B13m Bijlage 5 Technische eisen.docx
Tekst van het document
Bijlage 5 Technische eisen Technische eisen Parkeren: 1. Parkeervak voor haaks parkeren: minimale lengte 5.00 meter zonder overstek, minimaal 4.50 bij 0.50 m overstek, (let op minimale breedte voetpad). Breedte parkeervak 2.50 m; 2. Bij aan weerszijden haaks parkeren is de parkeerstraat tenminste 6.00 meter, bij aan een zijde haaks parkeren minimaal 5,5 meter; 3. Invaliden parkeervakken bij haaks parkeren minimaal 3.50 meter zonder uitstapmogelijkheid, met uitstapmogelijkheid 3.00 meter; 4. Parkeervak voor langs parkeren: minimale lengte 5.50 meter, bij voorkeur 6.00 m, eindvakken indien mogelijk 7,00 meter, minimale breedte 2,00 m.; 5. Hoekparkeervak 6.30 meter, breedte 2.00 meter inclusief molgoot; 6. Invalidenparkeervakken bij langsparkeren minimaal 6.50 meter lang, m.u.v. hoekparkeerplaats, die minimaal 7.00 meter; 7. Daar waar nodig de invalidenparkeerplaats voorzien van invaliden-oprit; 8. Verharding parkeervakken gebakken straatstenen dikformaat in elleboogverband. In de hoeken banden R=0,5 m toepassen; 9. Waar nodig parkeervakken voorzien van (nader te bepalen) vakaanduiding.
Technische eisen Voetgangers (inclusief minder validen /visueel gehandicapten): 1. Veilige, comfortabele en directe wandelroutes welke ook toegankelijk zijn voor minder validen; 2. Ingestoken wordt op een hoog ambitieniveau voor toegankelijkheid ten behoeve van minder validen; 3. Alle hoogteverschillen ontwerpen volgens de richtlijnen CROW; 4. Minimale breedte trottoir 2.00 meter, exclusief overstek haaks parkeren; 5. Puntvernauwing minimaal 1.20 meter; 6. Verhardingen woonwijk aanleggen met geringe niveauverschillen (geen toepassing trottoirbanden, wel andere (opsluit)banden. De verschillende functies van de verhardingen accentueren door verschillende oriëntering van straatstenen, door strekken en andere accenten; 7. Routes voor visueel gehandicapten, minder validen en rolstoelers bij wegkruisingen voorzien van verlaagde banden, minimale breedte 1,20 meter en voldoende brede trottoirs zonder hindernissen; 8. Invalide-oprit, bij tenminste elke trottoirhoek van wegaansluiting; 9. Niveauverschillen overbruggen met geleidelijk oplopende hellingen; 10. Kleine hoogteverschillen zoals stoepranden worden overbrugd met op- en afritten. De helling van de op- en afrit is niet meer dan 1:10. De breedte is minimaal 1,2 m. Gootlaag ter plaatse van op- of afrit op dezelfde hoogte leggen als naastliggende verharding (breekpunt gootlaag ter plaatse van op- en afrit leggen); 11.
Voor valbeveiliging bij hoogteverschil langs looproute ≤ 0,25 m is de hoogte van de valbeveiliging ≥ 50 mm (opstaande rand). Bij hoogteverschil langs looproute ≥ 0,25 m afscherming van minimaal 1,0 m hoog. De openingen in de afscherming zijn ≤ 0,10 m; 12. Trottoirs zijn voldoende stroef (waarde 65 conform NEN 2873); 13. Trottoirs hebben vlak loopoppervlak (onregelmatigheden ≤ 5 mm); 14. Obstakels plaatsen in een goed herkenbare strook buiten de looproute. Het gaat om bomen, palen, lantaarnpalen, uitstallingen, prullenbakken en zitbanken; 15. Bij intensief passeren of inhalen van mensen is de vrije breedte ≥ 2,4 m. Bij regelmatig passeren van mensen is de vrije doorloopruimte ≥ 1,5 m. Bij plaatselijke versmallingen (over een lengte van maximaal 1,2 m) is de vrije breedte ≥1,2 m. Dit is bij bijvoorbeeld lantaarnpalen; 16. De vrije hoogte is ≥ 2,6 m (en buiten looproute ≥ 2,3 m).
Materialisatie: Er wordt uitgegaan van toepassing van nieuwe materialen. Van alle te leveren bouwstoffen die volgens het plan op of in de bodem of in het oppervlaktewater moeten worden aangebracht, dienen de gegevens te worden verstrekt waaruit blijkt dat deze bouwstof voldoet aan de eisen die de Wet bodembescherming hieraan stelt.