5e monitor Voortgang RES NOB
Tekst van het document
11 september 2024 Aan Onderwerp
: Raden van de RES Noordoost Brabant : 5e monitor voortgang RES NOB (v20240911)
Geachte raadsleden, Eind juni heeft de Stuurgroep Regionale Energiestrategie Noordoost Brabant (Stuurgroep) de gevraagde gegevens over de voortgang van de opwek opgave ingediend bij Nationale Programma RES (NPRES). Met deze raadsinformatiebrief informeren wij u met de 5e monitor over de voortgang van de opwek- en besparingsopgave. Daarnaast informeren wij u over enkele besluiten die de stuurgroep genomen. Vorig jaar hebben we met de voortgangsrapportage ‘Samen vaart maken’ zowel de kwalitatieve als kwantitatieve voortgang in de regio gerapporteerd aan NPRES, dit jaar hebben we alleen kwantitatieve gegevens aan hoeven leveren. Aanleiding In 2021 hebben alle gemeenteraden in de regio Noordoost Brabant, Gedeputeerde Staten en de Algemeen Besturen van beide waterschappen de Regionale Energie Strategie (RES NOB) 1.0 vastgesteld. Hierin staat de ambitie van de regio om in 2030 1,6 TWh aan duurzame energie op land op te wekken als bijdrage aan de opgave in het Klimaatakkoord. Die 1,6 TWh is doorvertaald naar een lokale resultaatsverplichting aan hernieuwbare opwek per gemeente. Het nationale doel is om in 2030 ten minste 35TWh aan grootschalige duurzame elektriciteit op land op te wekken en om de hiervoor benodigde vergunningen voor 2025 te verlenen. Daarnaast is in de RES NOB 1.0 bepaald dat er in 2030 t.o.v. van 2017 11% energiebesparing gerealiseerd wordt.
Verplichtingen NPRES Het NPRES heeft met de 30 RES-regio’s afgesproken dat ze jaarlijks gegevens aanleveren over de voortgang van opwekopgave volgens een vastgesteld begrippenkader. Daarbij wordt de opwek van projecten die in de pijplijn zitten (waarvan de opwek nog niet gerealiseerd is) door NPRES afgeschaald met een realisatiegraad (de realisatiekans). Die wordt bepaald door de fase in de pijplijn (voortraject, vergunningaanvraag, vergunningverlening, subsidiebeschikking en bouw, huidig gerealiseeerd) en de mate van netcongestie. Zo worden vergunde, maar nog niet gerealiseerde projecten voor zon op veld in onze regio met structurele netcongestie, maar voor 10% meegerekend. Dit in tegenstelling tot vergunde, maar nog niet gerealiseerde windprojecten, die voor 90% worden meegerekend. In opdracht van de Stuurgroep heeft de afdeling O&S van de gemeente ’s-Hertogenbosch de data voor de monitoring verzameld en verwerkt in een 5e monitor. Hieraan geven wij onderstaande duiding.
1
Progressie opwek
Figuur 1
In 2023 bedroeg de progressie (inclusief realisatiegraad) 53% van de doelstelling (figuur 1). Als de realisatiegraad niet wordt meegenomen is dat 101% (figuur 2). Ter vergelijking: in 2022 waren deze cijfers 44% respectievelijk 81%. Er wordt dus voortgang geboekt, de regio is op de goede weg. Maar zelfs als we slagen in het doel van vergunningverlening voor 2025, dan zal door de netcongestie en het gegeven dat we in de regio voor een relatief groot deel aangewezen zijn op zon op veld, het opwekdoel volgens het NPRES begrippenkader worden afgeschaald. Het is dan aan gemeenten, netbeheerders en de initiatiefnemers om hiervoor oplossingen te bedenken waarmee het opwekdoel in 2030 gerealiseerd kan worden.
Figuur 2
Voor de gemeenten geldt dat ze geen of weinig invloed hebben op de afschaling door netcongestie. Daarom is voor hen de progressie van het RES-doel zonder afschaling van belang en dan blijkt dat de productie inclusief pijplijn is gestegen van 81 naar 101%. Dit betekent overigens, vanwege de kans dat projecten alsnog niet vergund kunnen worden, dus niet dat ons doel gehaald wordt. In figuur 2 valt op dat de opwek in de fasen ‘huidig gerealiseerd’ en ‘subsidiebeschikking en bouw’ in 2023 is afgenomen ten opzichte van 2022. Hiervoor zijn twee verklaringen te geven. In de eerste plaats is een gedeelte te verklaren doordat een deel van de fase ‘subsidiebeschikking en bouw’ doorschuift naar de fase ‘huidig gerealiseerd’ en een ander deel uit de pijplijn kan vallen doordat de subsidie vervalt of naar de fase ‘vergunningverlening’ terugvalt als de vergunning wordt vernietigd. Voor een ander deel kan als volgt worden verklaard. In 2022 is ten onrechte voor zon op dak gerekend met het zelfde aantal productie-uren als voor zon op land. Echter volgens het NPRES-begrippenkader dient voor zon op dak met 900 uur productie te worden gerekend en niet (zoals in 2022 is gebeurd) met 950 uur productie. In 2023 is wel met de goede cijfers gerekend, waardoor er sprake is van een terugval.
2
Progressie opwek per gemeente Als we de progressie van het RES-doel per gemeente bekijken, dan zien we dat de verschillen in relatieve en in absolute zin groot zijn, maar dat ook de verschillen in- en exclusief realisatiegraad groot zijn.
Figuur 3
Figuur 4
Gemeenten met de kleinste opgave hebben vaak relatief veel dakoppervlak en hebben mede daardoor een groot gedeelte van de opgave al gerealiseerd met zon op dak. Ook zien we dat bij gemeenten met een grotere opgave een groot deel nog in de eerste fasen van de pijplijn zit, waar de realisatiegraad laag is. Van de andere kant zijn er ook gemeenten die een pijplijn hebben die groter is dan de opwekopgave, waardoor er ruimte is voor vertraging of uitval van projecten. En zelfs als het (oa door netcongestie) niet lukt om de hele opgave in 2030 gerealiseerd te hebben, 3
dan spreekt uit de investeringsplannen van de netbeheerders de verwachting dat dat deel in de jaren vlak na 2030 gerealiseerd kan worden. Realisatie opwekdoel onzeker De huidige gegevens over opwek laten zien dat met de huidige plannen de doelstelling van zowel de individuele gemeenten niet zondermeer bereikt kan worden. En daarmee is dus ook het regionale doel nog niet bereikt. Stelligheid past hier echter niet. De afspraak uit het reeds genoemde begrippenkader dat vergunde zonprojecten die nog niet kunnen leveren (bijvoorbeeld door netcongestie) slechts voor 10% meegerekend kunnen worden, maakt een aanvullende en individuele analyse noodzakelijk. Kan het vergunde, maar nog niet aangesloten, project tijdig (gelet op verleende SDE-subsidie) worden aangesloten, dan kan dit project uiteindelijk wel voor 100% worden meegeteld. Dit maakt dat we het niet alleen moeten hebben over of er voldoende projecten in voorbereiding zijn, maar ook over hoe de netcongestie kan worden opgelost, zodat vergunde projecten ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden. Hoe dan ook, zijn gesprekken nodig over de vraag of, en zo ja hoe, de doelstellingen per gemeente wel (tijdig) bereikt kunnen worden en wat daarvoor nodig is.
Besparingsopgave Het doel van 11% energiebesparing in 2030 ten opzichte van 2017 in de gebouwde omgeving wordt bepaald door de besparing op warmte (met name aardgas) en elektriciteit. Het gaat hierbij dus niet om de energiebesparing in de mobiliteit en grote industriële complexen in Nederland. Als we kijken naar het (totale) energieverbruik (figuur 5), dan zien we dat een energiebesparing van 7,8% is gerealiseerd. Als je de trendlijn doortrekt naar 2030, dan is het realistisch te veronderstellen dat het doel van 11% in 2030 of eerder gerealiseerd zal worden. Verder is een besparing van de warmtevraag bereikt van 16,3%. Door de elektrificatie is het elektriciteitsgebruik juist met 3,5% toegenomen. Dat geeft aan dat we verduurzamen door elektrisch vervoer en warmtepompen. Dat die toename beperkt is, komt door energiebesparing in het elektriciteitsverbruik, maar ook omdat zonnepanelen achter de meter bij kleinverbruik (huishoudens en MKB) niet als opwek, maar als energiebesparing worden meegeteld. Doordat de energie-inhoud van de warmtevraag veel groter is dan van de elektriciteitsvraag, wordt toch een totale energiebesparing van 7,8% gerealiseerd. Deze gegevens zijn gebaseerd op de beschikbare CBS-gegevens uit de Klimaatmonitor en die lopen altijd een jaar achter, waardoor niet de cijfers over 2023, maar over 2022 beschikbaar zijn.
4
Figuur 5
Kijken we naar de verschillen per gemeente (figuur 6) dan zien we dat er verschillen zitten in de besparing in de energievraag. Die verschillen kunnen het gevolg zijn van ontwikkelingen binnen de gemeente (bv de vestiging van enkele grotere energieverbruikers of elektrisch vervoer ).
Figuur 6
Genomen besluiten door de Stuurgroep In de Voortgangsrapportage namen we op dat we de voortgang van de RES tweemaal per jaar gaan monitoren. Gelet op de snelheid waarmee de opwek gerealiseerd kan worden vanwege externe factoren (zie hiervoor) en het bestuurlijke gesprek dat plaats gaat vinden heeft de Stuurgroep besloten dat een halfjaarlijkse monitoring op dit moment niet zinvol is. Monitoring vraagt veel capaciteit en middelen terwijl in deze fase een tussentijdse monitor weinig nieuwe relevante informatie oplevert. In de Voortgangsrapportage is tevens opgenomen dat gestart wordt met de voorbereiding van de herijking van de RES. Hiertoe zou een plan-MER proces opgestart moeten worden. Tijdens de heisessie(s) van de Stuurgroep is ook geconcludeerd dat de huidige samenwerkingsstrategie onvoldoende aansluit bij de uitdagingen die er liggen in de RES NOB (netcongestie, schaarse 5
ruimte, veranderende regelgeving). De Stuurgroep besloot dan ook om de nieuwe samenwerkingsstrategie (na 2025) te laten prevaleren boven het starten van het traject naar een RES 2.0. Met de vriendelijke groet, de stuurgroep RES NOB, namens deze, Marieke Moorman voorzitter stuurgroep RES Noordoost Brabant Contact Heeft u vragen naar aanleiding van deze voortgangsrapportage, dan kunt u contact opnemen via info@resnob.nl. Voor meer informatie zie ook RES Noordoost Brabant | Energiewerkplaats Brabant
6