CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

B1b Bijlage 1 Regionale Woondeal Noordoost Brabant.pdf

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Stukken van het college van burgemeester en wethouders16.374 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Regionale Woondeal Noordoost-Brabant De start van een intensieve(re) samenwerking. Samen krijgen we meer gedaan!

OSS

‘S-HERTOGENBOSCH HEUSDEN

BERNHEZE

VUGHT

MAASHORST

SINTMICHIELSGESTEL

LAND VAN CUIJK

MEIERIJSTAD BOXTEL

T E R O N D ERTE K E N I N G 9 M A A RT 20 23

BOEKEL

Deelnemers GEMEENTE BOEKEL

2

Inhoudsopgave Deelnemers

2

Vooraf

4

Woningbouwopgave

4

Regionale Woondeal voor Noordoost-Brabant

5

Rollen en verantwoordelijkheden

6

Aandachtspunten bij deze woondeal

6

1.

Woningbouw

8

1.1

De woningbouwopgave

8

1.2

Betaalbaarheid

10

1.2.1

Sociale huurwoningen

10

1.2.2

Middenhuur en betaalbare koopwoningen

11

2.

Woningbouwlocaties

13

2.1

Prioritaire woningbouwlocaties

13

3.

Mogelijkheden tot versnellen van de woningbouwopgave

15

3.1

Flexwoningen

15

3.2

Herstructurering en transformatie

16

4.

Huisvesting aandachtsgroepen

17

4.1

Woningbouw voor Ouderen en verpleegzorgplekken

17

4.2

Woningbouw voor jongeren en starters

18

4.3

Woningbouw voor opvang en migratie

18

5.

Overige thema’s

20

5.1

Duurzame en toekomstbestendige bouw

20

5.2

Ruimtelijke ordening

20

5.3

Vakantieparken

22

6.

Samenwerking en sturing

23

6.1.

Monitoring en bespreking voortgang

23

6.2.

Belemmeringen oplossen en besluiten nemen

24

6.3

Overlegstructuur in Noordoost-Brabant

24

Regionale Versnellingstafel

24

7.

Kritische succesfactoren en ondersteuning vanuit Rijk en provincie

26

8.

Ondertekening Regionale Woondeal Noordoost-Brabant

30

Bijlage 1: Rollen en verantwoordelijkheden

33

Bijlage 2: Definities/omschrijvingen

35

Bijlage 3: Toelichting vanuit BZK over de sociale huurwoningen d.d. 15 november 2022

37

Bijlage 4: Diverse informatie ter onderbouwing van de gemaakte afspraken

38

Bijlage 5: Gemeentelijke woningbouwprogramma’s

40

Bijlage 6: Prioritaire woningbouwlocaties

51

Bijlage 7: Contouren financiële herplaatsingsgarantie voor flexwoningen

53

3

Vooraf In de regio Noordoost-Brabant werken we samen aan een gezonde, leefbare en sterke regio. Een gebied in balans met een hoogstedelijk centrum, een fijnmazig netwerk van stedelijke knooppunten, landelijke kernen en een groenblauw mozaïeklandschap. Kwaliteit van leven en een brede welvaart staan hierin voorop. Noordoost-Brabant heeft van oudsher een stevige positie in de wereld van agrifood. Waar aanpakkers en doorzetters wonen, werken en leven. Die van schrale grond een bloeiende, vruchtbare regio hebben gemaakt. Een regio waar de hechte community centraal staat. Niet voor niets is hier al generaties lang een groot aantal familiebedrijven gevestigd, zoals Jumbo, Hendrix Genetics, Hutten en Sligro. Nergens anders is de voedselketen zó compleet en hoogwaardig als hier. Van boer tot bord: we hebben alles in huis. Werken doen we met handen, hoofd én hart. We kleuren graag buiten de lijntjes. Data en slimme technologieën bieden kansen voor nieuwe, duurzame manieren van voedsel maken én eten. In onze regio raken agrifood en hightech dan ook meer en meer met elkaar verweven. Samenwerken loont: Noordoost-Brabant is de zesde economische regio, van de 40 regio’s, in Nederland. Agrifood is hier dé economische motor. Het draait niet meer om groot en sterk zijn, maar juist om duurzaam, slim en vooral wendbaar zijn. Dit geldt ook voor onze woningbouwopgave.

Als we de zesde economische regio van Nederland willen blijven, dan moeten we voldoende woningen bouwen die passen bij de behoeften.

Woningbouwopgave Om het woningtekort terug te dringen tot een gezond evenwicht, wordt met het programma Woningbouw tot en met 2030 nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (midden huurwoningen en betaalbare koopwoningen) nodig. Gemeenten, provincies en het Rijk maken afspraken over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen. Het Rijk en de provincie Noord-Brabant hebben in oktober 2022 afspraken gemaakt over het provinciale aandeel in de Nationale opgaven. Het provinciaal aandeel is 130.600 woningen. Op 30 juni 2022 hebben Minister Hugo de Jonge, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Woonbond en Aedes de Nationale Prestatieafspraken ondertekend. Voor corporaties ligt in die prestatieafspraken een opgave vast voor de bouw van 250.000 sociale huurwoningen en 50.000 midden huurwoningen tot en met 2030. In deze Regionale Woondeal Noordoost-Brabant wordt een regionale doorvertaling gemaakt naar gemeenten en corporaties van de gemaakte afspraken tussen Rijk en provincie en tussen Rijk en corporaties.

4

Regionale Woondeal voor Noordoost-Brabant Ook in onze regio is het huidige woningtekort groot. Het is daarom noodzakelijk dat we de komende jaren versneld meer woningen gaan bouwen. Belangrijk aan deze opgave is dat er woningbouw bijkomt voor verschillende doelgroepen, waaronder jongeren, ouderen en statusouders. De regio Noordoost-Brabant staat voor zeer ambitieuze wonen-opgaven. Uit deze woondeal blijkt dat er ruim voldoende plannen zijn voor woningbouw, ook in het betaalbare segment. Onze inzet is er daarom vooral op gericht om bestaande plannen daadwerkelijk en sneller te realiseren. Daarop ligt het accent, zeker gezien het terugvallende bouwtempo vandaag de dag. Het is alle hens aan dek om het tempo erin te houden. Er zijn genoeg kansen en met intensieve(re) samenwerking krijgen we meer gedaan. Daarnaast zijn alle partijen zich ervan bewust dat er veel factoren zijn die voor extra uitdagingen zorgen en die we met elkaar te managen hebben om de gewenste versnelling tot stand te brengen. Denk daarbij aan kwalitatieve en kwantitatieve capaciteit van mensen en materialen bij alle partijen, ruimtelijke ordening procedures, stikstof, economische omstandigheden, energieaansluitingen, wet -en regelgeving, stapeling van ambities en/ of beleid, nieuwe wet- en regelgeving et cetera. Partijen gaan gezamenlijk op zoek naar oplossingen voor deze uitdagingen.

Juist hierin zit de kracht van samenwerking, iedereen vanuit een eigen expertise maar samen voor integrale oplossingen en de gewenste versnelling. Deze woondeal zien we dan ook als een inspanningsverplichting met elkaar en naar elkaar (één overheid in samenwerking met de woningcorporaties) om versneld meer woningen te kunnen bouwen, elkaar te ondersteunen en te versterken. Met daarbij focus op de realisatie van bestaande plannen en meer sociale en betaalbare woningbouw als uitgangspunt. Om deze prestaties te kunnen leveren, hebben we het door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties (BZK) aangereikte format gebruikt om overzicht en inzicht te bieden in de woningbouwprogrammering van de regio en te laten zien hoe we als regio bijdragen aan de landelijke opgaven. Hiermee wordt ook duidelijk dat de regio Noordoost-Brabant een substantiële bijdrage wil leveren met de bouw van bijna 34.000 woningen, waarvan ca. 22.300 betaalbaar en waaronder ca. 10.000 sociale huurwoningen. Papier is geduldig. In de praktijk blijkt dat versnelling in de woningproductie veel inzet vraagt en op sommige vlakken ook beperkt beïnvloedbaar is. Gemeenten en corporaties zetten daarom in samenspraak met de provincie en het Rijk, alle beschikbare instrumenten en middelen zo slim mogelijk in om de noodzakelijke versnelling te realiseren.

Dat kan via financiële ondersteuning, maar even zo goed via aanpassing van wet- en regelgeving, contractuele of procedurele afspraken en/of gemeentelijk beleid. Het bouwen van “de juiste woning op de juiste plek” is uiteraard alleen mogelijk als ook opgaven rondom o.a. de mobiliteitstransitie, werklocaties, klimaatrobuustheid en vergroening in samenhang invulling krijgen. Met de realisatie van de opgave wordt ook (deels) uitvoering gegeven aan het concept Ontwikkelperspectief Stedelijk Brabant door programmatische en gebiedsgerichte afspraken te maken voor de periode tot en met 2030.

5

De afspraken in deze woondeal moeten ervoor zorgen dat de woningbouw niet wordt belemmerd maar juist wordt bevorderd en versneld. Daarom zijn het flexibele afspraken. Gedurende de looptijd worden de afspraken voortdurend gemonitord en periodiek geactualiseerd. De woondeal is dus een adaptief document. De in voorbereiding Wet Versterken regie Volkshuisvesting en de invoering van de (aangepaste) Omgevingswet kunnen er echter wel toe leiden dat enkele afspraken herzien moeten worden. We zien deze woondeal als een start van een jarenlange samenwerking om de woningbouwproductie in onze regio te vergroten en te versnellen. De gemeenten Bernheze, Boekel, Boxtel, Heusden, Land van Cuijk, Maashorst, Meierijstad, Oss, ’s-Hertogenbosch, Sint-Michielsgestel en Vught, de woningcorporaties Area, Brabant Wonen, Charlotte van Beuningen, Mooiland, Peelrandwonen, JOOST, Wonen Vierlingsbeek, Woonmeij, Woonveste, Woonzorg Nederland en Zayaz, provincie Noord-Brabant en het Rijk werken de komende jaren samen aan de uitwerking van de circa 40 afspraken in deze regionale woondeal. In het nog op te stellen uitvoeringsprogramma maken we concreet welke afspraken we nog uit moeten werken.

Rollen en verantwoordelijkheden Eén overheid: gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de versterking van de regie op de woningbouw en het realiseren van de woningbouwopgave. Alle overheidslagen dragen bij aan de woningbouwopgave vanuit hun specifieke rol in aansluiting op het Huis van Thorbecke, en wet- en regelgeving zoals de Woningwet, de Huisvestingswet, de Wet Ruimtelijke Ordening en de toekomstige Omgevingswet. In aansluiting daarop herbevestigen we ieders rol en verantwoordelijkheden in bijlage 1.

Aandachtspunten bij deze woondeal De afspraken in deze woondeal zijn het startpunt voor intensieve(re) samenwerking tussen gemeenten, corporaties, provincie en het Rijk. Met deze samenwerking zorgen partijen ervoor dat ze de ambities uit de woondeal (versneld) realiseren. Over een aantal onderwerpen zijn inhoudelijke afspraken gemaakt, maar er zijn ook onderwerpen die om meer voorwerk en uitwerking vragen. Daarom is er ook een aantal procesafspraken gemaakt die vanaf 2023 een nadere invulling krijgen, bijvoorbeeld de Woonzorgvisies van gemeenten. Bestuurders hebben met elkaar afgesproken dat uitgegaan wordt van de informatie die ook met de gemeenteraad is gedeeld. Op deze manier is er consistentie tussen alle informatiestromen. We zijn ons ervan bewust dat er op diverse tafels binnen en buiten de regio gesproken wordt over de woningbouwopgave, zowel kwantitatief als kwalitatief. Deze woondeal staat daarom niet op zichzelf en houdt dus ook niet op bij de regiogrens van Noordoost-Brabant. We blijven de verbinding met anderen zoeken en houden. Onze regio werkt samen en is afhankelijk van andere regio’s. We staan niet op onszelf, maar hebben andere regio’s nodig. Voor deze woondeal is het echter wel van belang om onze focus te hebben op de regio Noordoost-Brabant. Voorbeeld van een gemeente met meerdere regio’s is het Land van Cuijk.

Dat is een gemeente met vele kernen en is polycentrisch van opbouw. Het noordelijk deel van de gemeente is sterk gericht op Nijmegen en het zuidelijk deel is meer gericht op Noord-Limburg. Door de regionale

6

bestuurlijke structuur is de gemeente Land van Cuijk onderdeel van de regio NoordoostBrabant (RNOB). In de praktijk grenst de gemeente echter aan meerdere regio’s en komt het ‘daily urban system’ op het gebied van de woningmarkt niet per definitie overeen met de regionale samenwerkingsstructuur in Noordoost-Brabant. De provincie benadrukt (nogmaals) dat zij al geruime tijd niet meer met woningbouwcontingenten werkt, maar overeenkomstig de richtinggevende principes uit de Brabantse agenda Wonen “ruim baan maakt voor ‘goede woningbouwplannen’, die aansluiten op een actuele vraag en snel in aanbouw kunnen worden genomen”. En als het kan en in lijn met het genoemde ‘ruim-baan-principe’, mag de bouwproductie de komende jaren ook hoger liggen dan de vigerende prognoses aangeven, zodat bestaande woningtekorten in Noord-Brabant waaronder ook in Noordoost-Brabant versneld kunnen worden teruggedrongen. We respecteren vanzelfsprekend bestaande wet- en regelgeving en zorgen voor een goede ruimtelijke ordening en toepassing van de Ladder duurzame verstedelijking bij nieuwe locatieontwikkelingen. Afstemming over nieuwbouwplannen blijft vooralsnog plaatsvinden in de regionale kopgroep Wonen van de RNOB. Gemeenten zorgen, in lijn met de Nationale prestatieafspraken, voor voldoende ondersteuning en locaties om de afgesproken aantallen sociale huurwoningen daadwerkelijk te realiseren.

Bij het tekenen van deze woondeal zijn partijen zich ervan bewust dat bij gemeenten de vigerende woonvisies af kunnen wijken van de afspraken in deze regionale woondeal. Het is aan de gemeenteraden om het lokale beleid in lijn te brengen met de afspraken in deze regionale woondeal. Peildatum van de informatie in deze woondeal is 12 december 2022. Ten aanzien van de prijsgrens van middenhuur wordt het woningwaarderingsstelsel gevolgd. De regulering van het middensegment gaat gelden tot 187 punten conform het woningwaarderingsstelsel (€ 1.026,- euro; prijspeil januari 2023). Het woningwaarderingsstelsel wordt jaarlijks geïndexeerd met inflatie en komt naar verwachting uit op € 1.100,- bij inwerkingtreding van de middenhuurregeling in 2024. Alle informatie in deze woondeal heeft prijspeil 2022, vandaar dat deze huurgrens nog niet is verwerkt in de tabellen of in de tekst.

7

1

Woningbouw 1.1 De woningbouwopgave We werken aan een gezamenlijke opgave. Om het huidige woningtekort aan te pakken is het noodzakelijk om de komende jaren het bouwtempo flink te versnellen en meer woningen bij te bouwen. In heel Nederland zijn tot en met 2030 in totaal 900.000 nieuwe woningen nodig. 130.600 van deze woningen moeten worden gerealiseerd in Noord-Brabant. Er is een grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland. Om aan te sluiten bij die grote behoefte streven we ernaar dat twee derde (600.000 van de 900.000) van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen1, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max van € 1.000,- per maand en koopwoningen tot onder de € 355.000,- (prijspeil 2022). In de provincie Noord-Brabant wordt gestreefd naar ca. 87.000 betaalbare huur- en koopwoningen. De opgave voor de regio Noordoost-Brabant behelst de realisatie van 33.425 woningen tot en met 2030. Hiervan moeten 22.270 betaalbare woningen (67%) worden gerealiseerd, waarvan 10.020 sociale huurwoningen (30% van het totaal). De regio Noordoost-Brabant zet zich hiervoor, in samenwerking met de corporaties, in. Naast de partijen in deze regionale woondeal zijn er ook andere partijen die een grote rol spelen bij de realisatie van de afspraken.

Markt- en zorgpartijen worden dan ook van harte uitgenodigd om aan tafel te komen en samen te werken aan de realisatie van de opgaven.

De plannen in Noordoost-Brabant In de regio Noordoost is er op dit moment (peildatum is december 2022) voor de periode tot en met 2030 plancapaciteit voor ruim 41.000 woningen. In tabel 1 wordt per gemeente de aantallen woningen in de plannen weergegeven, waarbij ook per gemeente de huidige woningvoorraad is opgenomen.

Tabel 1: per gemeente de huidige woningvoorraad en het aantal woningen in plannen tot en met 2030 Gemeente

woningvoorraad

in %

aantal woningen in de plannen:

per 1/1/2022 *

in %

2022 tot en met 2030

Bernheze

13.239

4%

2.485

6%

Boekel

4.473

2%

830

2%

Boxtel

14.695

5%

1.810

4%

Heusden

19.706

7%

2.435

6%

Land van Cuijk

39.769

13%

4.180

10%

Maashorst

25.864

9%

3.240

8%

Meierijstad

35.845

12%

6.695

16%

Oss

41.601

14%

5.215

13%

’s-Hertogenbosch

74.218

25%

11.120

27%

Sint Michielsgestel

12.529

4%

1.135

3%

Vught

13.967

5%

2.100

5%

totaal

295.906

100%

41.245

100%

*bron: ONS, Regionale woningmarktmonitor 2022.  In bijlage 2 is de definitie van een sociale huurwoning aangegeven, zoals deze in de consultatieversie van de Wet Versterken regie Volkshuisvesting wordt opgenomen

1

8

Deze plancapaciteit van 41.245 woningen ligt met 123% boven de geambieerde nieuwbouw van 33.425 woningen. Ook ten aanzien van de opgave voor betaalbare woningen en het deel sociale huurwoningen zijn er in deze regio voldoende plannen (zie tabel 2).

Tabel 2: woningbouwopgave versus aantallen in de plannen (peildatum december 2022) opgave

in de plannen

in %

Betaalbare woningen

22.270

28.265

127%

waarvan sociale huurwoningen

10.020

12.370

123%

Overige woningen

11.155

12.980

116%

33.425

41.245

123%

totaal

In theorie zijn er dus voldoende plannen. Hoewel de hardheid van plannen in de tijd terugloopt, zie tabel a in bijlage 4. Voor de eerste vijf jaren is dat gemiddeld 50%, zie tabel 3. Het is voor de korte termijn belangrijk om zachte plannen voor de komende twee à drie jaar 100% hard te maken en de harde plannen versneld uit te voeren.

Tabel 3: status van de plannen in de eerste vijf jaar 2022-2026

in de plannen

waarvan hard

Betaalbare woningen

17.840

41%

waarvan sociale huurwoningen

8.310

45%

Overige woningen

8.610

69%

26.450

50%

Totaal

Een plan is hard wanneer het een vastgesteld of onherroepelijk bestemmingsplan heeft.

Overigens wil het hebben van een hard plan niet automatisch betekenen dat er dan ook meteen woningen worden gerealiseerd. Tegen een vastgesteld bestemmingsplan kan nog beroep worden ingesteld en partijen moeten vaak ook nog een omgevingsvergunning aanvragen. Veelal kunnen bouwers niet worden gedwongen om deze vergunning aan te vragen en te starten met de bouw. Het aandeel harde plancapaciteit is niet in elke gemeente even hoog, in tabel b in bijlage 4 is het aandeel harde plancapaciteit voor de jaren 2022 tot en met 2026 per gemeente weergegeven.

9

1.2 Betaalbaarheid Deze regio zet zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van 33.425 woningen tot en met 2030. Hiervan zijn er 22.270 betaalbare woningen (67%), waarvan 10.020 sociale huurwoningen (30%).

Tabel 4: regionaal aandeel betaalbaarheid in de plannen jaar van

bruto

sociale

huurwoningen

koopwoningen

totaal

oplevering

nieuwbouw

huurwoningen

vanaf de sociale

onder de

betaalbare

(te realiseren

huurgrens tot

€355.000

woningen

woningen)

€1.000 per maand

2022

2.720

865

185

585

1.635

2023

4.430

1.580

370

895

2.845

2024

7.465

2.180

720

2.125

5.025

2025

6.240

1.910

815

1.650

4.375

2026

5.605

1.780

730

1.465

3.975

2027-2030

14.785

4.055

1.945

4.415

10.415

TOTAAL

41.245

12.370

4.765

11.135

28.270

30%

12%

27%

69%

In de plannen bij de gemeenten zijn ca 12.370 sociale huurwoningen opgenomen. Dit is 30% van de geplande bruto nieuwbouw. Het totaal aandeel betaalbare woningen is 69% van de bruto plancapaciteit. Voor beide woningbouwcategorieën zijn in theorie voldoende plannen beschikbaar ten opzichte van de opgave. Maar het aandeel harde plancapaciteit is zeer laag, tot 48% in 2024 (zie tabel c in bijlage 4).

1.2.1 Sociale huurwoningen In het beleidsprogramma ‘Een thuis voor iedereen’ is opgenomen dat via de regionale woningbouwprogrammering de nieuwbouw van sociale huurwoningen zo wordt ingepland dat wordt toegewerkt naar een meer evenwichtige verdeling van de woningvoorraad. Het streven is 30% sociale huurwoningen in de woonvoorraad. Zo wordt regionaal gekomen tot een betere balans in de woningvoorraad, waarbij ook het uitgangspunt is dat het aantal sociale huurwoningen in de regio voldoet aan de totale behoefte aan deze woningen.

10

In Noordoost-Brabant is de sociale woningvoorraad (2022) van de corporaties per gemeente als volgt:

Tabel 5: huidige aandeel sociale huurwoningen in bezit bij corporaties per gemeente Gemeente

aantal sociale

% sociale huurwoningen

huurwoningen

corporaties in totale

bij corporaties

voorraad

Bernheze

2.380

18,0%

Boekel

626

14,0%

Boxtel

3.783

25,7%

Heusden

4.812

24,4%

Land van Cuijk

8.505

21,4%

Maashorst

6.236

24,1%

Meierijstad

6.983

19,5%

Oss

11.106

26,7%

's-Hertogenbosch

24.702

33,3%

Sint Michielsgestel

1.892

15,1%

Vught

3.338

23,9%

TOTAAL

74.363

25,1%

Bron: Regionale Woningmarktmonitor 2022, peildatum 1-1-2022, aangevuld met gegevens vanuit Boekel.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er gemiddeld 25,1% sociale huurwoningen ten opzichte van de bestaande voorraad (peildatum 2022) zijn in Noordoost-Brabant. Er is duidelijk te zien dat er grote verschillen zijn tussen de gemeenten. Daarnaast gaat het hier enkel om de sociale huurwoningen die in bezit zijn bij corporaties. Het is dus mogelijk dat het percentage aan sociale huurwoningen in de bestaande voorraad hoger is dan in tabel 5 is aangegeven. Sociale huurwoningen in de plannen Uit tabel 4 blijkt dat er regionaal gezien 30% sociale huurwoningen in de plannen is opgenomen. Het aandeel sociale huurwoningen per gemeente is zeer verschillend. In tabel d in bijlage 4 is aangegeven hoeveel sociale huurwoningen elke gemeente in haar plannen heeft opgenomen tot en met 2030. Daar is te zien dat nog niet elke gemeente uitgaat van 30% sociale huurwoningen in haar nieuwbouwopgave.

1.2.2 Middenhuur en betaalbare koopwoningen Om te zorgen dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen zijn tot en met 2030 nationaal 350.000 betaalbare koop- en midden huurwoningen nodig. In het beleidsprogramma ‘betaalbaar wonen’ is dan ook opgenomen dat 40% van de nieuwbouw dient plaats te vinden in deze segmenten. Het provinciale aandeel in deze nationale opgave is 87.000 midden huurwoningen en betaalbare koopwoningen (tot € 355.000,-). Vertaald naar de regio Noordoost-Brabant is de opgave 12.250 midden huurwoningen en betaalbare koopwoningen.

11

Op dit moment zijn ca 4.730 midden huurwoningen en ca 10.620 betaalbare koopwoningen in de plannen opgenomen. Uit tabel c in bijlage 4 blijkt dat het aandeel harde plancapaciteit ook voor de midden huurwoningen en betaalbare koopwoningen erg laag is (gemiddeld 25% en 24%). De corporaties geven aan dat zij de ambitie hebben om naar rato van de nationale prestatieafspraken midden huurwoningen te realiseren, dit zijn vooralsnog 2.300 geplande midden huurwoningen. In bijlage 5 is informatie over de woningbouwopgave per gemeente beschikbaar.

We spreken over de woningbouwopgave en het onderdeel betaalbaarheid het volgende af: 1.  Partijen spreken af dat zij zich inspannen om tot en met 2030 ca 33.425 woningen in Noordoost-Brabant te realiseren. Hiervan zijn ca 22.270 betaalbare woningen en daarvan zijn ca 10.020 sociale huurwoningen. 2.  Om dit voor elkaar te krijgen, streven zij naar voldoende plancapaciteit (regionaal 130% van de opgave) en zorgen gemeenten ervoor dat deze op tijd ‘hard’ is (steeds drie jaar vooruit 100% harde plancapaciteit). Dit is mogelijk door bestaande plannen in tijd naar voren te halen en nieuwe plannen voor te bereiden. 3.

Partijen prioriteit geven aan projecten die snel en relatief makkelijk te realiseren zijn.

4.  Partijen geen harde plannen gaan openbreken wanneer dit niet leidt tot een versnelling van de opgave en of extra woningen in het betaalbare segment. 5.  Partijen in de eerste helft van 2023 aangeven welke projecten in tijd naar voren gehaald kunnen worden. 6.  De provincie Noord-Brabant de komende jaren ruim baan geeft aan de goede woningbouwplannen om het woningtekort terug te dringen. 7.  Partijen verhogen het aandeel betaalbaarheid in de nieuwbouwopgave tot 67% voor zover mogelijk en wenselijk, waarbij vooral de nadruk ligt op sociale huurwoningen (minimaal 30%) en de midden huurwoningen. Voor plannen waar per 1 juli 2023 nog geen ontwerp bestemmingsplan, omgevingsplan of anterieure overeenkomst is, geldt in beginsel dat zij een bijdrage moeten leveren aan het verhogen van het aandeel betaalbare woningen in de totale nieuwbouwopgave. 8.  In gemeenten waar het huidige sociale huuraandeel (peildatum 2022) in de woonvoorraad onder de 30% ligt, maken gemeente en corporatie(s) in 2023 afspraken om het aandeel sociale huurwoningen in de plannen te verhogen. Hierbij wordt rekening gehouden met de samenstelling van de huidige woningvoorraad. De ambitie van partijen is wel dat vanaf 2024 minimaal 30% van de nieuwbouw als sociale huurwoning wordt gerealiseerd.

9.  Gemeenten waar het huidige sociale huuraandeel (peildatum 2022) boven de 30% ligt, zorgen partijen ervoor dat dit percentage niet daalt. 10.  Partijen zetten zich in om zoveel mogelijk van de sociale huurwoningen door corporaties te laten realiseren. 11.  In de Nationale Prestatieafspraken is opgenomen dat het aantal woningen met een huurprijs tot € 575,03 (prijspeil 2023) in de totale corporatievoorraad niet afneemt. Corporaties zorgen ervoor dat dit aandeel sociale huurwoningen in de regio tot en met minimaal 2025 minimaal 36% blijft. 12.  Ten aanzien van de midden huurwoningen spreken partijen af dat corporaties zich inspannen om 2.300 woningen te realiseren. In 2023 werken partijen uit in welke gemeenten deze huurwoningen gerealiseerd worden. Daarnaast gaan partijen in 2023 met elkaar in overleg om te onderzoeken of corporaties dit aandeel kunnen vergroten.

12

2

Woningbouwlocaties 2.1 Prioritaire woningbouwlocaties Partners focussen op gebieden waar een groot aandeel van de regionale opgave gerealiseerd gaat worden. Deze aandacht draagt ertoe bij dat de productie van voldoende omvang is en waar mogelijk versneld wordt. Voor deze kansrijke gebiedsontwikkelingen kunnen ondersteunende middelen en instrumenten vanuit het Rijk en de provincie worden ingezet (zie hoofdstuk 7). Deze woningbouwlocaties zijn dus belangrijk voor de versnelling van de opgave. De woningen kunnen binnen drie jaar worden gerealiseerd. De locaties dragen bij aan het gewenste betaalbare programma. De projecten verschillen in omvang en planologische status. In totaal worden met deze prioritaire locaties minimaal 20.270 woningen gerealiseerd, dit is 61% van de regionale opgave van 33.425 woningen. De overige woningen worden na 2026 gerealiseerd of hebben (vooralsnog) geen extra aandacht nodig omdat de ontwikkeling voortvarend gaat. Het gaat in Noordoost-Brabant om de volgende categorieën2: 1.

NOVEX- grootschalige woningbouwlocaties: Spoorzone, gemeente ’s-Hertogenbosch (Rijksbijdrage is 96 miljoen euro en valt uiteen in twee onderdelen, namelijk 36,1 miljoen euro voor stedelijke infra-en mobiliteitsmaatregelen en 60 miljoen euro voor OV knooppunt station Den Bosch).

2A

Locaties die gelden ontvangen vanuit de Woningbouwimpuls: Weijen-west fase 1 en fase 2/5, gemeente Bernheze (Rijksbijdrage is 1,2 miljoen euro).

2B

3.

Locaties die gelden ontvangen vanuit het Mobiliteitsfonds: a.

Stationskwartier Ravenstein, gemeente Oss (Rijksbijdrage is 4 miljoen euro).

b.

Station Oost, gemeente ’s-Hertogenbosch (Rijksbijdrage is 13,4 miljoen euro).

Locaties die aan minimaal drie van de vier criteria voldoen:

van voldoende omvang zijn (>50 woningen), waar binnen 3 jaar (tot en met 2025) de eerste woningen op geleverd kunnen worden, die bijdragen aan het betaalbare programma van de opgave en of die regionale betekenis hebben (samenhang Ontwikkelperspectief en mobiliteit). 4.

Locaties die gezamenlijke denkkracht of een duwtje in de rug nodig hebben om tot versnelling te komen, maar niet voldoen aan de criteria onder punt drie.

Deze lijst is een momentopname en is niet statisch. Er kunnen gedurende de looptijd van de woondeal plannen afvallen en bijkomen. In bijlage 6 zijn de locaties opgenomen die gemeenten hebben aangedragen en voor nu voldoen aan bovenstaande criteria. Per locatie is de globale ligging aangegeven en zijn enkele kritische succesfactoren opgenomen. Deze locaties worden, via nog op te richten versnellingstafels (zie hoofdstuk 6) nauw gemonitord, daar waar nodig wordt extra capaciteit beschikbaar gesteld via de provincie en/of het Rijk, worden hinderfactoren weggenomen et cetera. Dit alles om ervoor te zorgen dat de woningen ook daadwerkelijk (snel) gerealiseerd worden. In de regio Noordoost-Brabant zijn veel kleine plannen. Zij behouden vanzelfsprekend hun waarde. De aandacht voor die plannen is primair lokaal. Wanneer het toch nodig blijkt te zijn hier vanuit de regio aandacht voor te hebben, kan dat door de betreffende gemeente worden ingebracht op de regionale Versnellingstafel.

2

Nog niet alle plannen zijn ruimtelijk getoetst en/of regionaal afgestemd.

13

We spreken ten aanzien van deze prioritaire woningbouwlocaties af dat: 13. Partijen zich inzetten voor realisatie van de eerste woningen op de prioritaire locaties voor 2026. 14. Partijen de prioritaire locaties en bijbehorende kritische succesfactoren in Q2 2023 nader beschouwen en de meest urgente locaties gezamenlijk bespreken op een nog in te richten regionale Versnellingstafel (nadere toelichting in hoofdstuk 6). 15. Partijen op vaste momenten gedurende het jaar plannen aan kunnen dragen die besproken worden op de Versnellingstafel. De governance van de Versnellingstafel wordt uiterlijk in Q2 2023 nader uitgewerkt.

14

3

Mogelijkheden tot versnellen van de woningbouwopgave Vanwege de grote urgentie van de opgave is het nodig dat woningen sneller worden gerealiseerd; sneller dan de gemiddelde tien jaar die nu landelijk gebruikelijk is. Het is daarom cruciaal dat er wordt gewerkt aan het sneller, slimmer en efficiënter inrichten van de processen en procedures die bij de realisatie van woningbouw van toepassing zijn. Hierbij bezien we het gehele bouwproces tot en met de bezwaarprocedure. In het recentelijk door het Rijk opgestelde Plan van Aanpak Versnellen processen en procedures woningbouw zijn daartoe al een aantal goede voorzetten gegeven.

We spreken af dat 16.  Partijen in 2023 samen onderzoeken of bepaalde processen en procedures met name in de voorbereidingsfase efficiënter doorlopen kunnen worden.

In bijlage 2 wordt verwezen naar een aantal onderzoeken en actieplannen die gericht zijn op het versnellen van o.a. processen en procedures. Naast het efficiënter inrichten van processen en procedures denken we ook dat het realiseren van flexwoningen en meer aandacht voor transformatie bij kan dragen aan het versnellen van de woningbouw.

3.1 Flexwoningen Flexibele of tijdelijke woningen kunnen relatief snel worden gerealiseerd en ook worden geplaatst op locaties die slechts tijdelijk beschikbaar zijn om te wonen. Daarmee helpt dit type woningen om de acute woningnood te verkleinen. Daarom wordt landelijk gestreefd te versnellen naar de realisatie van 15.000 flexwoningen per jaar (37.500 tot en met 2024). Hierbij wordt ingezet op kwalitatief hoogwaardige woningen. De regio zet zich in om hieraan een bijdrage van ca 3.500 flexwoningen tot en met 2030 te leveren. Dit aantal is onderdeel van de totale opgave, zoals opgenomen in tabel 1. Op dit moment heeft de regio voor 1.900 flexwoningen concrete plannen. Bijna elke gemeente is bezig met het plaatsen van tijdelijke woningen en op zoek naar locaties. De aantallen kunnen snel toenemen. In bijlage 4 (tabel e) is aangegeven hoeveel flexwoningen elke gemeente op dit moment in haar plannen heeft. Partijen zetten flexwoningen in om sneller woningen toe te voegen en woningzoekenden een thuis te bieden. Flexwoningen worden gezien als instrument om te versnellen. Het bouwen of plaatsen van een flexwoning is geen doel op zich. Ondanks dat flexwoningen tijdelijk zijn, zijn ze wel onderdeel van de regionale en gemeentelijke woningbouwplanning en -programmering. Flexwoningen voorzien, net als de meer reguliere woningbouw, in de woningbehoefte van huishoudens.

Omdat het woningen betreft op tijdelijke locaties stelt het Rijk een herplaatsingsgarantie beschikbaar (zie bijlage 6 voor een nadere duiding van deze garantie). Onderdeel van de herplaatsingsgarantie is dat gemeenten, regio en provincie ervoor zorgen dat er na de tijdelijke exploitatie in de betreffende gemeente, regio of provincie een volgende locatie beschikbaar komt voor de flexwoningen.

15

Op het moment dat de flexwoningen weer aan de voorraad worden onttrokken, bijvoorbeeld omdat de locatie niet langer beschikbaar is en de flexwoningen worden verplaatst, moet de betreffende woningbehoefte veelal wel weer op een andere wijze worden ingevuld. Op dat moment ligt er een nieuwe woningbouwopgave.

We spreken ten aanzien van flexwoningen af dat: 17.  Partijen nadrukkelijk aandacht hebben voor de inzet van flexwoningen om de bouwproductie te versnellen. 18.  Partijen in Q3 2023 tot een concreet uitvoeringsprogramma komen om tegemoet te komen aan de opgave van 3.500 flexwoningen tot en met 2030. Dit uitvoeringsprogramma gaat over o.a. de doelgroepen, aantallen, (kansrijke) locaties, samenwerking en monitoring van de opgave en verdeling van de risico’s bij eventuele herplaatsing van flexwoningen (zie ook de contouren van de herplaatsingsgarantie zoals die door het Rijk, Aedes en VNG is opgesteld in bijlage 6). 19.  Wanneer in gemeenten relatief grotere locaties flexwoningen worden gerealiseerd, zien partijen dit als een regionale opgave en is deze niet enkel voor de lokale behoefte.

3.2 Herstructurering en transformatie In het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid is aangekondigd dat er naast afspraken over woningbouw, ook afspraken over herstructurering worden gemaakt. Het gaat om technisch en ruimtelijk verouderde woningen in een teruglopende woonomgeving. Deze woningen sluiten niet aan op de lokale behoefte. In de herstructureringsopgave onderscheiden we drie categorieën: vervangende nieuwbouw, grootschalige renovatie en sloop. Gezien de grote opgave vinden partijen sloop zonder vervangende nieuwbouw niet gewenst tot en met 2030. Het regionale aandeel van deze opgave, voor zover deze in beeld is, betreft volgens de corporaties ca. 1.650 te herstructureren sociale huurwoningen tot en met 2030. Het zwaartepunt ligt hierbij op de vervangende nieuwbouw. Met het transformeren van vastgoed worden extra woningen gecreëerd. Daarnaast kan het bijdragen aan de vitaliteit van steden, dorpen en gebieden. Daarom wordt landelijk gestreefd naar de realisatie van 15.000 woningen door middel van transformatie per jaar. De opgave voor deze regio is nog niet inzichtelijk gemaakt.

We spreken ten aanzien van transformatie en herstructurering af dat: 20.  Partijen zich inspannen om de opgave ten aanzien van herstructurering en transformatie in 2023 in beeld te brengen en deze minimaal eens per jaar met elkaar te bespreken. 21.  Partijen zich inspannen om deze opgave gezamenlijk op te pakken en waar mogelijke gebruik te maken van de ondersteuningsmiddelen van het Rijk, zoals het Volkshuisvestingsfonds en van de provincie via het Ontwikkelbedrijf. 22.  Partijen wensen een betere aansluiting op de woningbehoefte en/of het verbeteren van de differentiatie in een wijk/buurt, waarbij partijen een verdere verdichting nastreven, rekening houdende met andere ruimtelijke opgaven.

16

4

Huisvesting aandachtsgroepen In lijn met het beleidsprogramma ‘Een thuis voor iedereen’ stellen alle gemeenten in een woondealregio in 2023 lokaal een integrale woonzorgvisie op die aansluit bij de regionale woningbouwprogrammering. Hiervoor maken gemeenten een analyse van zowel de woon-, de zorg- als ondersteuningsbehoefte van de aandachtsgroepen in de eigen gemeente (hoeveel mensen, welke aandachtsgroepen, wat is de woonbehoefte en wat is de eventueel langdurige ondersteuningsbehoefte). Op regionaal niveau vindt de afstemming over de woonopgave plaats. Voor de invulling van de bouwopgave, die voortvloeit uit de woonbehoefte van ouderen met een Wlz-indicatie, worden het Zorgkantoor en de zorgaanbieders betrokken. De woonzorgvisies binnen een regio vormen dus een invulling van de regionale afspraken over de verdeling van woningen, mensen uit diverse aandachtsgroepen en middelen. Ook aan de huisvesting van studenten wordt, in lijn met het Actieplan Studentenhuisvesting, aandacht gegeven. De provincie vervult een coördinerende rol in het afstemmingsproces en ziet erop toe dat de woonzorgvisies van de gemeenten congruent zijn met de gemaakte afspraken in deze woondeal. In deze woondeal wordt nog specifiek aandacht besteedt aan woningbouw voor ouderen en verpleegzorgplekken, woningbouw voor jongeren en woningbouw voor statushouders.

De andere aandachtsgroepen komen terug in de nog op te stellen woonzorgvisies. Wat betreft woonwagenstandplaatszoekenden heeft deze regio al separaat regionale afspraken gemaakt in een regionaal handelingsperspectief woonwagenbeleid in Noordoost-Brabant (22 december 2020). Over arbeidsmigranten worden ook in regionaal verband afspraken opgesteld en uitgewerkt maar dit verloopt met name via de regionale ‘Economie’ tafel.

4.1 Woningbouw voor Ouderen en verpleegzorgplekken Specifieke aandacht is nodig voor de ondersteuning van de woonbehoeften van ouderen. Door de vergrijzing zijn er over twintig jaar naar schatting in heel Nederland 1,6 miljoen 80+ers. Dat is twee keer zoveel als op dit moment. Er is een toenemende behoefte aan woningen die aansluiten bij de wensen van ouderen. In het beleidsprogramma ‘Wonen en zorg voor ouderen’ is aangekondigd dat er nationaal behoefte is aan 290.000 woningen geschikt voor ouderen. Het gaat om 170.000 nultredenwoningen, 80.000 geclusterde woonvormen en 40.000 geclusterde verpleegzorgplekken. Over deze woningen gaan partijen afspraken maken waarbij het Rijk financiële stimulansen gaat bieden ter bevordering van de realisatie van ontmoetingsruimten, geclusterde woonvormen en verpleegzorgplekken. Om medeoverheden te ontzorgen, komt er vanuit het Rijk een handreiking met informatie over geclusterde woonconcepten, volgt er een standaardisatietraject omtrent verpleegzorgplekken en wordt er een ondersteuningsstructuur opgetuigd voor de uitvoering. Deze acties worden vormgegeven met de betrokken koepelorganisaties. Voor ouderen die dat nodig hebben, blijft het verpleeghuis bestaan als mogelijkheid om wonen en zorg te ontvangen. Maar daarnaast kunnen ouderen zelf ook in Cpo verband (Collectief particulier opdrachtgeverschap) woningen realiseren.

De opgave in deze regio Volgens BZK is het regionale aandeel in deze opgave 6.900 nultredenwoningen en 3.500 woningen in geclusterde woonvormen (Bron: doorberekening prognoses ABF en geactualiseerde capaciteitsraming RIVM (2022).

17

Deze woningen zijn onderdeel van het aantal woningen opgenomen in tabel 1. Overigens hoeven deze woningen niet allemaal nieuw gebouwd te worden. Ook bestaande woningen kunnen seniorenproof gemaakt worden. Van de woningen die geschikt zijn voor ouderen is er een landelijke opgave voor ca. 40.000 woningen met verpleegzorg op basis van scheiden wonen en zorg (VPT). Dit aantal is onderdeel van de landelijke 900.000 te bouwen woningen. Het regionale aandeel in deze nationale opgave is 1.740 aantal verpleegzorgplekken (Bron: doorberekening prognoses ABF en geactualiseerde capaciteitsraming RIVM (2022). De verdeling van deze opgave (nultredenwoningen, woningen in geclusterde woonvormen en verpleegzorgplekken) per gemeente moet in deze regio nog plaatsvinden.

4.2 Woningbouw voor jongeren en starters De woningnood is met name onder jongeren groot. Vanaf 18 jaar wordt een jongere als zelfstandige gezien en kan een entree op de woningmarkt gemaakt worden, al dan niet vanuit een vrije keuze (opvang vanuit jeugdhulp vervalt). Vanwege de lange wachttijden en beperkte inschrijftijd is de kans op een sociale huurwoning klein. Voor jongeren jonger dan 23 jaar geldt een complicerende factor, namelijk dat de huur niet hoger mag zijn dan € 452,50 (prijspeil 2023). De hoogte van de huurtoeslag hangt verder af van de leeftijd, woonsituatie en het inkomen. Daarnaast is er meer specifiek ook grote behoefte om naar onze jongeren in de leeftijd 16-25 jaar te kijken. Er is ook een aanzienlijke groep (jong-) volwassenen met een WLZ indicatie die gebaat zou zijn met een geclusterde woonvorm. Daarnaast is het verkrijgen van een hypotheek voor veel startende jongeren onbereikbaar. Aangezien het goed kunnen huisvesten van de starter voor elke gemeente van groot belang is, dient te worden ingezet op het toevoegen van woningen die bereikbaar zijn voor deze doelgroep. Daarbij gaat het om voldoende (geschikte) sociale huurwoningen (met of zonder geclusterd wonen), betaalbare koopwoningen en middenhuur. Naast het belang van huisvesting voor de groep jongeren is er voor de regio ook een economisch belang om deze groep te behouden in de regio.

Jongeren zijn nu en in de toekomst ook hard nodig om een bijdrage te leveren aan het leefbaar houden van buurten, werkgelegenheid op peil te houden, et cetera.

4.3 Woningbouw voor opvang en migratie Door de gemeenten uit de Veiligheidsregio Brabant Noord is een regioplan opgesteld. Dit regioplan is gericht op het beschikken over voldoende duurzame opvangplaatsen voor vluchtelingen (asiel en Oekraïne) en de huisvesting van vergunninghouders (statushouders). Dit regioplan geeft uitvoering aan de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. De opvang van vluchtelingen (asiel) betreft vaak grootschaligere logieslocaties, waarbij het huisvesten van vergunninghouders om reguliere huisvesting gaat. De opvang van Oekraïners was in eerste instantie ook voorzien op tijdelijke locaties, maar hiervoor worden steeds vaker duurzamere huisvestingslocaties gezocht. De huisvestingsvraag drukt daarmee op de reguliere woningmarkt. De taakstelling per gemeente voor vergunninghouders en Oekraïners wordt door het Rijk bepaald.

18

We spreken ten aanzien van de aandachtsgroepen af dat 23.  Gemeenten bij het opstellen van de woonzorgvisies expliciet aandacht besteden aan zowel de woon-, de zorg- als ondersteuningsbehoefte van ouderen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de inrichting van de leefomgeving (o.a. voorzieningen, inrichting buitenruimte). Het verdelen naar gemeentelijk niveau van bovenstaande opgave voor ouderen en verpleegzorgplekken wordt daarin meegenomen. Afstemming met het Zorgkantoor en de zorgaanbieders is daarbij gewenst. 24.  Partijen in 2023 de verdeling van de opgave (nultredenwoningen, woningen in geclusterde woonvormen en verpleegzorgplekken) per gemeente bepalen. 25.  Na het opstellen van de woonzorgvisies vindt een herijking plaats van de afspraken die in de woondeal zijn gemaakt met betrekking tot de huisvesting van aandachtsgroepen en wonen en zorg voor ouderen. De uitkomsten van de woonbehoefte uit de woonzorgvisies zijn leidend voor het actualiseren van de bestaande woondealafspraken.

26.  Gemeenten voor de door het Rijk benoemde aandachtsgroepen, zoals arbeidsmigranten, studenten, woonwagenbewoners, uitstromers uit intramurale instellingen en detentie, (dreigend) dakloze mensen, mantelzorgverleners- en ontvangers, (conform wetsvoorstel Versterken regie Volkshuisvesting) beleid formuleren, als sprake is van een huisvestingsopgave voor deze groepen binnen de gemeente en het beleid er nog niet is. 27.  Partijen onderzoeken in 2023 de mogelijkheden van het inzetten van sturingsinstrumenten om de slagingskansen voor jongeren op de woningmarkt te verbeteren.

19

5

Overige thema’s Naast afspraken over de opgave en huisvesting aandachtsgroepen willen we ook aandacht besteden aan thema’s die samengaan met de woningbouwopgave. In deze tijd zijn er ook grote opgaven rondom klimaat, landbouw, energie, natuur en mobiliteit. Het is belangrijk dat al deze opgaven in samenhang worden bekeken. In dit hoofdstuk worden enkele onderwerpen aangestipt.

5.1 Duurzame en toekomstbestendige bouw Landelijk moet de lat omhoog om de duurzaamheidsambities en klimaatdoelstellingen in 2030 en 2050 in de gebouwde omgeving te behalen. Hier ligt een grote relatie met de woningbouwopgave. Daarom wordt gewerkt aan landelijke aanscherpingen. Gezamenlijk streven we naar standaardisatie en uniformering van de eisen, zodat marktpartijen hier beter op in kunnen spelen met oog op de bouwproductie. Het versneld bouwen van voldoende duurzame en betaalbare woningen vraagt – versterkt door de beperkte capaciteit in de bouwsector en de stikstofproblematiek – om vormen van innovatie, standaardisatie en industrialisatie, zodat de gewenste bouwproductie slimmer kan worden gerealiseerd. Daarbij is aandacht voor zowel duurzaamheidsprestaties in gebruik (energie) als duurzaamheidsprestaties in de realisatie (milieu-impact & stikstof) en het verlagen van de milieuimpact van groot belang. Partijen onderkennen het belang van verduurzamen en toekomstbestendig bouwen. Belangrijke elementen zijn daarbij diverse vormen van conceptueel en circulair bouwen. Aanpasbaarheid en flexibiliteit van de woning hoort daar ook bij. En vanzelfsprekend moeten de woningen klimaatadaptief en natuurinclusief te verbouwen en in te richten zijn.

In deze regio hebben partijen op dit terrein nog niet regionaal met elkaar samengewerkt en zijn zij nog niet zover dat hierover daadwerkelijk gezamenlijke afspraken kunnen worden gemaakt.

We spreken ten aanzien van duurzame en toekomstbestendige bouw af dat 28. Woningen vooralsnog minimaal moeten voldoen aan de huidige wet- en regelgeving. 29.  Partijen vanaf Q2 2023 onderzoeken of het mogelijk is om regionale afspraken te maken over circulair en industrieel bouwen en toepassing van biobased materialen, waarbij het uitgangspunt is dat dit bijdraagt aan de versnelling van de woningbouw. BZK en de provincie (Brabantse aanpak circulair bouwen) ondersteunen daarbij deze regio met kennis en kunde.

5.2 Ruimtelijke ordening Het realiseren van de in deze woondeal opgenomen woningen moet samengaan met verschillende andere grote ruimtelijke opgaven, zoals klimaat, landbouw, natuur en energie. Met het programma NOVEX wordt deze brede ruimtelijke indeling de komende maanden opgepakt. De woningbouwaantallen die bestuurlijk afgesproken zijn tussen Rijk en provincie in oktober 2022, en regionaal uitgewerkt en bestuurlijke afgesproken zijn in deze woondeal, zijn bij de verdere uitwerking hiervoor één van de uitgangspunten.

20

Nota Ruimte Naar verwachting wordt in 2024 een nieuwe Nota Ruimte vastgesteld. Elke provincie heeft tot en met 2023 de tijd om, op basis van een door het Rijk opgesteld startpakket een voorstel voor de ruimtelijke opgave uit te werken. Water en bodem zijn daarbij leidend. Er wordt ook rekening gehouden met ontwikkelingen als klimaatveranderingen, verzilting, verdroging, wateroverlast en bevolkingsgroei. Rijk en provincie maken eind 2023 bestuurlijke afspraken over de ruimtelijke inpassing van opgaven op het gebied van wonen, bereikbaarheid, energie, economie, landbouw en natuur. De aantallen uit deze woondeal zijn daarbij tot en met 2030 leidend. De afspraken vormen de basis voor de Nota Ruimte in 2024, oftewel de tweede Omgevingsvisie.

Water en bodem sturend In de water en bodem brief van 25 november 2022 is aangegeven dat de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en BZK gezamenlijk een richtinggevend kader ontwikkelen, in overleg met medeoverheden. Doel van dit kader is om ondersteuning te bieden aan het regionale proces en om een bewuste afweging te maken over waar wordt gebouwd. Rekening houdend met het water en bodem systeem en de risico’s vanuit wateroverlast, overstromingen, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid. Hiermee worden water en bodem sturend bij ruimtelijke planvorming. Ook wordt binnenkort de Landelijke maatlat ‘Groene klimaat adaptieve gebouwde omgeving’ gepresenteerd. Voor bouwplannen op locaties, die op dit moment al in een vergevorderd stadium van ontwikkeling zijn en waarvoor geldt dat heroverweging vanuit water en bodem tot onevenredige vertraging leiden, wordt het richtinggevend kader niet toegepast. Deze plannen blijven onveranderd. Voor alle andere ontwikkellocaties wordt het richtinggevend kader zoveel mogelijk toegepast. De locatiekeuze wordt daarbij geëvalueerd en lokale afwegingen en keuzes worden gemaakt voor inrichting van de locatie en de bouwwijze voor nieuwe bebouwing. Knelpunten als gevolg van de uitgangspunten van water en bodem sturend, worden geagendeerd op de regionale woondealtafels en de regionale Versnellingstafel.

Desgewenst kan het aan de orde worden gesteld bij de landelijke Versnellingstafel.

Ontwikkelperspectief Stedelijk Brabant 2040 In het BO MIRT van november 2022 is een belangrijke eerste stap gezet in een strategie voor de duurzame verstedelijking van Noordoost-Brabant. In deze strategie is een vijftal ontwikkelprincipes vastgesteld die als leidraad gelden voor een zorgvuldige ruimtelijke ordening. De opgaven en ambities voor een leefbare, werkbare en klimaatrobuuste regio gaan niet vanzelf. In gezamenlijkheid integraal ruimtelijke afwegingen maken, is noodzakelijk voordat doorgeschakeld wordt naar programmatische afspraken. De vijf ontwikkelprincipes zijn: 1.

Bodem en watersysteem als basis voor de verstedelijking;

2.

Landschap en natuur groeien mee met verstedelijking;

3.

Nieuwe woningen versterken bestaande stad en dorp;

4.

Mobiliteitstransitie is maatwerk voor stad en dorp;

5.

Kwalitatieve werkgebieden als randvoorwaarde voor een circulaire economie.

We spreken ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling af dat 30.  Gemeenten en provincie per gemeente een separaat regulier planteamoverleg organiseren, voor zover dit nog niet bestaat. In dit planteamoverleg worden in een vroeg stadium de te verwachte gebiedsontwikkelingen besproken. 31.  De regionale afstemming van uitleglocaties bij de kopgroep Wonen blijft vooralsnog gehandhaafd. In Q2 2023 wordt nagedacht over een aangepaste werkwijze, zodat uitleglocaties op een integrale(re) wijze worden beoordeeld (wonen, mobiliteit, economie). 32.  Partijen bij de afweging van projecten uitgaan van de ruimtelijke kaders (nationaal/provinciaal/ regionaal) die al aanwezig zijn of in ontwikkeling zijn. 21

5.3 Vakantieparken In Nederland zijn bijna 4.000 vakantieparken, die qua type park zeer divers zijn, zoals campings, stacaravanparken en bungalowparken. Een groot aantal van deze parken vervult een belangrijke recreatieve en economische rol in onze gemeenten. Voor een deel van deze parken geldt echter dat zij deze rol minder of niet meer kunnen vervullen. In die gevallen kan er gedacht worden aan een nieuw toekomstscenario voor het park. Wat deze scenario’s zijn, is afhankelijk van veel factoren, zoals ruimtelijke ordening, veiligheid en de lokale economie. Eén van de toekomstscenario’s, die in deze tijden van het woningtekort extra aandacht krijgt, is het transformeren van vakantieparken naar wonen. De provincie heeft vanuit de Actieagenda Vitale Vakantieparken – en in lijn met de bestuurlijke afspraken met het Rijk - een inventarisatie gedaan van vakantieparken, die potentieel getransformeerd kunnen worden naar wonen. Uit deze inventarisatie (2022) is gebleken dat van de ongeveer 200 parken in Noord-Brabant er circa 10 parken mogelijk in aanmerking komen voor een transformatie naar wonen. Nader onderzoek en overleg met gemeenten naar de aard, ligging, verschijningsvorm en zaken als eigendom, veiligheid en ondermijning moet uitwijzen of transformatie wenselijk en haalbaar is.

Deze transformatie is intensief wat betreft tijd en financiën en levert in het algemeen maar een beperkt aantal toe te voegen woningen op.

We spreken ten aanzien van de vakantieparken af dat: 33.  In Noordoost-Brabant het permanent bewonen van vakantiewoningen in zijn algemeenheid niet wordt gestimuleerd. 34.  Provincie en gemeenten in 2023 inventariseren of er en zo ja, welke niet vitale vakantieparken mogelijk in aanmerking komen voor transformatie naar wonen.

22

6

Samenwerking en sturing Met deze woondeal wordt de basis gelegd voor een langjarige (tot en met 2030) samenwerking tussen Rijk, provincie, gemeenten en corporaties. Dit partnerschap is van groot belang om uitvoering te geven aan versnelling van de complexe woonopgave. We maken daarom – naast de afspraken over de woningbouwopgave - ook afspraken over onderstaande elementen, de governance: Monitoring en rapportage om zicht te houden op de voortgang; De overlegstructuur om de voortgang en eventuele knelpunten te bespreken; Het indien nodig oplossen van belemmeringen en het nemen van besluiten.

6.1. Monitoring en bespreking voortgang De voortgang ten aanzien van de wederkerige bestuurlijke afspraken wordt gemonitord met de interbestuurlijke landelijke monitor Voortgang woningbouw. Daarover is bestuurlijk afgesproken dat het doel van de monitor enerzijds is het voorzien van de (semi)overheden in informatie over plancapaciteit (woningbouwplannen), de voortgang van de woningbouw en opgeleverde (gerealiseerde) woningen. Anderzijds draagt de monitor bij aan inzicht in eventuele knelpunten en informatie om deze knelpunten (voor de noodzakelijke woningbouwopgaven) op te kunnen lossen. Voor de monitoring is het relevant dat er overeenstemming is over de te gebruiken definities en dat (eenduidige en betrouwbare) data beschikbaar zijn voor relevante indicatoren (onder andere gerealiseerde sociale woningen). Het Ministerie van BZK zet zich hiervoor in, in afstemming met provincies en gemeenten. Om gezamenlijk zicht te houden op de voortgang van de uitvoering van de voorliggende bestuurlijke afspraken vindt er regulier overleg plaats tussen vertegenwoordigers van het Ministerie van BZK en de provincie. De frequentie van het regulier overleg over de voortgang van de woningbouw op ambtelijk niveau tussen accounthouders vanuit het Ministerie van BZK en de provincie Noord-Brabant wordt nader bepaald in overleg met de provincie en de gemeenten.

Een overleg tussen de directeur Woningbouw en directeuren en/of opgavemanagers van de provincie vindt vier keer per jaar plaats. Afgevaardigden uit de woondealregio’s waar het Ministerie van BZK op ambtelijk niveau aan tafel zit, sluiten aan bij dit provinciale overleg. Er vindt twee keer per jaar een bestuurlijk overleg plaats tussen de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en een afvaardiging van het college van Gedeputeerde Staten. De afspraken uit deze woondeal worden jaarlijks herijkt. Daarbij worden de nieuwste provinciale prognoses van de woningbouwbehoefte tot en met 2030 betrokken. Deze wordt eveneens jaarlijks bijgewerkt. De richtinggevende doelstelling voor de woningbouwproductie per jaar tot en met 2030 wordt bijgewerkt op basis van deze prognose, de gerealiseerde bouwproductie en ontwikkeling van de woningvoorraad. In 2023 wordt de herijking gepland na het beschikbaar komen van de volgende prognose van de woningbouwbehoefte en het provinciaal ruimtelijk arrangement, waarbij in de herijking ook randvoorwaarden zoals water en bodem, stikstof en geluid aan bod kunnen komen. Daarnaast wordt in 2023 eenmalig een tussenbalans opgemaakt ten aanzien van het provinciale aandeel in de nationale opgave na het afsluiten van de woondeals. Waar nodig wordt deze tussenbalans bestuurlijk besproken.

Vanuit de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties en tafels als de landelijke Versnellingstafel agenderen we waar nodig eventuele knelpunten in ambtelijke - ,directeuren - en bestuurlijke overleggen.

23

6.2. Belemmeringen oplossen en besluiten nemen Doel is door monitoring en intensief en kort-cyclisch ambtelijk - en bestuurlijk overleg goed zicht te krijgen en te houden op de uitvoering. Hierdoor signaleren we vroegtijdig wanneer de voortgang van de woningbouw en de uitvoering van de bestuurlijke afspraken stokt. Wanneer (gezamenlijk) wordt geconstateerd dat de voortgang stokt, stellen we samen vast wat de achterliggende oorzaken daarvan zijn (fact finding). Op basis daarvan worden de benodigde en gewenste acties in gang gezet. Hierbij kan ondersteuning worden ingeschakeld van de landelijke Versnellingstafel, Verstedelijkingstafel, tafels van andere ministeries of via onder andere de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties of expertteams. Uitgangspunt is: ‘’los het op, of schaal het op’’. Hierbij kunnen bestuurlijke of in het uiterste geval juridische interventies nodig zijn. Bestuurlijk overleg blijft het uitgangspunt. Juridische interventie vindt plaats door de naastgelegen overheid in aansluiting bij het Huis van Thorbecke. Via de woondeals kunnen alle partijen die in de keten zijn betrokken bij de woningbouw, zoals marktpartijen, corporaties, zorgkantoren, hun knelpunten agenderen. Dit kan ook via andere tafels, zoals de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties en de landelijke Versnellingstafel.

6.3 Overlegstructuur in Noordoost-Brabant We weten nog niet precies op welke wijze de governance rondom deze woondeal eruit gaat zien, maar onze eerste gedachten volgen hieronder. We maken zoveel mogelijk gebruik van de bestaande overlegstructuren om de voortgang van de afspraken te bespreken. Dat zijn op dit moment het Portefeuillehoudersoverleg Ruimte/Wonen/ Economie RNOB, de kopgroep Wonen RNOB, het ambtelijk overleg Wonen RNOB, en het bestuurlijk overleg wethouders Wonen en bestuurders corporaties (voorheen de kennistafels). Maar omdat we nauwer dan voorheen met partijen samen willen gaan werken en dat ook op een meer integrale wijze wensen te doen, richten we een aanvullende overlegtafel in de zogenaamde: Versnellingstafel.

Regionale Versnellingstafel Op de nog in te richten Versnellingstafel worden afspraken gemaakt om de prioritaire woningbouwlocaties uit hoofdstuk 2 te versnellen en thematische knelpunten op te lossen. Aan deze tafels zitten vertegenwoordigers van gemeenten, provincie, Rijk, corporaties en marktpartijen. Afhankelijk van het vraagstuk kunnen ook andere partijen aanschuiven, denk aan waterschappen, kennisinstellingen en bewonersorganisaties. Het gaat o.a. over planning, knelpunten, kansen, haalbaarheid, prioriteren etc. Aan deze tafel wordt vooral expertise en denkkracht verzameld die ingezet kan worden om bijvoorbeeld processen te versnellen of vastgelopen onderhandelingen los te trekken. De focus moet liggen op concrete versnelling, het is niet de bedoeling dat dit een ‘praatclubje’ wordt waar enkel de voortgang met elkaar wordt gedeeld. De personen aan deze tafels hebben allen regionale denkkracht en het team is multidisciplinair (o.a. juridisch, grondzaken, strategie, wonen). Deelnemers prioriteren met elkaar de te bespreken gebiedsontwikkelingen en thema’s. Als er sprake is van landelijke thema’s kunnen deze worden doorgezet naar de provinciale en of landelijke Versnellingstafel. Het is van belang bij vertraging samen naar oplossingen te zoeken.

Om de voortgang en uitvoering van deze bestuurlijke afspraken tussen partijen te borgen, is het belangrijk dat er een onafhankelijk procesmanager aangesteld wordt met veel kennis van gebiedsontwikkeling en wonen. Vanuit het Rijk worden daarvoor middelen ter beschikking gesteld.

24

Met deze woondeal wordt ook een belangrijke stap gezet in de uitvoering van het “Ontwikkelperspectief voor Stedelijk Brabant” voor de periode tot en met 2030. Het is daarom van belang om het spoor van het ontwikkelperspectief/uitwerking voor Noordoost-Brabant en de woondeal goed op elkaar af te stemmen en periodiek te bespreken.

We spreken ten aanzien van de governance af dat: 35.  Het Rijk zich in afstemming met provincie en gemeenten inzet voor een landelijk monitoringssysteem (2023). 36.  Gemeenten en provincie in Q2 2023 onderzoeken of het mogelijk is om een gezamenlijk monitoringssysteem aan te schaffen. 37.  Partijen jaarlijks de afspraken uit de woondeal herijken, de eerste maal nadat de provinciale prognoses gereed zijn en de ruimtelijke puzzel is gelegd (naar verwachting eind 2023). 38.  Jaarlijks de samenwerking wordt geëvalueerd, als eerste in Q1 2024. 39. Dat er een onafhankelijk procesmanager wordt aangesteld. 40. Dat er regelmatig afstemming is tussen de Versnellingstafel en de Verstedelijkingstafel. 41.  De wijze waarop de governance, waaronder de regionale Versnellingstafel georganiseerd wordt uiterlijk Q2 2023 nader is uitgewerkt en dan aan partijen wordt voorgelegd. Hierbij wordt rekening gehouden met de status aparte van het Land van Cuijk. 42.  Partijen uiterlijk Q2 2023 een uitvoeringsprogramma hebben opgesteld, waarin is aangegeven welke afspraken nader moeten worden uitgewerkt en hoe we dat gaan doen.

25

7

Kritische succesfactoren en ondersteuning vanuit Rijk en provincie Het realiseren van de opgave is complex waarbij indirect en direct diverse factoren een rol spelen (prijsontwikkelingen, rente, beschikbaarheid locaties, personeel, materiaal et cetera). Kritische succesfactoren dienen aangepakt te worden om de realisatie van de woningbouwopgave mogelijk te maken. Hiervoor is zowel inzet vanuit het Rijk nodig als vanuit provincie en gemeenten. Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze Rijk en provincie ondersteunen in de realisatie van de regionale woningbouwopgave. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen locatie specifieke- en generieke ondersteuning. Generiek: Rijk en medeoverheden zorgen ervoor dat knelpunten om te kunnen voldoen aan randvoorwaarden voor woningbouw zoveel mogelijk worden weggenomen. Dit met oog voor een gezond, veilig en schoon leefmilieu voor nu en in de toekomst. Het gaat om knelpunten op het vlak van klimaatbestendig bouwen, natuurinclusief bouwen, verduurzaming, stikstof, een gezond en veilig leefmilieu, luchtkwaliteit, energievoorziening en erfgoed. We scheppen duidelijkheid door het maken van afspraken en het stellen van kaders. Het streven is om onduidelijkheden in beleid, die belemmerend kunnen werken op het besluitvormingsproces en de bouw van woningen, weg te nemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=8ba2bb36-4b8e-4eae-8104-dc75464ae2ee