B2c Addendum bij regionaal handelingsperspectief woonwagenbeleid Noordoost Brabant.pdf
Tekst van het document
Addendum Bij het Regionaal Handelingsperspectief woonwagenbeleid in Noordoost Brabant, 30 juli 2020
Nadere duiding van een voorstel Bij de behandeling van het Regionaal handelingsperspectief door de colleges van de 17 betrokken gemeenten is gebleken dat enkele colleges moeite hebben met het op de juiste wijze duiden van voorstel zeven. Voorstel zeven in het Regionaal handelingsperspectief luidt: “Mocht de gemeten behoefte aanleiding zijn voor het realiseren van extra standplaatsen dan zal in eerste instantie gekeken worden of op de bestaande woonwagenlocaties nog extra standplaatsen mogelijk zijn. Mocht dat niet het geval zijn en is er dus behoefte aan een nieuwe woonwagenlocatie dan zal eerst gekeken worden of dit binnen de eigen gemeente mogelijk is. Lukt dit niet dan wordt in regionaal verband gekeken naar gemeenten waar het aantal standplaatsen nu lager is dan gemiddeld in de regio. Voor Noordoost Brabant wordt uitgegaan van 1,3 standplaatsen per 1.000 woningen. De gedachte daarachter is om elkaar daarbij op regionaal niveau te helpen. Als dit aan de orde is brengt de betreffende gemeente dit in bij het regionale portefeuillehoudersoverleg wonen. Daarin wordt de casus besproken en welke gemeente(en) de behoefte over zouden kunnen nemen.
Daar waar mogelijk wordt rekening gehouden met de familieverbanden van woonwagenbewoners op de huidige en toekomstige woonwagenlocaties.” Met bovenstaand voorstel wordt bedoeld dat elke gemeente aan de hand van het uit te voeren gemeentelijke behoefteonderzoek serieus aan de slag gaat met de eventueel benodigde extra standplaatsen. Deze extra standplaatsen worden in eerste instantie binnen de eigen gemeente gezocht. De verwachting is dat de standplaatszoekende bij voorkeur in de eigen gemeente wil wonen. Wanneer een gemeente geen ruimte heeft om de extra standplaatsen aan te leggen, maakt zij dat kenbaar bij haar regiogemeenten. Vanuit de solidariteitsgedachte wordt daarbij een beroep gedaan op gemeenten waar wel ruimte is om standplaatsen aan te leggen, waarbij als eerste de gemeenten die lager dan het gemiddeld aantal standplaatsen per 1.000 woningen (per maart 2020) worden aangesproken. Dit betekent dus niet dat gemeenten die nu meer dan het gemiddeld aantal standplaatsen per 1.000 woningen hebben geen standplaatsen hoeven aan te leggen of zelfs af mogen bouwen. Dit betekent ook niet dat per definitie elke gemeente tot het gemiddeld aantal standplaatsen moet komen. Het nog uit te voeren behoefteonderzoek is hierin leidend.
Aanvulling op een voorstel Over de wijze van inschrijven is juridisch advies gevraagd aan BZK. Op basis daarvan moet ten aanzien van voorstel een en twee over het centraal inschrijven worden aangevuld dat elke woonwagenstandplaatszoekende zich in moet kunnen schrijven. Vervolgens kan voorrang verleend worden aan die zoekenden die via het afstammingsbeginsel aan kan tonen dat hij of zij woonwagenbewoner is.
1
Woningbouwcorporaties Het regionaal handelingsperspectief is door de tien betrokken woningbouwcorporaties onderschreven. Dit betreft de volgende corporaties: Area, Brabantwonen, Charlotte van Beuningen, JOOST, Mooiland, Peelrandwonen, Stichting Woonveste, Wonen Vlieringsbeek, Woonmeij, Zayaz.
November 2020
2