Anoniem Toelichting bijlage 4_ Quickscan natuurbescherming Zuivering Veghel__2590235__ (geanonimiseerd)
Tekst van het document
(geanonimiseerd) Ecologische quickscan Uitbreiding Zuiveringsinstallatie Bedrijfsterrein Veghel
In
opdracht
van:
Brabant Water
Colofon In opdracht
Brabant Water
van
Contactpersoon
(geanonimiseerd) |
Datum
5 juli 2022
Kenmerk
RA21025-02
Aantal
pagina’s
34
Status
rapport
Concept
Contactpersoon
(geanonimiseerd) nn
Telefoonnummer
06
info@ecoassist.nl
Wijze
van
citeren
(geanonimiseerd) mmm
Backx, B.J.A., 2022. Ecologische quickscan Uitbreiding
Zuiveringsinstallatie Bedrijfsterrein Veghel. In het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Rapport RA21025-02. Eco Assist, Helmond.
(geanonimiseerd)
RA. eco “assist ecologisch
Eco Assist
adviesbureau
B.V.
Eco Assist
Wildenborchlaan
62
GB
van
het Netwerk
Groene Bureaus:
brancheorganisatie voor kwaliteitsverbetering belangenbehartiging
TN
(geanonimiseerd) Helmond 06 15 114
is lid
N
en
537
info@ecoassist.nl www.ecoassist.nl Eco Assist
B.V. is niet
uit toepassingen
van
aansprakelijk de resultaten
Assist, opdrachtgever vrijwaart
Eco
voor van
gevolgschade,
alsmede
voor
schade welke voortvloeit
werkzaamheden
Assist
voor
of andere gegevens verkregen van Eco aanspraken van derden in verband met deze
toepassing. ©
copyright
Eco Assist/ Brabant Water
Dit
rapport is vervaardigd op verzoek van Brabant Water. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Eco Assist, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
2
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Inhoudsopgave
1. Inleiding
5
1. 1 Aanleiding
5
1. 2 Doel
5
1. 3 Leeswijzer
5
2. Plangebied & ingreep
6
2. 1 Locatie
6
2. 2 Beschrijving
7
2. 2. 1 Nieuwbouwlocatie
7
2. 2. 2 Leidingtracé
7
2. 2. 3 Winputtenveld
7
2. 2. 4 Tijdelijke transportroute
7
2. 2. 5 Inkoopstation
8
2. 3 Voorgenomen ingreep
8
2. 4 Planning
8
3. Werkwijze
9
3. 1 Quickscan
9
4. Onderzoeksresultaten beschermde gebieden
10
4. 1 Natura 2000
10
4. 2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)
10
4. 3 Bescherming van houtopstanden
12
5. Onderzoeksresultaten soortbescherming
13
5. 1 Planten
13
5. 2 Vogels
13
5. 3 Zoogdieren
14
3
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
5. 4 Reptielen
18
5. 5 Amfibieën
18
5. 6 Vissen
19
5. 7 Vlinders en libellen
19
5. 8 Overige ongewervelden
19
6. Conclusie en aanbevelingen
21
6. 1 Gebiedsbescherming
21
6. 1. 1 Natura 2000
21
6. 1. 2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)
21
6. 1. 3 Bescherming van houtopstanden
21
6. 2 Soortbescherming
21
6. 2. 1 Vogels
21
6. 2. 2 Zoogdieren
22
6. 2. 3 Amfibieën
22
6. 3 Samenvatting
23
7. Bronnen
24
7. 1 Rapportages & boeken
24
7. 2 Websites
24
Bijlage 1: Foto’s plangebied
25
Bijlage 2: Wet- en regelgeving
32
4
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
1. Inleiding 1. 1 Aanleiding Brabant Water is voornemens om op het bedrijfsterrein in Veghel de bestaande zuiveringsinstallatie uit te breiden. Daarvoor worden een nieuw gebouw geplaatst, een winputtenveld aangelegd en leidingen aangelegd op een leidingtracé. Daarnaast is een nieuw inkoopstation voor elektra noodzakelijk. Volgens nationale en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan deze ingreep onderzoek te doen naar de effecten hiervan op flora, fauna en gebieden welke beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast moet worden gekeken naar mogelijke effecten van de ingreep op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze rapportage geeft de resultaten van de uitgevoerde ecologische potentie-inschatting weer, een zogenaamde quickscan. Hierbij wordt aangegeven welke beschermde planten en dieren mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de te verwachten effecten van de ingreep hierop zijn. Daarnaast is een eerste inschatting uitgevoerd van het effect van de ingreep op beschermde gebieden. 1. 2 Doel Deze quickscan beantwoord de volgende vragen: •
Wat is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN)?
•
Welke beschermde planten en dieren komen potentieel voor in het plangebied?
•
Heeft de ingreep mogelijk een effect op beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN)?
•
Heeft de ingreep mogelijk een effect op beschermde planten en dieren?
•
Heeft de ingreep effect op onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden?
•
Leidt de ingreep tot een mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming?
•
Welke vervolgstappen zijn noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming en gebiedsbescherming te voorkomen?
1. 3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het plangebied en de voorgenomen ingreep beschreven. De werkwijze die gehanteerd is bij het onderzoek wordt in hoofdstuk 3 omschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek gebiedsbescherming gepresenteerd. Hierbij worden ook de mogelijke effecten van de ingreep bepaald en worden deze getoetst aan de Wet natuurbescherming. De resultaten en de effectbeoordeling voor het onderdeel soortbescherming is weergegeven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 volgen de conclusies en aanbevelingen. Ten slotte is een korte literatuurlijst opgenomen (hoofdstuk 7). Een foto-impressie van het plangebied is opgenomen als Bijlage 1 bij deze rapportage. Het wettelijk kader is weergeven in Bijlage 2.
5
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
2.
Plangebied
2.1
Locatie
&
ingreep
Het
plangebied bestaat uit een gedeelte van het bedrijfsterrein van Brabant Water gelegen de Blankenburg te Veghel, gemeente Meierijstad (Noord-Brabant). Hier wordt een nieuw gebouw geplaatst. Vanuit dit nieuwe gebouw wordt een nieuw leidingtracé aangelegd naar een nieuw wingebied ten zuiden van de Erpseweg. In Figuur 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
(geanonimise rd) Winputterveld [zn
dn A
B,
Ss
a
De:
Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing van de nieuwbouwlocatie en het nieuwe winputtenveld in rood aangegeven. Het nieuwe leidingtracé en de tijdelijke transportroute zijn met stippellijn weergegeven. Bron ondergrond: OpenStreetMap contributers, 2022.
6
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
9
een
F || rode
2. 2 Beschrijving Het plangebied bestaat uit verschillende deelgebieden met een uiteenlopend karakter. Onderstaand volgt een beschrijving van landschapselementen en eigenschappen welke van belang zijn voor de potentie van het gebied voor beschermde soorten (zie Bijlage 1): 2. 2. 1 Nieuwbouwlocatie De nieuwbouwlocatie op het bedrijfsterrein bestaat vrijwel volledig uit een zanddepot waar momenteel grond is opgeslagen afkomstig van de bouw van een nieuwe reinwaterkelder die momenteel uitgevoerd wordt op het bedrijfsterrein. Kleine delen van het onderliggende intensief beheerde grasland zijn aan de randen nog vrij en bestaan voornamelijk uit grassen met enkele algemene soorten van voedselrijke omstandigheden, zoals brede weegbree en paardenbloem. Aan de randen van het bouwvlak staan jonge zomereiken, zonder holtes of grote stukken losse bast. 2. 2. 2 Leidingtracé Het leidingtracé loopt vanuit de nieuwbouwlocatie door een strook voedselrijk grasland naar een bestaand leidingtracé door het bosperceel heen. Tot aan de Erpseweg bestaat het tracé grotendeels uit een geasfalteerd pad met bermen welke bestaan uit algemene soorten van voedselrijke omstandigheden, zoals fluitenkruid, paardenbloem, grote brandnetel, smalle weegbree, veldzuring en kruipende boterbloem. Buiten het tracé maar wel grenzend aan het plangebied is opgaande ruigte en struweel aanwezig en een relatief jong bos.
Naar schatting doorkruist de laatste 20 meter van het leidingtracé het bosperceel met voornamelijk jonge zomereik en een ondergroei van voornamelijk gewone vogelkers, vlier, lijsterbes, esdoorn, braam en kleefkruid. In de bomen zijn geen holtes of grote stukken losse bast aanwezig. Ter hoogte van de Erpseweg doorkruist het leidingtracé twee sloten, waarvan de noordelijke volledig bedekt is met eendenkroos. De zuidelijke sloot is niet bedekt met eendenkroos en heeft een goed ontwikkelde watervegetatie. Verder naar het zuiden volgt het leidingtracé een ondiepe droge greppel begroeid met raaigras, veldzuring en kleine brandnetel. 2. 2. 3 Winputtenveld Het winputtenveld bestaat grotendeels uit een intensief beheerd voedselrijk grasland (weiland) met voornamelijk raaigrassen en algemene soorten van voedselrijke omstandigheden, zoals akkerdistel, paardenbloem en kleine brandnetel. In het zuiden worden de buitencontouren van de percelen gemarkeerd door brede houtwallen. Aan de noord- en westzijde bestaan deze vrijwel uitsluitend uit jonge wilgen en enkele ruwe berken met een beperkte ondergroei. Deze bestaat hier voornamelijk uit tweestijlige meidoorn. In het zuiden groeien ook enkele hazelaars en is er meer ondergroei aanwezig welke vrijwel uitsluitend bestaat uit grote brandnetel en kleefkruid.
Aan de randen van de bosrand staan algemene soorten als klein hoefblad, paardenbloem en smalle weegbree. Aan de oostzijde heeft de houtwal een gevarieerder karakter met naast wilgen en hazelaar ook wat oudere zwarte elzen, vlier en een dichte ondergroei met voornamelijk braamstruwelen. 2. 2. 4 Tijdelijke transportroute De tijdelijke transportroute loopt over een bestaand pad dat voorzien is van puin en momenteel ook al in gebruik is als transportroute voor de bouw van de nieuwe reinwaterkelder. In de bermen 7
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
het pad is een voedselrijke graslandvegetatie aanwezig met kruiden als grote brandnetel en paardenbloem. van
2. 2. 5 Inkoopstation De locatie voor het inkoopstation is gelegen in een bosperceel met voornamelijk jonge zomereik, Amerikaanse eik en een ondergroei van voornamelijk wilde kardinaalsmuts, gewone braam, kleine brandnetel, gewone braam, haagwinde, fluitenkruid, hondsdraf, kleefkruid en algemene grassen.
2. 3 Voorgenomen ingreep Brabant Water heeft het voornemen om op het bedrijfsterrein in Veghel de bestaande zuiveringsinstallatie uit te breiden. Daartoe worden een nieuw gebouw geplaatst, een winputtenveld aangelegd en leidingen aangelegd op een leidingtracé. Werkzaamheden die daarbij plaats gaan vinden bestaan voornamelijk uit: •
Bouwrijp maken (verwijderen vegetatie en grondwerkzaamheden) en vervolgens bouwen nieuw gebouw op het bedrijfsterrein.
•
Aanleggen nieuwe leidingen op het leidingtracé, waarbij asfalt, vegetatie (inclusief bomen) worden verwijderd en grondwerkzaamheden plaatsvinden. Daarbij moeten sloten en de Erpseweg doorkruist worden.
•
Aanleg nieuw winputtenveld waarbij twee leidingentracés gegraven worden en 10 nieuwe winputten worden geboord. Voor het boren van de winputten moet een bouwvlak van 20 x 20 meter vrijgemaakt worden.
•
Verwijderen van alle beplanting en het plaatsen van een inkoopstation voor elektra.
2. 4 Planning De exacte planning van de werkzaamheden is nog niet bekend en hangt mede af van de snelheid waarmee de voorbereidingen, onderzoeken en vergunningsaanvragen afgerond zijn.
8
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
3.
Werkwijze
3.1 Quickscan Om
te komen Het
tot
volledige potentie-inschatting zijn de volgende stappen doorlopen:
een
plangebied
bracht
werd op 6 mei 2021 bezocht door ecoloog aanvullend veldbezoek aan de locatie voor het
sc. Hij (geanonimiseerd) EN
inkoopstation op 28 juni 2022. Daarbij is in het plangebied en de directe omgeving daarvan gezocht naar beschermde soorten en sporen die wijzen op hun aanwezigheid. Hierbij is tevens de potentie van het plangebied voor beschermde soorten bepaald, een zogenaamde habitatgeschiktheidsbeoordeling. Tijdens het veldonderzoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en fototoestel. De
een
ligging
van
het
Nederland
en
Natura
Met
van
behulp
plangebied ten opzichte van nabijgelegen 2000-gebieden werd bepaald.
delen
van
het Natuurnetwerk
verspreidingsatlassen, websites met verspreidingsdata en de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) werd bepaald of in het plangebied recentelijk beschermde soorten zijn waargenomen. Op basis van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek werd op grond van een deskundigenoordeel bepaald of beschermde planten- en diersoorten in het plangebied kunnen
voor
komen.
In
overleg met gaat vinden.
de
Op
de beschreven
basis
van
opdrachtgever
is de
ingreep
ingreep bepaald
en
de resultaten
welke
van
in het
plangebied plaats
het bureau-
en
veldonderzoek
werd:
o
o
Vastgesteld of negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland en 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten zijn of dat daarvoor nog een aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn; Bepaald
welke
beschermde o
9
Bepaald
negatieve effecten te verwachten zijn planten- en diersoorten;
of beschermde
op de
Natura
(mogelijk) aanwezige
houtopstanden aanwezig zijn.
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
4. Onderzoeksresultaten beschermde gebieden 4. 1 Natura 2000 De Natura 2000-gebieden die het dichtste bij het plangebied liggen zijn ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Deze gebieden liggen beiden op een afstand van meer dan 19 km van het plangebied. Effectbeoordeling Natura 2000 Door de afstand tussen het plangebied en deze beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten door geluidsverstoring, visuele verstoring of verdroging als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Gedurende de ingreep kan tijdelijk een minimale verhoging van de uitstof van stikstof plaatsvinden door de inzet van machines. Door de afstand tussen het plangebied en de stikstofgevoelige habitattypen in het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied maakt dat redelijkerwijs uitgesloten kan worden dat de ingreep leidt tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitattypen. De ingreep leidt dan ook niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden en heeft ook geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden is dan ook niet aan de orde. 4.
2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is gelegen in Provincie Noord-Brabant. Het gedeelte van het Natuurnetwerk Nederland dat gelegen is binnen deze provincie wordt aangeduid als het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het plangebied voor de nieuwbouw ligt op een afstand van ongeveer 10 meter van de grens van het NNN. De tijdelijke transportroute grenst aan het NNN en doorkruist het bij de aansluiting op Het Melven (zie Figuur 2). Het nieuwe inkoopstation ligt geheel binnen het NNN. Het leidingtracé loopt ten noorden van de Erpseweg vanaf de grens van het bedrijfsterrein geheel door het NNN. Ten zuiden van de Erpseweg loopt het leidingtracé door het nieuwe winputtenveld wat in zijn geheel buiten het NNN is gelegen.
10
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Figuur 2. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. De begrenzing is met oranje weergegeven. Bron ondergrond: OpenStreetMap contributers, 2022.
van
het NNN
Effectbeoordeling NNN De bouw van het nieuwe gebouw en aanleg van het winputtenveld vindt niet plaats in het NNN maar wel in de directe omgeving daarvan. Door de afstand van slechts 10 m tussen het NNN en het plangebied voor de nieuwbouw en de vermoedelijke noodzaak om grondwaterbemaling toe te passen om de nieuwbouw te realiseren treedt mogelijk externe werking op het NNN op. Ook bij de aanleg van het leidingentracé, het winputtenveld en de plaatsing van het nieuw inkoopstation is bemaling mogelijk noodzakelijk. Een verlaging van de grondwaterstand kan leiden tot verdroging van het NNN. Ook in de gebruiksfase kan extra wateronttrekking door het winputtenveld leiden tot een effect op de grondwaterstanden in het NNN. Het noordelijke deel van het leidingentracé loopt midden door het NNN. De transportroute loopt grotendeels over een bestaand bospad dat net buiten de begrenzing van het NNN valt. De laatste 30 meter bij de aansluiting op Het Melven maakt ook het bospad onderdeel uit van het NNN. Het inkoopstation wordt volledig binnen het NNN geplaatst waardoor hier permanent ruimtebeslag op zal treden. Daarnaast moet de aanleg plaatsvinden binnen het NNN wat tot verstoring kan leiden. Negatieve effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn daarmee niet op voorhand uit te sluiten.
Hierdoor is een nadere toetsing in de vorm van een effecttoets (Nee-tenzij-toets) noodzakelijk.
11
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
4. 3 Bescherming van houtopstanden Er staan bomen binnen het plangebied die vermoedelijk gekapt moeten worden om de aanleg van het leidingentracé mogelijk te maken. Ook moeten er bomen gekapt worden voor de plaatsing van het inkoopstation. Deze bomen maken onderdeel uit van een houtopstand van groter dan tien are. De bomen in de berm van de Erpseweg maken onderdeel uit van een laanbeplanting van meer dan 19 bomen. Doordat het plangebied gelegen is buiten de bebouwde kom houtopstanden van gemeente Meierijstad vallen deze onder de bescherming van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Hierdoor is artikel 4. 2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Omdat de hoofdreden voor de kap anders is dan het beschermen van de resterende beplanting kan de ingreep niet uitgevoerd worden als dunning en is het noodzakelijk dat voordat deze bomen gekapt worden hiervan een melding wordt gedaan bij het Bevoegd gezag.
12
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
5. Onderzoeksresultaten soortbescherming Uit de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) zijn van de afgelopen vijf jaar (2017 t/m 2022) waarnemingen van buizerd bekend uit het plangebied. Uit de directe omgeving van het plangebied (250 m) zijn verschillende waarnemingen van boomvalk bekend. Ongeveer 150 meter ten westen van het bedrijfsterrein is in 2020 een territorium vastgesteld. Ook van de havik, sperwer, steenuil, ooievaar, roek, huismus, gierzwaluw en grote gele kwikstaart zijn waarnemingen bekend uit de omgeving. Daarnaast zijn waarnemingen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, das, eekhoorn en wezel bekend uit de directe omgeving van het plangebied. Van overige beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming waarvoor geen vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn uit de NDFF geen waarnemingen bekend. Uit voorgaande onderzoeken uitgevoerd door Eco Assist is bekend dat op het bedrijfsterrein in de directe omgeving van het plangebied een bewoonde dassenburcht aanwezig is (Backx, 2019). Daarnaast is recent een kunstburcht voor dassen aangelegd op het bedrijfsterrein welke in gebruik genomen is door de dieren. 5. 1 Planten Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen in het plangebied. Uit het plangebied zelf en de directe omgeving daarvan zijn geen waarnemingen van beschermde vaatplanten bekend.
Oude bebouwing of muren welke kunnen fungeren als groeiplaats voor beschermde muurplanten zijn geheel afwezig in het plangebied. Alle overige beschermde vaatplanten stellen zeer specifieke eisen aan hun standplaats. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vaatplanten is binnen het plangebied dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Effectbeoordeling planten Doordat de aanwezigheid van beschermde vaatplanten in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming. 5. 2 Vogels Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan (100 m) zijn geen horsten of andere vaste rust- en verblijfplaatsen (zoals roekennesten) aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4. Tijdens het veldbezoek werd wel een foeragerende buizerd waargenomen boven het plangebied voor het winputtenveld. Geschikte broedplekken voor de grote gele kwikstaart, welke vaak onder bruggen, in nissen of tussen boomwortels op oevers broedt, zijn niet aanwezig op deze locaties in het plangebied. Voor boomvalk, havik, sperwer, steenuil, ooievaar en grote gele kwikstaart welke bekend zijn uit de directe omgeving van het plangebied is te verwachten dat het plangebied onderdeel uitmaakt van hun leefgebied.
Doordat er geen nesten zijn aangetroffen in het plangebied of hier dicht nabij en het plangebied slechts een klein deel van het gehele bosperceel, bedrijfsterrein en agrarisch gebied beslaat is uitgesloten dat het plangebied zelf een essentieel onderdeel van het foerageergebied van broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig met daken van dakpannen of andere ruimtes welke geschikt zijn als broedplaats voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4, zoals huismus en gierzwaluw. De aanwezigheid van essentiële functies van het 13
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
gebied voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 zijn binnen het plangebied dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Naast jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 hanteert provincie Noord-Brabant een lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten behorend tot categorie 5. Dat zijn broedvogels welke vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van de vogels met jaarrond beschermde nesten categorie 5 kunnen worden verwacht: grote bonte specht, ekster, koolmees, pimpelmees en spreeuw.
Verder kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in bossen broeden zoals houtduif, merel en winterkoning. Effectbeoordeling vogels De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en verblijfplaatsen uit categorie 1 t/m 4 is binnen het plangebied en de verstoringszone van de werkzaamheden redelijkerwijs uitgesloten. Voor te verwachten soorten uit categorie 5 zijn in de directe nabijheid van het plangebied voldoende alternatieve nestmogelijkheden voor handen. De ingreep leidt dan ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen ertoe leiden dat algemene broedvogelsoorten hun nesten met eieren of jongen verlaten en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar. Dat leidt tot een overtreding van artikel 3. 1 lid 1 en 2 van de Wet Natuurbescherming. Het is niet mogelijk voor de voorgenomen ingreep ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn. 5. 3 Zoogdieren Vleermuizen Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen.
Doordat het plangebied slechts een zeer klein oppervlakte beslaat van een veel groter bosperceel, bedrijfsterrein en agrarisch gebied is het redelijkerwijs uitgesloten dat het plangebied zelf een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormt. Vleermuizen maken gebruik van doorlopende lijnvormige elementen zoals bomenlanen voor beschutting en geleiding op hun vaste vliegroutes. Binnen het plangebied voor de reinwaterkelder zijn geen doorlopende lijnvormige elementen aanwezig die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vaste vliegroute. Essentiële vliegroutes van vleermuizen zijn dan ook uitgesloten in dit gedeelte van het plangebied. Zowel het leidingtracé door het bosperceel als de tijdelijke transportroute heeft aan weerzijden beplanting in de vorm van bomen en struiken. Het is niet uitgesloten dat deze een vaste vliegroute voor vleermuizen vormen. Ook de bomen aan de Erpseweg en de bosrand aan de Blankenburg kunnen onderdeel uitmaken van een vaste vliegroute voor vleermuizen. De houtwallen in het zuiden van het winputtenveld kunnen ook door vleermuizen als vliegroute worden gebruikt. Door de aanwezigheid van alternatieve routes langs de bosranden en houtwallen in de nabije omgeving van de geleidende structuren is er echter nergens sprake van een essentiële vliegroute van vleermuizen. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig.
Ook zijn er binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan (75 meter) geen bomen aanwezig met voor vleermuizen geschikte 14
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
holtes of grote stukken losse bast waar vleermuizen achter kunnen kruipen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is dan ook uitgesloten binnen het plangebied en de verstoringszone van de werkzaamheden. Grondgebonden zoogdieren Steen- en boommarter Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig waarin vaste rust- en verblijfplaats voor marterachtigen aanwezig kunnen zijn. Ook zijn er geen bomen met grote holtes aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats voor de steenmarter of boommarter. Er zijn geen sporen van deze marterachtigen aangetroffen gedurende het veldbezoek. De boommarter is niet bekend uit de wijde omgeving van het plangebied (NDFF) waarmee deze niet verwacht wordt. Het plangebied kan onderdeel uitmaken van het foerageergebied van steenmarters. Het plangebied beslaat echter slechts een klein deel van het geschikte foerageergebied in deze omgeving, waarmee het uitgesloten is dat het essentieel foerageergebied betreft. De aanwezigheid van beschermde functies van het gebied voor deze soorten is dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Das In het plangebied werden geen sporen van de das aangetroffen. Dassen hebben een hoofd- en bijburcht op het bedrijfsterrein van Brabant Water. Daarnaast is onlangs een kunstburcht gebouwd welke door de dassen in gebruik genomen is.
Vanuit eerder onderzoek (Backx, 2019) is bekend dat de dassen op het bedrijfsterrein foerageren en van hieruit ook onder het hek door kruipen en het omliggende bosperceel en agrarisch gebied in trekken. Het plangebied voor de nieuwbouw beslaat echter slechts een klein deel van het bedrijfsterrein waar momenteel door de grondopslag met bouwhekken eromheen ook geen mogelijkheden zijn om te foerageren. De tijdelijke transportroute en het leidingentracé zijn momenteel verhard en daarmee geen belangrijk foerageergebied. In de houtwallen welke gelegen zijn in het deelgebied voor het winputtenveld zijn veel neusputjes (foerageersporen) van dassen aangetroffen. In de houtwal op de westelijke grens van het winputtenveld is een actieve vluchtpijp van dassen aangetroffen (zie Figuur 3). In een grondwal net buiten het plangebied op het perceel van Ham 6 is een actieve dassenburcht met meerdere pijpen aangetroffen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is niet bekend of dit een bijburcht of een hoofdburcht betreft en of deze bewoond wordt door dassen van dezelfde clan (familie) als degene die de burchten op het bedrijfsterrein van Brabant Water bewonen. De houtwallen en delen van de graslanden direct grenzend aan deze houtwallen maken vermoedelijk een belangrijk onderdeel uit van het foerageergebied van deze dassen.
15
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Figuur 3. Ligging van het zuidelijke gedeelte van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. De Locatie van de vluchtpijp van dassen is met blauwe ruit weergegeven en de bijburcht (mogelijk kraamburcht) met gele stip. Bron ondergrond: Nationaal Georegister, 2021.
Kleine marterachtigen De kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel zijn door de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Van de wezel is een recente waarneming bekend uit het grasland ten westen van de tijdelijke transportroute. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat zich in het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebieden van kleine marterachtigen bevinden. De delen met dichte begroeiing (met o. a. braamstruwelen) zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats en foerageergebied voor kleine marterachtigen. Dat geldt alleen voor het gedeelte van de bosrand grenzend aan het grasland in het zuiden van het plangebied (winputtenveld), het begroeide gedeelte van het leidingtracé tussen het geasfalteerde deel en de Erpseweg en de beoogde bouwlocatie voor het inkoopstation. Op momenten dat het grasland in het winputtenveld wat langer is kunnen deze onderdeel uitmaken van het foerageergebied van kleine marterachtigen welke hier vanuit de omliggende dekking op muizen kunnen jagen. De rest van het plangebied wordt intensief beheerd (gemaaid) en veel betreden. Daardoor is de vegetatie hier te kort om voldoende dekking te bieden en de verstoring groot. Het is uitgesloten dat hier verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden van kleine marterachtigen aanwezig zijn.
De oevers van de sloten kunnen op momenten dat de vegetatie wat langer is en er voldoende dekking aanwezig is ook onderdeel uitmaken van het foerageergebied van kleine marterachtigen. Eekhoorn Uit het bosperceel waar het leidingtracé en de tijdelijke transportroute doorheen lopen zijn veel recente waarnemingen van eekhoorns bekend uit de NDFF. Het betreffen uitsluitend meldingen van waarnemingen en geen geregistreerde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns in het plangebied waargenomen. Ook zijn er geen nesten of knaagsporen aangetroffen binnen de grenzen van het plangebied. Binnen het plangebied zelf zijn dan ook overwegend jonge bomen aanwezig, welke minder geschikt zijn als nestboom voor eekhoorns. Wel is het te verwachten dat de bomen in het bosperceel en mogelijk ook de houtwallen in het zuiden van het plangebied onderdeel uitmaken van het leefgebied van eekhoorns. Door het kleine oppervlakte van het 16
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
plangebied ten opzichte van het totale bosperceel en doordat het plangebied voor de nieuwbouw, het leidingentracé, het winputtenveld en de tijdelijke transportroute al grotendeels vrij zijn van bomen is het uitgesloten dat binnen het plangebied essentieel leefgebied van de eekhoorn aanwezig is. Overige soorten Het plangebied is ongeschikt voor verblijfplaatsen van overige niet vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren. Het plangebied is wel geschikt voor verschillende Nationaal beschermde soorten zoogdieren waarvoor in provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt. Dit betreffen o. a. de egel en verschillende soorten (spits)muizen. Effectbeoordeling zoogdieren Vleermuizen Door het ontbreken van voor vleermuizen geschikte holtes of grote stukken losse bast in de bomen zijn verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen uitgesloten. Wanneer bomen gekapt worden leidt dit dus niet tot verlies aan verblijfplaatsen van vleermuizen. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. De ingreep leidt dan ook niet tot de aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen. Ook is binnen het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen aanwezig, waarmee ook geen negatieve effecten hierop optreden ten gevolge van de ingreep. Binnen het plangebied zijn doorlopende lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van de bospaden, bosranden, houtwal en watergangen.
Deze kunnen door vleermuizen gebruikt worden als vaste vliegroute. Het kappen van de bomen op het leidingtracé leidt niet tot aantasting van een essentiële vliegroute van vleermuizen. De bosranden die ontstaat na het kappen van enkele bomen kunnen de functie als geleidend element overnemen. Bij het kappen van de houtwal in het zuiden van het plangebied gaat mogelijk een deel van een vliegroute verloren. Daarvoor zijn echter rondom het perceel ten zuiden daarvan alternatieve routes aanwezig op korte afstand van zo’n 350 meter, welke door vleermuizen benut kan worden. Daarmee is uitgesloten dat ten gevolge van het rooien van de houtwal een essentiële vliegroute verloren gaat. Marterachtigen Dassen, steenmarters en mogelijk ook kleine marterachtigen maken van delen van het plangebied gebruik tijdens het foerageren. De beperkte oppervlakte van het plangebied ten opzichte van de totale oppervlakte aan geschikt foerageergebied in de directe omgeving maakt dat het uitgesloten is dat significant negatieve effecten optreden op het foerageergebied van marterachtigen voor de deelgebieden waar de nieuwbouw plaats gaat vinden, de leidingen aangelegd worden en de tijdelijke transportroute voorzien is. Voornamelijk het zuidelijke gedeelte van het winputtenveld waar de houtwallen gelegen zijn is van belang als foerageergebied voor dassen welke hun verblijfplaatsen in de houtwallen hebben.
In de houtwallen foerageren zij aan het begin van de avond en mogelijk ook in periode van droogte als er op de graslanden weinig wormen te vinden zijn. De houtwallen geven ook dekking aan de dassen als zij in de nazomer foerageren op de naastgelegen maïsakkers. Kleine marterachtigen en steenmarters kunnen met name de delen met een dichte ondergroei en de aan de houtwallen grenzende delen van de graslanden belangrijk zijn om te foerageren. Als de locaties waar de putten geboord gaan worden en de toekomstige inrichting van het winputtenveld bekend is kan beoordeeld worden of negatieve effecten op essentieel foerageergebied van marterachtigen op kunnen treden. Het aanleggen van de winputten kan daarnaast leiden tot het verstoren van de dassenburcht en vluchtpijp gelegen in het zuiden van het plangebied. Het plangebied voor het winputtenveld 17
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
overlapt daarnaast met een actieve vluchtpijp van dassen in het westen van het plangebied, waarmee deze mogelijk verdwijnt ten gevolge van de ingreep. Voor kleine marterachtigen geldt dat de werkzaamheden in de delen van het gebied met dichte ondergroei uitgevoerd dienen te worden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode, welke loopt van 15 maart tot 1 september. Tijdens de ingreep is het van belang bij de werkzaamheden rekening te houden met mogelijke bezoeken van marters aan het plangebied. Wanneer bij werkzaamheden gaten en/of sleuven van dieper dan 20 cm gegraven worden dan dienen deze aan het einde van de werkdag tenminste aan een zijde voorzien te worden van een talud van maximaal 45 graden. Hierdoor wordt voorkomen dat dassen en kleine marterachtigen welke onverhoopt in de sleuven terecht komen hier niet meer uit komen en verwond of gedood worden door stress, onderkoeling of voedselgebrek. Het is ook toegestaan de gaten of sleuven volledig af te sluiten met een stevige plaat (bijvoorbeeld een rijplaat) zodat hier geen dieren in kunnen vallen. Doordat de werkzaamheden (mogelijk ook deels ’s nachts) plaatsvinden binnen een straal van 200 meter van bewoonde dassenburchten kan dit mogelijk leiden tot het verstoren van vaste rusten verblijfplaatsen van dassen.
Zeker omdat deze plaatsvinden in de kwetsbare periode van de das (kraamperiode) moet voorkomen worden dat de verstoring zodanig is dat dassen hun burcht verlaten. Dat wordt gezien als vernieling van een vaste rust- en verblijfplaats omdat deze (tijdelijk) ongeschikt raakt als verblijfplaats. Daarnaast mag de verstoring nooit zodanig zijn dat het welzijn van de dassen en de voortplanting ernstig verstoord of dassen gedood of gewond worden. Er dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden waarmee deze negatieve effecten voorkomen kunnen worden. Wanneer dat niet mogelijk is kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen voor de Wet natuurbescherming. Eekhoorn Het is zeer waarschijnlijk dat de bosschages rondom het plangebied gebruikt worden door eekhoorns als leefgebied. Het plangebied zelf heeft echter maar een zeer beperkte waarde voor de eekhoorn en vervuld geen beschermde functies voor deze soort. Negatieve effecten van de ingreep op eekhoorns zijn daarmee op voorhand uitgesloten. De ingreep leidt dan ook niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de eekhoorn. Overige zoogdieren Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat beschermde functies van het gebied voor overige beschermde soorten zoogdieren niet te verwachten zijn.
De ingreep leidt voor deze soorten dan ook niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming. 5. 4 Reptielen Gedurende het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied ligt buiten het bekende verspreidingsgebied van de levendbarende hagedis. Op grond van het ontbreken van voor overige reptielen geschikte ecotopen in het plangebied (zoals schrale vegetatie met voldoende rustige, zonnige plekken, stenen muren) kan de aanwezigheid daarvan eveneens uitgesloten worden. Effectbeoordeling reptielen Doordat de aanwezigheid van reptielen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming. 5. 5 Amfibieën Binnen het plangebied zelf ligt alleen oppervlaktewater in de vorm van de sloten welke doorkruist worden door het leidingtracé. De sloot ten zuiden van de Erpseweg is potentieel geschikt voor 18
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
beschermde amfibieën door de aanwezigheid van een goed ontwikkelde watervegetatie. Het plangebied is gelegen in een regio waar de Alpenwatersalamander veel voor komt. Het is op basis van dit onderzoek niet uitgesloten dat de sloot gebruikt wordt door Alpenwatersalamanders als voortplantingswater. Overige zwaarder beschermde amfibieën zijn niet bekend uit de ruime omgeving van het plangebied en zijn redelijkerwijs uitgesloten binnen het plangebied. zwaar
De kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en meerkikker zijn door alle provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Effectbeoordeling amfibieën Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan niet geheel uitgesloten worden dat de sloot ten zuiden van de Erpseweg gebruikt wordt door de Alpenwatersalamander als voortplantingswater. De overige sloten gelegen binnen het plangebied zijn daarvoor niet geschikt. Doordat bij de ingreep mogelijk werkzaamheden in de sloten plaatsvinden kunnen negatieve effecten op Alpenwatersalamanders optreden. Wanneer de werkzaamheden uitgevoerd worden in de winter als deze amfibieën zich op land bevinden is het doden en verwonden van deze dieren redelijkerwijs uitgesloten. Daarnaast vinden de werkzaamheden slechts plaats op een klein oppervlak ten opzichte van de gehele sloot. Hierdoor wordt het voortplantingswater niet significant aangetast. Daarmee is op voorhand uitgesloten dat essentieel leefgebied van mogelijk aanwezige beschermde amfibieën wordt aangetast. Daarmee is niet te verwachten dat de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op zwaar beschermde amfibieën. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van Alpenwatersalamanders is niet noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen wanner gewerkt wordt conform de richtlijnen uit een goedgekeurde gedragscode. 5.
6 Vissen De grote modderkruiper is niet bekend uit de ruimte omgeving van het plangebied. Alle overige beschermde zoetwatervissen zijn soorten uit beken en rivieren welke niet voorkomen binnen het plangebied. Effectbeoordeling vissen Doordat de aanwezigheid van strikt beschermde vissen redelijkerwijs uitgesloten is leidt de ingreep niet tot een negatief effect op beschermde vissen. 5. 7 Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties met waardplanten voor die geschikt zijn als leefgebied voor beschermde libellen en dagvlinders. Ook zijn er geen waarnemingen van beschermde vlinders of libellen bekend uit het plangebied of de directe omgeving daarvan. De aanwezigheid van beschermde libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Effectbeoordeling vlinders en libellen Doordat de aanwezigheid van beschermde vlinders en libellen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming. 5. 8 Overige ongewervelden Uit het plangebied zijn geen overige beschermde ongewervelden bekend (NDFF). Door het ontbreken van voor overige beschermde ongewervelden geschikt habitat is de aanwezigheid van strikt beschermde ongewervelden redelijkerwijs uitgesloten. 19
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Effectbeoordeling overige ongewervelden Doordat de aanwezigheid van overige beschermde ongewervelden in het plangebied redelijkerwijs uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.
20
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
6. Conclusie
en
aanbevelingen
6. 1 Gebiedsbescherming 6. 1. 1 Natura 2000 De ingreep leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden waarvoor de gebieden zijn aangewezen. Daarnaast is er geen effect op de instandhoudingsdoelstellingen van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn aangewezen. 6. 1. 2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) De nieuwbouw en het winputtenveld worden niet geplaatst in het NNN. Doordat waarschijnlijk langdurige bemaling nodig is voor de aanleg, waarbij de grondwaterstand tot buiten het plangebied en mogelijk in het NNN verlaagd wordt, zijn negatieve effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN niet op voorhand uitgesloten. Voor het winputtenveld moet bepaald worden of deze in de gebruiksfase kunnen leiden tot negatieve effecten op de grondwaterstanden binnen het NNN. De transportroute loopt over een bospad waarvan 30 meter tot de verharde weg binnen de begrenzing van het NNN valt. Het noordelijke gedeelte van het leidingtracé loopt ook door het NNN. Daarnaast wordt het inkoopstation in het NNN gebouwd. Hierdoor is een effecttoets (Nee-tenzij-toets) noodzakelijk en moet mogelijk een vergunning aangevraagd worden. 6. 1. 3 Bescherming van houtopstanden Omdat bij de ingreep bomen gekapt worden welke vallen onder de bescherming van houtopstanden conform artikel 4.
2 van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk voorafgaan aan de kap hiervan melding te doen. Het kan daarbij geëist worden dat conform Artikel 4. 3 lid 1 en 2 van de Wet natuurbescherming binnen drie jaar na het vellen herplant heeft plaatsgevonden. 6. 2 Soortbescherming 6. 2. 1 Vogels Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 1 t/m 4 te verwachten. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 5, zoals ekster, koolmees en pimpelmees zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3. 1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van maart tot en met juli.
Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden eventueel snoeiafval en de te verwijderen vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is voor de 21
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn. voorgenomen
6. 2. 2 Zoogdieren Marterachtigen Dassen, steenmarters en kleine marterachtigen maken mogelijk van het plangebied gebruik tijdens het foerageren. Het plangebied heeft slechts een beperkte oppervlakte ten opzichte van de totale oppervlakte aan geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied. Daarnaast is het grootste deel van het plangebied slechts tijdelijk minder geschikt als foerageergebied. Hierdoor is het uitgesloten dat de nieuwbouw en het aanleggen van een leidingentracé leidt tot significant negatieve effecten op het foerageergebied van marterachtigen. Wel is het van belang bij de werkzaamheden rekening te houden met mogelijke bezoeken van marters aan het plangebied. Wanneer bij de leidingwerkzaamheden gaten of sleuven van dieper dan 20 cm gegraven worden dan dienen deze aan het einde van de werkdag tenminste aan een zijde voorzien te worden van een talud van maximaal 45 graden. Hierdoor wordt voorkomen dat dassen en kleine marterachtigen welke onverhoopt in de sleuven terecht komen hier niet meer uit komen en verwond of gedood worden door stress, onderkoeling of voedselgebrek. Als alternatief is het mogelijk om het gat af te dekken met een stevige plaat zodat dieren hier niet in terecht kunnen komen.
In het zuiden van het plangebied waar het winputtenveld voorzien is maken delen mogelijk wel onderdeel uit van het essentieel foerageergebied van marterachtigen. Wanneer de inrichting van het gebied bekend is moet nader beoordeeld worden of negatieve effecten op foerageergebied op voorhand uitgesloten kunnen worden of dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is. Doordat de werkzaamheden binnen een straal van 200 meter van actieve dassenburchten plaatsvinden en ook deels ’s nachts moeten worden uitgevoerd is significante verstoring van de dassenburchten niet op voorhand uitgesloten. Dit zou kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Door een ecologisch werkprotocol op te stellen met mitigerende maatregelen zijn deze negatieve effecten echter grotendeels te voorkomen. Voor kleine marterachtigen en steenmarters geldt dat het verwijderen van de vegetatie en het werken in dichte vegetaties voorkomen moet worden gedurende de kwetsbare periode (15 maart tot 1 september) om negatieve effecten te voorkomen. Overige soorten Beschermde functies van overige beschermde soorten zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De ingreep leidt dan ook niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten. 6. 2.
3 Amfibieën De sloot ten zuiden van de Erpseweg wordt mogelijk gebruikt door Alpenwatersalamanders als voortplantingswater. Wanneer hier werkzaamheden plaatsvinden om het leidingtracé hier doorheen te leggen kunnen negatieve effecten op Alpenwatersalamanders optreden. Negatieve effecten en overtreding van de Wet natuurbescherming kan voorkomen worden door tijdens de werkzaamheden te werken volgens een goedgekeurde gedragscode.
22
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
6. 3 Samenvatting Op basis van de mogelijke effecten die op kunnen treden ten gevolge van de ingreep blijkt dat deze niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient wel rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van dassen, kleine marterachtigen en de Alpenwatersalamander in het plangebied. Door een aangepaste werkwijze zijn negatieve effecten en overtreding van de Wet natuurbescherming echter te voorkomen. Dit dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Daarnaast dient in alle gevallen rekening gehouden te worden met het broedseizoenen en de algemene zorgplicht. Het is redelijkerwijs uitgesloten dat de ingreep negatieve effecten heeft op beschermde Natura 2000-gebieden. Het uitvoeren van een effecttoets (Nee-tenzij-toets) is noodzakelijk om te bepalen of er negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN optreden ten gevolge van de ingreep Bij de ingreep worden bomen gekapt welke vallen onder de Bescherming Houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verplicht om voor de kap daarvan melding te doen bij het bevoegd gezag. Het is mogelijk dat daarbij ter compensatie geëist wordt dat het aantal bomen dat gekapt wordt binnen drie jaar na de velling herplant wordt.
23
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
7. Bronnen 7. 1 Rapportages & boeken Bouwens, S. 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie NoordBrabant. ,
Broekhuizen, S. K. Spoelstra, J. B. M. Thissen, K. J. Canters & J. C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. ,
Brouwer, T. M. Dorenbosch, R. van Eekelen & J. Spier, 2010. Vissenatlas Noord-Brabant. Uitgeverij Profiel, Bedum. ,
Creemers, C. M. & J. C. W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Dietz, C. & A. Kiefer. 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. ,
Dietz, C. O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Tirion Natuur. ,
Floron, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist.
7. 2 Websites www. kaartenbank. brabant. nl www. natura2000. nl www. ndff. nl
24
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Bijlage 1: Foto’s plangebied
Figuur 4. Impressie plangebied, locatie Nieuwbouw.
Figuur 5. Impressie plangebied, locatie Nieuwbouw.
25
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Figuur 6. Impressie plangebied, tijdelijke transportroute.
Figuur 7. Impressie plangebied, leidingtracé.
26
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Figuur 6. Impressie plangebied, leidingtracé.
Figuur 7. Impressie plangebied, sloot ten noorden
27
van
Erpseweg.
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Figuur 8. Impressie plangebied, sloot ten noorden
van
Erpseweg en deel winputtenveld.
Figuur 9. Impressie plangebied, zuidelijk deel winputtenveld.
28
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Figuur 10. Impressie plangebied, houtwal westzijde winputtenveld.
Figuur 11. Impressie plangebied, houtwal oostzijde winputtenveld.
29
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Figuur 12. Impressie plangebied, vluchtpijp das in plangebied Winputtenveld.
Figuur 13. Impressie plangebied, dassenburcht net ten oosten winputtenveld.
30
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
(geanoimserd) Figuur 15. Impressie plangebied
31
voor
het inkoopstation.
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Bijlage 2: Wet-
en
regelgeving
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van de natuur in Nederland geregeld middels de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de voormalige Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft drie belangrijke onderdelen, namelijk: •
Bescherming van Natura 2000-gebieden,
•
Bescherming van soorten,
•
Bescherming van houtopstanden.
De hoofdlijnen van de bepalingen in deze drie onderdelen van de Wet natuurbescherming welke van belang zijn voor de nadere toetsing in dit onderzoek worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. Bescherming van Natura 2000-gebieden Binnen de Wnb is de bescherming van zogenaamde Natura 2000-gebieden geregeld. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De grondslag hiervoor ligt in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Welke planten- en diersoorten of habitattypen dit zijn is voor ieder gebied afzonderlijk vastgelegd middels beheerplannen met zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen. Ingrepen of evenementen mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Activiteiten mogen alleen doorgang vinden als deze de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen, of wanneer de provincie waarin de ingreep of het evenement plaatsvindt een vergunning verleend. Bij ingrepen in gebieden van nationaal belang is het ministerie van Economische Zaken Bevoegd gezag. Bescherming van soorten De soortbescherming onder de Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, namelijk: •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,
•
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,
•
Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermde soorten).
Op soorten uit de beschermingsregimes Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn de verbodsbepalingen uit de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) van toepassing. Binnen de categorie andere soorten vallen soorten welke op Europees niveau niet beschermd zijn maar door Nederland wel als beschermde soort aangewezen zijn. Iedere provincie heeft zelf de mogelijkheid om een of meerdere van deze planten- en diersoorten vrij te stellen onder bepaalde voorwaarden. Wel geldt voor alle soorten de algemene zorgplicht (Artikel 1. 11). Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met 32
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
mogelijk negatieve effecten op planten en dieren maatregelen dient te nemen om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen. Tabel 1: Verbodsbepalingen per beschermingsregime Wnb, voor zover van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen of evenementen.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3. 1 Wnb)
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3. 2 Wnb)
Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3. 3 Wnb)
Art 3. 1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3. 5 lid 1: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te
Art 3. 10 lid 1a: Het is verboden in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen.
vangen.
Art 3. 1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te
Art 3. 5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Art 3. 10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art 3. 1 lid 3: Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art 3. 5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art 3. 10 lid 1c: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3. 1 lid 4 en lid 5: Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art 3. 5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
nemen.
Art 3. 5 lid 5: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 33
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02
Ontheffingen en vrijstelling De provincies en de Minister van Economische zaken kunnen ontheffing of vrijstelling afgeven om onder voorwaarden de Wnb te overtreden. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en er geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort. Dit is wel alleen mogelijk wanneer de aanleiding van de ingreep of activiteit valt onder een in de wet genoemd belang. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden richt zich op de instandhouding van het oppervlakte bos in Nederland. Artikel 4. 2 uit de Wet natuurbescherming verbiedt het zonder melding (gedeeltelijk) vellen van houtopstanden groter dan tien are of van meer dan twintig rijbomen welke gelegen zijn buiten de “bebouwde kom houtopstanden”. Artikel 4. 3 lid 1 en 2 stellen dat het naast melding noodzakelijk is dat er herplant plaatsvindt binnen 3 jaar na het vellen van de bomen, en dat vervolgens binnen 3 jaar herplant plaats moet vinden voor niet aangeslagen beplanting. Het bevoegd gezag kan tevens een kapverbod opleggen in het geval van bijzondere beplantingen. Zoals opgenomen in Artikel 4.
1 van de Wet natuurbescherming geldt voor bepaalde soorten en gevallen (houtproductie of andere bedrijfsmatige activiteiten) een vrijstelling voor de bescherming houtopstanden.
34
Ecologische quickscan uitbereiding Zuiveringsinstallatie Veghel | RA21025-02