CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Raadsvoorstel Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad geconsolideerd.docx

Raadsvergadering 3 november 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad geconolideerd44.880 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

de voorwaarden waaronder schepen zich in een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied mogen bevinden, welke betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten, de openstellingsperiode, de toegestane duur van verblijf in de haven en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen; f. de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats. Paragraaf 2

Orde in en gebruik van de haven

Artikel 10.11 Verkeerstekens 1. Burgemeester en wethouders kunnen in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen. 2. Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen. 3 Burgemeester en wethouders kunnen van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.12 Ligplaatsenoverzicht en aanwijzing gebieden 1. Burgemeester en wethouders kunnen een ligplaatsenoverzicht vaststellen, dat in elk geval bevat een kaart van de haven met daarop aangegeven de plaatsen of gebieden die bestemd zijn om ligplaats te nemen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen of gebieden aanwijzen waar schepen of categorieën van schepen zich niet dan wel uitsluitend mogen bevinden onder de door hen nader te bepalen voorwaarden, bedoeld in artikel 10.10

43

Artikel 10.13 Verbod innemen ligplaats en verbod zich te bevinden op niet daartoe bestemde plaats 1. Het is verboden in de haven met een woonschip een ligplaats in te nemen. 2. Het is verboden met een schip ligplaats te doen nemen of met een schip zich te bevinden op een plaats of gebied die of dat daartoe blijkens het ligplaatsenoverzicht of aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 8.12 niet is bestemd of toegankelijk is, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen en met instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van het aan de plaats gelegen terrein. 3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.14 Duur verblijf in haven 1. Het is in de haven verboden met een schip langer te verblijven dan de periode zoals gemeld aan de havenmeester, bij nadere regel als bedoeld in artikel 8.10. 2. Als een schip terugkeert in de haven zonder dat er sprake is geweest van bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Binnenvaartwet, wordt de looptijd dan wel overschrijding van de periode, bedoeld in het eerste lid, geacht niet te zijn onderbroken dan wel beëindigd. 3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.15 Voorzieningen en voorwerpen 1.

Het is eenieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.16 Verhalen van schepen 1. Burgemeester en wethouders kunnen een exploitant , of schipper schriftelijk opdragen een schip te verhalen of te doen verhalen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de doorstroming van het scheepvaartverkeer, de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is. 2. Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verhalen kunnen burgemeester en wethouders het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verhalen. 3. In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kunnen burgemeester en wethouders het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verhalen. Artikel 10.17 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven 1. Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip: a.

aan de grond zit; b. gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt; of c. ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren. 44

2. 3.

4.

Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien ter voorkoming van schade. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen.

Artikel 10.18 Plezier- en zeilvaart in de haven 1. Onverminderd het bepaalde in de artikel 10.13 is het verboden zich met een pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren, in de haven te bevinden, tenzij: a. het schip ligplaats heeft genomen in de passantenhaven in de periode tussen 1 april en 1 november. b. het schip zich naar de passantenhaven begeeft om aldaar een ligplaats in te nemen in de periode tussen 1 april en 1 november. 2. Het is verboden met een schip dat uitsluitend door middel van zeilen wordt voortbewogen te varen in de haven. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in geval van een evenement vrijstelling verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden. 4. Burgemeester en wethouders kunnen in geval geen sprake is van een evenement ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden. Artikel 10.19 Winterligplaats 1. Het is verboden, behoudens in geval zich een situatie als bedoeld in het vierde lid voordoet, buiten de passantenhaven een winterligplaats in te nemen. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 10.18, eerste lid is het verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders in de passantenhaven een winterligplaats in te nemen anders dan gedurende de gehele periode gelegen tussen 1 november en 1 april. 3.

Het is verboden een pleziervaartuig dat een winterligplaats heeft ingenomen te bewonen of daarin te overnachten. 4. Burgemeester en wethouders kunnen voor incidenteel gebruik van de passantenhaven de schipper van een schip dat een winterligplaats inneemt aanschrijven om het schip tijdelijk van de winterligplaats te doen verwijderen. De schipper is verplicht aan deze aanschrijving gevolg te geven. Artikel 10.20 Overlast aan vaartuigen Tenzij bij of krachtens deze verordening anders bepaald is het anderen dan de eigenaar of schipper van een schip niet toegestaan, zonder goedkeuring van de eigenaar of schipper dat schip vast te houden, zich daarop te begeven, zich daarop te bevinden of los te maken. Artikel 10.21 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade 1. Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld. 2. De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail.

45

Artikel 10.22 Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats wenst in te nemen of te verlaten, dan wel een aanwijzing als bedoeld in artikel 10.32 daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken. Paragraaf 3

Veiligheid en bescherming milieu in en in de omgeving van de haven

Artikel 10.23 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen 1. Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. 2. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.24 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen Degene door wiens toedoen een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt, draagt ervoor zorg dat: a. daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester; en b. de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. Artikel 10.25 Veilige toegang 1. Een afgemeerd schip beschikt over een toegang welke geen gevaar of schade aan personen kan veroorzaken. 2. Het eerste lid geldt niet met betrekking tot binnenschepen waarbij: a. de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad- of loshandelingen; of b. het afmeren van korte duur is. Artikel 10.26 Verbod gebruik hoofdmotor 1. Het is verboden in door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, met uitzondering van direct voor vertrek van het schip. 2.

Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.27 Deugdelijk afmeren 1. Het is eenieder verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd. 2. Burgemeester en wethouders kunnen van het in dit artikel bepaalde ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 10.28 Gebruik van ankers en spudpalen 1. Het is verboden een anker of spudpalen te gebruiken. 2. Onder spudpaal wordt verstaan een voorziening waarmee een schip zichzelf in de bodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust. 3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

46

Artikel 10.29 Gebruik generatoren door binnenschepen 1. Het is verboden om in door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken. Dit kan alleen in gebieden waar een walstroomaansluiting (63 amp) aanwezig is. 2. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 10.30 Verrichten van werkzaamheden 1. Het is eenieder verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij: a. het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; of b. per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste zeven dagen in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en: 10. als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip, er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden; 0 2 .

dat doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, en; 30. de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal. 2. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 10.31 Ontsmetten van schepen 1. Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of stoffen die gassen afstaan. 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met losgestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de Wet gewasbescherming en biociden, en voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 10.32 Aanwijzingen 1. Burgemeester en wethouders kunnen mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. 2.

Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.

HOOFDSTUK 11

HARDHEIDSCLAUSULE 47

Artikel 11.1 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid op grond van afweging van de te behartigen belangen en met in acht name van de redelijkheid en billijkheid in incidentele en uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen van deze verordening en de daarbij behorende nadere regels.

HOOFDSTUK 12

TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 12.1 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a. de door of namens burgemeester en wethouders krachtens artikel 5.10 en 5.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 18.16 van de Omgevingswet aangewezen personen; b. de ambtenaren van het werkatelier Vergunningen, toezicht en handhaving; c. de ambtenaren van het werkatelier Openbare orde en veiligheid; d. de ambtenaren van het werkatelier Openbaar gebied; e. de ambtenaren van de Omgevingsdienst Brabant Noord f. de marktmeester en de havenmeester; g. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering; h. de overige door burgemeester en wethouders aangewezen personen. Artikel 12.2 Strafbaarstelling Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, waaronder ook begrepen de zorgplichtbepalingen, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 12.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

HOOFDSTUK 13

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 13.1 Wijziging van regelingen 1. De Algemene plaatselijke verordening Meierijstad wordt gewijzigd conform de Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad (9e wijziging). 2. De regels voor kabels voor telecommunicatie, zoals tot op heden opgenomen in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur, worden vastgelegd in de Telecommunicatieverordening Meierijstad. Artikel 13.2 Intrekking van regeling

48

De Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche, de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Meierijstad, de Marktverordening Meierijstad en de Havenbeheersverordening Meierijstad worden ingetrokken. Artikel 13.3 Nieuwe grondslag voor nadere regels, beleidsregels, aanwijzingsbesluiten en registraties 1. Burgemeester en wethouders hangen de Nadere regels terrassen, gesteld op grond van artikel 8.13 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche om naar Nadere regels terrassen op grond van artikel 8.13 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 2. Burgemeester een wethouders hangen het Ligplaatsenoverzicht, vastgesteld op grond van de Havenbeheersverordening Meierijstad om naar Ligplaatsenoverzicht op grond van artikel 10.12 van deze verordening. 3. Burgemeester een wethouders hangen de inrichtingsplannen, vastgesteld op grond van de Marktverordening Meierijstad om naar Inrichtingsplannen op grond van artikel 9.3 van deze verordening. 4. Aanwijzingsbesluiten en registraties op grond van of geldend op grond van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche, gelden als aanwijzingen en registraties op grond van deze verordening. 5.

De Beleidsregels standplaatsen gemeente Meierijstad op grond van artikel 5:18 van de APV Meierijstad worden omgehangen naar Beleidsregels standplaatsen gemeente Meierijstad op grond van artikel 9.18 van deze verordening. Artikel 13.4 Overgangsbepalingen 1. Aanvragen voor vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen, die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op basis van deze verordening. 2. Vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen verleend of geldend op grond van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche, de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Meierijstad, de Marktverordening Meierijstad en de Havenbeheersverordening Meierijstad, gelden als vergunning, vrijstelling of ontheffing op grond van deze verordening volgens het volgende schema. APV 5:18 5:19

Verordening fysieke leefomgeving meierijstad 9.18 9.19

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche 4.11 4.13 4.14 6.4 6.8 8.12 8.13 8.14

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad 4.11 4.13 4.14 6.4 6.8 8.12 8.13 8.14 49

8.15 8.19 8.19a 8.20 8.27 8.28

8.15 8.19 8.19a 8.20 8.27 8.28

Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Meierijstad 4

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad 7.5

Havenbeheersverordening Meierijstad

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad 10.11 10.13 10.14 10.15 10.17 10.18 10.19 10.23 10.26 10.27 10.28 10.29 10.30 10.31

2.1 2.3 2.4 2,5 2.7 2.8 2.9 3.1 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 Marktverordening Meierijstad

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad 9.4

3

Artikel 13.5 Bouwverordening De artikelen 8.2, 8.3, 8,4 en 8.5 gelden als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Artikel 13.6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking. Artikel 13.7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad.

50

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van Meierijstad, d.d. 3 november 2022 De griffier,

De voorzitter,

A.F.J. Franken MSc

Ir. C.H.C. van Rooij

Bijlagen bij de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad Bijlage 1 Ligplaatsenoverzicht 10.12 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad; Bijlage 2 Inrichtingsplannen op grond van artikel 9.3 (weekmarkten) van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad; Bijlage 3 Nadere regels terrassen op grond van artikel 8.13 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad.

51

Toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad Toelichting algemeen Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed, zo blijkt uit de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, de beheersverordeningen, milieuregels en regels uit (andere) lokale verordeningen, die de fysieke leefomgeving wijzigen of direct beïnvloeden. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. Lokale verordeningen De regels over de fysieke leefomgeving staan nu nog verspreid over diverse verordeningen. Daarbij is er geen overzicht over welke regels het precies gaat.

Daarom is besloten om als tussenstap naar het omgevingsplan één Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (hierna: VFL) te maken waarin de regels over de fysieke leefomgeving uit de huidige verordeningen worden gebundeld. De regels uit deze verordening worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) verwerkt in het omgevingsplan. De regels in deze verordening kunnen onder de huidige wetgeving niet worden opgenomen in bestemmingsplannen, omdat de regels niet de ruimtelijke ordening betreffen. De regels over de fysieke leefomgeving uit de gemeentelijke verordeningen zullen uiterlijk op 1-1-2030 moeten worden verwerkt in het omgevingsplan. De verordeningen (of onderdelen van deze interim verordening) kunnen per thema overgeheveld worden naar het omgevingsplan. Tot dat gedaan is kunnen ze zelfstandig gehanteerd blijven worden en ook zelfstandig nog gewijzigd worden. Tweede tranche of nieuwe verordening Bij de aanbieding van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche in 2021 is aangegeven dat er in een 2e tranche zou volgen waarin de nog ontbrekende regelingen zouden worden opgenomen. Er bleken daarnaast echter ook een groot aantal technische aanpassingen noodzakelijk om de verordening te kunnen laten gelden na de invoering van de Omgevingswet. Dit mede omdat de invoeringsdatum van die wet nog steeds onzeker is.

Gezien het grote aantal technische wijzigingen , die o.a. ook voortvloeien uit de ledenbrief van de VNG van 19 juli 2022 (Wijziging Model-APV zomer 2022, die ook betrekking heeft op de bepalingen die vorig jaar zijn overgeheveld vanuit de Apv) is ervoor gekozen om een geheel nieuwe verordening vast te stellen. Inhoudelijke aanvullingen Deze verordening bevat naast de regelingen die al in de Vfl1e tranche waren opgenomen de navolgende regelingen: 52

• de Havenbeheersverordening Meierijstad (Hoofdstuk 10 Vfl); • de AVOI (Algemene verordening ondergrondse infrastructuur) Meierijstad (exclusief het deel van die verordening dat is gebaseerd op de Telecommunicatiewet, daarvoor dient een afzonderlijke verordening te worden vastgesteld); (Hoofdstuk 7 Vfl); • de Marktverordening Meierijstad; Hoofdstuk 9 Vfl); • APV- bepalingen over standplaatsen (Hoofdstuk 9 Vfl); • APV-bepalingen over hinderlijke beplanting en voorwerpen (artikel 8.16a Vfl) en rookverbod bij bossen (8,16b Vfl). Nog niet in deze verordening is opgenomen de Bomenverordening. Een ontwerp van deze verordening wordt thans aan inspraak onderworpen. De planning is om deze in het voorjaar van 2023 alsnog op te nemen in de Vfl. Alsdan zullen waar mogelijk ook nog enkele bepalingen over afvalstoffen en gemeentelijke begraafplaatsen worden overgeheveld. Niet in de VFL opgenomen zijn de volgende verordeningen of bepalingen uit de APV die naar verwachting niet in het omgevingsplan mogen of zullen opgaan. • de Wegsleepverordening; • de Verordening speelautomatenhallen; • de belastingverordeningen; • de Algemene Inspraakverordening; • de APV: bepalingen die bevoegdheden bevatten van de burgemeester (o.a.

samenscholingen, evenementen, nachtinrichtingen, sluiting gebouwen, gevaarlijke honden, seksinrichtingen, cameratoezicht, snuffelmarkten) en bepalingen over: verbod plakken en kladden (2:42 APV); verboden gedragingen in openbare ruimte (2:45 -2:53 APV); loslopende honden (incl. uitrengebieden) (2:57 APV); het houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (2:60 -2:64 APV); parkeerexcessen (5:1 – 5:12 APV); collecteren, ledenwerving en venten 5:13- 5:15 APV). Uitgangspunt verordening: geen nieuw beleid Deze verordening bevat geen nieuw beleid. De bestaande Havenbeheerverordening Meierijstad, Marktverordening Meierijstad en Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Meierijstad, en de APV-bepalingen over standplaatsen, rookverbod bij bossen en hinderlijke beplanting zijn louter technisch juridisch ingepast in deze verordening. Daarnaast zijn in de verordening enkele technische wijzigingen aangebracht om de verordening zowel vóór als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet goed te kunnen laten werken.

Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Definities Een aantal begrippen uit de Omgevingswet wordt opgenomen in deze verordening, omdat de Omgevingswet nog niet van kracht is. Deze artikelen kunnen vervallen op het moment dat Omgevingswet van kracht wordt.

53

Bouwwerk: Dit is de definitie uit de Bouwverordening. Deze definitie is gebaseerd op jurisprudentie. De bestuursrechter heeft uitgemaakt dat het begrip bouwwerk in de Woningwet én in de Wabo zo moet worden uitgelegd. Deze wetten kennen zelf geen definitie van het begrip bouwwerk. Cultureel erfgoed: verwezen wordt naar de definitie opgenomen in de Erfgoedwet. Die luidt als volgt: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. De wet omschrijft cultuurgoed als : roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Fysieke leefomgeving: Het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk nieuw begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van ‘fysieke leefomgeving’ is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Inrichting: De Omgevingswet kent het begrip inrichting niet.

In deze verordening werken wij vooralsnog met het begrip inrichting. Immers in huidige wetgeving wordt hiermee gewerkt. Openbare plaats: Plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties. Artikel 1.2 Toepassingsbereik Dit artikel is nieuw. De eerste tranche van de VFL bevat regels die voorheen waren opgenomen in de Erfgoedverordening 2018 en een deel van de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en de Bouwverordening. Deze verordening wordt in tranches aangevuld met regels over andere onderwerpen, die gaan vallen onder de reikwijde van de Omgevingswet. Dit ter voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2022 van kracht wordt. Regels over de ruimtelijke ordening worden niet opgenomen in deze verordening, omdat deze verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening samen met de bestemmingsplannen opgenomen in het toekomstige omgevingsplan. Artikel 1.3 Doelen van de verordening Het eerste lid geeft het doel van deze verordening. Het tweede is gebaseerd op de Omgevingswet en geeft het overkoepelende doel van de regels in deze verordening Artikel 1.4. Met dit nieuwe artikel wordt beoogd de verordening zowel voor als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet te laten werken.

Voor de inwerkingtreding van die wet wordt in een groot aantal bepalingen geacht te worden verwezen naar de huidige (hogere) wetgeving en na de invoering van de Omgevingswet wordt dan geacht te worden verwezen naar de regelgeving die op die wet is gebaseerd.

54

Van belang is dat de artikelen 8.6 tot en met 8.9 (incidentele en collectieve festiviteiten) ook na de invoering van de Omgevingswet hun juridische grondslag blijven houden in de Wet milieubeheer. Er wordt in die artikelen dan ook niet verwezen naar de Omgevingswet. Dit hangt samen met het bepaalde in artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Op grond van dat artikel moet de tekst van de artikelen 8.6. t/m 8.9 blijven luiden zoals deze voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Ook in een aantal andere artikelen in deze verordening (bijv. artikel 6.3 en 8.17) staat de zinsnede: “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet”. Hiermee wordt het begrip inrichting vastgelegd en uitdrukking gegeven aan het feit dat met deze verordening geen wijziging van beleid wordt beoogd. Tot slot is van belang dat de (Interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant al geldt voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

HOOFDSTUK 2 REGELS TER INSTANDHOUDING, BESCHERMING, ONDERHOUD EN BEHEER Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving is gebaseerd op artikel 1.6 van de Omgevingswet. In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel actoren worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving lopen sterk uiteen. De algemene zorgplicht houdt in dat eenieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. De functies van de zorgplicht zijn: • bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen; • bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken; • bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie). Het is de verwachting dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze artikelen de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en ook de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon met gebruikmaking van het privaatrecht de naleving van rechtsregels te bevorderen, onverlet laten. Artikel 2.3 Algemene zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.7 van de Omgevingswet. Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed

55

Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 13.11 en 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving en is ter vervanging van artikel 11 van de Erfgoedverordening 2018. Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Het eerste lid bepaalt dat het verbod geldt ook voor een voorlopig aangewezen gemeentelijk monument. Uit het tweede en derde lid volgt dat de zorgplicht geldt voor al het onroerend cultureel erfgoed, te weten gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten, beschermd stads- en dorpsgezicht en archeologische monumenten. Meierijstad heeft op het gebied van archeologie op dit moment alleen rijksmonumenten. Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7. Artikel 2.7 Specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname ervan in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7.

Artikel 2.8 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting Dit artikel is ter vervanging van artikel 2:21 APV. In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 2.9 Zorgplicht kabels en leidingen Deze nieuwe bepaling heeft een algemene vangnetfunctie en verwoordt dat een netbeheerder primair verantwoordelijk is voor een goede staat en onderhoud van kabels of leidingen. Wanneer kabels en leidingen als gevolg van een slechte staat en onderhoud een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid of voor de overige belangen die hoofdstuk 7 behartigt, biedt dit artikel aan de gemeente een handvat om de netbeheerder hierop aan te spreken.

HOOFDSTUK 3 PROCES, EN PROCEDURE Artikel 3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Deze verordening kent een aantal vergunningen die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden behandeld. Hiervoor gelden dan de regels uit de Wabo en de daaruit voortvloeiende regelgeving. Een van de regels is dat burgemeester en wethouders niet altijd het bevoegd gezag zijn dat beslist over de aanvraag. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om in plaats van bevoegd gezag altijd burgemeester en wethouders op te nemen. Als er sprake is van een ander bevoegd gezag voor 56

burgemeester en wethouders wordt gelezen het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als hiervan bij een vergunningplicht sprake kan zijn, dan is dit in de toelichting bij het artikel vermeld. Aanvragen kunnen worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Zij zenden de aanvraag door aan het bevoegd gezag en stellen de aanvrager daarvan op de hoogte. De behandeling van de aanvraag wordt dan voortgezet door het bevoegd gezag. Deze doorzendplicht is geregeld in artikel 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.1 Wabo. Artikel 3.2 Indienen aanvraag, melding of verzoek om ontheffing Op de (onvolledige) aanvraag zijn tevens de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. In het bijzonder de bepalingen van hoofdstuk 4 Awb. Het eerste lid geeft de procedure voor de indiening van aanvraag van een vergunning, de melding van activiteiten en de indiening van plannen, verslagen of andere stukken daarover. Er wordt gebruik gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgestelde digitale procedure met formulieren. De indiening vindt plaats via www.meierijstad.nl. Een aanvraag of melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt ingediend via www.omgevingsloket.nl.

Een aanvraag mag strikt genomen nog op papier worden ingediend maar dit is gezien de voortschrijdende digitalisering van de procedures niet wenselijk. Het gebeurt nog maar zeer beperkt. Om deze redenen is hiervoor geen aparte procedure meer opgenomen. In het enkele geval dat een aanvraag op papier is ingediend, krijgt de aanvrager naast het digitale besluit ook het besluit op papier toegestuurd. Wanneer de aanvrager geen digitale post kan ontvangen of geen mailadres heeft opgegeven, ontvangt hij het alleen op papier. Tweede lid Deze bepaling heeft specifiek betrekking op de melding als bedoeld in artikel 6.5 (aanbrengen bebouwing en verharding) en 8.8 (een incidentele festiviteit horeca-inrichting). Artikel 3.3 Beslistermijn De termijn van 8 weken is genoemd in diverse verordeningen en staat eveneens in artikel 16.64 van de Omgevingswet. Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager krijgt hiervan bericht van burgemeester en wethouders met het verzoek om de aanvraag aan te vullen. Dit is een uitnodiging in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het bericht bevat een termijn waarbinnen de gelegenheid is om de aanvraag aan te vullen.

Geadviseerd wordt om een aanvraag tijdig in te dienen, bij voorkeur veertien weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Door het tijdig indienen van de aanvraag bereikt de aanvrager dat burgemeester en wethouders tijdig een besluit kunnen nemen over de benodigde vergunning. Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing wordt verklaard, nemen burgemeester en wethouders binnen 6 maanden een besluit. Artikel 3.4 Voorschriften Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur. Voorschriften kunnen ook beperkingen inhouden. Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen. Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden 57

Naast deze algemene weigeringsgronden kennen de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden. Artikel 3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Dit artikel is gebaseerd op artikel 1:6 APV, artikel 5.40 Omgevingswet en artikel 13 van de Erfgoedverordening. Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kennen de onderliggende wet en deze verordening ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden. Zo bevat artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een vergelijkbare regeling voor het intrekken van omgevingsvergunningen. Bij de omgevingsvergunning wordt het besluit om te wijzigen of deels of geheel in te trekken van de vergunning of ontheffing op artikel 5.19 van de Wabo gebaseerd.

HOOFDSTUK 4 GEMEENTELIJK MONUMENT, GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT EN EISEN AAN ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK Algemeen In de Verordening Adviescommissie omgevingskwaliteit Meierijstad is bepaald in welke gevallen de commissie om advies wordt gevraagd. Artikelsgewijs Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed. Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed (verzamelen, boeken e.d.) heeft geen betrekking tot de fysieke leefomgeving. Artikel 4.2 Gemeentelijk erfgoedregister Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Erfgoedverordening 2018. Het vierde lid bepaalt dat bij het wijzigen van een inschrijving het register dezelfde procedure geldt als bij de inschrijving in het register. Artikel 4.3. (Voornemen) tot aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 3 en 4 van de Erfgoedverordening 2018. Het regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet).

De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die 58

daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Voornemen tot aanwijzing Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw).

Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 4.4 Voorbescherming Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 5 van de Erfgoedverordening 2018.Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Artikel 4.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 7 van de model Erfgoedverordening 2016. Met de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 4.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 8 van de model Erfgoedverordening 2018 59

Het eerste lid geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. De in het tweede omschreven registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 4.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 9 van de model Erfgoedverordening 2016 Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. De bescherming van 2.5 en paragraaf geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing.

Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt, vervalt de bescherming. Artikel 4.8. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 10 van de Erfgoedverordening 2018. Het bepaalt dat bij een wijziging, intrekking of vervallenverklaring van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 4.9 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht geldt artikel 11 van de Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 2.5 en paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Artikel 4.10 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt 60

aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. 4.11 Omgevingsvergunning voor wijzigen of slopen monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en artikel 12 en 13 van de Erfgoedverordening In het vijfde lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het zesde lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Artikel 4.12 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel borgt dat het stads- of dorpsgezicht ook al beschermd is in de periode dat bestemmingsplan voorbereid wordt. Zodra het bestemmingsplan als bedoel in artikel 4.9, vijfde lid van kracht is, vindt handhaving plaats op basis van het bestemmingsplan. Artikel 4.13 Slopen in gemeentelijke beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel is gebaseerd op artikel 18 van de Erfgoedverordening 2018. Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting bij artikel 3.1.

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft gemeente de mogelijkheid om op basis van een verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk stadsen dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 4.14 Eisen archeologisch onderzoek Dit artikel is gebaseerd op artikel 22 van de Erfgoedverordening 2018. Nederland heeft in 1992 het Europese Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend. Doelstellingen zijn behoud en bescherming van archeologische waarden en verankering van die waarden in het ruimtelijk ordeningsproces. In 1999 is Nederland begonnen het Verdrag van Valletta in wetgeving om te zetten. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft vier wetten gewijzigd: de Monumentenwet 1988, de Ontgrondingenwet, de Wet milieubeheer en de Woningwet. De monumentenwet en de Wet ruimtelijke ordening leggen de gemeente de verplichting op de archeologische waarden aantoonbaar in het ruimtelijke ordeningsproces te verankeren en de kwaliteit van het archeologisch onderzoek te waarborgen. De gemeente dient zelf bij ruimtelijke ontwikkelingen het behoud en de integratie van archeologische waarden aantoonbaar af te wegen tegen andere (economische, sociale, maatschappelijke, ecologische) belangen. Hiervoor zijn inzichtelijk beleid en proces- en kwaliteitsregels nodig.

In dit artikel stellen burgemeester en wethouders de eisen vast waaraan archeologisch onderzoek moet voldoen (art. 38.lid 1 van de Monumentenwet) overeenkomstig de door de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie (KNA) verplichte gefaseerde aanpak. Na elke fase wordt een afweging gemaakt om het archeologisch erfgoed al dan niet te behouden. De gefaseerde aanpak beoogt maatwerk. Het startpunt is de waardestelling (fase 1: bureauonderzoek), waarmee een inhoudelijke keuze wordt gemaakt ten aanzien van het vervolgproces. Een tweede belangrijk punt is dat de kwaliteit van het archeologisch onderzoek geborgd wordt door het vaststellen van een programma van eisen. Het selectiebesluit betreft een gemotiveerd besluit tot het al dan niet behouden van een archeologische vindplaats. Het besluit leidt tot het al dan niet, of onder voorwaarden, vrijgeven van een terrein of het nemen van archeologische maatregelen. 61

Artikel 4.15 Vangnet archeologie Deze bepaling is een vangnet voor die bestemmingsplannen waarin nog niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.

Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. HOOFDSTUK 5

BOMEN EN HOUTOPSTANDEN (Gereserveerd)

HOOFDSTUK 6

AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER

Toelichting Algemeen De idee dat hemelwater zo snel mogelijk wordt afgevoerd via goten, regenpijpen, drainagebuizen en riolering raakt achterhaald. Oostelijk Noord-Brabant is erg gevoelig voor een tekort aan water. We beleven nu het derde jaar op rij met een neerslagtekort. En dat terwijl het waterverbruik hoog blijft, denk maar aan zwembaden in particuliere tuinen, luxe douchecellen en irrigatie in de landbouw. Door watertekort ontstaan natuurschade en economische schade. De aanwezigheid van meer oppervlaktewater in stedelijk gebied kan daarnaast helpen om hittestress tegen te gaan. Het is van belang om hemelwater dat van gebouwen en percelen afstroomt vast te houden om het daar te benutten, en om hemelwater meer te laten infiltreren in de bodem opdat het grondwater wat aangevuld wordt. Hiervoor is een mix aan instrumenten in te zetten. Bijvoorbeeld het bevorderen van duurzaam bouwen, met gescheiden watercircuits, en het stimuleren van installatie van regentonnen en van het groener maken van tuinen. Maar ook een hemelwaterverordening past in deze mix. Deze verordening doorbreekt de idee dat hemelwater alleen maar af te voeren is naar de riolering. Overigens heeft schoon hemelwater geen meerwaarde voor de rioolwaterzuiveringsinstallaties: deze zijn niet voor ‘’dun’’ hemelwater gebouwd maar voor echt het afvalwater van huishoudens.

Fasering Het beter benutten van hemelwater, of afkoppelen van de vuilwaterriolering, gebeurt gefaseerd. In dit hoofdstuk is het uitgangspunt opgenomen dat bij nieuwbouw alleen nog in uitzonderlijke situaties hemelwater wordt afgevoerd naar de riolering. Daarnaast kunnen gebieden aangewezen worden 62

waar ook bestaande bebouwing afgekoppeld dient te worden. Die aanwijzingen zullen maatwerk zijn. Wat dan meeweegt zijn de locatie specifieke kansen op wateroverlast en/of hittestress, de planning van grote investeringen in de openbare ruimte of nutsvoorzieningen zoals riolering, warmtenet, enz. Deze gefaseerde invoering van de juridische plicht om af te koppelen gaat gepaard met ondersteuning voor eigenaren/ gebruikers. Het geheel van deze aanpak wordt nader vervat in de omgevingsvisie en een programma op basis van de Omgevingswet (een programma dat het VGRP+ opvolgt). Artikelsgewijs Artikel 6.1 Doel van de regels in dit hoofdstuk Behoeft geen toelichting. Artikel 6.2 – Definities Drainage & Grondwater: Voor de begrippen drainage en grondwater is aangesloten bij de Brabantkeur. Infiltratie: Infiltratie van hemelwater is het proces waarbij regenwater en grondwater nadat het aan de oppervlakte is gebracht wegzakt in de bodem. De snelheid waarmee dit gebeurt, hangt af van de bodembedekking (bv verharding of beplanting) en de eigenschappen van de bodem. Stedelijk afvalwater: Voor dit begrip is aangesloten bij de definitie zoals omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan. Water afkomstig van een particulier zwembad wordt gerekend tot stedelijk afvalwater. Voor de overige begrippen is aangesloten bij gebruikelijke definities in het werkveld (o.a. stichting Rioned).

Artikel 6.3 - Reikwijdte van dit hoofdstuk Eerste lid – lozingen binnen inrichtingen/ vanuit de openbare weg Dit hoofdstuk is niet van toepassing op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer (zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet). Het lozen van hemelwater en grondwater op de riolering is voor inrichtingen geregeld in het Activiteitenbesluit. Daarin staat dat lozing van afstromend hemelwater op een vuilwaterriool alleen is toegestaan als lozing in een schoonwaterstelsel, het oppervlaktewater of de bodem niet mogelijk is. Daarmee wordt dus hetzelfde geëist als wat in de verordening is aangegeven en is het dus niet nodig om de verordening van toepassing te verklaren op inrichtingen volgens het Activiteitenbesluit. Er bestaat wel een verschil in de complexiteit van lozingen bij inrichtingen en de overige bouwwerken, in die zin dat bijvoorbeeld de verontreinigingen van het hemelwater bij de eerstgenoemde veel groter kunnen zijn. Dit brengt met zich mee dat vaker eisen ten aanzien van voorzuivering aan de orde zijn. De gemeente kan de openbare weg, waarin normaliter goten en putten voor de hemelwaterafvoer liggen, ook generiek uitsluiten van de gebiedsaanwijzing. De beheerder van het openbare riool is immers zelf verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater dat op de openbare weg valt. Hij hoeft zichzelf geen lozingsverbod op te leggen.

De beheerder beschrijft in het VGRP hoe hij met dit hemelwater wil omgaan en handelt daar ook naar. Tweede lid – bestaande bouwwerken

63

Deze verordening is van toepassing op alle nieuwe bouwwerken en verharde oppervlakken. Bestaande situaties hoeven dus niet per ommegaande, verplicht aangepast te worden als gevolg van deze verordening. Echter, uit de definities (zie artikel 6.2) volgt dat deze verordening wel van toepassing is bij alle wijzigingen aan bestaande bouwwerken en/of verharde oppervlakken. In geval van wijzigingen aan (bestaand) verhard oppervlak ontstaat namelijk - over het algemeen de gelegenheid om (ondergrondse) voorzieningen te realiseren, in combinatie met voorzieningen die inpandig gerealiseerd kunnen of moeten worden. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders gebieden aanwijzen waarbinnen het verbod ook geldt voor bestaande bouwwerken en verhardingen. Zie toelichting bij dat artikel. Via communicatie en voorlichtingsactiviteiten zal de gemeente de initiatiefnemers bij zoveel mogelijk activiteiten ook motiveren en informeren over de mogelijkheden van anders – duurzamer – omgaan met hemel- en grondwater op het eigen terrein. Artikel 6.4 – Verbod op lozen van hemelwater op de riolering Eerste lid – verbod op lozen hemelwater De gemeenteraad heeft de invulling van de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater in het geformuleerd in het (Verbreed) Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP).

De basis voor het verbod op het lozen van hemelwater op de riolering is in de Wet milieubeheer gesteld en uitgewerkt in het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het VGRP. Het VGRP bevat een beleidsvoornemen over het niet lozen van hemelwater en grondwater op de riolering van zowel openbaar als particulier terrein. Het lozingsverbod is niet beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook open erf of terrein. Het verbod betreft dus het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en onder meer via een dakgoot, regenpijp en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Maar ook het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via onder meer goten, putten en afvoerbuis het openbaar gebied of -riool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht, is bijvoorbeeld een terras, oprit, parkeerterrein of laad- en losperron. Tweede lid - Op eigen terrein verwerken In wezen is de regel simpel: hemelwater mag niet op de riolering worden aangesloten. Dit houdt veelal in dat het op eigen terrein verwerkt moet worden. In de methode van verwerken is de ‘ontdoener’ vrij. De voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater is: 1. hergebruik; 2. infiltreren in de bodem; 3. bergen; en 4. afvoeren. Afvoer naar oppervlaktewater vereist meestal een goedkeuring, melding of vergunning van het waterschap op basis van de Keur.

Ook op locaties waar een gescheiden gemeentelijke riolering aanwezig is voor vuilwater en hemelwater, geldt dat het hemelwater in principe op eigen terrein verwerkt moet worden. Uit ons onderzoek blijkt dat de ambitie van 60 mm redelijk uitvoerbaar blijft; deze norm sluit ook aan bij die in de Keur. Aansluiting van hemelwater op het gemeentelijk hemelwaterstelsel is alleen mogelijk na toestemming van de beheerder. In de Waterwet en het Burgerlijk wetboek is reeds geregeld dat het op eigen terrein te verwerken water niet mag leiden tot overlast op naburige percelen. Drukriolering heeft onvoldoende capaciteit om hemelwater te verwerken. Daarom mag hierop alleen (stedelijk) afvalwater aangesloten worden en geen hemelwater. Indien een perceel is aangesloten 64

op drukriolering, moet dus al het hemelwater op eigen perceel verwerkt worden. Bij de berekening van de benodigde capaciteit vormt de norm van ten minste 20 mm een geschikte en goed uitvoerbare indicatie. Lid 2b – Groene daken De aanleg van een groen dak wordt gestimuleerd, omdat deze daken meerdere voordelen hebben, waaronder de berging van minimaal circa 15 mm (per m2 dak) hemelwater. Daarom wordt voor het oppervlak aan groen dak geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. De norm van 60mm geldt dus niet voor het oppervlak aan groen dak. Vanzelfsprekend moet voorzien worden in de afvoer van overtollig hemelwater vanaf een groen dak bij hevige neerslag (meestal het overschot boven 15mm). De wijze van aansluiting is geregeld in het Bouwbesluit. Lid 2c – Instandhouding voorzieningen Met deze verordening wordt ook de instandhouding van de voorzieningen geregeld. Ongewenste latere aanpassingen aan de afvoer van hemelwater, grondwater en stedelijk afvalwater vallen binnen deze verordening. Hierop kan handhavend opgetreden worden. Lid 2d – Instandhouding berging Bij elke ingreep geldt dat de al aanwezige totale hoeveelheid waterberging niet af mag nemen. Als op het perceel dus meer waterberging aanwezig was, moet dit behouden blijven of vervangen worden. Daarbovenop moet de opgave voor hemelwaterwaterberging gerealiseerd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=fd85f724-037d-4b96-845e-3e61cf5c37eb