed, eigen effectiviteit, vaardigheden (zoals zelfregulatie) en persoonlijkheidskenmerken. Er zijn veel verschillende modellen die gedrag verklaren, maar doordat studies zich vaak richten op een beperkt aantal determinanten is niet vast te stellen welke determinant(en) de sterkste voorspellers zijn. Ook kunnen er culturele en regionale verschillen zijn.
Normalisatie De beleving van de bevolking en professionals in OostBrabant is dat drugsgebruik normaler wordt gevonden dan vroeger. De aanname is dat door deze normalisering van drugs het gebruik toeneemt, net als de problematiek
die hiermee samenhangt, zoals criminaliteit, veiligheid, ondermijning en een toenemende zorgvraag. Het begrip normalisering is echter een breed begrip en valt niet eenduidig te definiëren. Er zijn verschillende opvattingen over de betekenis en definitie van normalisering. Oorspronkelijk werd het als wenselijke situatie geschetst om stigma te voorkomen en de toegang tot preventie eenvoudiger te maken. Tegenwoordig krijgt het begrip een meer negatieve lading als verklaring voor mogelijk toegenomen gebruik en maatschappelijke problemen rondom drugsgebruik, terwijl normalisering ook een gevolg kan zijn van toenemend drugsgebruik. Ook zijn de meningen verdeeld over het al dan niet plaatsvinden van normalisering van drugsgebruik. Puur op basis van het feitelijke gebruik lijkt in elk geval geen conclusie te kunnen worden getrokken. Door Parker e.a. (2002) zijn criteria geformuleerd (zie kader 1) om de mate van normalisering te meten: toegang en beschikbaarheid, uitproberen en experimenteren, recent en regelmatig middelengebruik, sociale accommodatie van middelengebruik en culturele accommodatie van middelengebruik.
Vijf dimensies normalisering (parker, williams, & aldridge, 2002) 1. Toegang en beschikbaarheid De beschikbaarheid van drugs vormt een voorwaarde voor het kunnen ontstaan van normalisering van drugsgebruik. Ook de prijzen van verschillende drugssoorten spelen een rol; de toegang tot goedkopere middelen is gemakkelijker, waardoor deze eerder zullen normaliseren dan de duurdere middelen.
1.1 Achtergrond Drugsgebruik Drugsgebruik gaat gepaard met risico’s, zoals de kans op gezondheidsklachten op korte en lange termijn en verslaving (Van Laar, et al., 2021). Naast de invloed op het individu heeft drugsgebruik ook veel maatschappelijke gevolgen. Denk bijvoorbeeld aan (huiselijk) geweld, overlast, verkeersongevallen (Van Laar, et al., 2021, Goossens, 2012) en het dumpen van drugsafval (Van Laar, et al., 2021). Uit recent literatuuronderzoek (Dijkstra, et al., 2021) uitgevoerd in het kader van het regioproject ‘SKIP’ in Oost-Brabant blijkt dat het drugsgebruik vooral hoog is onder jongvolwassenen en dan met name onder jongvolwassenen die uitgaan. Het drugsgebruik neemt in de tienerjaren toe met de leeftijd. Jongvolwassenen gebruiken voornamelijk cannabis, lachgas en xtc. De prevalentie xtc-gebruikers, cocaïne- en amfetamine-gebruikers ligt in Nederland ruim boven het Europees gemiddelde (Van Laar, et al., 2020). De coronacrisis heeft een uitwerking op het drugsgebruik die zich op verschillende manieren manifesteert. Het wegvallen van het uitgaansleven is in sommige 4
gevallen een reden om vaker drugs te gebruiken en/of te experimenteren met nieuwe of andere drugs door verveling of als uitlaatklep. In andere gevallen is het een reden om het gebruik te verminderen. Over het algemeen is er een verschuiving te zien in gebruik naar andere locaties en in gebruik van andere drugs, al is hiervan niet helemaal te herleiden of dit daadwerkelijk door de coronacrisis komt of door andere redenen (Bilderbeek & Spronk, 2021).
Monitoren van drugsgebruik Bij het monitoren van drugsgebruik valt op dat vaak gekozen wordt om een selecte groep te monitoren, bijvoorbeeld in een bepaalde setting of leeftijdsgroep. Zo zijn gegevens over drugsgebruik in Oost-Brabant alleen beschikbaar voor 12- tot en met 18-jarigen. Deze keuze hangt mede samen met de vraag die een monitor beoogt te beantwoorden, maar ook met uitvoerbaarheid. Er komt veel kijken bij het uitvoeren van een monitor en keuzes Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
2. Uitproberen/experimenteren Hoe gebruikelijk is het om verschillende drugssoorten uit te proberen? De ‘ooit-prevalentie’ is indicatief voor de mate van uitproberen van bepaalde middelen. 3. Recent en regelmatig middelengebruik In welke mate wordt er door gebruikers op regelmatige basis drugs gebruikt en in hoeverre is dit veranderd in de loop der tijd? Recent en regelmatig drugsgebruik kan bijvoorbeeld worden gemeten door middel van de ‘laatste-maandprevalentie’. 4. Sociale accommodatie van middelengebruik Hierbij gaat het om de attitude van met name niet-gebruikers ten aanzien van recreatief drugsgebruik. In welke mate denken zij bijvoorbeeld dat drugsgebruik voorkomt en in hoeverre wordt het geaccepteerd door hun omgeving? Onderzoek wijst uit dat jongeren de prevalentiecijfers rondom drugsgebruik vaak sterk overschatten. Bovendien geldt er een samenhang tussen de 'sociale norm' die men hanteert en het eigen gebruik (Lombaert, 2010). 5. Culturele accommodatie van middelengebruik Normen worden mede bepaald door de frequentie en wijze waarop middelengebruik wordt neergezet in de reguliere media. Vaak wordt in bijvoorbeeld films en muziek openlijk en niet afwijzend gesproken over het gebruik van drugs, wat kan bijdragen aan het ontstaan van een norm waarin drugsgebruik normaal wordt gevonden.
Volgens Taylor (2000) is het zelfs deze culturele representatie van drugsgebruik die ten grondslag ligt aan de normalisering ervan.
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
5
Tegenwoordig wordt ook wel gesproken van ‘gedifferentieerde normalisering’. Het lijkt bijvoorbeeld aannemelijk dat bij bepaalde subgroepen jongeren, typen drugs, reden van gebruik, en settings waarin drugs worden gebruikt, normalisering meer plaatsvindt dan gemiddeld en dat het begrip niet te generaliseren is naar de algemene populatie jongeren.
interventies, en om het verloop van (de-)normalisatie op lange termijn te kunnen volgen. De monitor richt zich op de relatie van drugsgebruik en determinanten en brengt in kaart hoe het staat met de huidige normalisatie van drugs. Als voorbereiding op de monitor is een inventarisatie van literatuur en overige bronnen, zoals voorgaande monitors, uitgevoerd (Dijkstra e.a., 2021).
Verschillende factoren die relevant zijn voor het ‘vaststellen’ van normalisering overlappen met de determinanten van middelengebruik. Met name attitudes ten aanzien van drugsgebruik en de perceptie van normen komen zowel bij de determinanten als bij de normaliseringsvraag naar voren. Opgemerkt dient te worden dat de genoemde criteria door Parker e.a. enerzijds kunnen bijdragen aan het ontstaan van normalisering, maar anderzijds ook een indicatie zijn voor het plaatsvinden van normalisering. Op basis van de bestaande literatuur is er geen oorzakelijke relatie vast te stellen. Het is waarschijnlijk dat het een circulair proces is waarbij wederzijdse beïnvloeding plaatsvindt.
1.3 Leeswijzer
1.2 Regioproject ‘SKIP’ Op 1 september 2020 is het regioproject ‘SKIP’ in uitvoering gegaan. In dit project werken 32 gemeenten in de regio Oost-Brabant, GGD Hart voor Brabant, GGD Brabant-Zuidoost en Novadic-Kentron samen om de (veronderstelde) normalisering van drugsgebruik in de regio tegen te gaan. Het project heeft op korte termijn de doelstelling om met elkaar in gesprek te gaan over denormalisering van drugs. De doelstelling op lange termijn is het tegengaan van de gevolgen van de veronderstelde normalisering van drugsgebruik (‘use reduction’) onder inwoners in de gehele regio Oost-Brabant, door het stellen en versterken van de norm dat het gebruik van drugs niet normaal is (denormalisering). De doelgroep van het project zijn jongeren en jongvolwassenen tussen 16 en 27 jaar. Om drugsgebruik te verminderen is het van belang om meer zicht te krijgen op de factoren die het huidige drugsgebruik beïnvloeden. Op dit moment is de monitoring van determinanten van middelengebruik in Nederland nog niet optimaal. Peters (2019) adviseert daarom onder de algemene bevolking terugkerend onderzoek te doen waarbij een aantal psychologische aspecten in relatie tot middelengebruik in kaart worden gebracht. Als onderdeel van het project heeft de stuurgroep daarom besloten om periodiek een monitor uit te voeren.
De monitor wordt gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) en heeft als doel input te leveren voor de ontwikkeling van interventies om drugsgebruik te verminderen, het efficiënter inzetten van bestaande 6
Dit verslag beschrijft de opzet (hoofdstuk 2) en de resultaten van de monitor. De resultaten zijn verdeeld over een beschrijving van de ondervraagde jongvolwassenen (hoofdstuk 3), een overzicht van de onderzochte determinanten van drugsgebruik (hoofdstuk 4) en hoe de jongvolwassenen denken over drugsgebruik (hoofdstuk 5). Voor de leesbaarheid gebruiken we de term ‘jongvolwassenen’. Hiermee verwijzen we naar de 16- tot en met 27-jarigen in Oost-Brabant die hebben deelgenomen aan het onderzoek. Voor de leesbaarheid wordt ook de afkortende term ‘gebruiker’ gebruikt. Het is niet bedoeld om iemand die (ooit) drugs gebruikt heeft hiermee te stigmatiseren. Als er in de beschrijving de term ‘verschil’ wordt gebruikt, dan betekent dit dat er sprake is van een statistisch significant verschil tussen de beschreven groepen.
2. Methode De ontwikkeling van de monitor is gestart met een inventarisatie van bestaande monitors, vragenlijsten, beschikbare resultaten en kennis ten aanzien van de doelgroep, het (problematisch) drugsgebruik, determinanten van drugsgebruik, normen ten aanzien van drugsgebruik, gevolgen van drugsgebruik, en methodieken. Hiervoor zijn bestaande documenten en literatuur geraadpleegd. Al deze informatie is gebundeld in een literatuuronderzoek en vervolgens voorgelegd aan verschillende vertegenwoordigers van de stuurgroep van het project, de GGD, Novadic-Kentron, Trimbos Instituut, de Radboud Universiteit en het ‘euPrevent Social Norms Approach’-project. Dit heeft geleid tot een breed gedragen monitor. Op 1 september is de monitor officieel gelanceerd. Vanaf 1 oktober is de dataverzameling gestart door middel van het uitzetten van een digitale vragenlijst. De periode van dataverzameling is verlengd van 30 november naar 31 december 2021 om de respons op gemeentelijk niveau te verhogen.
2.1 Doelgroep De monitor richt zich op alle 16- t/m 27-jarige inwoners in Oost-Brabant. Door een samenvoeging per 1 januari 2022 van 5 gemeenten tot de gemeente Land van Cuijk en van 2 gemeenten tot de gemeente Maashorst is het aantal gemeenten gedaald van 37 naar 32.
2.2 Monitor Met de monitor is informatie opgevraagd die betrekking heeft op drugsgebruik, determinanten voor drugsgebruik en normalisatie van drugsgebruik. Deze zijn onderverdeeld in elf thema's: algemeen, vrije tijd, attitude, injunctieve norm, descriptieve norm, gebruik, motieven, eigen effectiviteit, toegang en beschikbaarheid, corona, en culturele accommodatie. De monitor bestaat uit 76 vragen, waarbij de jongvolwassene pas naar het volgende item kan als het voorgaande item is ingevuld. Niet alle jongvolwassenen vullen alle 76 items in: wanneer ingevuld wordt dat een bepaalde drug niet gebruikt wordt, vervallen verdere vragen over het gebruik van deze drug. De antwoordmogelijkheden verschillen, van meerkeuzevragen met één antwoordmogelijkheid (bijvoorbeeld bij Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
de frequentie van drugsgebruik: ‘één keer’ tot ‘(bijna) ‘dagelijks’) tot vragen waarbij meerdere antwoordmogelijkheden kunnen worden geselecteerd (bijvoorbeeld bij de mening over drugsgebruik, waarbij de jongvolwassene de drugssoorten selecteert die hij/zij normaal vindt).
2.3 Procedure werving De werving van jongvolwassenen is uitgezet op drie hoofdlijnen: werving door de gemeenten met behulp van het lokale netwerk, werving met de campagnebus door preventiewerkers van Novadic-Kentron, en een campagne via social media. Jongvolwassenen die deelnamen aan het onderzoek maakten kans op een ‘trip naar keuze’. Deze prijzen zijn na afloop van de wervingsperiode verloot onder de deelnemers. Deelnemende gemeenten ontvingen aan het begin van de wervingsperiode een mail met informatie over de monitor en een toolkit. De toolkit voor gemeenten bestond uit: flyers, posters, berichten voor social media en videomateriaal. Aanvullend zijn kant en klare berichten ter beschikking gesteld die de gemeente kon doorsturen naar relevante netwerkpartners. Ook werden gemeenten elke 2 weken op de hoogte gehouden door middel van een nieuwsbrief. De vragenlijst is vervolgens op verschillende manieren uitgezet bij de doelgroep. Jongeren zijn gevraagd de vragenlijst in te vullen via het jongerenwerk, scholen, verenigingen en andere organisaties. Er zijn berichten verspreid via WhatsApp en social media en is er op lokaal niveau aandacht geweest vanuit de reguliere media. Daarnaast zijn er gemeenten die de uitnodiging per post verstuurd hebben naar het huisadres. In aanvulling op de werving door gemeenten zijn er op regionaal niveau wervingsactiviteiten uitgezet.
Vanuit het project is een campagnebus beschikbaar gesteld met zitzakken, banners, truien, en gadgets om uit te delen. 7
8
In totaal vulden 11.067 jongvolwassenen uit Oost-Brabant de vragenlijst in, waarvan iets meer vrouwen (n=6.496) dan mannen (n=4.409) en 81 personen die ‘anders’ aangaven bij de vraag naar het geslacht. Dit is 5% van alle jongvolwassenen in de leeftijd tussen 16 en 27 jaar in Oost-Brabant. De grootste groep jongvolwassenen is tussen 18 en 22 jaar oud. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste sociaal-demografische- en achtergrondkenmerken van de onderzoekspopulatie beschreven. Zoals eerder aangegeven is door middel van een weging gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht, zodat de verdeling naar leeftijd en geslacht gelijk is aan de verdeling in Oost-Brabant. De hierna genoemde percentages zijn altijd gewogen, tenzij anders aangegeven.
In figuur 3.3 is te zien dat zes op de tien jongvolwassenen bij zijn of haar ouders (verzorgers of pleegouders) woont. Ongeveer één op de zes woont met partner, 14% woont in een studentenhuis of met andere huisgenoten, en 9% is alleenstaand.
2.7 Interpretatie van de resultaten
3.2 Leeftijd en geslacht
Omdat de enquête door een deel van de 16- t/m 27-jarigen is ingevuld, zijn de percentages en aantallen een schatting van de totale doelgroep in Oost-Brabant. Rondom de gepresenteerde percentages en aantallen zit daarom altijd een marge. De gepresenteerde cijfers zijn met behulp van zogenaamde weegfactoren gecorrigeerd voor de verdeling naar leeftijd en geslacht binnen een gemeente. Bevolkingsgroepen met minder jongvolwassenen worden met deze weegfactoren ‘zwaarder’ meegeteld in het totaalresultaat. De resultaten geven hierdoor een beter beeld van de werkelijke situatie in de deelnemende gemeenten in Oost-Brabant. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 1.
Na weging is de gemiddelde leeftijd van de jongvolwassenen 20,6 jaar. Figuur 3.1 laat de verdeling per leeftijd zien. 20% Daarnaast worden in figuur 3.2 de percentages voor geslacht 18% weergegeven: voor mannen is dat 52,1%, vrouwen 47,1% 16% en 14%het percentage ‘anders’ is 0,8%. 12% 8% 6% 4% 2%
Figuur 3.1 Leeftijdsverdeling jongvolwassenen (%)
Man 52%
27 jaar
26 jaar
25 jaar
24 jaar
23 jaar
22 jaar
21 jaar
0%
Vrouw 47%
Bij ouders/verzorgers
60%
Met partner (en evt. kinderen)
17%
Studentenhuis of andere huisgenoten
14%
Alleenstaand
9%
Anders
10%
20 jaar
In het rapport gebruiken we de volgende termen: • Drugs en middelen Onder drugs worden de volgende middelen verstaan: cannabis, xtc, tripmiddelen (lsd, paddo’s, 2C-B, ketamine), lachgas, cocaïne, amfetamine, GHB/GBL, nieuwe psychoactieve stoffen (NPS), niet-medisch gebruik van geneesmiddelen en heroïne of andere opiaten. Onder middelen worden alle bovengenoemde drugs verstaan, aangevuld met roken en alcohol. • Nooit-gebruikers, niet-gebruikers en gebruikers Onder nooit-gebruikers verstaan we jongvolwassenen die nooit drugs gebruikt hebben. Niet-gebruikers hebben het laatste jaar geen drugs gebruikt. Bij gebruikers maken we onderscheid tussen ‘ooit' gebruik, ‘laatste jaar’ gebruik, en ‘laatste maand’ gebruik. Deze laatste groep kan ook worden aangeduid als recent gebruikers. • Frequentie laatste jaar gebruik Bij frequentie gebruik maken we onderscheid in dagelijks gebruik, wekelijks gebruik, maandelijks gebruik, paar keer per jaar of één keer per jaar. Regelmatig gebruik wordt gedefinieerd als ‘ten minste maandelijks gebruik’.
3.3 Woonsituatie
19 jaar
2.5 Gebruikte indelingen in dit rapport
3.1 Respons
18 jaar
Nadat alle informatie was verzameld, werd de vragenlijst geanalyseerd met het statistisch computerprogramma Statistical Package for the Social Sciences (SPSS). Met behulp van syntaxen werd de datafile ‘opgeschoond’ door de verkregen informatie te labelen, te coderen, vragen te spiegelen die andersom werden gesteld, en nieuwe (samengestelde) variabelen te maken. Vragenlijsten van jongvolwassenen die niet tot de inclusiecriteria behoorden of die meer dan tweederde van de data misten, werden verwijderd uit het databestand. De geïncludeerde jongvolwassenen hebben daarmee alle vragen over normalisering en de eerste vraag over middelengebruik beantwoord.
Alle vragen zijn geanalyseerd met behulp van beschrijvende statistiek (gemiddelden, percentages) en onderverdeeld in een beschrijving respondenten (respons, beschrijving sociodemografische gegevens, drugsgebruik), determinanten van drugsgebruik en normalisering. Alle verschillen zijn getoetst op significantie. Om te kijken welke achtergrondkenmerken samenhangen met het gebruik van middelen, is een logistische regressieanalyse uitgevoerd met de volgende kenmerken: geslacht, leeftijd, woonsituatie, (subjectieve) etniciteit, werksituatie en opleiding. Aanvullend is een logistische regressieanalyse uitgevoerd op manier van werven. Om te bepalen welke determinanten het sterkst samenhangen met niet-gebruik en met intentie tot gebruik, zijn regressieanalyses uitgevoerd met de beschreven determinanten uit hoofdstuk 5. Eenzelfde analyse is uitgevoerd op het al dan niet normaal vinden van drugsgebruik (hoofdstuk 6).
17 jaar
2.4 Verwerking vragenlijst
3. Respondenten
2.6 Analyses
16 jaar
Preventiewerkers van Novadic-Kentron hebben met de bus op meerdere locaties in Oost-Brabant gestaan om jongeren aan te spreken en enthousiast te maken voor het invullen van de vragenlijst. Boven op deze activiteiten is er door een extern communicatiebureau een social mediacampagne uitgevoerd. De doelgroep is door middel van betaalde advertenties benaderd op Facebook, Instagram en Snapchat. Na de werving van de jongvolwassenen zijn alle gemeenten benaderd met een korte vragenlijst over het verloop van de werving en de gebruikte strategieën. Met deze informatie wordt het proces geëvalueerd en gebruikt om de werving voor de volgende monitor verder te optimaliseren.
1% 0%
10%
2 0%
30%
40%
50%
60%
70%
Figuur 3.3 Woonsituatie jongvolwassenen
3.4 Opleiding en werk Het merendeel van de jongvolwassenen volgt een hbo- of universitaire opleiding, of heeft deze afgerond (53%). Het mbo volgt met 28%. Vanwege de leeftijd van de doelgroep (16 t/m 27 jaar) is de groep jongvolwassenen die voortgezet onderwijs volgt relatief klein (18%). Achtendertig procent geeft aan een (vaste) baan te hebben, 44% heeft een bijbaan. Ongeveer 60% volgt (daarnaast) onderwijs (tabel 3.1).
3.5 Subjectieve etniciteit Onder subjectieve etniciteit wordt verstaan met welk land iemand zich het meest verwant voelt. Er is hierbij dus géén uitvraag gedaan naar het geboorteland (of dat van de ouders). Als antwoord op de vraag met betrekking tot de subjectieve etniciteit geeft 92% van de jongvolwassenen aan zich alléén Nederlands te voelen, 6% voelt zich óók Nederlands en 2% voelt zich niet Nederlands.
3.6 Vrijetijdsbesteding Anders 0,8%
Figuur 3.2 Verdeling geslacht jongvolwassenen (%) Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Om te kunnen onderzoeken of bepaalde vormen van vrijetijdsbesteding in relatie staan tot het gebruik van drugs, is nagegaan wat de jongvolwassenen in Oost-Brabant doen in hun vrije tijd (figuur 3.4). Bijna alle jongvolwassenen geven aan tenminste maandelijks tijd door te brengen met 9
23 t/m 27 jaar %
32
24
Havo/vwo
50
8
3
Hbo/universiteit
7
55
68
Heeft een (vaste) baan
6
21
69
Heeft een bijbaan
75
58
17
Volgt onderwijs
88
77
33
Heeft geen baan en volgt geen onderwijs
0,8
2
2
Werksituatie (meerdere antwoorden mogelijk)
3.7 Werving Zoals beschreven in de methode zijn de jongvolwassenen op verschillende manieren geworven. Om zicht te hebben op de verdeling tussen deze wervingsmethoden en te kunnen onderzoeken of deze van invloed zijn op de resultaten, is een vraag opgenomen over de wijze waarop de jongvolwassene bij de vragenlijst terecht is gekomen.
Als we kijken naar manier van werven en de verschillende achtergrondkenmerken, dan zien we het volgende. Meer vrouwen dan mannen zijn via een brief en via school bij de vragenlijst terecht gekomen (zie tabel 3.2). De 16- t/m 17-jarigen zijn vooral via school in contact gekomen met de vragenlijst en de jongvolwassenen van 18 jaar en ouder via social media. Bij havo/vwo zijn de jongvolwassenen met name via school bereikt en bij hbo/universiteit via social media. Bij de werving via een brief is er geen significant verschil naar opleiding. Jongvolwassenen die zich alleen Nederlands voelen zijn vaker via een brief geworven, en minder via school dan de andere groepen.
3%
2%
2%
1%
1%
16 en 17 jaar
0,8%
18 t/m 22 jaar
0,4%
0,3%
23 t/m 27 jaar
Alleen via brief
Alleen via school
%
%
Alleen via social media %
Man
26
9
41
Vrouw
28
12
40
16 t/m 17 jaar
26
42
12
18 t/m 22 jaar
27
8
42
23 t/m 27 jaar
27
1
50
Vmbo
27
14
36
Mbo
31
11
37
Havo/vwo
26
38
18
Hbo/universiteit
25
4
49
Voelt zich alleen Nederlands
27
10
41
Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit
22
17
35
Voelt zich niet Nederlands
19
26
29
Geslacht
Leeftijd
Opleiding (hoogst afgerond of huidig)
Buiten hangen Gamen Club of vereniging (sport of andere activiteiten) Tijd doorbrengen met vrienden
Subjectieve etniciteit
Andere hobby's 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Percentage wekelijks
een paar keer tot maandelijks
(bijna) nooit
Figuur 3.4 Frequentie vrijetijdsactiviteiten in het laatste jaar 10
4%
In figuur 3.5 is te zien dat één op de vijf de vragenlijst heeft ingevuld naar aanleiding van de social mediacampagne. Meer dan de helft van de invullers (57%) is per brief uitgenodigd door zijn of haar gemeente.
Uitgaan
(bijna) dagelijks
10%
Figuur 3.5 Manier waarop respondenten bij de vragenlijst zijn uitgekomen, waarbij het mogelijk is dat één respondent meerdere manieren heeft aangegeven (ongewogen percentages)
Tabel 3.1 Opleiding en werksituatie deelnemende jongvolwassenen
hun vrienden (93%), 20% geeft aan dit ook wel eens buiten op straat te doen. Ruim tweederde is regelmatig bij een club of vereniging te vinden (69%). Ongeveer de helft geeft aan tenminste maandelijks op stap te gaan, bijna een derde doet dat wekelijks of vaker. De uitgaansgelegenheden die het vaakst worden genoemd zijn: een feest bij vrienden thuis (76%), café of kroeg (69%) en een festival (57%). Mogelijk hebben de coronamaatregelen in het jaar voorafgaand aan de monitor invloed op de locaties waar de jongvolwassenen uitgingen, aangezien niet alle gelegenheden het hele jaar open zijn geweest.
20%
Po st er Ze lf ge vo nd en
30
ng er en w er Kr k an te nb er ich Ac t tie op st ra at Ve re ni gin g
Mbo
Pa ne l
4
Jo
4
GG D
11
de n
Vmbo
57%
Vr ie n
1
oo l W ha ts ap p
2
Sc h
2
ia
Geen opleiding of alleen bo
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
ial m ed
Opleiding (hoogst afgerond of huidig)
Route naar de vragenlijst
Br ie f
18 t/m 22 jaar %
So c
16 t/m 17 jaar %
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Tabel 3.2 Manier van werven naar achtergrondkenmerk Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
11
3.8 Gebruik Deze paragraaf beschrijft de belangrijkste cijfers met betrekking tot het gebruik van drugs. In bijlage 2 is dit in meer detail uitgewerkt.
Relatie drugsgebruik, kenmerken jongvolwassenen, manier van werving en COVID-19 Als er tegelijkertijd gekeken wordt naar de relatie tussen drugsgebruik (laatste jaar en recent) en geslacht, leeftijd, opleiding, woonsituatie, subjectieve etniciteit en werksituatie, dan is er een duidelijke relatie te zien van geslacht, leeftijd en woonsituatie. Opleiding, subjectieve etniciteit en werksituatie hebben dan geen significant effect meer op drugsgebruik. Het drugsgebruik (laatste jaar en recent) is hoger onder mannen, 18- t/m 22-jarigen en jongvolwassen die in een studentenhuis of alleen wonen.
Cannabis
Xtc
%
%
De manier van werving is ook van invloed op de cijfers over het gebruik. Het gebruik van cannabis, xtc, tripmiddelen, cocaïne en NPS is aanzienlijk hoger bij jongvolwassenen die via social media zijn geworven in vergelijking met de werving via een brief of school (zie tabel 3.3). Dit wordt ook gezien in ander landelijk onderzoek waarin blijkt dat het gebruik hoger ligt bij de benadering van jongvolwassenen via social media en lager ligt bij de benadering via een steekproef (Van Dorsselaer, S., et al., 2015). Er is geen eenduidige invloed van de COVID-19 pandemie op het drugsgebruik als het vergeleken wordt met de periode voor de pandemie. Van de jongvolwassenen geeft 16% aan minder vaak drugs te gebruiken, 18% vaker en 17% even vaak. De soort drugs is nauwelijks veranderd, 2% geeft aan andere drugs te gebruiken.
Tripmiddelen %
Lachgas
Cocaïne
%
%
Amfetamine %
NPS %
Manier van werven Alleen via brief
12
3
3
0,8
2
0,9
2
Alleen via school
12
2
2
1
2
1
1
Alleen via social media
36
23
13
3
11
5
12
Man
31
15
11
2
8
3
8
Vrouw
16
10
5
2
4
3
5
16 t/m 17 jaar
14
2
2
2
0,7
0,7
1
18 t/m 22 jaar
30
14
9
3
6
2
9
23 t/m 27 jaar
21
14
9
1
9
5
7
Vmbo
28
8
5
3
8
3
5
Mbo
25
10
7
3
8
4
7
Havo/vwo
18
6
4
1
3
0,8
2
Hbo/universiteit
24
15
10
1
6
3
7
Voelt zich alleen Nederlands
23
13
8
2
6
3
7
Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit
34
9
5
3
6
4
4
Voelt zich niet Nederlands
31
6
10
7
3
1
4
Geslacht
Leeftijd
Opleiding (hoogst afgerond of huidig)
Subjectieve etniciteit
Drugs worden regelmatig gecombineerd met alcohol (28%) of andere drugs en alcohol (18%) (zie tabel 3.4).
Heeft wel eens meerdere middelen gebruikt bij één gelegenheid
%
Gebruikt niet meer dan één middel
42
Alcohol en één drugssoort
28
Meer dan twee soorten drugs en/of alcohol
18
Twee soorten drugs (geen alcohol)
5
Tabel 3.4 Combinatie middelengebruik (inclusief alcohol, roken onbekend)
Tabel 3.3 Drugsgebruik naar achtergrondkenmerk 12
Relatie kenmerken jongvolwassenen en de verschillende soorten drugs De monitor laat zien dat cannabis het vaakst recent gebruikt is (24%), gevolgd door xtc (12%) en tripmiddelen (8%). Maar jongvolwassenen hebben ook recent NPS (nieuwe psychoactieve stoffen, 7%) en cocaïne (6%) gebruikt. Voor bijna alle drugs geldt dat meer mannen dan vrouwen gebruiken. Cannabis is het meest recent gebruikt door de 18- t/m 22-jarigen. Het recent gebruik van cocaïne neemt toe met de leeftijd en is het hoogst bij de 23- t/m 27-jarigen. Daarnaast zijn xtc, tripmiddelen, amfetamine en NPS het meest recent gebruikt door de jongvolwassenen van 18 jaar en ouder. Het recent gebruik van cannabis en cocaïne is het laagst bij havo/vwo. Xtc is het meest recent gebruikt bij hbo/universiteit. Het recent gebruik van cannabis is het laagst voor jongvolwassenen die zich alleen Nederlands voelen. Jongvolwassenen die zich niet Nederlands voelen hebben het meest recent lachgas gebruikt. Verder is er geen significant verschil in recent gebruik bij subjectieve etniciteit.
De drugs worden op verschillende locaties gebruikt. Vooral thuis met vrienden of bij vrienden thuis (cannabis 37%, tripmiddelen 19%), op festivals (xtc 17%), buiten op straat (cannabis 17%) en alleen thuis (cannabis 13%). Cocaïne en lachgas worden vooral thuis met vrienden of bij vrienden thuis gebruikt (7%). Deze drugs worden samen met tripmiddelen ook genoemd bij huisfeesten (5%-9%). Op festivals wordt naast xtc ook cocaïne, cannabis en tripmiddelen genoemd (6%-7%). Cocaïne wordt specifiek genoemd in club/discotheek en café (5% en 6%). Het gebruik van amfetamine en andere drugs is te beperkt om te vermelden. Wat opvalt is dat jongvolwassenen die het laatste jaar drugs hebben gebruikt meer buiten hangen, vaker op stap gaan en veel tijd doorbrengen met vrienden. Jongvolwassenen die het laatste jaar geen drugs hebben gebruikt, hebben meer hobby’s thuis (ten opzichte van gebruikers van cannabis, xtc, tripmiddelen), gaan regelmatig naar een club of vereniging (ten opzichte van cannabisgebruikers) of gamen meer (ten opzichte van xtc-gebruikers). In vergelijking met niet-gebruikers gaan drugsgebruikers (laatste jaar) vaker naar huisfeesten, een café, festivals, een club of discotheek.
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
13
4. Determinanten van drugsgebruik In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de resultaten ten aanzien van de volgende determinanten beschreven: attitude inclusief uitkomstverwachtingen; sociale invloed van ouders, vrienden en leeftijdsgenoten; en de eigen effectiviteit. Deze determinanten zijn uitgevraagd over drugs in zijn algemeenheid en specifiek voor verschillende drugssoorten.
4.1 Attitude Attitude is de houding van mensen ten aanzien van drugsgebruik, met andere woorden wat vindt iemand van het gebruik van drugs. Deze wordt vormgegeven door leerervaringen, overtuigingen en uitkomstverwachtingen (Brug, van Assema, & Lechner, 2017). Een positieve attitude ten aanzien van drugs verhoogt de kans op initieel middelengebruik (Bessie, Kaur, & Kalra-Ramjoo, 2018) en de frequentie van middelengebruik (Barkin, Smith, & DuRant, 2002).
4.1.1 Attitude ten aanzien van drugsgebruik Jongvolwassenen hebben het vaakst een positieve attitude tegenover cannabis (59%), xtc (34%) en tripmiddelen (24%). Een kleiner deel (10-11%) heeft een positieve attitude ten aanzien van andere drugs, zoals lachgas, amfetamine, cocaïne en nieuwe psychoactieve stoffen. Deze positieve attitude hangt duidelijk samen met het gebruik van drugs. Jongvolwassenen die nooit drugs hebben gebruikt, hebben een minder positieve attitude tegenover drugs. Van deze
groep heeft 21% een positieve attitude ten aanzien van cannabis in vergelijking met 78% van de jongvolwassenen die ooit drugs gebruikt hebben. Bij alle andere drugs heeft slechts een klein gedeelte van de jongvolwassenen die nooit gebruikt hebben een positieve attitude. Een overzicht is weergegeven in tabel 4.1.
Cannabis Als jongvolwassenen ooit cannabis hebben gebruikt, dan hebben ze een positievere attitude ten aanzien van cannabisgebruik in vergelijking tot nooit-gebruikers. In figuur 4.1 is de attitude van cannabis weergegeven, uitgesplitst voor ooit- en nooit-gebruik van cannabis. Slechts 6% van de jongvolwassenen die ooit gebruikt heeft vindt het gebruik van cannabis (helemaal) niet oké. Van de jongvolwassenen die nooit cannabis hebben gebruikt vindt de helft (52%) het gebruik van cannabis niet oké. Xtc De attitude voor xtc hangt samen met het gebruik van xtc. Jongvolwassenen die nooit xtc hebben gebruikt, hebben minder vaak een positieve attitude zoals weergeven in figuur 4.2. Driekwart van de jongvolwassenen (76%) die nooit xtc heeft gebruikt vindt het gebruik van xtc (helemaal) niet oké versus 9% van de jongvolwassenen die ooit xtc heeft gebruikt.
Gebruikers %
Nooit-gebruikers %
Cannabis
78
21
Xtc of mdma
49
3
Lachgas
14
4
Tripmiddelen (zoals LSD, paddo’s, 2C-B, ketamine)
35
2
Amfetamine (speed)
16
2
Cocaïne
15
2
Nieuwe psychoactieve stoffen (zoals 4-FA, 3-MMC)
16
1
Nooit-gebrui kers
Gebruikers 0%
10%
20%
30%
(helemaal) niet oké
40%
50%
Neutraal
6 0%
70%
80%
90% 100%
(helemaal) oké
Figuur 4.1 'Wat vind jij van het gebruik van cannabis?’ uitgesplitst naar cannabisgebruik (ooit)
Nooit-gebrui kers
Gebruikers 0%
10%
20%
30%
(helemaal) niet oké
40%
50%
Neutraal
6 0%
70%
80%
90% 100%
(helemaal) oké
Figuur 4.2 ‘Wat vind jij van het gebruik van xtc?’ uitgesplitst naar xtc-gebruik (ooit)
4.1.2 Uitkomstverwachtingen Cannabis: negatieve uitkomstverwachtingen Driekwart van de jongvolwassenen (78%) verwacht negatieve effecten bij het gebruik van cannabis. Jongvolwassenen die zelf ooit cannabis hebben gebruikt, verwachten minder vaak negatieve effecten (71%) dan jongvolwassenen die nooit cannabis hebben gebruikt (88%). De meest genoemde negatieve uitkomstverwachtingen staan in tabel 4.2. Het aantal negatieve uitkomstverwachtingen is lager bij jongvolwassenen die cannabis hebben gebruikt in vergelijking met hun leeftijdsgenoten die nooit cannabis gebruikt hebben (gemiddeld 2 versus 6).
Tabel 4.1 Attitude: percentage jongvolwassenen dat het gebruik van drugs (helemaal) oké vindt uitgesplitst naar drugsgebruik (ooit) 14
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
15
Totale groep %
Gebruikers %
Nooit-gebruikers %
Emotionele klachten tijdens gebruik (zoals een bad trip, negatieve gedachten, irritatie, angst of verwardheid)
35
26
48
Lichamelijke klachten tijdens gebruik (zoals misselijkheid, klappertanden, oververhitting, seksuele problemen of slapeloosheid)
33
25
46
Lange termijn risico's op je geestelijke of lichamelijke gezondheid (zoals verslaving, depressie, schade aan hersenen of anders)
32
22
49
Lichamelijke klachten de dag(en) erna (zoals hoofdpijn, misselijkheid, spierpijn of minder energie)
30
20
45
Het kost te veel geld
29
21
42
Verlies van controle of je anders gedragen
28
14
51
Geen negatieve verwachtingen
22
29
12
Tabel 4.2 Negatieve uitkomstverwachtingen van cannabis uitgesplitst naar cannabisgebruik (ooit)
Cannabis: positieve uitkomstverwachtingen Driekwart van de jongvolwassenen (78%) verwacht positieve effecten bij het gebruik van cannabis. Van de jongvolwassenen die zelf cannabis gebruikt hebben verwacht de ruime meerderheid één of meerdere positieve effecten (91%) in vergelijking met zij die nooit gebruikt hebben (57%). Een overzicht van de meest genoemde positieve uitkomstverwachtingen voor cannabis vind je in tabel 4.3.
Totale groep %
Gebruikers %
Nooit-gebruikers %
Rustig worden, relaxen, chillen of ontspannen
64
76
45
Gezellige en/of fijne tijd met vrienden
45
58
24
Fijn gevoel; blij, vrolijk, lachen, genieten
42
53
23
Verminderen van stress
29
34
20
Beter slapen
28
37
14
Geen positieve verwachtingen
22
9
43
Xtc: negatieve uitkomstverwachtingen Negen op de tien jongvolwassenen (91%) verwachten negatieve effecten bij het gebruik van xtc. Zowel ooit- als nooit-gebruikers verwachten negatieve effecten, maar het aantal negatieve uitkomstverwachtingen verschilt. Nooit-xtc-gebruikers geven aan meer negatieve effecten te verwachten in vergelijking met gebruikers (gemiddeld 7 versus 3). De meest genoemde negatieve uitkomstverwachtingen staan in tabel 4.4.
Totale groep %
Gebruikers %
Nooit-gebruikers %
Lichamelijke klachten de dag(en) erna (zoals hoofdpijn, misselijkheid, spierpijn of minder energie)
57
54
59
Lichamelijke klachten tijdens gebruik (zoals misselijkheid, klappertanden, oververhitting, seksuele problemen of slapeloosheid)
55
46
61
Emotionele klachten de dag(en) erna (zoals depressieve gevoelens, angst of chagrijnigheid)
52
53
51
Risico niet te weten wat er in een middel zit/ samenstelling
48
31
59
Emotionele klachten tijdens gebruik (zoals bad trip, negatieve gedachten, irritatie, angst of verwardheid)
45
25
57
Lange termijn risico's op je geestelijke of lichamelijke gezondheid (zoals verslaving, depressie, schade aan hersenen of anders)
43
22
57
Verlies van controle/ je anders gedragen
43
19
59
Vergeten wat er is gebeurd/ black-out
37
15
51
Schaamte/spijt van gebruik of gedrag onder invloed
32
11
46
Geen negatieve verwachtingen
9
10
9
Tabel 4.4 Negatieve uitkomstverwachtingen van xtc uitgesplitst naar xtc-gebruik (ooit)
Tabel 4.3 Positieve uitkomstverwachtingen van cannabis uitgesplitst naar cannabisgebruik (ooit)
16
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
17
Xtc: positieve uitkomstverwachtingen Twee derde van de jongvolwassenen (64%) verwachten positieve effecten bij het gebruik van xtc. Als ze het ooit xtc hebben gebruikt, verwachten ze vrijwel allemaal (99%) positieve effecten van het gebruik van xtc. Als ze nooit hebben gebruikt verwacht 63% positieve effecten.
Een overzicht van de meest genoemde positieve uitkomstverwachtingen voor xtc is weergegeven in tabel 4.5.
Totale groep %
Gebruikers %
Nooit-gebruikers %
Fijn gevoel/blij/vrolijk/lachen/genieten
47
85
23
Gezellige en/of fijne tijd met vrienden
44
78
23
Losser worden/remmingen vallen weg
41
70
22
Oppeppende werking/langer door kunnen gaan
38
69
19
Avontuur/gekke dingen meemaken
33
59
17
Dingen anders waarnemen/geest verruimen/ trippen
30
52
16
Nieuwsgierigheid bevredigen
19
29
12
Geen positieve verwachtingen
37
3
57
Tabel 4.5 Positieve uitkomstverwachtingen van xtc uitgesplitst naar xtc-gebruik (ooit)
4.1.3 Redenen om geen drugs te gebruiken Jongvolwassenen die het laatste jaar geen drugs hebben gebruikt of niet de intentie hebben om drugs te gebruiken komend jaar, zijn gevraagd naar de belangrijkste redenen
om niet (meer) te gebruiken. Deze zijn weergegeven in tabel 4.6. Niet-gebruikers %
4.2 Sociale invloed Sociale invloed bestaat uit verschillende factoren en omgevingsniveaus (Brug, van Assema, & Lechner, 2017). In de monitor zijn de injunctieve en descriptieve normen voor ouders, vrienden en leeftijdsgenoten uitgevraagd. De injunctieve norm is de perceptie of middelengebruik door belangrijke anderen wordt goed- of afgekeurd. De descriptieve norm gaat over de perceptie of anderen middelen gebruiken (Eisenberg, Toumbourou, Catalano, & Hemphill, 2014).
4.2.1 Ouders Als ouders duidelijke regels en grenzen hebben t.a.v. drugsgebruik, betrokken zijn en toezicht houden, heeft dit een preventieve werking op het drugsgebruik (Bessie, Kaur, & Kalra-Ramjoo, 2018; Bahr, Hoffmann, & Yang, 2005; Spronk, van Gelder, Nabben, & de Jonge, 2020; Smeets, Monshouwer, Matyreva, de Wilde, & de Greeff, 2019; Snoek, Wits, Stel, & Mheen, 2010). De meerderheid (58%) van de jongvolwassenen in OostBrabant geeft aan te praten met ouders of verzorgers over drugsgebruik en 38% heeft (ooit) afspraken over drugsgebruik gemaakt. De mate waarin ze afspraken hebben met ouders neemt af naarmate ze ouder worden. Er is geen verschil gevonden voor het al dan niet praten en afspraken maken met ouders tussen gebruikers en niet-gebruikers. Er is niet gevraagd naar de inhoud en de kwaliteit van de gesprekken en gemaakte afspraken.
Injunctieve norm ouders De injunctieve norm is uitgevraagd door jongvolwassenen te vragen ‘Wat zouden jouw ouder(s)/verzorgers ervan vinden als je de volgende drugs gebruikt?’. Tabel 4.7 geeft een overzicht van het percentage jongvolwassenen dat verwacht dat ouders het gebruik van de verschillende
drugssoorten (helemaal) niet oké vinden. De meerderheid geeft aan dat ouders het gebruik van drugs door de jongvolwassenen zelf (helemaal) niet oké zouden vinden. Ze verwachten dat ouders een positievere houding hebben ten aanzien van cannabisgebruik in vergelijking met andere drugs. Voor alle andere drugs heeft de ruime meerderheid (85-97%) het gevoel dat hun ouders het (helemaal) niet oké vinden als ze deze gebruiken. De houding van ouders wordt negatiever ingeschat door 16- en 17-jarigen in vergelijking met jongvolwassenen vanaf 18 jaar. Jongvolwassenen die in stedelijk gebied wonen verwachten dat hun ouders een minder negatieve houding hebben over drugsgebruik door hun kind in vergelijking met minder stedelijke gebieden. Wat jongvolwassenen denken dat ouders vinden van cannabis of xtc gebruik verschilt tussen gebruikers (laatste jaar) en niet-gebruikers van dat specifieke middel, zoals weergegeven in figuur 4.3. Jongvolwassenen die het laatste jaar cannabis hebben gebruikt geven minder vaak aan dat zij verwachten dat hun ouders het gebruik van cannabis (helemaal) niet oké vinden (37%) dan jongvolwassenen die het laatste jaar geen cannabis hebben gebruikt (75%). Dit geldt ook voor xtc-gebruikers (laatste jaar): de verwachting is dat 64% van de ouders het niet oké vindt, 22% neutraal is en 14% het gebruik van xtc oké vindt.
Bijna alle jongvolwassenen die het laatste jaar geen xtc hebben gebruikt verwachten dat hun ouders het niet oké vinden als ze xtc gebruiken (93%).
Past niet bij zijn/haar leven
39
Wil gezond leven
30
Wil controle hebben over het leven
29
Wil niet onder invloed zijn
21
Helder willen nadenken
21
Verwacht klachten door het gebruik van drugs
19
Eng om drugs te gebruiken
19
Schamen voor gebruik
13
Drugs zijn te duur
13
Cannabis
59
Gebruik van drugs houdt criminaliteit in stand
12
Xtc of mdma
85
Wil (meer) energie hebben
12
Lachgas
92
Gezien dat anderen problemen hadden door hun drugsgebruik
12
Tripmiddelen (zoals LSD, paddo’s, 2C-B, ketamine)
90
Vind zichzelf een leuk(er) persoon als hij/zij niet gebruikt
10
Amfetamine (speed)
97
Meer gedaan willen krijgen gedurende de dag
10
Cocaïne
98
Gebruik van drugs is slecht voor het milieu
9
Nieuwe Psychoactieve Stoffen (zoals 4-FA, 3-MMC)
97
Tabel 4.6 Belangrijkste redenen om geen drugs te gebruiken 18
Ouders zouden het gebruik van drugs (helemaal) niet oké vinden %
Tabel 4.7 ‘Wat vinden je ouders ervan als je drugs gebruikt?’ Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
19
Cannabis
Cannabis
Gebruikers
Niet-gebrui kers
Gebruikers
Niet-gebrui kers
Gebruikers Xtc
Gebruikers Xtc
Niet-gebrui kers 0%
20%
(helemaal) niet oké
4 0%
60%
80%
neutraal
(helemaal) oké
Niet-gebrui kers
100%
0%
Figuur 4.3 ‘Wat vinden je ouders ervan als je cannabis of xtc gebruikt?’ uitgesplitst naar cannabis- en xtc-gebruik (laatste jaar)
20%
(helemaal) niet oké
4 0%
60%
80%
neutraal
(helemaal) oké
100%
Figuur 4.4 ‘Wat vinden je vrienden ervan als je cannabis of xtc gebruikt?’ uitgesplitst naar cannabis- en xtc-gebruik (laatste jaar)
4.2.2 Vrienden De perceptie van wat vrienden vinden (injunctieve norm) en doen (descriptieve norm) heeft invloed op drugsgebruik (Eisenberg, Toumbourou, Catalano, & Hemphill, 2014).
middelen (50%) gebruiken. Voor cocaïne, amfetamine en nieuwe psychoactieve stoffen verwacht de ruime meerderheid dat hun vrienden het gebruik niet oké zouden vinden.
Injunctieve norm vrienden De injunctieve norm voor vrienden is de perceptie van iemand wat zijn of haar vrienden ervan zouden vinden als ze drugs zou gebruiken. De injunctieve norm van vrienden staat weergegeven in tabel 4.8. Eén op de vijf jongvolwassenen (19%) verwacht dat vrienden het niet oké zouden vinden als ze cannabis zouden gebruiken, twee op de vijf (39%) verwacht dat ze het gebruik van xtc niet oké zouden vinden en iets minder dan de helft verwacht dat vrienden het niet oké zouden vinden als ze lachgas (46%) of trip-]
Wat jongvolwassenen denken dat vrienden vinden verschilt tussen gebruikers (laatste jaar) en niet-gebruikers, zoals weergegeven in figuur 4.4. Als jongvolwassenen zelf cannabis of xtc gebruikt hebben het laatste jaar verwacht het overgrote deel (87-91%) dat de eigen vrienden het gebruik van deze specifieke drug oké zal vinden. Als ze het laatste jaar niet gebruikt hebben is de injunctieve norm meer verdeeld, maar nog steeds 48% verwacht dat vrienden het gebruik van cannabis oké zouden vinden en 27% verwacht dat ze xtc oké zouden vinden. Vrienden zouden het gebruik van drugs (helemaal) niet oké vinden %
Cannabis
19
Xtc of mdma
39
Lachgas
46
Tripmiddelen (zoals LSD, paddo’s, 2C-B, ketamine)
50
Amfetamine (speed)
61
Cocaïne
66
Nieuwe Psychoactieve Stoffen (zoals 4-FA, 3-MMC)
63
Descriptieve norm vrienden Drugsgebruik in de directe omgeving is een risicofactor voor middelengebruik (Bessie, Kaur, & Kalra-Ramjoo, 2018; Möhle, van der Pol, van Goor, & Goossens, 2018; Smeets, Monshouwer, Matyreva, de Wilde, & de Greeff, 2019; Snoek, Wits, Stel, & Mheen, 2010). In deze monitor is gevraagd naar het drugsgebruik de vier beste vrienden. De antwoorden afzonderlijk voor gebruikers en nietgebruikers staan weergegeven in figuur 4.5. Ongeveer één op de drie jongvolwassenen (30%) geeft aan dat alle vier 0%
zijn/haar beste vrienden het laatste jaar drugs gebruikt hebben, 22% geeft aan dat ze alle vier geen drugs gebruikt hebben en het resterende deel geeft aan zowel beste vrienden te hebben die drugs als die geen drugs gebruiken. Jongvolwassenen die het laatste jaar drugs hebben gebruikt, hebben meer vrienden die ook drugs gebruiken in vergelijking met jongvolwassenen die het laatste jaar geen drugs hebben gebruikt.
20%
40%
60%
80%
1 vriend
2 vrienden
3 vrienden
4 vrienden
100%
Total e groep
Niet-gebrui ker
Gebruiker
geen
Figuur 4.5 ‘Hoeveel van je vier beste vrienden heeft het laatste jaar drugs gebruikt?’ uitgesplitst naar drugsgebruik (laatste jaar)
Tabel 4.8 perceptie ‘wat vinden je vrienden ervan als je drugs gebruikt?’ 20
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
21
4.2.3 Leeftijdsgenoten De perceptie van wat leeftijdsgenoten vinden (injunctieve norm) en doen (descriptieve norm) heeft invloed op drugsgebruik (Eisenberg, Toumbourou, Catalano, & Hemphill, 2014). In deze monitor is voor leeftijdsgenoten alleen de descriptieve norm uitgevraagd.
Zowel bij cannabis als xtc wordt het gebruik door leeftijdsgenoten met name overschat door gebruikers van de specifieke drug zelf. De perceptie dat de meeste leeftijdsgenoten middelen gebruiken kan ervoor zorgen dat iemand eerder geneigd zal zijn om zelf te starten met gebruik (Perkins, 2002).
cannabisgebruikers (laatste jaar) heeft de intentie om komend jaar weer te gaan gebruiken. Bij xtc-gebruikers (laatste jaar) is zelfs 86% van plan om komend jaar weer te gaan gebruiken. Als jongvolwassenen nooit drugs hebben gebruikt, verwachten ze dat dit komend jaar ook niet te zullen gaan doen (97%).
4.3 Eigen effectiviteit
De intentie wordt beïnvloed door gedragsdeterminanten die eerder in dit hoofdstuk zijn besproken. Om inzichtelijk te maken welke determinanten belangrijke voorspellers zijn, is gekeken welke determinanten samenhangen met
Eigen effectiviteit staat voor de verwachting die mensen hebben over hun eigen vermogen om bepaald gedrag te kunnen uitvoeren. Als jongvolwassenen er vertrouwen in hebben dat ze het gedrag kunnen uitvoeren, is er een grotere kans dat ze dit ook daadwerkelijk zullen doen (Brug, van Assema, & Lechner, 2017). Een hoge eigen effectiviteit heeft een positieve invloed op de preventie van middelengebruik (Bessie, Kaur, & Kalra-Ramjoo, 2018; Barkin, Smith, & DuRant, 2002; Snoek, Wits, Stel, & Mheen, 2010).
Descriptieve norm leeftijdsgenoten Jongvolwassenen konden aangeven hoeveel procent van hun leeftijdsgenoten volgens hen cannabis en xtc gebruikt. Cannabis Gemiddeld denken jongvolwassenen dat 56% van hun leeftijdsgenoten het laatste jaar cannabis heeft gebruikt. Dit wijkt af van het daadwerkelijk gebruik (43%) zoals gemeten in deze monitor. Twee derde van de jongvolwassenen (68%) denken dat 50% of meer leeftijdsgenoten het laatste jaar cannabis hebben gebruikt en overschatten het cannabisgebruik. Cannabisgebruikers (ooit) schatten dit hoger in dan nooit-gebruikers (61% vs. 48%). Xtc Gemiddeld denken jongvolwassenen dat 39% van hun leeftijdsgenoten het laatste jaar xtc heeft gebruikt. Dit wijkt af van het daadwerkelijke gebruik (29%) zoals gemeten in deze monitor. Meer dan de helft van de jongvolwassenen (55%) denken dat 40% of meer leeftijdsgenoten het laatste jaar xtc hebben gebruikt en overschatten het xtcgebruik. Ooit-gebruikers van xtc schatten dit hoger in dan nooit-gebruikers (49% vs. 33%). 22
de intentie om drugs te gaan of te blijven gebruiken. Hierbij is gekeken naar welke jongvolwassenen (zowel gebruikers als niet-gebruikers) een positieve intentie hebben om cannabis of xtc te gebruiken. De analyse is afzonderlijk voor beide drugs uitgevoerd en de resultaten worden weergegeven in figuur 4.6. Als een determinant niet afzonderlijk voor cannabis of xtc is uitgevraagd dan is ervoor gekozen om de algemene determinant voor drugs op te nemen in de regressieanalyse. Per determinant staat in het figuur aangegeven of deze specifiek is voor cannabis/xtc of voor drugs in het algemeen.
Slechts een klein deel van de jongvolwassenen (4%) heeft een lage eigen effectiviteit ten aanzien van vaardigheden die belangrijk zijn in het voorkomen van drugsgebruik. De meeste jongvolwassenen geven aan duidelijk te weten wat hij/zij wel en niet wil rondom drugsgebruik (91%), verwachten goed nee te kunnen zeggen als hen drugs wordt aangeboden (80%), denken dat ze alleen dingen doen die ze echt zelf willen (87%), laten zich niet makkelijk overhalen (95%), en zullen niets doen wat ze eigenlijk niet willen, ook al doen vrienden het wel (97%).
4.4 Intentie om drugs te gebruiken De gedragsintentie is de mate waarin iemand van plan is om een gedrag uit te voeren (Brug, van Assema, & Lechner, 2017). De intentie tot een bepaald gedrag is de sterkste voorspeller van het gedrag, maar geen garantie voor het gedrag (Fishbein & Ajzen, 1975). Meer dan de helft van de jongvolwassenen (56%) heeft de intentie om komend jaar geen enkele soort drugs te gebruiken. Als ze verwachten dat ze komend jaar wel gaan gebruiken, dan zijn ze van plan om cannabis (31%), xtc (31%), tripmiddelen (23%), cocaïne (11%), NPS (10%), speed (7%) of lachgas (5%) te gaan gebruiken. Als jongvolwassenen het laatste jaar een drug gebruikt hebben, ligt de intentie om deze drug het komende jaar te gaan gebruiken hoger. Twee derde (67%) van de Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Figuur 4.6: Verhoogde kans van determinanten op een positieve intentie, afzonderlijk voor cannabis en xtc Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
23
Determinanten die samenhangen met de intentie om komend jaar drugs te gebruiken zijn attitude en sociale invloed. Voor eigen effectiviteit is geen verband gevonden met intentie. Jongvolwassenen die het oké vinden om cannabis of xtc te gebruiken hebben 6,4-6,5 keer zo grote kans op een positieve intentie voor die specifieke drugs. Als ze geen negatieve effecten verwachten hebben ze een grotere kans op een positieve intentie. Daarbij is de samenhang tussen negatieve effecten van xtc en de intentie om xtc te gebruiken sterker (2,1) dan voor cannabis (1,6). Maar het verwachten van positieve effecten hangt het sterkst samen met de intentie om te gebruiken. Jongvolwassenen die positieve effecten verwachten van cannabis hebben een 10,8 keer verhoogde kans op een de intentie om komend jaar cannabis te gaan gebruiken. Als ze positieve effecten verwachten van xtc is deze kans 13,5 keer zo groot. Er is ook sociale invloed van ouders, vrienden en leeftijdsgenoten gevonden. Als ouders praten over drugsgebruik hangt dit licht samen met de intentie voor zowel cannabis als xtc, voor afspraken maken is er alleen een lichte samenhang gevonden voor cannabis, en niet voor xtc. De sociale invloed van ouders is het sterkst vanuit de injunctieve norm; wat jongvolwassenen denken dat ouders vinden van het gebruik van een middel.
Als ouders het gebruik van cannabis oké vinden is er een verhoogde kans van 1,8 op een positieve intentie voor cannabisgebruik en voor xtc is dit 1,4. Daarnaast zie je dat zowel de injunctieve als descriptieve norm van vrienden sterk samenhangt met de intentie. Als ze denken dat vrienden het gebruik van cannabis of xtc oké vinden is er bijna twee keer zo grote kans dat ze van plan zijn om komend jaar dat middel te gaan gebruiken. En voor elke vriend van iemands vier beste vrienden die drugs gebruikt, verhoogt de kans op een positieve intentie met 1,8. Ten slotte is er een lichte samenhang gevonden voor overschatting van gebruik door leeftijdsgenoten en een verhoogde kans (1,3 voor cannabis, 1,5 voor xtc) op de intentie te gaan gebruiken het komende jaar.
4.5 Samenvatting Als jongvolwassenen een positieve attitude hebben ten aanzien van drugs, dan hebben ze het vaakst een positieve attitude ten aanzien van cannabis, xtc en tripmiddelen. Voor andere drugs komt een positieve attitude maar weinig voor. De attitude voor de verschillende drugs is positiever onder gebruikers. De ruime meerderheid van de niet-gebruikers heeft namelijk geen positieve attitude voor drugs, met uitzondering van cannabis. Eén op de vijf niet-gebruikers heeft ondanks dat ze zelf niet gebruiken een positieve attitude ten aanzien van cannabis. Een positieve attitude hangt sterk samen met de intentie om drugs te gebruiken. 24
Het aantal negatieve verwachtingen is het hoogst bij niet-gebruikers, maar ook gebruikers hebben negatieve verwachtingen. Het grootste deel blijft ondanks negatieve verwachtingen gebruiken, de positieve verwachtingen wegen zwaarder. De aanwezigheid van positieve verwachtingen hangt 5 tot 6 keer sterker samen met de intentie om cannabis of xtc te gebruiken dan negatieve verwachtingen.
5. Normalisering
Jongvolwassenen die geen drugs gebruiken of geen intentie hebben om drugs te gebruiken noemen het meest persoonlijke redenen om dit niet te doen. De meest genoemde redenen om geen drugs te gebruiken zijn dat het niet bij zijn/haar leven past, dat iemand gezond wil leven en controle wil hebben. Drugsgebruik wordt beïnvloed door wat de directe omgeving vindt en doet. Wat jongvolwassenen denken dat ouders vinden hangt sterker samen met de intentie dan het al dan niet praten en afspraken maken. De grote meerderheid denkt dat ouders een negatieve houding hebben ten aanzien van de meeste middelen. Een selecte groep denkt wel dat ouders niet negatief tegenover cannabisgebruik staan. Jongvolwassenen verwachten van vrienden een positievere houding ten opzichte van drugs dan van hun ouders, vooral ten aanzien van cannabis. De helft of meer geeft aan dat vrienden negatief zijn ten aanzien van drugs zoals speed, cocaïne, NPS, tripmiddelen en lachgas. Als jongvolwassenen zelf gebruiken geven ze bijna allemaal aan dat vrienden het oké vinden dat ze gebruiken. Daarnaast hebben gebruikers meer vrienden die zelf ook drugs gebruiken. Als vrienden het oké vinden (injunctieve norm) is er een verhoogde kans op gebruik. Als meer vrienden drugs gebruiken (descriptieve norm), verhoogt dit de kans op een positieve intentie.
Zowel bij cannabis als xtc wordt het gebruik door leeftijdsgenoten met name overschat door gebruikers van de specifieke drug zelf. Overschatting van de descriptieve norm verhoogt de kans op de intentie om drugs te gebruiken. Jongvolwassenen hebben een hoge eigen effectiviteit. Deze hangt niet samen met de intentie om te gebruiken. Als jongvolwassenen het laatste jaar een drug gebruikt hebben ligt de intentie om deze drug komend jaar te gaan gebruiken hoger. Als jongvolwassenen nooit drugs hebben gebruikt, verwachten ze dat ze dit komend jaar ook niet zullen gaan doen.
Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
Wanneer het gaat over normalisering van drugsgebruik, wordt het feitelijke gebruik vaak als (enige) maat genomen. Hierbij wordt uitgegaan van de theorie dat bij toename van gebruik de mate van normalisering toeneemt. De werkelijkheid is echter complexer en naast het recent en regelmatig gebruik zijn er nog meer factoren die invloed hebben op de mate van normalisering. In dit hoofdstuk worden de resultaten gepresenteerd die gerelateerd zijn aan de vijf dimensies van normalisering die door Parker e.a. (2002) geformuleerd zijn om de mate van normalisering te meten: experimenteren, recent en regelmatig gebruik, toegang en beschikbaarheid, sociale accommodatie en culturele accommodatie. Enerzijds zijn het factoren die bij kunnen dragen aan het ontstaan van normalisering, anderzijds geven de dimensies inzicht in de mate van normalisering. Uit de literatuur blijkt dat het belangrijk is om onderzoek naar normalisering gedifferentieerd te benaderen, waarmee wordt bedoeld dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende soorten drugs, de verschillende settings waarin gebruikt wordt, en de verschillende subgroepen jongeren en jongvolwassenen. Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’
5.1 Vijf dimensies van normalisering 5.1.1 Recent en regelmatig gebruik Het actuele gebruik is een belangrijke maat voor normalisering en dan met name de trend over de jaren heen. Aangezien de huidige monitor een nulmeting betreft, zijn er op dit moment geen resultaten beschikbaar over de ontwikkeling in tijd. Op basis van cijfers over recent (laatste maand) en regelmatig gebruik (tenminste maandelijks) wordt cannabis het vaakst gebruikt (resp. 24% en 20%). Voor wat betreft recent gebruik wordt cannabis gevolgd door xtc (12%), tripmiddelen (8%) en NPS (7%). Het regelmatig gebruik ligt bij de overige drugssoorten een stuk lager (≤4%). Bij alle drugssoorten ligt het recent gebruik hoger dan het regelmatige gebruik. Het verschil is relatief het grootst bij xtc.
25
40% 35% 30% 24%
25%
20%
20% 15%
3%
2%
2% 0,8%
2% 1%
0,2% 0,2%
ge ne es m id d
ele n
zo
am
nd e
fe ta m in
gh b
e
ele n tri pm id d
co
ca ïne
m dm a xt c/
ca nn
ab is
0%
4%
1% 1%
he ro ïn e
4%
pt
4%
7%
rr ec e
8%
lac h
4%
5%
6%
NP S
10%
ga s
12%
Middel recent gebruikt (laatste maand)
Middel regelmatig gebruik t (tenminste maandelijks)
Figuur 5.1 Percentage jongvolwassenen dat recent (laatste maand) drugs heeft gebruikt of regelmatig (tenminste maandelijks) drugs heeft gebruikt