2022-10-07 toelichting ontwerp-bestemmingsplan
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Zijtaart, De Bresser 26
Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Plangebied De Bresser 26, Zijtaart Planomschrijving Herbestemmen perceel, sloop van aanwezige bedrijfsbebouwing en het bouwen van een drietal woningen met bijgebouw Projectnummer EERT01.RO01 Datum en versie 5 oktober 2022, versie 05 (vastgesteld) Opgesteld door Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Tel: 0492-347761 Email: info@agronadvies.nl
Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Achtergrond en doel van het plan Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
1 1 1 2 3
2. 2.1 2.2
Beschrijving bestaande situatie Huidige situatie omgeving Huidige situatie plangebied
4 4 4
3. 3.1 3.2
Visie op het plangebied Doel en hoofdlijnen Beschrijving van de planontwikkeling
6 6 6
4. Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 4.2.2 Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant 4.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Structuurvisie Veghel 2030 4.3.2 Woonvisie Meierijstad
8 8 8 8 8 8 9 10 12 12 13
5. 5.1 5.2 5.3
15 15 16 16
Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Monumenten Archeologie
6. Groenstructuur en natuur 6.1 Groenstructuur plangebied 6.1.1 Natuur Netwerk Brabant 6.1.2 Groene erfinrichting 6.2 Wet natuurbescherming 6.2.1 Gebiedsbescherming 6.2.2 Soortenbescherming
18 18 18 18 19 19 20
7. 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5
Water Waterbeleid Oppervlaktewater Omgang met hemelwater Afvoer huishoudelijk afvalwater Conclusie
23 23 24 25 26 26
8. 8.1 8.2 8.3
Fysieke belemmeringen Kabels en leidingen Hoogspanningslijnen Spuitzones gewasbescherming
27 27 27 27
9. 9.1 9.2
Milieuhygiënische verantwoording Inleiding M.e.r.-beoordeling
28 28 28 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8 9.9 9.10
Bodem Geluid (wegverkeerslawaai) Geluid (industrielawaai) Luchtkwaliteit Geur Externe veiligheid Duurzaam en slim bouwen Gezondheid
28 29 30 30 32 35 36 37
10.
Bedrijven en voorzieningen
39
11. 11.1 11.2 11.3 11.4
Verkeer Huidige en verkeersstructuur Nieuwe verkeersstructuur Verkeersaantrekkende werking Parkeren
42 42 42 43 43
12. 12.1 12.2 12.3 12.4
Juridische planopzet Algemene opzet Toelichting op de verbeelding Bestemmingen op de verbeelding Toelichting op de regels
45 45 45 45 45
13.
Economische uitvoerbaarheid
46
14.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Situatieschets beoogde situatie Rapportage quick scan flora en fauna Rapportage bodemonderzoek Gegevens geurberekeningen Verslag omgevingsdialoog Aerius-berekening Advies Veiligheidsregio Brabant Noord
Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
1. Inleiding 1.1
Achtergrond en doel van het plan
Op de locatie De Bresser 26 te Zijtaart (hierna: het plangebied) is een voormalige kwekerij gevestigd. Deze is sinds jaren niet meer actief. De initiatiefnemer is voornemens de gronden te ontwikkelen ten behoeve van de oprichting van een drietal woningen en de bestaande bedrijfswoning in gebruik te nemen als burgerwoning. De huidige agrarische bestemming dient hiertoe gewijzigd te worden naar ‘Wonen’.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Zijtaart (gemeente Meierijstad). Kadastraal staan de percelen waaruit het plangebied bestaat bekend als gemeente Veghel, sectie E, nummer 5811 en 5812. De volgende figuren geven een impressie van de ligging van het plangebied in relatie tot de omgeving.
Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)
1 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Kern Zijtaart
Figuur 2: Ligging plangebied in wijdere omgeving (plangebied rood omkaderd)
Figuur 3: Ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Zijtaart’ van de voormalige gemeente Veghel van toepassing (vastgesteld op 4 oktober 2012). Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘kas’ en een bouwvlak van circa 2.085 m². Dit bouwvlak mag voor 70% bebouwd worden en de maximale bouwhoogte bedraagt 12 meter (zie volgende figuur).
2 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Figuur 4: Ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)
Het vigerend bestemmingsplan maakt de wijziging van de bestemming en de ontwikkeling van een drietal woningen niet mogelijk. De agrarische bestemming dient te worden gewijzigd in een woonbestemming middels een bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan maakt de planologische inpassing mogelijk van de beoogde wijziging van de bestemming en oprichting van een drietal woningen en gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning. Het vigerend bestemmingsplan biedt niet de benodigde juridische basis voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied.
1.4
Leeswijzer
De voorliggende toelichting vormt de basis voor de herziening van het bestemmingsplan voor de locatie. De herziening maakt de planologische inpassing mogelijk van de beoogde ontwikkeling. De bestemmingsplanherziening is vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn onder meer de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. De regels omvatten de bestemmingsbepalingen van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan; de toelichting is van belang als beleidsdocument. De toelichting bestaat uit 14 hoofdstukken: 1) een inleiding, 2) beschrijving van het plan, 3) een visie op het plangebied, 4) een beleidstoets, 5) tot en met 11) een verantwoording op de milieutechnische aspecten en een verantwoording ten aanzien van eventueel aanwezige waarden, 12) een juridische planopzet en 13) en 14) financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlage bij deze toelichting gevoegd.
3 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1
Huidige situatie omgeving
Op de locatie De Bresser 26 te Zijtaart is een voormalige plantenkwekerij gevestigd. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Zijtaart. Het perceel wordt aan drie zijden omsloten door woningen, aan de westzijde grenst het perceel aan de voetbalvelden van Zijtaart. De omgeving van het plangebied is stedelijk van aard.
2.2
Huidige situatie plangebied
Het plangebied heeft een oppervlakte van 4.558 m². Binnen het plangebied is een voormalige kwekerij aanwezig met een agrarisch bouwvlak met een oppervlakte van 2.086 m². Binnen het plangebied bestaat de mogelijkheid tot het oprichten van een kas met een oppervlakte van 1.455 m² en een hoogte van 12 meter. Op het perceel is een bedrijfswoning met een aantal opstallen en (tunnel)kassen aanwezig. De totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing bedraagt circa 600 m². De volgende figuren geven een overzicht van de bestaande situatie. Sportpark
Kassen
Bedrijfswoning
Kwekerijgronden Bedrijfsbebouwing
Figuur 5: Bestaande situatie plangebied
4 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Figuur 6: Foto’s bestaande situatie vanaf De Bresser (westzijde) (bron: Googlemaps)
Figuur 7: Impressie bestaande situatie vanaf Grootveld (zuidwestzijde) (bron: Googlemaps)
5 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
3. Visie op het plangebied 3.1
Doel en hoofdlijnen
De initiatiefnemer is voornemens de gronden binnen het plangebied te ontwikkelen ten behoeve van de oprichting van een drietal woningen en de bestaande bedrijfswoning in gebruik te nemen als burgerwoning. De huidige agrarische bestemming dient hiertoe gewijzigd te worden naar ‘Wonen’.
3.2
Beschrijving van de planontwikkeling
De kwekerij die op de locatie De Bresser 26 was gevestigd, is reeds jaren geleden beëindigd. De locatie wordt momenteel gebruikt als burgerwoning. In het verleden waren in het bestemmingsplan ‘ZijtaartGrootveld’ binnen het perceel een aantal bouwkavels ingetekend. In het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden, zoals beschreven, bestemd als ‘Agrarisch’. De huidige bestemming ‘Agrarisch’ is niet overeenkomstig het beoogde gebruik. De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen en wil derhalve de huidige agrarische bestemming wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ en daarnaast een drietal woningen ontwikkelen. De kwekerij wordt beëindigd en gesaneerd. De aanwezige bebouwing wordt verwijderd: een tweetal tunnelkassen en een bedrijfsgebouw. Het bijgebouw bij de voormalige bedrijfswoning blijft behouden. De bedrijfswoning De Bresser 26 wordt een burgerwoning en krijgt de bestemming ‘Wonen’. Daarnaast is het plan om binnen de gronden welke voorheen onderdeel uitmaakt van de kwekerij een drietal woningen te ontwikkelen. De twee westelijke kavels hebben een oppervlakte van 640 m² respectievelijk 575 m²; de derde kavel (oostelijke kavel) heeft een oppervlakte van 850 m². Per kavel wordt een woning opgericht met een bijbehorend bouwwerk. De volgende uitgangspunten zijn verwerkt in de opzet voor de inrichting van de kavels: • • • • •
De woningen maximaal 12 meter diep en 10 meter breed te worden uitgevoerd; De bouwhoogte en goothoogte dienen aan te sluiten bij de directe omgeving: een bouwhoogte van 10 meter en een goothoogte van 6,5 meter; De minimale afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt 3 meter; De aangebrachte groenstroken aan de voorkant van de woningen blijven in eigendom en worden beheerd en onderhouden door initiatiefnemer; De regels van het bestemmingsplan ‘Zijtaart’ worden nageleefd voor het overige.
Een brede strook aan de voorzijde van de kavels krijgt een robuuste ‘groenblauwe’ invulling. Deze groenblauwe invulling ziet op het aanbrengen van wadi met daarin fruitbomen en onderbegroeing in de vorm van onder andere struikvormers en (vaste) planten. Gekozen wordt om hier hoofzakelijk inheemse soorten toe te passen. Door een combinatie van functies draagt dit groen bij aan biodiversiteit en een mooie groene ader binnen deze straat. Het straatbeeld wordt veel vriendelijker en krijgt een meer natuurlijke uitstraling ten opzichte van de huidige situatie. De aanleg van dit soort wadi’s biedt kansen voor de aanleg van natuurvriendelijk groen in en om de woonwijk. Door de wadi met een meer aangepaste vegetatie te beplanten levert deze een bijdrage bij het bevorderen van de biodiversiteit in het dorp en krijgt de straat een meer diverse, aantrekkelijkere verschijning. Met onderhavige ontwikkeling wordt een ruimtelijke kwaliteitswinst gecreëerd en wel om de volgende redenen: 6 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
• •
•
Sloop van verouderde (tunnel)kassen en bedrijfsgebouw (oppervlakte 570 m²); Agrarische functie wordt beëindigd en wegbestemd. De mogelijkheid om een kas met een hoogte van 12 meter op te richten komt hiermee te vervallen evenals het gebruik van de percelen ten behoeve van een agrarisch bedrijf met alle daarbij gepaarde gaande mogelijke (milieu)belasting naar de omgeving (bijvoorbeeld als gevolg van gebruik gewasbeschermingsmiddelen); Bij de te ontwikkelen woningen wordt een robuuste groenblauwe invulling aangebracht in het overwegend stenige straatbeeld van het Grootveld. Een wadi wordt aangelegd ten behoeve van de infiltratie van het hemelwater. Deze wadi wordt ingeplant met bijvoorbeeld fruitbomen en (vaste) planten waardoor de straat een meer natuurlijke uitstraling krijgt. Deze groenblauwe stook levert een bijdrage aan de doelstellingen met betrekking tot klimaatadaptatie, een vriendelijker en natuurlijker straatbeeld (meerwaarde voor de omgeving) en versterking van de biodiversiteit.
De volgende figuur toont een situatietekening van de beoogde situatie.
Burgerwoning De Bresser 26
Bijbehorende bouwwerken (175 m²)
Nieuwe woning met vrijstaand bijbehorend bouwwerk (kavel 3: 850 m²)
Nieuwe woning met aangebouwd bijbehorend bouwwerk (kavel 1: 640 m²)
Nieuwe woning met aangebouwd bijbehorend bouwwerk (kavel 2: 575 m²)
Groene invulling
Figuur 8: Beoogde situatie
7 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
4.
Beleidskader
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Deze visie vervangt een aantal nationale nota’s, waaronder de Nota Ruimte. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken (door het creëren van een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat); • De bereikbaarheid verbeteren; • Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De nationale belangen uit de SVIR zijn juridisch geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, welke weer een doorwerking kent in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). 4.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking (art.3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder moet verplicht worden toegepast bij ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling (wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen) mogelijk maken. Sinds 1 juli 2017 is de gewijzigde Ladder van toepassing (besluit tot wijziging Bro). Een van de wijzigingen betreft een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke ‘treden’ en het vervangen van het begrip ‘actuele regionale behoefte’ door ‘behoefte’. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Op basis van jurisprudentie blijkt echter dat de realisatie van minder dan 12 woningen niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in het Bro. Dit betekent dat in onderhavig plan niet verder aan de Ladder behoeft te worden getoetst.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant (‘De kwaliteit van Brabant; Visie op de Brabantse Leefomgeving’) vastgesteld. De Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren (tot 2050). Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, 8 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
duurzame economie. De visie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De reden voor het opstellen van een Omgevingsvisie is de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. In de Omgevingswet voegt het Rijk alle regels voor de fysieke leefomgeving samen; over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. De wet verplicht provincies en gemeenten een visie op de leefomgeving te ontwikkelen. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. Ten aanzien van de landbouw wordt gestreefd dat in 2050 de bestaande problemen in de fysieke leefomgeving opgelost. De landbouw produceert op een duurzame manier en onze natuur en landschappen zijn veerkrachtig en aantrekkelijk. De bodem-, water en luchtkwaliteit zijn weer gezond.
Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie is zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeterd. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. De ontwikkeling past binnen het beleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. Door het saneren van een kwekerijlocatie binnen stedelijk gebied verbetert het woon- en leefklimaat in de directe stedelijke omgeving doordat er geen uitstoot meer plaatsvindt van milieubelastende stoffen (waaronder gewasbeschermingsmiddelen). 4.2.2
Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Het ontwerp is opgesteld om te voldoen aan de nieuwe Omgevingswet. De regels in de omgevingsverordening sluiten aan op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De regels sluiten verder aan bij vastgesteld beleid, bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken uit de Omgevingsvisie. Of de doelen en ambities voor duurzame energie uit de Energie-agenda of bij de uitwerking van beleid in het Regionaal waterprogramma. De Omgevingswet vraagt dat provincies afwegen of het vanuit subsidiariteit nodig is om op provinciaal niveau rechtstreeks werkende (algemene) regels te stellen. In het algemeen geldt dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten, bijvoorbeeld omdat de provincie vanuit de wet verantwoordelijk is om bepaalde doelen te halen, of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. Bij het opnemen van instructieregels aan gemeente en waterschap geldt dat deze nodig zijn vanuit de opgaven en ambities uit de omgevingsvisie. Bij het vormgeven van de instructieregels geldt dat waar mogelijk is gewerkt met kaders die ruimte bieden voor eigen beleidsmatige invullingen.
Voor enkele onderwerpen, zoals het Natuurnetwerk Brabant, beleid rondom de veehouderij of het voldoen aan omgevingswaarden is die ruimte beperkt. Ten opzichte van de huidige Interim omgevingsverordening is een aantal wijzigingen doorgevoerd. Een van de wijzigingen is dat de gebieden ‘Verstedelijking afweegbaar’ komt te vervallen. Gemeenten zijn daardoor zelf aan zet om gebaseerd op de diep-rond-breed methodiek uit de omgevingsvisie een afweging te maken waar stedelijke ontwikkeling het beste een plek kan krijgen. 9 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Het beleid zoals opgenomen in de nieuwe Omgevingsverordening vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.2.3
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld (geconsolideerde versie, 16 november 2021), vooruitlopend op de aanstaande Omgevingswet. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Het doel van deze verordening is het bij elkaar brengen van alle regels (uit een aantal provinciale verordeningen) over de fysieke leefomgeving in één verordening. Deze verordening vervangt onder andere de Verordening ruimte NoordBrabant. Het plangebied is volgens de bijbehorende kaart gelegen binnen ‘concentratiegebied’ (zie volgende figuur).
Figuur 9: Uitsnede ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De volgende regels uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn van toepassing op onderhavig initiatief: • Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik; • Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit In artikel 3.5 zijn regels opgenomen voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Deze zijn opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie.
10 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Onderhavig plan ziet op de sanering van een agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bestemming wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’ waarbinnen de bestaande bedrijfswoning en gebruik wordt genomen als burgerwoning en drie nieuwe woningen worden opgericht. Door de functiewijziging worden de mogelijkheden om een agrarisch bedrijf te herstarten teniet gedaan. Door het saneren van een kwekerijlocatie binnen stedelijk gebied verbetert het woon- en leefklimaat in de directe stedelijke omgeving doordat er geen uitstoot meer plaatsvindt van milieubelastende stoffen (waaronder gewasbeschermingsmiddelen). De ontwikkeling draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit door het slopen van verouderde bebouwing. De locatie betreft een inbreidingslocatie, een perceel binnen het stedelijk gebied dat wordt herontwikkeld. In onderhavige rapportage wordt onderbouwd dat de ontwikkeling geen onevenredige aantasting vormt voor de in de omgeving voorkomende waarden. Er is sprake van een goede omgevingskwaliteit als gevolg van de ontwikkeling. Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 3.6 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten.
Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Er is sprake van een bestaand bouwperceel, dat met de bestemmingswijziging qua oppervlakte gelijk blijft. Het huidige agrarische bouwvlak (2.085 m²) mag voor 70% worden bebouwd (1.460 m²).
In de beoogde situatie bedraagt de oppervlakte aan bestaande te handhaven bebouwing en nieuwe bebouwing (woningen en bijbehorende bouwwerken minder dan de oppervlakte die op basis van de huidige bestemming is toegestaan; het ruimtebeslag neemt in de beoogde situatie dan ook af. Het plangebied ligt in een gebied dat in de structuurvisie van de gemeente Meierijstad is aangewezen als ‘woongebied’. Er is sprake van een inbreidingslocatie. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking behoeft verder niet te worden getoetst, aangezien de ontwikkeling niet valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling (minder dan 12 woningen) (zie onderbouwing in paragraaf 4.1.2). Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, ecologische waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening (zie hoofdstuk 4 en 5). De ontsluiting van het plangebied wordt in de beoogde situatie geregeld middels De Bresser en Grootveld. Conform het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ worden binnen het plangebied 12 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er wordt invulling gegeven aan het begrip zorgvuldig ruimtegebruik. Duurzame stedelijke ontwikkeling In artikel 3.42 zijn regels opgenomen voor duurzame stedelijke ontwikkelingen.
11 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken voor woningbouw en dat het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Zorgvuldig ruimtegebruik is dat als basisprincipe is opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit, is hierbij uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen stedelijk gebied en dat de ruimte binnen stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut.
Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera. Vanuit de ladder voor verstedelijking die in het besluit ruimtelijke ordening is opgenomen gelden dienaangaande ook voorwaarden. Omdat de stedelijke ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen ook bovengemeentelijke gevolgen kan hebben, worden hierover binnen het regionale overleg afspraken gemaakt. Het is belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen op een juist niveau zijn afgestemd met andere initiatieven zowel vanuit kwantiteit als vanuit kwaliteit. In dit artikel wordt de koppeling met die afspraken gelegd, waardoor deze doorwerking krijgen bij de ontwikkeling van plannen. Onderhavige ontwikkeling betreft een wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende structuur van stedelijke functies. Het betreft echter geen stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en past gelet op de aard en omvang hierbinnen. Bij de bouw van de woningen zal gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen en energiebesparende maatregelen (zoals zonnepanelen, warmtepompen). Door de gemeente Meierijstad heeft regionale afstemming plaatsgevonden en zijn afspraken gemaakt over de nieuwbouw van woningen (RRO Wonen).
Dit is vertaald in de woonvisie van de gemeente (zie paragraaf 4.3.2 van deze toelichting). De bouw van de woningen past binnen deze door de gemeente Meierijstad opgestelde afspraken. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie Veghel 2030
Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn op hoofdlijnen beschreven. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de voormalige gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. In deze structuurvisie is veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Binnen de structuurvisie is het plangebied gelegen binnen de zone ‘Woongebied (kernen en linten)’ (zie volgende figuur). 12 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Plangebied
Figuur 10: Uitsnede kaart ‘Structuurvisie Veghel 2030’ Visiekaart 2030
Onderhavige ontwikkeling ziet op het wegbestemmen van de agrarische bestemming ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen en het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. De nieuwe functie ‘Wonen’ sluit goed aan op de uitgangspunten die van toepassing zijn binnen dit gebied. 4.3.2
Woonvisie Meierijstad
Op 5 juli 2018 heeft de gemeente Meierijstad de gemeentelijk woonvisie vastgesteld. De woonvisie wil richting geven aan wat de gemeente op het gebied van wonen gaat doen, waarbij voldoende flexibiliteit gehouden wordt om goed in te kunnen spelen op de veranderingen die komen. Ontwikkelingen worden jaarlijks gemonitord en waar nodig wordt het woonbeleid bijgesteld, waarvoor jaarlijks een Woonagenda wordt vastgesteld. Ten aanzien van de woningbouwprogrammering zet de gemeente in op de hoge provinciale behoefteprognose, wat betekent dat van 2018 tot 2028 3.940 woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Jaarlijks wordt de opgave woningbouw opnieuw vastgesteld voor de periode van 10 jaar op basis van de hoge prognose in relatie tot gerealiseerde woningen van het laatste jaar. In de woningbouwprogrammering voor de komende 10 jaar wordt de volgende verdeling aangehouden (prijspeil 2018) voor Meierijstad in zijn totaliteit: 25% sociale huur, 15% huur vanaf € 710,-/maand, 10% koop < € 185.000 (goedkoop), 20% koop € 185.000 tot € 275.000 (middelduur), 20% koop > € 275.000 (duur) en 10% variabel in te zetten. De woonvisie zet in op duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik en prefereert inbreiding boven uitbreiding, waarbij de juiste woningen op de juiste plaats worden toegevoegd.
Hoewel het toevoegen van meer grote vrijstaande woningen niet direct binnen het woningbouwprogramma voor Veghel past, past het plan wel binnen het beleid van de gemeente Meierijstad aangezien er sprake is van een substantiële kwaliteitswinst (sloop van verouderde bedrijfsbebouwing, het wegvallen van emissies van milieubelastende stoffen). In de woonvisie is de kwantitatieve woningbehoefteprognose voor de 13 kernen van Meierijstad voor de komende 10 jaar (tot 2028) opgenomen, uitgesplitst per kern. Uitgangspunt hierbij is dat de woningbouwbehoefte evenredig aan alle kernen wordt toegekend op basis van het aantal woningen van die kern. De aantallen geven geen recht op realisatie, wel op ruimte die in het woningbouwprogramma 13 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
gereserveerd wordt voor woningbouwplannen per kern voor de komende 10 jaar, waarbij de cijfers jaarlijks gemonitord worden en bijgesteld kunnen worden in de jaarlijks vast te stellen WoonAgenda. Voor de kern Zijtaart komt dat woningbehoefte tot 2028 uit op 59 woningen. Dit aantal volgt uit de woningbehoefte en een beleidsmatige keuze van de gemeente over de wijze waarop deze behoefte over de kernen wordt verdeeld. De ontwikkeling van de locatie De Bresser 26 betreft een inbreidingslocatie en sluit daarmee aan bij het beleid binnen de woonvisie (inbreiding boven uitbreiding). Het netto-aantal woningen dat mogelijk wordt gemaakt bedraagt drie. Voor de woningen zijn reeds belangstellenden.
14 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
5. Cultuurhistorie en archeologie 5.1
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in de ruimtelijke ordening. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Volgens de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016’ van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch waardevolle regio ‘Meierij (zie volgende figuur).
Plangebied
Figuur 11: Uitsnede ‘Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herziening 2016’ Noord-Brabant
De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Daarnaast is de weg grenzend aan het plangebied (De Bresser) aangeduid als een lijn met redelijk hoge waarde. De volgende figuur toont een uitsnede van de Erfgoedkaart van de voormalige gemeente Veghel.
15 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
De Bresser: oude weg/tracé
Plangebied
Figuur 12: Uitsnede Erfgoedkaart voormalige gemeente Veghel
Het plangebied is gelegen binnen een gebied aangeduid als ‘geplande woonuitbreidingen 1900-nu’. De ontwikkeling doet derhalve geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van het gebied. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor het behoud van de aanwezige waarden.
5.2
Monumenten
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig.
5.3
Archeologie
Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. Volgens de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Veghel is het plangebied gelegen binnen een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde (zie volgende figuur).
16 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Plangebied
Figuur 13: Uitsnede archeologische verwachtingskaart voormalige gemeente Veghel
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Ook tast de ontwikkeling de archeologische (verwachtings)waarden niet aan. Indien tijdens werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht conform Artikel 53 van de Monumentenwet.
17 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
6. Groenstructuur en natuur 6.1
Groenstructuur plangebied
6.1.1
Natuur Netwerk Brabant
Natuur Netwerk Brabant maakt onderdeel uit van Natuur Netwerk Nederland, dat een samenhangend geheel is van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Op een afstand van circa 340 meter van het plangebied is het dichtstbijzijnde gebied behorende tot Natuur Netwerk Brabant gelegen (zie volgende figuur). Door onderhavige ontwikkeling wordt dit gebied niet aangetast c.q. doorkruist. NNB
Plangebied
NNB
Figuur 14: Natuur Netwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant.nl)
6.1.2
Groene erfinrichting
Bij de te ontwikkelen woningen wordt een robuuste groenblauwe invulling aangebracht in het overwegend stenige straatbeeld van het Grootveld. Een brede strook aan de voorzijde van de kavels krijgt een robuuste ‘groenblauwe’ invulling. Deze groenblauwe invulling ziet op het aanbrengen van wadi met daarin fruitbomen en onderbegroeing in de vorm van onder andere struikvormers en (vaste) planten. Gekozen wordt om hier hoofzakelijk inheemse soorten toe te passen. Door een combinatie van functies draagt dit groen bij aan biodiversiteit en een mooie groene ader binnen deze straat. Het straatbeeld wordt veel vriendelijker en krijgt een meer natuurlijke uitstraling ten opzichte van de huidige situatie. De aanleg van dit soort wadi’s biedt kansen voor de aanleg van natuurvriendelijk groen in en om de woonwijk. Door de wadi met een meer aangepaste vegetatie te beplanten levert deze een bijdrage bij het bevorderen van de biodiversiteit in het dorp en krijgt de straat een meer diverse, aantrekkelijkere verschijning. 18 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Deze groenblauwe stook levert een bijdrage aan de doelstellingen met betrekking tot klimaatadaptatie, een vriendelijker en natuurlijker straatbeeld (meerwaarde voor de omgeving) en versterking van de biodiversiteit. De volgende figuur toont een uitsnede van de tekening van het groene erfinrichtingsplan.
Figuur 15: Uitsnede kaart groenplan
Voor een uitgebreide beschrijving van het groene inrichtingsplan en de gemaakte keuzes wordt volledigheidshalve verwezen naar het plan dat is bijgevoegd als bijlage. Ten behoeve van het aanleggen van de inritten dienen er mogelijk een tweetal bomen te worden gekapt welke in eigendom zijn van de gemeente. Deze bomen zijn niet beschermd, de bomen staan niet op de Groene Kaart van de gemeente. Een omgevingsvergunning voor de kap van deze bomen is niet nodig. Als onderdeel van het plan wordt aan de voorzijde van de drie te ontwikkelen woningen groen aangebracht in onder andere bomen. Hiermee worden de eventueel te kappen bomen gecompenseerd. Als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt de exacte ligging van de inrit bepaald en beoordeeld of kap van de bomen noodzakelijk is.
6.2
Wet natuurbescherming
6.2.1
Gebiedsbescherming
Natura2000-gebieden Natura2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn). Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te 19 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op een afstand van circa 16,5 kilometer, zie de volgende figuur.
Plangebied
Figuur 16: Ligging Natura2000- gebieden omgeving plangebied
Stikstofdepositie Stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden is een belangrijke factor die van invloed is op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Om de stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling in beeld te brengen is een berekening gemaakt met het programma Aerius Calculator als gevolg van de gebruiksfase. Het resultaat van de berekening voor de gebruiksfase laat zien dat geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De berekening is in de bijlage bijgevoegd. Gelet hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van de gebruiksfase. Overige verstorende effecten Gelet op de ruime afstand tot de natuurgebieden zijn er geen significante effecten te verwachten op de gebieden als gevolg van overige verstorende factoren (zoals verstoring door licht, geluid, versnippering). 6.2.2
Soortenbescherming
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De toets in het kader van de soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming, die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze wet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten.
20 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. De bouwactiviteiten zorgen voor een tijdelijke verstoring van de directe omgeving. Permanente verstoring door menselijke activiteiten, zoals licht en geluid, zullen beperkt blijven tot het plangebied. Quick scan flora en fauna In verband met de sloop van de bebouwing binnen het plangebied is op locatie een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand wordt een korte beschrijving gegeven van de resultaten van het onderzoek. Voor een volledige beschrijving wordt verwezen naar de rapportage van het uitgevoerde onderzoek wat is toegevoegd als bijlage aan onderhavige rapportage. Soorten Vogelrichtlijn Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied (de te slopen bebouwingen) is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. Nader onderzoek naar deze soorten binnen het plangebied wordt niet nodig geacht Het dak van de woning en bijgebouw is mogelijk geschikt voor de aanwezigheid van de huismus. Ook is de tuin rondom de woning met bijgebouw geschikt als leefgebied door de aanwezigheid van onder andere hagen, beplantingen en bomen.
Aangezien hier geen werkzaamheden gepland staan, wordt nader onderzoek op dit moment naar de aanwezigheid van de huismus niet nodig geacht. Dit veranderdt wanneer er werkzaamheden aan de woning of bijgebouwen plaats gaat vinden, dan dient een nader onderzoek huismus uitgevoerd te worden. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat. Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied (de te slopen bebouwing) is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder de spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels.
In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart - 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bebouwingen, bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen en nabij het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in 21 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart - 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. Soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. De woning en bijgebouw zijn geschikt als vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen. Aangezien de woning en bijgebouw behouden blijven, wordt nader onderzoek naar vleermuizen in deze bebouwing niet nodig geacht. Wanneer hier wel werkzaamheden aan plaats gaan vinden, dan zal voorafgaand beoordeeld moeten worden of vleermuizen de woning en bijgebouw gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats d.m.v. een nader onderzoek vleermuizen. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat.
Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt, door het ontbreken van een geschikt habitat. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie NoordBrabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend flora en faunaonderzoek naar beschermde soorten flora en fauna uit te voeren. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. De geplande activiteiten leiden niet tot overtredingen van de Wet natuurbescherming. De ontwikkeling binnen het plangebied heeft naar verwachting geen effecten op beschermde dier- en plantensoorten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.
22 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
7. Water 7.1
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Provinciaal Waterplan Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor de waterhuishouding betekenen. Ook is het overleg met de waterbeheerder onderdeel van deze watertoets. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in de gemeente Meierijstad is in handen van het Waterschap Aa en Maas en de gemeente. Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Hierin wordt beschreven wat gedaan moet worden om die doelen te halen.
Hierdoor weten de inwoners van het werkgebied en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Met dit plan wordt ook invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening Water om een waterbeheerplan op te stellen. In de nieuwe Omgevingswet staat de verplichting om een waterbeheerprogramma op te stellen. De eisen aan een dergelijk programma zijn vergelijkbaar met de huidige eisen aan een waterbeheerplan. Het grootste verschil is dat de hoofdlijnen van het watersysteembeleid een plek krijgen in het Omgevingswet-instrument ‘omgevingsvisie’ van rijk, provincie en gemeenten. Hier wordt op ingegaan, om de maatregelen in dit waterbeheerplan in de goede context te kunnen plaatsen. De samenhang tussen de omgevingsvisies en dit plan vraagt om goede afstemming. In het waterbeheerplan is een indeling gemaakt in programma’s: • Waterveiligheid; • Klimaatbestendig en gezond watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen de projectlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd.
23 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
Bij een toename en het afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2. Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (VGRP+) 2017-2022 Op 21 september 2017 is door de gemeenteraad van Meierijstad het Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (VGRP+) 2017-2022 vastgesteld.
Naast het in stand houden en goed laten functioneren van het rioolstelsel richt het VGRP+ zich ook op het klimaatbestendig inrichten van openbaar en particulier gebied, het verhogen van het waterbewustzijn en stimuleren en waterbewust handelen, het verduurzamen van de afvalwaterketen, het behalen van de waterkwaliteitsdoelen, het doelmatig verwerken van afvalwater in het buitengebied, het verhogen van de belevingswaarde en benutten van water voor natuur en recreatie, het verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer en samenwerken met andere waterpartners. In het VGRP+ 2017-2022 zijn de te nemen maatregelen en onderzoeken op hoofdlijnen opgenomen. Vanuit het VGRP+ geldt dat elke toegevoegde m² verharding hydrologisch neutraal ontwikkeld dient te worden.
7.2
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap Aa en Maas.
Plangebied B-watergang
Figuur 17: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/)
Het plangebied is op voldoende afstand van deze watergangen gelegen om invloed op de oppervlaktewaterhuishouding van het gebied uit te oefenen.
24 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
7.3
Omgang met hemelwater
Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en erfverharding op het perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging. Gezorgd moet worden dat voldoende buffercapaciteit aanwezig is. Verhard oppervlak In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de oppervlaktes verharding (dakoppervlakte en erfverharding) in de huidige en beoogde situatie. Tabel 1: Toename verhard oppervlak bestaande en beoogde situatie Verhard oppervlak Huidige situatie (m2) De Bresser 26: 130 • Bedrijfswoning 580 • Bedrijfsbebouwing/bijbehorende bouwwerken 700 • Erfverharding Kavel 1: • Woning • Erfverharding Kavel 2: • Woning • Erfverharding Kavel 3: • Woning • Erfverharding
Totaal
1.410
Toekomstige situatie (m2) 130 175 300 200 100 200 100 200 100
1.505
In de beoogde situatie is sprake van een toename van verhard oppervlak 95 m2. Op basis van van het gemeentelijk beleid is een compenserende maatregel noodzakelijk. Er dient 95 * 0,06 = 5,7 m³ aan hemelwater te worden geborgen. Dimensionering infiltratievoorziening Op de projectlocatie wordt een hemelwaterbergingsvoorziening gerealiseerd in de vorm van een wadi waarnaar het hemelwater afkomstig van de erfverharding wordt afgevoerd en kan infiltreren. Bij de dimensionering van de wadi dient rekening gehouden te worden met een GHG van 40 centimeter. De wadi krijgt een diepte van circa 40 centimeter en een oppervlakte van 140 m². Deze afmetingen zijn voldoende om het hemelwater te kunnen bergen. De wadi wordt gecombineerd met de groenopgave die in het gebied wordt gerealiseerd, in de vorm van een robuuste ‘groenblauwe’ invulling. De aanleg van een dergelijke wadi biedt kansen voor de aanleg van natuurvriendelijk groen in en om de woonwijk. Door de wadi met een meer aangepaste vegetatie te beplanten levert deze een bijdrage bij het bevorderen van de biodiversiteit in het dorp en krijgt de straat een meer diverse, aantrekkelijkere verschijning. Gebruik niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen).
In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de eventuele herbouw van de woning zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. 25
Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
7.4
Afvoer huishoudelijk afvalwater
Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater worden de nieuwe woningen aangesloten op de gemeentelijke riolering.
7.5
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad inzake de watertoets.
26 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
8. Fysieke belemmeringen 8.1
Kabels en leidingen
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. Buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen liggen geen leidingen in de directe omgeving van het plangebied die een fysieke belemmering vormen. In de directe omgeving zijn geen kabels en leidingen gelegen.
8.2
Hoogspanningslijnen
Op een afstand van ongeveer 2,0 kilometer van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
8.3
Spuitzones gewasbescherming
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt.
Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn in de beoogde situatie geen percelen gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Van belang op te merken is dat door de beoogde ontwikkeling een kwekerij wordt wegbestemd waar voorheen gewasbeschermingsmiddelen werden toegepast. Het aspect spuitzonering vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief.
27 Toelichting bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening De Bresser 26’
9. Milieuhygiënische verantwoording 9.1
Inleiding
Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen, zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte.