3.4 Onderbouwing Putsteeg 8 Schijndel
Tekst van het document
EVENWICHTIGE TOEDELING FUNCTIES AAN LOCATIES
VAN
Een omgevingsplan activiteit om aan de Putsteeg 8 in Schijndel een groter gedeelte van de woonboerderij te gebruiken voor wonen en een gedeelte van de woonboerderij voor opvang van kinderen die niet meer thuis kunnen wonen voort te zetten en de toegestane oppervlakte aan gebouwen te vergroten en deze gedeeltelijk te mogen gebruiken als tijdelijke mantelwonen voor jong volwassenen.
0
Colofon
Rapport:
Motivatie van evenwichtige toedeling van functies aan de locatie Putsteeg 8 in Schijndel op het perceel Schijndel 926SDL00 L 499
Opdrachtgever:
Fam. Claassen Putsteeg 8 5481 XT Schijndel info@woonboerderijschijndel.nl
Uitgevoerd door
Ir. G.M. de Ruyter RBEnCo BV Verlengde kloosterpad 9 5482 HK Schijndel 06-51841893 rob@rbenco.nl
Datum:
21 januari 2026
Versie:
004
Status: Definitief
0
Inhoudsopgave 1
Inleiding ................................................................................................ 1 1.1
Aanleiding ............................................................................................ 1
1.2
Locatie ................................................................................................... 4
2
Beleidskader ......................................................................................... 5 2.1 2.2
Rijks- en Provinciaal beleid 5 Tijdelijk omgevingsplan ................................................................... 10
2.3
Strijdigheden met het plan.................................................................... 11
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.4 2.4.1 2.4.2 2.4.3 3
4
Grotere maximale inhoud van de woonboerderij die gebruikt wordt voor bewoning en het gebruik van de woonboerderij voor opvang van niet meer thuis kunnen wonende kinderen ............ 11 Gezamenlijk oppervlakte gebouwen buiten het hoofdgebouw op het perceel ........................................................................................... 12 Doorstroomvoorziening voor jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar ................................................................... 12 Ruimtelijke ordening ........................................................................ 13 Straatbeeld .......................................................................................... 13 Cultuurhistorische waarden ............................................................ 15 Landschappelijke inpassing.................................................................. 15 Omgevingsaspecten .......................................................................... 17
3.1
Milieu .................................................................................................. 17
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.2
Bedrijven en milieuzoneringen ....................................................... 17 Geluid .................................................................................................. 20 Geurhinder ......................................................................................... 22 Bodem ................................................................................................. 23 Omgevingsveiligheid ........................................................................ 23 Luchtkwaliteit .................................................................................... 24 Archeologie ........................................................................................ 26
3.3
Water ................................................................................................... 26
3.4
Flora en Fauna.................................................................................... 26
3.5
Verkeer en parkeren .......................................................................... 27
3.5.1 3.5.2
Beleid ................................................................................................... 28 Beoordeling ........................................................................................ 28 Conclusie ............................................................................................ 29
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing en landschapsanalyse d.d. 21 januari 2026 Bijlage 2:
Verkennend bodemonderzoek d.d. 17 juni 2025
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De familie Claassen vangt al bijna 10 jaar een vijftal kinderen op die niet meer thuis kunnen wonen. Hierdoor bestaat dit gezin uit 10 personen (de heer en mevrouw Claassen, 2 zoons en 1 dochter en de 5 kinderen die bij de familie Claassen wonen). De opvang gebeurt vanuit de stichting, de Stichting Woonboerderij Schijndel. Op het perceel van dhr. Claassen zijn in de loop van de jaren een aantal gebouwen en bouwwerken verrezen ten dienste van de woonboerderij (overkapping fietsen, speeltoestellen, dierenverblijf), voor de verduurzaming van het pand (houthok en berging voor warmtepomp) of voor het ontwikkelen en beschermen van de flora en fauna (dierenverblijf, tuinkas, overkapping voor de bijenkasten). Naast bovenstaande zaken zijn er nog een aantal gewenste ontwikkelingen en deze zijn niet in overeenstemming met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. De familie Claassen zelf is de grootste financier van de Stichting Woonboerderij Schijndel. Er wordt veel voor de kinderen die ze opvangen geregeld, georganiseerd en geïnvesteerd. Het doel is om de kinderen een onbezorgde jeugd te geven en daar wordt graag in geïnvesteerd. De Stichting Woonboerderij Schijndel heeft geen financiële buffer of financiële mogelijkheden en is voor een groot gedeelte mede afhankelijk van subsidie en vrijwilligers.
De Stichting Woonboerderij Schijndel en de familie Claassen investeert graag in de kinderen om deze een goede en prettige en onbekommerde jeugd te bezorgen. Op dit moment moeten de kinderen als ze 18 jaar worden verhuizen naar een andere locatie, dit heeft vaak een ontwikkelingsachtergrond omdat de jongeren zichzelf blijven ontwikkelen. Door ervaringen in de afgelopen tien jaar is gebleken dat hier niet altijd goede ervaringen mee zijn en daarom wil de stichting de kinderen een kans bieden om onder toezicht van hun vertrouwde begeleiding verder te kunnen ontwikkelen naar zelfstandigheid. Voor de doelgroep jong volwassenen in de leeftijd van 18 t/m 23 jaar is binnen de gemeente Meierijstad geen doorstroom mogelijkheid, wat als negatief effect mee brengt dat de enige kans voor doorstroom in Den Bosch, Eindhoven of Uden is. De wens van de Stichting Woonboerderij is om een drietal woonvoorzieningen voor jong zelfstandige te realiseren op het terrein. Deze woonvoorziening wordt ingezet voor kinderen die een training gaan volgen om zo de volgende stap naar zelfstandigheid mogelijk te maken. Begeleiding van deze jong volwassenen zal plaats vinden door Nienke en Frank, aanvullend met het personele team van de Woonboerderij.
Het bestuur van de Stichting Woonboerderij Schijndel hecht er waarde aan dat de kinderen een warme doorstroom hebben en zo een zelfstandigere toekomst tegemoet gaan. Nu is er binnen Meierijstad nog geen passende mogelijkheid, met de juiste begeleiding, die ingezet kan worden als doorstroomvoorziening. Omdat tijdens het verblijf in Schijndel wordt geïnvesteerd in een lokaal netwerk voor de kinderen is het van belang om ze de kans te bieden om in Schijndel zich verder te ontwikkelen. Na een traject van gemiddeld vijf jaar staan de kinderen stabieler in het leven waardoor uitstroom naar zelfstandigheid en een eigen woning een hele grote kans van slagen heeft.
1
Medio 2015 is een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een periode van 10 jaar voor het veranderen van de indeling van de boerderij, zodat in het bestaande volume een inhoud van 1822 m3 gebruikt mag worden voor woondoeleinden en dan specifiek voor de opvang van de kinderen die niet meer thuis kunnen wonen. Door diverse Wethouders van de gemeente Meierijstad en de voorloper gemeente Schijndel heeft de familie Claassen de toezegging gekregen dat bovenstaande strijdigheden met een Veegronde meegenomen zouden gaan worden en dat deze permanent toegestaan zouden gaan worden. Tevens zijn er door verschillende personen toezeggingen gedaan dat het oppervlakte aan gebouwen op het perceel vergroot zou mogen worden. Deze motivatie is geschreven voor de gemeente Meierijstad om het een en ander mee te nemen in het toekomstig Veegplan van het Omgevingsplan. De woonboerderij heeft geen monumentale status. De woning en bijbehorende gebouwen zijn niet ingeschreven in de monumentenregisters en de woonboerderij is geen gemeentelijk en ook geen rijksmonument. Daarom is er vanuit de monumentenwet voor deze aspecten geen beschermend status voor de woonboerderij.
In het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Vanuit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan heeft de woonboerderij een bescherming, die alleen toeziet op de onderdelen die conform het Omgevingsplan en het daarbij behorende cultuurhistorische onderzoek zijn beschermd. De uit te voeren werkzaamheden worden daarom beoordeeld aan de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en niet aan de regels die gelden voor gemeentelijke- en rijksmonumenten. Het gebruik van de gehele woonboerderij (inhoud van circa 1822 m2) voor bewoning door de aanvragers en voor de opvang van kinderen die niet meer thuis kunnen wonen, een totaal oppervlakte aan gebouwen, zonder de woonboerderij van 400 m2 en het zorgen voor doorstroomvoorzieningen is niet toegestaan binnen het tijdelijk deel van het omgevingsplan dat bestaat uit de vervallen bestemmingsplan Landelijk gebied, Herijking De familie Claassen wil gebruik maken van de Veegronde van het Omgevingsplan om bovenstaande mogelijk te maken op de locatie Putsteeg 8 in Schijndel.
In deze motivatie wordt onderbouwd waarom op basis van juridische en planologische medewerking verleend kan gaan worden aan de veegronde van het omgevingsplan en waarom er onzes inziens voor deze situatie sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL) en wordt voldaan aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (artikel 8.0a, lid 2 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl)). In het tijdelijk deel van het omgevingsplan en dan het vervallen -Cultuurhistorische waardevolle Medio 2015
2
heeft de gemeente reeds een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de woning. De woning zal niet worden verbouwd.
3
1.2 Locatie De locatie is gelegen aan de Putsteeg 8, in Schijndel. Deze locatie is plaatselijk ook bekend als gemeente Schijndel, sectie L, perceel nummer 499. De locatie is gelegen aan de rand van de bebouwde kom en tussen de Schootsestraat, Borne en de Gemondseweg en heeft een oppervlakte van 8875 m2. De voorzijde van het perceel is circa 75 meter breed en de achterzijde is circa 37,5 meter breed en het perceel loopt uit in een punt, waarbij aan de achterzijde nog een lange smalle strook over een breedte van 20 meter bij 120 meter. De achterzijde van deze strook grenst aan het Elde-College en het Kloosterpark. In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied weergegeven:
4
2
Beleidskader
Het verzoek om een omgevingsvergunning wordt in eerste instantie beoordeeld aan het tijdelijke omgevingsplan en de vervallen bestemmingsplan-(nen). Als niet voldaan wordt aan de geldende regels van de vervallen bestemmingsplan-(nen), wordt gekeken of met een omgevingsplanactiviteit medewerking kan gaan worden verleend aan het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Als eerste wordt er gekeken of er met een in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan opgenomen regels medewerking verleend kan gaan worden (artikel 22.280 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan). Als er in het tijdelijke deel van het omgevingsplan geen regels voor de afwijking zijn opgenomen of niet voldaan wordt aan deze voorwaarden van de afwijking kan hete plan alleen gerealiseerd worden door middel van een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit, een Veegronde van het Omgevingsplan of door middel van een nieuwe Omgevingsplan. Aan allen kan slechts medewerking worden verleend als er sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL). In deze motivatie wordt ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies van deze locatie en dat het plan past op de huidige locatie en daarbij wordt ook aansluiting gezocht bij de planontwikkeling die in de directe omgeving van deze planlocatie plaats vinden.
Het College heeft op 19 november 2024 besloten om principe medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van woningbouw op de locatie Putsteeg. Dit plan bestaat uit de realisatie van 62 woningen. Deze woningbouwontwikkelingen is direct aansluitend aan de locatie Putsteeg 8 in Schijndel en de woonboerderij.
2.1 Rijks- en Provinciaal beleid Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes er gemaakt moeten worden en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking projectgebied: Onderhavig plan is niet strijdig met de nationale belangen als geformuleerd in de NOVI. De woonboerderij met zorgactiviteiten is niet in strijd met het nationale belang. Gezien de
5
kleinschalige omvang van het project zijn er geen nationale belangen aan de orde. Het plan
Provinciaal Beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden: gaan voor meerwaardecreatie; gaan voor technische én sociale innovatie; gaan voor kwaliteit boven kwantiteit; gaan voor steeds beter; gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd: beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOPlandschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en
alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energieDe basisopgave ligt zoals al in de naam besloten ligt aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant; werken aan de slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie.
6
Doorwerking projectgebied: Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling heeft deze geen invloed op de vier gestelde ambities. Er bestaat in zoverre geen strijdigheid met de Omgevingsvisie NoordBrabant. TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant Op 5 december 2023 is de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen binnen de provincie Noord-Brabant. Met haar regels sluit de provincie aan op de werkwijze zoals voorgeschreven in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingswet. Op de verbeelding van de TAM-omgevingsverordening is de planlocatie gelegen binnen enkele werkingsgebieden. Deze werkingsgebieden worden hieronder nader toegelicht. Daarnaast bevat de omgevingsverordening een aantal basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, conform paragraaf 5.1.2 van de TAMomgevingsverordening. Deze regels bepalen dat ieder omgevingsplan invulling moet geven aan een goede omgevingskwaliteit en moet bijdragen aan een veilige en gezonde leefomgeving. Artikel 5.8
Zorgvuldig ruimtegebruik
1.
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. bij een ontwikkeling rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik; c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel ; en d. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.
2.
Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.
Doorwerking plangebied: Hoewel in de huidige situatie niet alle bouwwerken binnen het bouwperceel liggen, worden de units ten behoeve van de zorgfunctie binnen het bouwperceel gerealiseerd. De ontwikkeling vindt daardoor plaats binnen bestaand ruimtebeslag. Het betreft een reeds bestaande woonboerderij met zorgcomponent. Artikel 5.10
Meerwaardecreatie
1.
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
2.
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
7
Doorwerking plangebied: De woonboerderij zelf heeft een duidelijke maatschappelijke meerwaarde doordat zij voorziet in een kleinschalige woon- en zorgfunctie, gericht op het bieden van passende huisvesting en ondersteuning aan een specifieke doelgroep. Ten aanzien van het planvoornemen is er een landschapsplan opgesteld. Een deel van het perceel wordt ingericht met bomen en kruidenmengsel. Op deze manier zal de ontwikkeling een bijdrage leveren aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Artikel 5.11 1. 2.
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in het Landelijk gebied, bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit: past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12; en
3.
4.
dat de uitvoering is geborgd door: a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die bijdragen aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd. Over de besteding van dit fonds wordt periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.
Doorwerking plangebied Ten aanzien van het planvoornemen is er een landschapsplan opgesteld. Een deel van het perceel wordt ingericht met bomen en kruidenmengsel. Op deze manier zal de ontwikkeling een bijdrage leveren aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting 1
Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
1. 2.
welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
3.
op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en
4.
op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving , de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
8
2
Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit , onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
Doorwerking plangebied: De locatie is gelegen in een kernrandzone van de kern Schijndel, een overgangsgebied waar sprake is van een gemengd karakter met agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijvigheid en woonfuncties. Deze functiemenging is kenmerkend voor het gebied en vormt de basis van de ontwikkelingsrichting. De bestaande woonboerderij met zorgcomponent sluit goed aan bij deze gebiedsgerichte benadering. Het betreft een reeds aanwezige functie die past binnen de schaal en het karakter van de kernrandzone en geen nieuwe verstedelijking of verrommeling van het landelijk gebied veroorzaakt. De zorgfunctie draagt bij aan de leefbaarheid en sociale kwaliteit van het gebied en heeft geen onevenredige negatieve effecten op omliggende functies, zoals agrarische bedrijven of woonbestemmingen. Artikel 5.44
Cultuurhistorische waarden
Een omgevingsplan ter plaatse van Cultuurhistorische waarden: a. is mede gericht op het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en bebouwing ; en c. houdt bij de toedeling van functies en activiteiten rekening met de aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken en betrekt daarbij de mogelijkheden om die waarden te versterken.
Doorwerking plangebied: Het planvoornemen betreft het planologisch-juridisch verankeren van een bestaande situatie. Het planvoornemen heeft geen nadelige effecten op de cultuurhistorische waarden van het omliggende gebied. Artikel 5.65
Afwijkende regels Beperkingen veehouderij
Een omgevingsplan ter plaatse van Beperkingen veehouderij bepaalt in afwijking van Artikel 5.63 dat: a. vestiging van, omschakeling naar of uitbreiding van een veehouderij is uitgesloten; en b. een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten.
Doorwerking plangebied: Dit artikel is niet van toepassing. Er is geen sprake van een veehouderij. Artikel 5.77
Wonen
Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied: bepaalt dat een toename van het aantal woningen is verboden; bepaalt dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten; kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toestaan bij een woning als: 1. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, als bedoeld in Artikel 5.12; 2. dit past binnen de voorwaarden die voor die gebruiksactiviteit zijn opgenomen in dit hoofdstuk; en
9
3.
bij het toelaten van een bouwactiviteit, elders een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen, feitelijk en juridisch, is gesloopt.
Doorwerking plangebied: Er is geen sprake van een toename van het aantal woningen. De woonunits functioneren niet als zelfstandige woningen in planologische zin, maar maken onlosmakelijk deel uit van de zorgfunctie van de woonboerderij. Zij zijn uitsluitend bedoeld voor zorg-gerelateerd verblijf in het kader van begeleiding en tijdelijke opvang, met doorstroming naar regulier wonen elders. Er is daarmee geen sprake van het toevoegen van reguliere, zelfstandige woningen. De woonvorm is inherent aan de bestaande zorgfunctie op het perceel en de omvang van de bebouwing is functioneel noodzakelijk en ruimtelijk aanvaardbaar binnen de ontwikkeling.
2.2 Tijdelijk omgevingsplan Putsteeg 8 in Schijndel is gelegen in de tijdelijk deel van het Omgevingsplan dat bestaat uit de vervallen bestemmingsplannen a
Binnen het Tijdelijk deel van het Omgevingsplan Landelijk gebied en Landelijk gebied, -
-
en de historische bouwkunst langgevelboerderij. De gronden die ten Noordoosten van de woonboerderij zijn gelegen waarden gebied beperking veehouderij. Tevens is de gebiedsaanduiding wro-zone, wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie van toepassing Conform het tijdelijk deel van het Omgevingsplan zijn de voor Wonen aangewezen gronden bestemd voor woningen en bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven. Onder woning wordt verstaan een complex van intern met elkaar in verbinding staande ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden Daarbij mag een woning een maximale inhoud bezitten van 750 m3. In totaal heeft de huidige woonboerderij een inhoud van ruim 1822 m3 en dat is dus meer dan is toegestaan. De gehele woonboerderij wordt gebruikt als woning. Tevens vindt er in de woonboerderij een opvang plaats van maximaal 5 niet meer thuis wonende kinderen. De gezamenlijke bebouwde oppervlakte van bijgebouwen mag volgens artikel 7.4 van Harmonisatie van diverse regelingen laaghangend fruit maximaal 150 m2 bedragen. Daarbij
10
mag de goothoogte maximaal 3,3 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 6 meter en de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 meter. Op het perceel is reeds meer dan 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken en de afstand is ook groter dan 15 meter, waarbij e.e.a. vergunningsvrij is opgericht. Verzocht wordt om een groter oppervlakte, 400 m2, aan toegestane gebouwen op het perceel buiten de oppervlakte van het hoofdgebouw. Deze 400 m2 zal gebruikt gaan worden als bijgebouwen bij de woning, bouwwerken voor het gebruik als technische ruimte, voor het gebruik voor de opslag, voor de plaatsing van de duurzame energievoorzieningen voor de doorstroomvoorziening voor de huisvesting van jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar.
2.3 Strijdigheden met het plan 2.3.1 Grotere maximale inhoud van de woonboerderij die gebruikt wordt voor bewoning en het gebruik van de woonboerderij voor opvang van niet meer thuis kunnen wonende kinderen Conform het tijdelijk deel van het Omgevingsplan zijn de voor Wonen aangewezen gronden bestemd voor woningen en bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven. Onder woning wordt verstaan een complex van intern met elkaar in verbinding staande ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw, uitsluitend geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden Daarbij mag een woning een maximale inhoud bezitten van 750 m3 en indien de ie van In totaal heeft de huidige woonboerderij, waarin gewoond wordt een inhoud van circa 1822 m3 en dat
11
is dus meer dan is toegestaan. Tevens vindt er in de woonboerderij een opvang plaats van maximaal 5 niet meer thuis kunnen wonende kinderen. De voormalige gemeente Schijndel, opgegaan in de gemeente Meierijstad, heeft medio 2015 een tijdelijke vergunning voor een periode van 10 jaar verleend voor bovenstaande strijdigheden. De bestaande grotere inhoud van de woonboerderij waarin gewoond wordt is tijdelijk vergund en verzocht wordt hierin door middel van de Veegronde van het Omgevingsplan permanent in te voorzien.
2.3.2 Gezamenlijk oppervlakte gebouwen buiten het hoofdgebouw op het perceel De gezamenlijke bebouwde oppervlakte van bijgebouwen mag volgens artikel 7.4 van Harmonisatie van diverse regelingen laaghangend fruit maximaal 150 m2 bedragen. Daarbij mag de goothoogte maximaal 3,3 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 6 meter en de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 meter. Op het perceel is reeds meer dan 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken en de afstand is ook groter dan 15 meter, waarbij e.e.a. vergunningsvrij is opgericht. Verzocht wordt om een groter oppervlakte, 400 m2, aan toegestane gebouwen op het perceel buiten de oppervlakte van het hoofdgebouw. Deze 400 m2 zal gebruikt gaan worden als bijgebouwen bij de woning, bouwwerken voor het gebruik als technische ruimte, voor het gebruik voor de opslag, voor de plaatsing van de duurzame energievoorzieningen voor de doorstroomvoorziening voor de huisvesting van jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar.
2.3.3 Doorstroomvoorziening voor jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar Het perceel mag gebruik worden voor wonen en op het perceel mag één woning worden gerealiseerd. Een woonvoorziening, bedoeld in de vorm van een gelijkwaardige vorm van kamertraining, voor jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar voldoet niet aan de definities van een woning en/of huishouden. Verzocht wordt om een gedeelte van de 400 m2 aan bebouwing te mogen gaan gebruiken voor de realisatie van een huisvestingvoorziening voor 3 of 4 jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar. Deze huisvestingvoorziening sluit bijna 1 op 1 aan bij de beleidsregel Mantelwonen Meierijstad 2024 die het college van de gemeente Meierijstad op 29 oktober 2024 heeft vastgesteld. De bedoeling is dat de kinderen die niet meer thuis kunnen wonen en bij de familie Claassen zijn opgevangen, door kunnen stromen naar de doorstroomvoorziening. Omdat de familie Claassen jaren heeft gezorgd voor de jong volwassenen die hier komen wonen hebben ze een ondersteuningsrelatie met deze jong volwassenen, de familie wordt ook door de jong volwassenen gezien als familie en is het volgens het beleid te zien als mantelwonen. Op een aantal punten wordt niet voldaan aan het beleid mantelwonen.
De uitzondering betreft dat het drie woonvoorzieningen betreft in plaats van twee, dat het niet past in de bestaande bebouwd oppervlakte en het de bedoeling is dat de jong volwassenen hier maximaal vijf jaar woning en dat als er een doorstroming plaatsvindt naar een reguliere woning, dat de voorziening gebruikt zal gaan worden door een andere en nieuwe jongeren uit de doelgroep. Aan de andere voorwaarden wordt voldaan en mogelijk kan anders gebruik
12
gemaakt worden van de Hardheidsclausule, mede omdat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie, mede gezien het doel van de Stichting Woonboerderij.
2.4 Ruimtelijke ordening 2.4.1 Straatbeeld Het straatbeeld aan de Putsteeg 8 betreft op dit moment een overgang van de bebouwde kom naar een agrarisch landschap. Aan de achterzijde van het perceel Noordoost ligt de grens van de bebouwde kom en aan de voorzijde zijn een enkele boerderijen/woningen gelegen en is voornamelijk sprake van een open gebied. Het College van de gemeente Meierijstad heeft ingestemd met een principeverzoek om aan de Noord, Noordoost en noordwest van het perceel nieuwe woningbouw toe te staan, waardoor er 62 woningen worden bijgebouwd. Hierdoor zal de bebouwde kom opschuiven in de richting van het huidige perceel en zal het open landschap worden verdicht door middel van bebouwing en zou het voorstelbaar zijn om de woningen aan de Putsteeg 6, Putsteeg 75 en Putsteeg 8 in de bebouwde kom te laten vallen. Hieronder is het bestaande straatbeeld in de directe nabijheid van de woonboerderij van de aanvragers inzichtelijk gemaakt.
Beeld t.p.v. Putsteeg 6 richting Putsteeg 8 en Putsteeg 85
13
Beeld t.p.v. Putsteeg 8 richting Putsteeg 10 en Putsteeg 85
Beeld t.p.v. Putsteeg 8 richting Putsteeg 6 en Putsteeg 85
Beeld t.p.v. Putsteeg 10 richting Putsteeg 8
14
Op basis van de huidige omgeving zou een woonboerderij met de bestaande inhoud die groter is dan 750 m3, waarvan meer dan de 750 m3 die gebruikt wordt voor bewoning, niet in strijd zijn met het straatbeeld dat al reeds aanwezig is. Het straatbeeld verandert namelijk niet, evenals de inhoud van de woonboerderij Het gebruik van deze woonboerderij voor de opvang van 5 kinderen die door omstandigheden niet thuis kunnen wonen, veranderd ook niets aan het straatbeeld. Door het toevoegen van extra bebouwing, die gedeeltelijk gebruikt zal gaan worden als doorstroomlocatie van jongeren tussen de 18 en 25 jaar kan het straatbeeld gedeeltelijk wijzigen. Daarbij moet in overweging genomen worden dat conform het tijdelijk deel van het Omgevingsplan er een oppervlakte van 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken mogelijk is en vergunningsvrij van 150 m2 en dat deze bebouwing en/of de bestaande bebouwing ook op andere locaties opgericht kan worden en dat dit tegelijk ook eenzelfde verandering van staatbeeld zal inhouden en dat dit al reeds in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is toegestaan. De huidige plannen hebben geen nadelige invloed of zorgen voor een aantasting van het straatbeeld, omdat dit nu ook al planologisch mogelijk zou zijn. Daarbij is er een oppervlakte aan bebouwing nu al niet zichtbaar vanaf de staat, omdat er andere bebouwing voor aanwezig is.
2.4.2 Cultuurhistorische waarden Alleen de woonboerderij heeft een cultuurhistorische waarden in de vorm van een langgevelboerderij, de bijgebouwen hebben geen cultuurhistorische waarde. Aan de woonboerderij veranderd niets. Er zijn in het verleden al een aantal aanpassingen en verbouwwerkzaamheden doorgevoerd en is een vergunning verleend voor de uitvoer van de laatst uitgevoerde werkzaamheden. Daarbij is het karakter van de langgevelboerderij behouden. In cultuurhistorisch opzicht zal er niets aan de woonboerderij veranderen en zal de cultuurhistorische waarde behouden blijven. De gevraagde ontwikkelingen hebben geen invloed op het aspect cultuurhistorische waarde.
2.4.3
Landschappelijke inpassing
De huidige woonboerderij is ingebed in de omgeving. De afgelopen jaren is er op het terrein van de Woonboerderij regelmatig gewerkt aan de landschappelijke inpassing. Al jaren wordt er met de jeugd gewerkt aan het beheer en onderhoud van de moestuin, waaruit het jaarrond producten worden gegeten. Zo wordt er een hoogstam fruit boomgaard gepoot die elders in Schijndel zijn geoogst. Aan de buitenrand van het perceel worden diverse bosplantsoen stroken aangelegd met een mengeling van 15% Hazelaar, 15% Wilde Lijsterbes, 15% Gewone Vogelkers, 15% Hondsroos, 10% Boswilg, 10% Vuilboom/Sporkehout, 10% Veldesdoorn en 10% Gele kornoelje. Totale oppervlakte 650m2. Daartussen worden er van
15
wilgentenen vlechtheggen gerealiseerd voor beschutting van de fauna. Verder worden er op diverse locaties vogelhuisjes, mussen- en vleermuiskasten gehangen. In de bosplantsoen stroken worden nog inheemse solitaire bomen geplant zoals Quercus robur, Quercus petraea, Castanea sativa, en Acer pseudoplatanus. Aan de voorzijde van het
Sedum alba, Aster tripolium en Aster linosyris. Samen met een lokale imker worden er naast de schapen, geiten ook bijen gehouden. Het dagelijks beheer en onderhoud van bosplantsoen, hoogstamfruit, bomen, knotwilgen en moestuin zal daar waar mogelijk samen met de woonachtige jongeren worden uitgevoerd. Een aantal jongeren zijn richting groen aan het leren wat enorm helpt bij alle voorkomende werkzaamheden, hier zoeken we als organisatie ook de verbinding met scholen in de regio. Om hier de combinatie jongeren en groenopleiding te stimuleren. Zo worden met de jongeren jaarlijks de vlechtheggen onderhouden met vrijkomend Wilgenhout, en gaan we de plantsoenstroken zoveel mogelijk voorzien van vrijkomend blad in de herfst om zo ook het bodemleven te stimuleren. Door dit met jongeren te doen creëer je een grote bewustwording van natuur en beleving. Tegelijkertijd wordt de biodiversiteit enorm gestimuleerd. Om de landschappelijke inpassing en de natuurwaarden van het pand en de omgeving te vergroten is een nieuwe inrichtingstekening van het toekomstige perceel gemaakt. cultuurhistorisch en landschappelijk in te passen. Bij de inrichtingstekening is tevens een landschapsanalyse gevoegd (zie bijlage 1).
16
3
Omgevingsaspecten
3.1 Milieu 3.1.1 Bedrijven en milieuzoneringen Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en zich recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: - het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. In deze handreiking worden bedrijven op basis van ervaringscijfers ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid.
In de brochure worden per bedrijf bijbehorende richtafstanden gegeven, waarbij de richtafstand de minimale afstand van het milieubelastend bedrijf tot en met een eventuele milieugevoelige functie. Tevens is aangegeven wat het maatgevende aspect (geur, geluid, stof en gevaar) is. De genoemde richtafstand is altijd de afstand van het maatgevende aspect (dus het aspect met de grootste afstand). Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.
Milieucategorie Richtafstanden 1
10
meter
2
30
meter
3.1
50
meter
3.2
100
meter
4.1
200
meter
4.2
300
meter
17
In deze motivatie is uitgegaan van een rustig buitengebied, omdat er sprake is van voornamelijk woningen met incidentele bedrijven. Daarom gelden de genoemde richtafstanden voor de aangegeven type bedrijven. Daarbij is wel uitgegaan van een gemiddeld bedrijf in dat specifieke type en dat de feitelijke situatie anders kan zijn en er omstandigheden zouden kunnen gelden waarom afgeweken kan moeten worden van de aangegeven richtafstanden. Aanwezige bedrijvigheid De locatie van deze ontwikkeling is gelegen in het buitengebied. In de directe nabijheid van de Putsteeg 8 zijn conform het tijdelijk deel van het Omgevingsplan een aantal bedrijven toegestaan. Uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan en de gegevens van de Kamer van koophandel blijkt het volgende: 1. Aan de Putsteeg 6 is een intensieve veehouderij toegestaan. De afstand tussen de bestemming intensieve veehouderij en de Putsteeg 8 is 0 meter. Conform het tijdelijk deel van het Omgevingsplan heeft het bedrijf aan de Putsteeg 6 een relatie met het bedrijf Putsteeg 75 en moeten beide bouwvlakken beschouwd worden als één bouwvlak. Op deze locatie is geen vergunning meer aanwezig voor het houden van dieren.
De gemeente Meijerijstad heeft op 19 november 2024 besloten om principe medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van woningbouw op de locatie Putsteeg en als voorwaarden geldt dat de bedrijfsvoering aan de Putsteeg 6 wordt beëindigd. Dit omdat anders het niet mogelijk was om op de gronden die voorheen in gebruik waren bij de veehouderij woningen te realiseren. Voor de plannen van de woningbouw is op 21 januari een anterieure overeenkomst met de gemeente getekend; 2. Aan de Putsteeg 75 is een grondgebonden veehouderij toegestaan. De afstand tussen de bestemming gemeentewerf en de Putsteeg 8 is circa 75 meter. Conform het tijdelijk deel van het Omgevingsplan heeft het bedrijf aan de Putsteeg 75 een relatie met het bedrijf aan de Putsteeg 6 en moeten beide bouwvlakken beschouwd worden als één bouwvlak. Conform de Kvk is op deze locatie Landbouwbedrijf L. van Esch B.V. ingeschreven en zorgt dit bedrijf voor de uitoefening van een landbouw- en veeteeltbedrijf, waaronder een melkvee- en varkenshouderij. Op deze locatie is geen vergunning meer aanwezig voor het houden van dieren. Er is al langere tijd geen grondgebonden veehouderij meer aanwezig op deze locatie en de bedrijfsgebouwen worden onder andere gebruikt voor de stalling van campers en caravans, waar recent een tijdelijke vergunning voor is verleend, en er is ook geen vee meer aanwezig.
De gemeente Meijerijstad heeft op 19 november 2024 besloten om principe medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van woningbouw op de locatie Putsteeg en als voorwaarden geldt dat de bedrijfsvoering aan de Putsteeg 75 wordt beëindigd. Dit omdat anders het niet mogelijk was om op de gronden die voorheen in gebruik waren bij de veehouderij woningen te realiseren. Voor de plannen van de woningbouw is op 21 januari een anterieure overeenkomst met de gemeente getekend; 3. Aan de Schootsestraat 69B is conform het tijdelijk deel van het Omgevingsplan een bedrijf in de vorm van een groothandel in levensmiddelen of een gelijkwaardig bedrijf toegestaan. Deze locatie is op circa 160 meter van de Putsteeg 8 gelegen.
18
Conform de brochure Bedrijven en milieuzonering en de bijbehorende lijst met bedrijfscategorieën en richtafstanden geldt voor de hiervoor genoemde bedrijven de volgende codes, milieucategorie en maximale richtafstanden. Bedrijf Putsteeg 6
Intensieve veehouderij
Putsteeg 75
Grondgebonden veehouderij
Schootsestraat 69B
Groothandel voor levensmiddelen
Code 01411, 01412, 01421, 01411, 01412, 01421, 4639
Milieucategorie
Maximale richtafstand
3.2
100 meter
3.2
200 meter
2
30 meter
Conclusie Een woonfunctie is gevoelig voor onder andere geur en geluid. Omdat het een bestaande woning betreft veranderd de milieuzonering van de omliggende bedrijven niet. Omdat de bedrijven aan de Putsteeg 6 en 75 niet meer in werking zijn, en er een principe verzoek ligt, om deze bedrijven om te zetten in een woonfunctie, zijn hier de richtafstanden voor deze ontwikkeling niet van toepassing. De werkelijke afstand van dit bedrijf aan de Schootsestraat naar de Putsteeg is circa 160 meter en dit is vele male groter dan de richtafstand van 30 meter. Op de locatie van de woning is ook geen hogere waarde vastgesteld en de verkeersstromen zijn vrij beperkt en er is geen sprake van geluidsoverlast. Door de gevraagde ontwikkeling worden de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsuitvoering beperkt. Dit omdat ze bij de bedrijfsuitvoering al rekening moeten houden met de eisen die gelden voor dichterbij gelegen woningen en/of de bestaande woning aan de Putsteeg 8 en omdat anders de afstand groter is dan de voorgeschreven richtafstand.
19
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en een evenwichtige toedeling van functies.
3.1.2 Geluid Gebouwen met een woonfunctie moeten ingevolge paragraaf 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bescherming bieden tegen geluid van buiten. In het Bkl is een woonfunctie aangemerkt als geluidgevoelig object. Aan gebouwen met een woonfunctie worden daarom technische bouwvoorschriften gesteld ter bescherming van deze vorm van geluidsbelasting. Er kan een verhoogd geluidniveau op de gevel van de woningen zijn maar door het nemen van geluidsisolerende maatregelen kan het binnen niveau wel tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. Het Bkl maakt onderscheidt in geluid ten gevolge van wegverkeer, railverkeer, industrielawaai en vliegverkeer. Voor de ontwikkeling gelden de Standaard- en Grenswaarden van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). In de onderstaande tabel zijn de standaardwaarde volgens tabel 5.78t Bkl en de Grenswaarde volgens tabel 5.78u Bkl verwerkt om deze tezamen weer te geven. Bij overschrijding van de Standaardwaarde zoals gesteld in artikel 5.78t Bkl, moet voldaan worden aan de eisen volgens artikelen 5.78u t/m 5.78ad Bkl. Hieruit volgt onder andere de grenswaarde. Geluidsbelasting Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl)
Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl)
50 Lden
60 Lden
53 Lden
70 Lden
55 Lden
65 Lden
Industrieterreinen
50 Lden
55 Lden
Industrieterreinen
40 Lden
45 Lden
Provinciale wegen Rijkswegen Gemeente wegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Wegverkeer Indien bij provinciale wegen nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld gelden de overgangsartikelen die zijn weergegeven in artikel 12.7 van het Bkl. Voor de lokale wegen gelden er voor geluidsaandachtsgebieden vaste afstanden, die genoemd zijn in artikel 17.5 Omgevingsregeling. Wanneer de ontwikkeling is gelegen is in deze zone of zones dienen deze
20
wegen betrokken worden bij het bepalen van de geluidbelasting op de ontwikkeling. Wanneer de locatie niet gelegen is in een zone, wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening en is ten aanzien van het aspect geluid sprake van een goed woon- en leefklimaat.
1 of 2 rijstroken met een max. snelheid 30 km/u
Afmetingen geluidaandachtsgebied 100 meter
1 of 2 rijstroken met een max. snelheid groter dan 30 km/u of onbekende snelheid 3 of meer rijstroken
200 meter 350 meter
De Putsteeg is binnen de bebouwde kom een 30 km weg en buiten de bebouwde kom een 60 km weg. De keur is een 60 km weg en de Schootsestraat is ook een 60 km weg. Alle wegen bestaan uit maximaal 2 rijstroken. De ontwikkelingen zouden vallen in het geluidaandachtsgebied van de Putsteeg van 100 meter. De Schootsestraat en de keur zijn op een groter afstand van 100 meter van de ontwikkeling gelegen Als een geluidgevoelige bestemming is gelegen in een geluidaandachtsgebied dan zal aangetoond moeten worden dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer zodanig is dat er een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aanwezig is ,maar dit wil niet zeggen dat in een geluidaandachtsgebied de standaardwaarde wordt overschreden. De werkelijke geluidsbelasting op de gevels is mede afhankelijk van de omliggende bebouwing, de straat karakteristiek, de straatinrichting, de directe zichtlijnen, het aantal voertuigbewegingen en de afstand van de ontwikkeling tot het wegverkeer. Omdat er reeds sprake is van bewoning in de woonboerderij en dat er op dit moment geen geluidshinder wordt ondervonden of aanwezig is het niet te verwachten dat de geluidsbelasting hoger is dan de standaardwaarden.
Tevens is er voor de huidige woning geen hogere grenswaarden aanwezig en zijn deze voor de recent in de directe omgeving van de Putseeg 8 ontwikkelde woningen niet vastgesteld, waardoor aannemelijk is dat de geluidsbelasting niet hoger is dan de standaardwaarden. Railverkeer In de directe nabijheid van de Putsteeg 8 is geen spoorweg gesitueerd. Luchtvaarverkeer of industrieverkeer In de directe nabijheid van de Putsteeg 8 is geen vliegveld en/of gezoneerd industrieterrein gelegen. Conclusie Er is reeds sprake van een woning en voor deze woning en woningen in de directe omgeving is geen hogere waarde vastgesteld en zijn ook geen geluidsklachten of geluidshinder aanwezig. Er kan worden gesteld dat het aspect geluidshinder voor het aspect goede ruimtelijke ordening en evenwichtige toedeling van functies geen belemmering vormt voor de gevraagde ontwikkeling.
21
3.1.3 Geurhinder Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de geur ten gevolge van de geur van landbouwhuisdeuren van een inrichting op geurgevoelige objecten (artikel 5.92, tweede lid Bkl). Hieraan wordt voldaan als voldaan wordt aan de artikel 5,106 a.
In artikel 5.106 a is aangegeven dat aan artikel 5.92 wordt voldaan als toepassing wordt gegeven aan artikel 5.112, eerste lid, of artikel 5.115 derde lid en artikel 5.116. In het eerste lid artikel 5.112 van het Bkl wordt verwezen naar tabel 5.112.1 Tabel 5.112.1 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor
Geurgevoelig gebouw
Afstand
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur
100 meter
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur
50 meter
Het Bkl biedt gemeenten, via artikel 5.112.2 de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passen middels een omgevingsplan. De gemeente Meierijstad heeft in het omgevingsplan geen andere afstanden voor geur opgenomen. Daarom gelden bovenstaande standaard geurnormen. Het dichtstbij gelegen actieve en in werking zijnde agrarische bedrijf aan de Borne 50 is op 400 meter van de Putsteeg 8 gelegen. Dit is veel groter dan de richtafstand voor geur. Tussen dit bedrijf en de Putsteeg 8 zijn meerdere woningen gelegen waar aan de geurnorm moet worden voldaan. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies en het aspect geur
22
geen belemmering vormt voor de gevraagde ontwikkeling. Omdat tussen de bedrijven en de woning aan de Putsteeg 8, meerdere woningen zijn gelegen, vormen deze bestaande woningen de maximale ontwikkelruimte van deze bedrijven.
3.1.4 Bodem De voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft tot doel binnen de bestaande woonboerderij het permanent vergroten van de inhoud van het gedeelte dat als woning gebruikt mag gaan worden, zonder de van de woonboerderij te vergroten. Tevens zal op het bestaande woonperceel een beperkt oppervlakte aan bouwwerken gebruikt zal gaan worden voor een doorstroomvoorziening. Gezien het huidige gebruik als woning en de woonbestemming op deze gronden is het niet aannemelijk dat het plan om de inhoud van het gedeelte dat als woning gebruik mag worden te vergroten tot problemen zal leiden. Er is in het verleden niet gebleken dat er in de directe omgeving verontreinigingen gevonden zijn en dat de grond niet geschikt is om te gebruiken voor woondoeleinden. Voor de nieuwbouw is op 28 mei 2025 en op 07 juni 2025 bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze bodemonderzoeken zijn weergegeven in het rapport Verkennend bodemonderzoek, Putsteeg 8 te Schijndel met projectnummer 20251558 en datum 17 juni 2025 van Milon bv dat als bijlage bij deze rapportage is toegevoegd. Uit het bodemonderzoek is gebleken dat er geen verhoging van de verontreinigingen of bijzonderheden zijn aangetroffen in de bodem en het grondwater. De bodem voldoet aan klasse Landbouw/Natuur en de grond is ee waaruit volgt dat er geen belemmeringen aanwezig zijn voor de gevraagde ontwikkelingen op deze locatie.
Conclusie Het verkennend bodemonderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat er geen belemmering aanwezig is voor de voorgenomen ontwikkeling en het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Er kan worden gesteld dat de bodem van voldoende kwaliteit is voor het aangevraagde gebruik en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
3.1.5 Omgevingsveiligheid De paragraaf omgevingsveiligheid is bedoeld om de risico s van handelingen met gevaarlijke stoffen (opslag, productie, gebruik en vervoer) en die van windturbines op de woonboerderij in kaart te brengen. Dit om het effect te bepalen in situaties waar ongelukken gebeuren met de gevaarlijke stoffen. Omdat er reeds een bestaande woning aanwezig is en het verzoek betreft het vergroten van de inhoud van de woonboerderij Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). Ten gevolge van een calamiteit bij een van de aanwezige risicobronnen is er ter plaatse van de Putsteeg 8 een verwaarloosbaar risico dat de veiligheid in het geding is. In de directe omgeving
23
zijn geen inrichtingen aanwezig die voorzien in opslag en productie van gevaarlijke stoffen. De afstanden van de risicobronnen zijn dermate groot dat er een risico is, maar dit risico is zeer gering en de planlocatie ligt niet binnen de aandachtsgebieden van gevaarlijke transportroutes. Daarbij wordt het veiligheidsrisico niet of nauwelijks vergroot. Verder liggen tussen de risicobronnen en de Putsteeg 8 meerdere woningen. De toename van het veiligheidsrisico in de omgeving is bij de gewenste ontwikkelingen dan ook zeer gering en verwaarloosbaar. Daarbij wordt opgemerkt dat de richtafstanden van de bronnen vele malen kleiner zijn dan de afstand tussen de risicobron en de Putsteeg 8. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de gevraagde ontwikkelingen. Er is daarom sprake van een goed- en veilig woonklimaat en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Daarbij is het van belang dat organisatorische maatregelen en voorlichting op het gebied van hulpverlening en zelfredzaamheid van belang is. Daarbij is het van belang dat bij een calamiteit meestal het veiligst is om: - in een gebouw te schuilen; - de ramen en deuren te sluiten; - het ventilatiesysteem uit te zetten; - weg te blijven bij ramen; - te schuilen in het deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen.
3.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit hebben tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. In artikel 5.54 van het Bkl zijn de gevallen opgenomen wanneer er sprake is van een ontwikkeling die niet bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en de ontwikkeling maar weinig bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In die gevallen is een toetsing niet nodig aan de rijksomgevingswaarde. Wanneer meer dan 1500 woningen wordt ontwikkeld kan de luchtkwaliteit worden aangepast en is geen sprake van niet in betekende mate. De gevraagde ontwikkeling is vele malen kleiner en een toetsing is derhalve niet noodzakelijk. De gevraagde ontwikkeling vindt plaats in de bestaande woonomgeving en bij de woning aan de Putsteeg 8 en de omliggende woningen is geen sprake van een slechte luchtkwaliteit. Ter plaatse van de gevraagde ontwikkeling is sprake van een goed en aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
24
Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project van niet betekende mate en zorgt niet voor de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de rijksomgevingswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
25
3.2 Archeologie
Het Tijdelijk deel van het Omgevingsplan heeft op de locatie van de woonboerderij heeft de dubbelbestemming Waarde archeologie 3 . In de dubbelbestemming is opgenomen dat werkzaamheden die dieper gaan dan 0,30 meter en waarbij meer dan 250 m2 grond wordt verstoord vergunningsplichtig zijn. De totale grondoppervlakte de woning wordt niet uitgebreid. Naast de huidige bijgebouwen zal er maximaal 240 m2 aan gebouwen worden gebouwd/verplaatst, waar bij het bebouwing betreft die uit meer dan 1 gebouw bestaat. Dit is dus beneden de maximale toegestane werkzaamheden van 350 m2 met een diepte van 0,30 meter of meer. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling en er geldt ten aanzien van archeologie geen vergunningsplicht. Mede daarom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
3.3 Water
Voor ieder ruimtelijk plan is een weging van het waterbelang noodzakelijk. Deze weging is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen binnen het ruimtelijk beleid, en niet uitsluitend worden beoordeeld op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking tussen de verschillende bevoegde overheden (gemeente, provincie, waterschap en Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam en robuust watersysteem. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022 2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP beschrijft op hoofdlijnen het beleid dat het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer in de periode tot en met 2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Daarnaast worden de maatregelen benoemd die hiervoor worden ingezet, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en de stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Beleid Waterschap Aa en Maas Vanuit Waterschap Aa en Maas is het Waterbeheerplan 2022 2027 van kracht. In dit plan beschrijft het waterschap welke doelen zij in de planperiode wil bereiken en op welke wijze dit wordt gerealiseerd. Daarnaast geldt de Waterschapverordening Waterschap Aa en Maas, die sinds 1 januari 2024 van kracht is. Deze verordening vervangt de Keur en de algemene regels.
In de waterschapverordening zijn alle regels opgenomen die bepalen welke activiteiten binnen het beheersgebied zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. De regels hebben betrekking op de inrichting, het gebruik en het onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. Voor bepaalde werkzaamheden kan een watervergunning vereist zijn.
26
Beleid gemeente Meierijstad Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving Meierijstad tegengaan van verdroging en het ontlasten van de riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Om dit te bereiken worden regels gesteld die de opvang en verwerking van regenwater op eigen terrein stimuleren en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering beperken. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft een beperkte vergroting van het totale bebouwde oppervlak en heeft daardoor slechts een zeer beperkte invloed op de bestaande waterhuishouding. De toename van het verharde oppervlak blijft beperkt tot minder dan 500 m² en valt daarmee onder de vrijstellingsgrens van het waterschap. Het regenwater zal zoveel mogelijk op eigen terrein worden geïnfiltreerd, conform de huidige situatie. In de directe omgeving is een C-watergang aanwezig. Deze watergang wordt door de ontwikkeling niet belemmerd en er worden geen ruimtelijk relevante waterbelangen geraakt. Het hemelwater zal worden opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein, op dezelfde wijze als momenteel al gebeurt. Vanuit duurzaamheidsoverwegingen wordt onderzocht of het hemelwater kan worden opgevangen in twee ondergrondse tanks van elk 10 m³. Dit water kan vervolgens worden hergebruikt voor het wassen, douchen en het doorspoelen van toiletten.