CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

A8 RvS - Beroep Bp Buitengebied Sint-Oedenrode herziening Kremselen 12 (geanonimiseerd)

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bestuurlijke stukken3.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

hd

Ed

.

.

Ed

.

Ed

nen

Raad

hd

.

.

.

.

.

Ed

.

na

Kd

.

.

.

Ed

-

.

.

ebi

Kd

.

.

.

.

.

*

eter

na

.

.

Kd

.

.

Ed

.

ER

à

.

Ea

Bea

.

.

.

Kd

Ed

Afdeling bestuursrechtspraak

vanState

Ed

e

Kd

.

ii melde

B

.

.

Pagina

1 van

.

1

Ingekomen

Nr.

Afd.

17 APR 2024 Raad

de gemeente

van

Meierijstad

Postbus 10001 5460 DA VEGHEL

Datum

Ons

16 april 2024

202305782/1/R2

Uw

nummer

kenmerk

BR-2023-075901

Inlichtingen

Onderwerp

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Meierijstad Bp Buitengebied Sint-Oedenrode herziening

(geanonimiseerd)

Kremselen

12

Procedure

Beroep

Geachte In

heer/mevrouw,

bovengenoemde procedure heeft de Afdeling uitspraak gedaan. De procedure is

daarmee

Een

kopie

Aangezien

beëindigd. van

deze

uitspraak treft

dit bericht

u

hierbij

geautomatiseerd

aan.

aangemaakt, is dit niet ondertekend.

is

Hoogachtend, de griffier

De

griffie is op 10 mei gesloten.

Postbus

4141834(CAO)

20019

-

2500

EA

de

datum

Bij correspondentie

Den en

Haag het

-T

070

nummer

426

van

44

deze

26

F 070

-

365

brief vermelden .

.

13

80

-

www.raadvanstate.nl

.

.

à

.

.

Raad

vanState 202305782/1/R2 Datum

uitspraak:

202305782/2/R2. 16 april 2024 en

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak

de

van

voorzieningenrechter

van

de

Afdeling bestuursrechtspraak

State op een verzoek om het treffen van een voorlopige 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (artikel voorziening (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het van

de Raad

van

beroep, in het geding

tussen:

«anderen, wonend (geanonimiseerd) BN Meierijstad, verzoekers, en

de raad

van

verweerder.

de gemeente

Meierijstad,

te

(geanonimiseerd) emeente MN

202305782/1/R2

16

2

en

april 2024

202305782/2/R2

Procesverloop bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12” vastgesteld. Bij besluit

juni 2023 heeft de

29

van

dit besluit

Tegen

het

(geanonimiseerd) en MNN

beroep ingesteld. Zij voorlopige voorziening te

anderen

voorzieningenrechter ook verzocht

de

hebben

hebben

raad

een

treffen. De

raad

heeft

een

(geanonimiseerd) en B

verweerschrift

ingediend.

hebben

anderen

een

nader stuk

ingediend.

voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 30 januari 2024, waar (geanonimiseerd) en MN (geanonimiseerd) bijgestaan

De

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) advocaat door Em

(geanonimiseerd) en de raad, ,

(geanonimiseerd) zijn verschenen. Voorts is op de zitting (geanonimiseerd) vertegenwoordigd door Bomenrooibedrijf ME (geanonimiseerd) en (geanonimiseerd) als partij gehoord. vertegenwoordigd

door

(geanonimiseerd) EA

AE

Partijen hebben

doen

in de

onderzoek

niet

toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak

te

hoofdzaak.

Overwegingen Ur

voorzieningenrechter is van oordeel dat

De

kan

bijdragen

van

de Awb

nader

de beoordeling van de zaak en dat gelet op artikel 8:86 daarom ook uitspraak kan worden gedaan in de bodemzaak. aan

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet van Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip ter inzage is gelegd het recht van inwerkingtreding van de Omgevingswet 2:

gold onmiddellijk vóór dat tijdstip bestemmingsplan onherroepelijk is. zoals dat

sc

Het

ontwerpplan

bestemmingsplan

is op

Waar

gaat

toepassing

tot

het

8 juli 2022 ter inzage gelegd en het 2023 vastgesteld. Dat betekent dat op deze

is op 29 juni het recht, waaronder

beroepsprocedure dat gold vóór 1 januari 2024

van

van

de

Wet

ruimtelijke ordening,

zoals

toepassing blijft.

deze zaak over?

bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12” heeft betrekking op het perceel Kremselen 12 in Sintde afgelopen 30 jaar een Oedenrode, waar Bomenrooibedrijf (geanonimiseerd) BE bomenrooibedrijf exploiteert. Het bedrijf houdt zich bezig met het rooien en snoeien van bomen en het versnipperen en de afvoer van het vrijkomende

4.

Het

202305782/1/R2

en

3

16

april 2024

202305782/2/R2 snoeiafval. Die activiteiten vinden

hoofdzakelijk plaats op verschillende

projectlocaties. De bedrijfslocatie aan Kremselen 12 wordt onder andere gebruikt voor het stallen van het bedrijfsmateriaal. Het bestemmingsplan maakt een uitbreiding van het bedrijf op de bedrijfslocatie mogelijk en voorziet er onder meer in dat een deel van het aan de oostzijde aangrenzende kadastrale perceel M416 wordt omgezet naar de bestemming “Bedrijf”, waar de buitenopslag van boomstammen en houtsnippers is toegestaan. Dat perceel had onder het vorige bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch met waarden Landschapswaarden”. Verder voorziet het plan in de mogelijkheid dat op de locatie maximaal 12 keer per jaar snoeihout wordt versnipperd en wordt het bouwvlak enigszins aangepast. (geanonimiseerd) en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen onder meer voor geluids- en geuroverlast en aantasting van de natuur- en landschapswaarden. —

Toetsingskader Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. 5.

Gronden

van

het beroep

Geluid en anderen voeren aan dat de raad niet heeft 6. (geanonimiseerd) EN onderkend dat het plan tot onaanvaardbare geluidsoverlast zal leiden. Zij voeren hierover in de eerste plaats aan dat het akoestisch onderzoek uitgaat van verkeerde uitgangspunten en gebreken bevat. In het bijzonder is het

versnipperen van hout ten onrechte niet meegenomen in de uitgangspunten voor de representatieve bedrijfssituatie, maar als incidentele bedrijfsactiviteit aangemerkt. Bovendien gaat het akoestisch onderzoek uit van een 3 m hoge grondwal met keerwand, maar de verplichting om die aan te leggen is niet opgenomen in de planregels en het plan voorziet er ten onrechte in dat deze grondwal binnen de bosbestemming mag worden gerealiseerd. Verder blijkt uit het akoestisch onderzoek niet vanaf welke punten vanuit het bedrijf is (geanonimiseerd) gerekend en hanteert het akoestisch onderzoek geen bronvermelding. mm (geanonimiseerd) en anderen verwijzen ter onderbouwing van hun betoog naar een B reactie van milieukundig adviesbureau Antea Group van 2 oktober 2023. Door de voorgenomen ontwikkeling wordt het bedrijf aan Kremselen 12 uitgebreid ten behoeve van de buitenopslag van boomstammen en houtsnippers en het versnipperen van snoeihout. Omdat niet aan de door de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” aanbevolen

Bal.

202305782/1/R2 202305782/2/R2

en

+

16

april 2024

50 m voor een bedrijf van milieucategorie 3.1 in een rustig buitengebied wordt voldaan, heeft de raad akoestisch onderzoek laten uitvoeren om vast te stellen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het richtafstand

van

“akoestisch onderzoek industrielawaai Kremselen 12” van 16 december 2021 van De Roever Omgevingsadvies. Het onderzoek gaat uit de voor geluid relevante van een representatieve bedrijfssituatie waarbij

voertuigenbewegingen met lichte en zware voertuigen, tanken, wassen, op- en overslag van houtchips/stammen. Daarbij is uitgegaan van de drukst mogelijke dag. Daarnaast is in het onderzoek de incidentele bedrijfssituatie onderzocht, waarbij gedurende maximaal 12 keer per jaar snoeihout wordt gechipt/geschredderd. Voor de incidentele bedrijfssituatie is uitgegaan van de activiteiten die plaats kunnen vinden in de representatieve bedrijfssituatie, waarbij aanvullend rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van een mobiele chipper en een verhoogde bedrijfsduur van de mobiele kraan. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat tijdens de representatieve bedrijfssituatie wordt voldaan aan de richtwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 dB(A) (stap 2 van de VNGbrochure) en aan de richtwaarden voor maximale geluidniveaus (respectievelijk 65, 60 en 55 dB(A) in de dag, avond- en nachtperiode). Ook ter plaatse van de buitenruimten bij de woningen wordt aan deze richtwaarden voldaan. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit, zodat de uitbreiding inpasbaar is in de omgeving.

Over de incidentele bedrijfssituatie concludeert het akoestisch onderzoek dat de hoogste geluidbelasting 55 dB(A) etmaalwaarde bedraagt, en dat het aan het bevoegd gezag is om te bepalen of de berekende waarden aanvaardbaar worden geacht. De raad heeft deze overschrijding aanvaardbaar geacht, omdat het gaat om een situatie die maar een beperkt aantal keer per jaar gedurende de dagperiode en voor een vastgelegde duur van maximaal 4 uur per keer voorkomt, waarbij de chipper zoveel mogelijk is afgeschermd. De raad heeft ook van belang geacht dat het college van burgemeester en wethouders op 25 maart 2022 een maatwerkbesluit heeft genomen waarbij incidenteel hogere geluidsnormen zijn toegestaan. activiteiten bestaan uit

beroepsgrond dat in het akoestisch onderzoek het versnipperen van snoeihout ten onrechte als incidentele bedrijfsactiviteit is aangemerkt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De raad heeft toegelicht dat de productie van houtchips doorgaans op locatie bij de klant plaatsvindt, en dat alleen in de gevallen dat het hout niet op de projectlocatie gechipt kan worden, dit op de bedrijfslocatie zal gebeuren. Dit zal een beperkt aantal keren per jaar nodig zijn. Het gaat dan om maximaal 12 keer per jaar gedurende maximaal 4 aaneengesloten uren per keer in de dagperiode, ter plaatse van de gronden met de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf chippen en shredderen van snoeihout”. Dit is geregeld in artikel 4.1, aanhef en onder i, van de planregels. Omdat het chippen van hout doorgaans op de projectlocatie plaatsvindt en het aantal keren dat dit op de bedrijfslocatie mag plaatsvinden is beperkt tot 12 keer met een maximum van 4 aaneengesloten uren per keer in de dagperiode, zijn die activiteiten in het akoestisch onderzoek terecht aangemerkt als een incidentele 6,2.

Over de

202305782/1/R2

5

en

16

april 2024

202305782/2/R2

(geanonimiseerd) en anderen bedrijfslocatie. Dat, zoals MN stellen, het bestemmingsplan wordt herzien om onder meer het versnipperen van hout mogelijk te maken, is geen reden om daar anders over te oordelen. Of het incidenteel is wordt bepaald door aard van een activiteit, frequentie bedrijfssituatie

en

op de

duur.

(geanonimiseerd) en anderen betogen dat het Op de punten dat BN akoestisch onderzoek ten onrechte uitgaat van een grond- en keerwal, terwijl deze niet in de planregels is geborgd en niet is toegestaan binnen de bestemming “Bos”, volgt de voorzieningenrechter hen niet. Artikel 1.59 definieert grondwal als een aarden wal gelegen tegen een keerwand van 3,0 m hoog, met een beeldbepalende en/of geluidsreducerende functie. In artikel 5.1, aanhef en onder f, is bepaald dat de voor “Bos” aangewezen gronden bestemd zijn voor een grondwal van 3,0 m hoog ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bos grondwal”. Anders dan (geanonimiseerd) en anderen betogen staan de planregels het dus uitdrukkelijk toe dat binnen de bestemming “Bos” een grondwal wordt aangelegd. De keerwand kan binnen de aangrenzende bedrijfsbestemming worden verwezenlijkt, waar ingevolge artikel 4.2.5, aanhef en onder e, van de planregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 3 m hoog zijn toegestaan. De voorzieningenrechter ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de grondwal niet passend is binnen deze bosbestemming. De grondwal dient namelijk overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan te worden aangeplant met diverse inheemse soorten bosplantsoen, waardoor de bedrijfsactiviteiten op een groene wijze voor de omgeving aan het zicht worden onttrokken.

De uitvoering hiervan is door middel van een in artikel 4.4.3 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting geborgd. In artikel 4.4.4, aanhef en onder a van de planregels is verder als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de grondwal en de keerwand met een hoogte van 3,0 m moeten worden aangelegd conform de inrichtingstekening als opgenomen in bijlage 4 bij de planregels. Onder b is bepaald dat het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de gronden alleen is toegestaan wanneer die grondwal en keerwand in stand worden gehouden. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gewaarborgd dat de grondwal ook daadwerkelijk zal worden aangelegd, zodat het akoestisch onderzoek daarvan bij de berekeningen mocht uitgaan. 6.3.

en anderen dat uit het (geanonimiseerd) MN vanaf welke akoestisch onderzoek punten vanuit het bedrijf is blijkt gerekend en dat de richtafstanden uit de VNG-brochure niet worden gehaald, overweegt de voorzieningenrechter dat in de bijlagen 2 en 3 van dat onderzoek uitdrukkelijk is opgenomen welke meetpunten binnen het bedrijf zijn gehanteerd. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de bedrijfsactiviteiten van het bomenrooibedrijf vergelijkbaar zijn met de in de VNG-brochure genoemde “loonbedrijven, plantsoen- en hoveniersbedrijven” waarvoor milieucategorie 3.1 geldt, en niet met die van een industrieel verwerkingsbedrijf, zoals (geanonimiseerd) en anderen op de zitting hebben betoogd. Overigens staat EN vast en is niet in geschil dat de richtafstanden voor geluid niet worden

6.4.

Over de

stelling

niet

van

202305782/1/R2

16 april 2024

6

en

202305782/2/R2

gehaald.

de raad juist aanleiding geweest laten uitvoeren.

Dat

onderzoek

is

te

akoestisch

om

voor

en anderen dat de (geanonimiseerd) MEN bronvermelding van de gehanteerde bronvermogens in het akoestisch onderzoek ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor

6.5.

In het

betoog

van

het

bestemmingsplan ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van en anderen overgelegde reactie van belang dat in de door (geanonimiseerd) BEN

oordeel dat de raad dit onderzoek

het

aan

dat het ontbreken van de bronvermelding andere conclusies zal leiden, omdat voor de meest

Antea tot

niet

bronvermogens geldt

dat

deze

in

lijn liggen

verwachting

naar

staat

niet

gehanteerde hetgeen redelijkerwijs wordt

met

verder in de reactie van Antea is opgemerkt ook geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek zulke gebreken in kennis of leemten bevat dat de raad zich daarop verwacht.

De

voorzieningenrechter

niet heeft

mogen

6.6.

Gelet op het tot

in wat

baseren.

voorzieningenrechter leiden

ziet

voorgaande heeft de raad op

het standpunt

een

onaanvaardbare

Het

betoog slaagt

zich

naar

het

oordeel

stellen dat het plan

mogen

van

de

niet zal

geluidshinder.

niet.

Geur en anderen (geanonimiseerd) betogen dat de raad EN de belangenafweging heeft betrokken. aspect geur niet bij

7

ten

onrechte

het

(geanonimiseerd) en anderen menen volgt uit de BEN toelichting van het bestemmingsplan dat het aspect geur door de raad wel beoordeeld is. In de toelichting staat dat wordt voldaan aan de richtafstand voor geur van 30 m. Verder staat in de toelichting dat de toezichthouder van Fl.

Anders

dan

Omgevingsdienst Brabant Noord op 6 mei 2022 een controle heeft de uitgevoerd op de bedrijfslocatie. Daarbij is geconstateerd dat dichtbij opslag van de houtchips een geur van vochtig hout herkenbaar is, maar dat

de

deze

geur daarnaast

op

een

afstand

van

1

m

niet meer

waarneembaar

is. De

raad

heeft

aanleiding van de in de zienswijzen geuite Deze heeft zorgen nader advies is ingewonnen bij de omgevingsdienst. rotten of aangegeven dat houtchips niet binnen enkele dagen gaan

toegelicht

dat

naar

composteren en dat geurhinder in de vorm van compostlust of rottingslucht niet te verwachten valt. In wat BEN (geanonimiseerd) en anderen hebben de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de juistheid aangevoerd ziet van

deze

afzien

constateringen het doen

van

Het

Uitbreiding

van

te

twijfelen.

onderzoek

betoog slaagt

binnen het NNB

Gelet

naar

daarop

kon

de

raad in dit geval

geurhinder.

niet.

en

de

groenblauwe

mantel

en anderen betogen dat een deel van het perceel (geanonimiseerd) EN M416 wordt omgezet van feitelijke natuur naar een bedrijfsbestemming. Deze uitbreiding van de bedrijfsbestemming ligt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) en de “groenblauwe mantel”, bedoeld voor het behoud,

8.

202305782/1/R2

7

en

16

april 2024

202305782/2/R2 herstel of duurzame

ontwikkeling

het watersysteem en de ecologische kenmerken. Van landschappelijke inpassing van

landschappelijke waarden en is geen sprake, aangezien een grondwal niet past binnen de bosbestemming. De grondwal maakt deel uit van de bedrijfsbestemming en had binnen die bestemming moeten liggen. Uit het vooroverleg blijkt ook dat de provincie niet instemt met de ontwikkeling in de groenblauwe mantel. Bovendien wordt het perceel omheind door een hekwerk waardoor dieren geen gebruik kunnen maken van het bos, aldus MN (geanonimiseerd) en anderen. en

voorzieningenrechter overweegt dat de omstandigheid dat gronden liggen binnen de groenblauwe mantel, niet betekent dat er geen ontwikkelingsruimte meer is. In artikel 3.32 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is bepaald dat een bestemmingsplan dat van toepassing is op de groenblauwe mantel, a) strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden, b) regels stelt ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied en c) borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden. De raad heeft toegelicht dat met de ontwikkeling fors wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit, waardoor wordt voldaan aan de doelstellingen van de groenblauwe mantel. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt. Een oppervlakte van 975 m? van perceel M416 is omgezet “Bos” en zal worden ingericht met inheemse soorten naar de bestemming bosplantsoen en bomen. Aan de westzijde van het plangebied zullen verder nieuwe loofbomen en heesters worden aangeplant. Daartoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als bijlage 3 bij de planregels is opgenomen.

Daarnaast wordt het bedrijf landschappelijk ingepast door oprichting van een grondwal, die wordt aangeplant met diverse inheemse soorten bosplantsoen. Zoals hiervoor onder 6.3 is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de grondwal, die wordt aangeplant met verschillende inheemse soorten bosplantsoen, niet passend is binnen de bosbestemming. Dat met deze grondwal het bedrijf landschappelijk wordt ingepast en deze ook een geluidsreducerende functie heeft, betekent niet dat de grondwal niet meer passend is binnen de bosbestemming. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat een hekwerk niet passend is binnen de bosbestemming, aangezien het moet gaan om een afrastering met een open karakter en de raad onder verwijzing naar de plantoelichting heeft toegelicht dat op een aantal plekken openingen voor klein wild zullen worden gerealiseerd, zodat de fauna in en rondom het plangebied niet wordt belemmerd. Over het betoog dat een deel van de uitbreiding is voorzien in het NNB, overweegt de voorzieningenrechter dat het college van gedeputeerde 8.1.

De

de grenzen van het NNB heeft aangepast. In dat herbegrenzingsbesluit is toegelicht dat de beoogde uitbreiding is voorzien op een klein gebied van in totaal 57 m? niet gerealiseerd NNB dat geen ecologische waarde kent. Bovendien vindt met de herbegrenzing compensatie plaats waardoor elders

staten

de NNB

wordt versterkt. Het betoog slaagt niet.

202305782/1/R2

8

en

16

april 2024

202305782/2/R2

Overige beroepsgronden (geanonimiseerd) en anderen betogen dat direct naast het aan het EN NNB onttrokken perceel sprake is van teelt door een tuinder die gewasbeschermingsmiddelen gebruikt en dat niet wordt voldaan aan de afstandseis van 5O m. Aangezien de raad niet heeft toegelicht waarom deze kortere afstand aanvaardbaar is, is het besluit onzorgvuldig gemotiveerd, menen MN (geanonimiseerd) en anderen. vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.” Artikel 8:69a

8,1.

Awb

luidt: "De

bestuursrechter

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken Il, 2009/10, 32 450,

nr.

3;

blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens

schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming het belang van de appellant.

van

Daargelaten of wordt voldaan aan de richtafstand van 50 m tussen mogelijke spuitzones en de planlocatie, wat volgens de raad wel het geval is, is het belang van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied niet het belang waarvoor BEN (geanonimiseerd) en anderen bescherming zoeken. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kan dit betoog daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit. Waar BEN (geanonimiseerd) en anderen met hun betoog bedoelen dat uit bestaand onderzoek zou blijken dat de combinatie van gewasbeschermingsmiddelen en broei van hout tot geurhinder kan leiden, hebben zij dat voor het eerst op de zitting naar voren gebracht. Niet gebleken is dat BN (geanonimiseerd) en anderen dit betoog niet eerder naar voren hebben kunnen brengen, zodat dit punt buiten beschouwing blijft. Het betoog slaagt niet. 9.2.

en anderen dat niet voldaan Over het betoog van (geanonimiseerd) BEN kan worden aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vereiste vergunning in geval van opslag van meer dan 600 m° hout, overweegt de voorzieningenrechter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad

10.

op

voorhand

verleend.

inzien dat daarvoor geen vergunning kan worden geldt dat de initiatiefnemer niet verplicht is om meer dan

had moeten

Daarnaast 600 m° hout op het perceel op te slaan. Het betoog slaagt niet.

en anderen betogen dat ten onrechte geen (geanonimiseerd) B onderzoek is verricht naar de verkeersveiligheid, aangezien het aantal

11.

202305782/1/R2

16

9

en

april 2024

202305782/2/R2

vrachtbewegingen als gevolg bedrijfslocatie zal toenemen.

van

opslag

en

versnipperen

op

de

voorzieningenrechter overweegt dat de raad heeft toegelicht dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van houtchips in een worstcase-scenario gemiddeld met 4 vrachtverkeersbewegingen per dag zal toenemen, wat door BEN (geanonimiseerd) en anderen niet wordt betwist. Aangezien het om een bedrijfslocatie in het buitengebied gaat aan een 60 km/h weg voor bestemmingsverkeer, ziet de raad geen aanleiding te veronderstellen dat de verkeersveiligheid door deze toename in gevaar komt. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat als gevolg van het plan geen onaanvaardbare verslechtering van de verkeerveiligheid ter plaatse zal 11,

De

ontstaan.

Het

betoog slaagt niet.

(geanonimiseerd) en anderen betogen dat het bedrijf niet passend is EN in het buitengebied, maar thuishoort op een industriegebied. 12.

In het verweerschrift en in de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat en hoe de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan is beoordeeld. Uit de plantoelichting blijkt dat de raad daarbij naar meerdere 12,1.

omgevingsaspecten heeft gekeken. De raad heeft daarbij betrokken dat het bedrijf al zo’n 30 jaar in het buitengebied is gevestigd en dat de uitbreiding geen onaanvaardbare ruimtelijke gevolgen met zich brengt. In wat (geanonimiseerd) en anderen naar voren hebben gebracht ziet de BEN voorzieningenrechter geen reden voor het oordeel dat het bedrijf niet past op de huidige locatie. Het betoog slaagt niet. milieu-

en

Conclusie 13.

Het

beroep is ongegrond.

hierop bestaat aanleiding het verzoek voorlopige voorziening af te wijzen. 14.

Gelet

15.

De raad

hoeft geen

proceskosten

te

om

vergoeden.

het treffen

van

een

_202305782/1/R2

10

en

16

202305782/2/R2

Beslissing De

voorzieningenrechter

Raad

van

van

de

Afdeling

bestuursrechtspraak van de

State:

L

verklaart het

IJ.

wijst

beroep ongegrond;

het verzoek

af.

orzieningenrechter, in vastgesteld door (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Em (geanonimiseerd) griffier. tegenwoordigheid van (geanonimiseerd) Aldus

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

voorzieningenrechter Uitgesproken in het openbaar 842 Verzonden:

16

april 2024

griffier op

16

april 2024

april 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7cfb2f6c-3ebe-48e5-9414-f26b9b696b42