CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Raadsvoorstel Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad geconsolideerd.docx

Raadsvergadering 3 november 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad geconolideerd44.880 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Datum raad

3 november 2022

Datum college

20 september 2022

Zaaknummer

2008196

Portefeuille

Ruimtelijke ordening en infrastructuur J.T. van Burgsteden Openbare orde en veiligheid ir. C.H.C. van Rooij

Onderwerp

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad

Samenvatting In verband met de invoering van de Omgevingswet is het wenselijk om de verordeningen die (naar huidig inzicht) uiterlijk 1 januari 2030 in het omgevingsplan opgenomen moeten worden alvast te bundelen in één verordening. Uw raad heeft daartoe in 2021 al de verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche (Vfl 1e tranche) vastgesteld. Daarbij is aangegeven dat de Vfl aangevuld zou worden. Thans wordt voorgesteld om de Havenbeheersverordening, de Marktverordening en de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur en nog een aantal bepalingen uit de APV op te nemen in de Vfl. Omdat het aantal technische wijzigingen groot is gaat de voorkeur uit naar vaststelling van een nieuwe verordening: de “Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad”. De aanduiding “1e tranche” komt daarbij te vervallen. Het betreft hier een louter technisch-juridische omzetting. Er is dan ook geen sprake van een beleidswijziging. Relatie met programmabegroting en/of Mijlpalen van Meierijstad Volkshuisvesting, ruimtelijke ontwikkeling, stads- en dorpsvernieuwingen Behandeling in commissie 18 oktober 2022 Ontwerpbesluit gemeenteraad 1. de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad vast te stellen en in verband daarmee: a.

de volgende verordeningen in te trekken: 10 de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad, 1e tranche; 20 de Havenbeheersverordening Meierijstad; 30 de Marktverordening Meierijstad, en 40 de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Meierijstad; b. de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad te wijzigen (zie afzonderlijk raadsvoorstel). c. de Telecommunicatieverordening Meierijstad vast te stellen (zie afzonderlijk raadsvoorstel) 1

Waarom naar de raad De raad is op grond van artikel 147 en 149 van de Gemeentewet het bevoegde orgaan voor het vaststellen van verordeningen. Aanleiding Het in werking treden van de Omgevingswet vormt de aanleiding tot dit voorstel. Argumenten 1. De Omgevingswet verplicht tot het opnemen van bepalingen die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving uiterlijk 1 januari 2030 (naar huidig inzicht) op te nemen in het omgevingsplan. Het is wenselijk die bepalingen vooruitlopend daarop alvast onder te brengen in één verordening: de Verordening fysieke leefomgeving(Vfl). 1.2 De huidige Vfl, 1e tranche moet op een zodanig veel punten (technisch) gewijzigd worden dat het wenselijk over te gaan tot vaststelling van een nieuwe verordening. Kanttekeningen 1.1 Vaststelling van een Vfl is niet verplicht, maar het is wenselijk om de bepalingen die t.z.t. in het omgevingsplan opgenomen moeten worden alvast in één regeling bijeen te brengen. Dat vereenvoudigt de vaststelling van het omgevingsplan. 1.2 De keuze voor een nieuwe verordening voorkomt dat een zeer uitgebreide wijzigingsverordening moet worden vastgesteld en is dan ook louter van praktische aard. Communicatie Publiekscommunicatie vindt indirect plaats conform de officiële bekendmaking van het raadsbesluit over de verordening.

Participatie Omdat dit voorstel slechts gaat over een juridische vorm, is er geen burgerparticipatie georganiseerd. Tijdens de beeldvormende avond van 2 juni 2022 is namelijk besproken om geen participatie te organiseren voor juridische producten voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als die geen beleidsinhoudelijke verandering met zich meebrengen. Daarmee is een nuance aangebracht op richtingwijzer no. 6.d. van het koersdocument dat uw raad behandelde op 18 april 2019. Duurzaamheid Het vaststellen van deze verordening heeft geen duurzaamheidseffecten. Bestaande regels worden technisch-juridisch omgezet. Financiële toelichting Dit voorstel heeft geen financiële consequenties. Planning Raadsbehandeling in november 2022 is voorzien om de verordening gereed te hebben op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. In de verordening is rekening gehouden met de mogelijkheid dat de Omgevingswet later in werking treedt dan 1 januari 2023. Inwerkingtreding van de verordening is dan toch mogelijk. 2

Rechtsbescherming Tegen het vaststellen en het intrekken van een verordening staan geen mogelijkheden van bezwaar en beroep open. Monitoring en evaluatie Bijlagen 1. concept Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad met de volgende 3 bijlagen: a. Ligplaatsenoverzicht artikel 10.12 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad; b. Inrichtingsplannen op grond van artikel 9.3 (weekmarkten) van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad c. Nadere regels terrassen op grond van artikel 8.13 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad 2. concept Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (met wijzigingen bijhouden). Onderliggende documenten Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, De secretaris, De burgemeester,

dra. M.G.C. Wilms-Wils RA

ir. C.H.C. van Rooij

3

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) De raad van Meierijstad, Overwegende, dat de Omgevingswet voorschrijft dat bepalingen betreffende de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk opgenomen worden in een omgevingsplan; dat het, vooruitlopend op de inwerkingtreding van die wet, wenselijk is bepalingen betreffende de fysieke leefomgeving nu alvast onder te brengen in een verordening; gelet op artikel 149, 149a en 154 van de Gemeentewet, artikel 10.32a van de Wet milieubeheer artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.18, eerste lid onder f. en g. en vijfde lid artikel 2.21 en artikel 3.148, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, juncto artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, artikel 38 van de Monumentenwet, artikel 8 van de Woningwet, artikel 1 van de Belemmeringenwet privaatrecht en artikel 5.67 t/m 5.73 Besluit kwaliteit leefomgeving; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 september 2022; besluit: Vast te stellen de

Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL) HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: APV: Algemene plaatselijke verordening Meierijstad; archeologisch monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; archeologisch onderzoek: werkzaamheden met betrekking tot het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld door burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; archeologisch veldonderzoek: inventariserend veldonderzoek en archeologische opgraving conform de eisen van burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; beschrijving: een rapportage van de bouwhistorische, architectuurhistorische, stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of archeologische waarden;

4

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het bevoegd gezag bedoeld in die wet; bouwwerk; elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; of, na de inwerkingtredding van de Omgevingswet, hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet bouwhistorisch onderzoek: rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt vastgesteld, dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoen aan de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; cultureel erfgoed: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; inrichting: dat wat

daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. (kerkelijk) monument: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; NEN: de Nederlandse norm voor een specifiek product, dienst of proces, zoals uitgegeven door de NEN; omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van die wet; openbare plaats: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties met uitzondering van de openbare gebouwen die krachtens functie of vast gebruik openstaan voor het publiek; programma van eisen (in relatie tot archeologie): programma waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek conform de eisen van burgemeester en wethouders en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie of voor de uitvoering van bovengronds cultuurhistorisch onderzoek een door burgemeester en wethouders goedgekeurd programma voor het ontwerp en de uitvoering van het cultuurhistorisch onderzoek; selectiebesluit: een gemotiveerd besluit van burgemeester en wethouders tot het al dan niet behouden van een bepaalde archeologische vindplaats.

Het besluit leidt tot het al dan niet, of onder voorwaarden, vrijgeven van een terrein of het nemen van archeologische maatregelen; stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; weg: dat wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

5

Artikel 1.2 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet, zoals aangegeven in artikel 1.2 en 1.3 van die wet, en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Artikel 1.3 Doel van de verordening 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. 2. Deze regels zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. 3. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b. een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 Verwijzing naar Omgevingswet 1. Waar in deze verordening (mede) wordt verwezen naar de Omgevingswet en de daarop gestoelde regelgeving is deze verwijzing van kracht na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft de verwijzing naar de genoemde voordien geldende regelgeving van kracht. 2. In afwijking van het eerste lid is een verwijzing naar de (Interim)Omgevingsverordening NoordBrabant van kracht na inwerkingtreding van deze verordening.

HOOFDSTUK 2

ALGEMENE REGELS TER INSTANDHOUDING, BESCHERMING, ONDERHOUD EN BEHEER FYSIEKE LEEFOMGEVING

Artikel 2.1 Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te stellen voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Eenieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

6

Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, draagt er zorg voor dat het stabiel is geplaatst, geen gevaar oplevert voor de (verkeers-)veiligheid, de doorstroming van het verkeer niet belemmert en houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed 1. Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed, te beschadigen of te vernielen. 2. De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 3. Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen. Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden. Artikel 2.7 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen.

Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel 2.8 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De zakelijk of persoonlijk rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk objecten, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2, De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet in de werking belemmerd worden en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht of Hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Artikel 2.8 Zorgplicht voor kabels en leidingen De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van kabels en leidingen.

HOOFDSTUK 3 PROCES, PROCEDURE, WEIGERINGS- EN INTREKKINGSGRONDEN Artikel 3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Omgevingswet 1. Als volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet niet burgemeester en wethouders maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het

7

nemen van een besluit, wordt voor ‘burgemeester en wethouders’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ of de Omgevingswet. . 2. De artikelen 3.2 tot en met 3.6 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet. Artikel 3.2 Indienen aanvraag vergunning, ontheffing of melding 1. Een aanvraag voor een vergunning of beschikking, een melding of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ingediend bij burgemeester en wethouders via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier of, indien de weg daartoe is opengesteld, via het Digitaal stelsel Omgevingswet. 2. Er is pas sprake van een rechtsgeldige melding als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid en artikel 8.8, eerste lid wanneer de melding op de juiste wijze, volledig, naar waarheid en binnen de gestelde termijn is ingediend. Artikel 3.3 Beslistermijn 1. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn. 3. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking delen burgemeester en wethouders het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgenomen van de aanvraag. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 3.4 Voorschriften 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 3.5 Algemene weigeringsgronden 1. Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval: a. Indien de activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving, de bescherming van het milieu of het genoemde doel in de van toepassing zijnde paragraaf; b.

dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gesteld vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; d. de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 8

Artikel 3.6 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden 1. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; e. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; f. aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie, of; g. de vergunninghouder dit verzoekt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

HOOFDSTUK 4 GEMEENTELIJK MONUMENT, GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT EN EISEN AAN ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK Paragraaf 1

Erfgoedregister

Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed 1. Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status. 2. Dit hoofdstuk berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet. Artikel 4.2 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijke monumenten en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten, inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over a. de inschrijving en kadastergegevens ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk monument, archeologische monument en beschermde stads- of dorpsgezicht; b. door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, 9

van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht 3. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gemeentelijk erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 4. Op de wijziging bedoeld in het derde lid zijn de artikelen 4.4 tot en met 4.9 van overeenkomstige toepassing, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is of het erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft al teniet is gegaan. 5. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.3 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument. 2.

Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet. 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid wordt bij een kerkelijk monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar. 4. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en b. provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Artikel 4.4 Voorbescherming 1. De artikelen 2.5 en 4.11 tot en met 4.16 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.3 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.

Op een aanvraag om aanwijzing wordt besloten binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

10

Artikel 4.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. 2. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing. 3. De artikelen 4.3 tot en met 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. 4. Artikel 2.5 en paragraaf 2 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing. Artikel 4.8

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.3 en 4.7 wijzigen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan. 3. Artikel 4.3 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van het burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is. 4. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks-of provinciaal monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. Artikel 4.9 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan op voorstel van burgemeester en wethouders een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden. 2.

De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 3. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 4. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening of een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij de aanwijzing van een beschermd stadsen dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld 5. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre een geldend bestemmingsplan of het tijdelijk omgevingsplan als

11

beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld. 6. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 4.10

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid wijzigen of intrekken. Artikel 4.9, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig teniet is gegaan. 2. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt direct verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 4. Burgemeester en wethouders verwerken de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf 2

Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 4.11 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud waarbij detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; of b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1˚. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2˚. doen van begravingen of asbijzettingen, of; 3˚. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

12

4. Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager van de omgevingsvergunning nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek. 5. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 6. Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een kerkelijk monument en wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, wordt de omgevingsvergunning niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel 4.12 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen voor zover in een gebied dat is aangewezen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan of omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.9, vijfde lid van kracht is. 2. Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of een archeologisch onderzoek. 3. Op de behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning is artikel 4.11 van overeenkomstige toepassing. 4.

Geen vergunning is vereist voor bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet of een op grond van die wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur geen omgevingsvergunning is vereist. Artikel 4.13 Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Artikel 4.11, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Paragraaf 3.

Archeologie

Artikel 4.14 Eisen archeologisch onderzoek. 1. Burgemeester en wethouders nemen het selectiebesluit. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van archeologisch onderzoek. 3. Indien archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 van de Erfgoedwet stellen burgemeester en wethouders een programma van eisen vast, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van het archeologisch onderzoek; 4. In het programma van eisen nemen burgemeester en wethouders bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het archeologisch veldonderzoek. Tijdens het archeologisch veldonderzoek worden aanwijzingen van burgemeester en wethouders in acht genomen. 13

Artikel 4.15 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan of omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, of artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving behalve als: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op het archeologische deel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d.

met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek.

HOOFDSTUK 5 BOMEN EN HOUTOPSTANDEN Gereserveerd HOOFDSTUK 6

AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER

Artikel 6.1 Doel van de regels in dit hoofdstuk 1. Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. 2. Dit hoofdstuk berust op artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Artikel 6.2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand welke vrij afstroomt waarbij niet direct of indirect gebruik gemaakt wordt van een pomp(constructie); - drukriolering: systeem van druk- of vacuümleidingen waarbij (afval)water wordt verpompt door middel van druk- of vacuümpompen; - eigenaar: degene op wiens terrein het hemelwater valt of onder wiens terrein zich het grondwater bevindt; - gemeentelijk rioleringsplan: het verbreed gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de Wet milieubeheer, artikel 3.5 en 3.6 van de Waterwet en de Gemeentewet (VGRP); - gemengd riool: een riool bedoeld voor afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater;

14

-

groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak; grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen; hemelwatervoorziening: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater; infiltratie: het proces waarbij hemelwater wegzakt in de bodem; nieuw bouwwerk: bouwwerk dat wordt opgericht na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na sloop van een bestaand bouwwerk; nieuw verhard oppervlak: verhard oppervlak dat wordt aangelegd na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief aanleg na verwijdering van bestaand verhard oppervlak; riolering: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater; verhard oppervlak: alle oppervlakken die gemaakt zijn van steenachtig of ander materiaal, waaronder daken, tegels, bestratingen, asfaltoppervlakken, etc.; vuilwaterriool: een riool niet bedoeld voor afvoer van hemelwater maar wel bedoeld voor huishoudelijk afvalwater; VGS: verbeterd gescheiden stelsel; hemelwaterriolering met enige berging ten behoeve van verwerking vuil in hemelwater.

Artikel 6.3 Reikwijdte van dit hoofdstuk. 1. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en op de openbare weg. 2. Dit hoofdstuk is, voor wat betreft het lozen van hemelwater, niet van toepassing op bouwwerken en verharde oppervlakken die ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening reeds bestonden, tenzij hierna anders bepaald. Artikel 6.4 Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering 1. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. de te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken; b. voor het oppervlak aan groen dak (in m2) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist; c. de benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden; d. bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen. 3.

Burgemeester en wethouders kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen het verbod zoals genoemd in het eerste lid ook geldt voor alle reeds bestaande bouwwerken en verharde oppervlakken, en/of een andere dan de in het vorige lid onder a genoemde verwerkingseis geldt. Bij het vaststellen van een dergelijke gebiedsaanwijzing geldt het volgende:

15

a. burgemeester en wethouders houden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en eventuele geldende voorschriften uit vigerende (bestemmings)plannen of het omgevingsplan; b. de gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 3e dag na de dag waarop zij bekend is gemaakt en bevat een termijn waarop aan de aanwijzing moet worden voldaan. Deze termijn bedraagt tenminste 6 weken; c. op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. 5. De aanvraag van een ontheffing als bedoeld in het vierde lid wordt tegelijk met de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ingediend. 6. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, bedoeld in het tweede lid onder a, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp ten minste 20 mm (per m2 verhard oppervlak). Artikel 6.5 Melding 1.

Degene die een nieuw bouwwerk, niet zijnde een erfafscheiding, opricht of nieuw verhard oppervlak aanbrengt meldt dit vooraf bij burgemeester en wethouders. 2. Bij een melding wordt een ontwerptekening van en revisietekening met toelichting op het hemelwatersysteem ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders overgelegd. 3. Een aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, wordt gelijkgesteld met een melding. 4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het doen van een melding als in dit artikel bedoeld. Die regels kunnen betrekking hebben op het achterwege laten van een melding bij ondergeschikte bouwwerken of verhardingen of op het achterwege laten van tekeningen met toelichting bij het doen van meldingen voor dergelijke bouwwerken en verhardingen. Artikel 6.6 Vrijstelling bij extreme neerslag (noodoverloop) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 6.4 eerste lid, geldt niet als de te verwerken hoeveelheid hemelwater, als gevolg van extreme neerslag, groter is dan de hoeveelheid zoals genoemd in art 6.4 tweede lid of zoals blijkt uit een vastgestelde gebiedsaanwijzing ex artikel 6.4, derde lid. 2.

Het afvoeren van de overtollige, extreme neerslag middels een verbinding tussen de hemelwatervoorzieningen op eigen terrein en gemeentelijke voorzieningen is alleen toegestaan na afstemming en met instemming van burgemeester en wethouders. Artikel 6.7 Kwaliteit af te voeren hemelwater Het afstromende hemelwater, als bedoeld in artikel 6.4 en 6.6, mag niet verontreinigd zijn als gevolg van afspoelen of uitlogen van de gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen. Artikel 6.8 Verbod op lozen van grondwater op de riolering of gemeentelijke hemelwatervoorziening 1. Het is verboden grondwater af te voeren naar de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening op openbaar gebied. 16

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, als infiltratie van het grondwater op het eigen perceel niet mogelijk is en van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen van het grondwater kan worden gevergd. Artikel 6.9 Aansluiting Aansluitingen van hemelwaterleidingen op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, worden volgens de eisen van burgemeester en wethouders uitgevoerd. Artikel 6.10 Onderhoud en beheer De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud, beheer en instandhouding van zijn hemelwatervoorzieningen en grondwatervoorzieningen.

HOOFDSTUK 7 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR (AVOI- Excl telecom) Paragraaf 1:

Inleidende bepalingen

Artikel 7.1 Doel van de regels in dit hoofdstuk Het doel van dit hoofdstuk is om regels vast te stellen met het oog op de minimalisatie van overlast en maatschappelijke kosten, alsmede een efficiënt gebruik van de openbare ruimte met betrekking tot werkzaamheden aan kabels en/of leidingen. Artikel 7.2 Definities In dit hoofdstuk wordt in aanvulling op de definities in artikel 1.1 verstaan onder: - Belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen; - Bovengrondse voorzieningen: transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations die onderdeel uitmaken van een netwerk en bovengronds worden geplaatst; - Breek- en graafverbod: tijdelijk verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden; - Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in een publiekrechtelijke vergunning of een privaatrechtelijke overeenkomst; - Kabels en/of leidingen: een of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken; - Marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; - Netbeheerder: degene die als

natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een al dan niet openbaar netwerk; - Netwerk: samenstel van kabels of leidingen bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; - Openbaar netwerk: een netwerk van een netbeheerder die krachtens een wet is aangewezen om een netwerk aan te leggen en te onderhouden; - Openbare gronden: openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere 17

werken. Tevens wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn; - Spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het betreffende netwerk is opgetreden; - Werkzaamheden: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; - Werkzaamheden van niet ingrijpende aard: a. werkzaamheden met een gezamenlijke tracélengte tot 25 meter, tenzij: 10 wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist; 20 bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; 30 distributie- en mutatiepunten met een afmeting groter dan 30x30x30 cm lxbxh) worden geplaatst; b. het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; c. het vervangen van bestaande bovengrondse voorzieningen en/of distributie- en mutatiepunten met dezelfde of kleinere afmetingen; d. het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m²; e. het realiseren van maximaal 5 aansluitingen. Artikel 7.3 Toepasselijkheid 1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Meierijstad. 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle kabels en leidingen in openbare gronden, uitgezonderd die welke onder de Telecommunicatiewet vallen. 3. Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in privaatrechtelijke overeenkomsten. Artikel 7.4 Nadere regels en beleidsregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen ter uitvoering van dit hoofdstuk nadere regels of, voor wat betreft nadeelcompensatie, beleidsregels vaststellen. 2. Deze (nadere) regels hebben betrekking op: a. openbare orde en veiligheid; b. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden; c. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; d. ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; e. nadeelcompensatie in geval van het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen (beleidsregels); f. de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die moeten worden verstrekt; g. de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten; h. het al dan niet toestaan van de aanleg van een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk. Paragraaf 2:

Aanvragen en melden van werkzaamheden

18

Artikel 7.5 Omgevingsvergunningsvereiste. Breek- en graafverbod 1. Het is verboden werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.2 te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verstrekte omgevingsvergunning. 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 7.2, is geen omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door burgemeester en wethouders goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. 3. De werkzaamheden worden binnen een jaar na de datum waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden voltooid. 4. De werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak voltooid. 5. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. 6. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden zijn bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, burgemeester en wethouders bevoegd een breek- en graafverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders.

Tijdens door de gemeente vergunde evenementen geldt op het voor het evenement benodigde terrein altijd een breek- en graafverbod. De termijnen zoals bedoeld in het derde en vierde lid worden automatisch verlengd met de periode van het breek- en graafverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breek- en graafverbod, informeren burgemeester en wethouders de betrokken uitvoerende partij(en) hierover.

Artikel 7.6 Aanvragen en melden 1. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden wordt een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.5, bij burgemeester en wethouders aangevraagd. 2. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met burgemeester en wethouders om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een omgevingsvergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte. 4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden worden/wordt vijf werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld bij burgemeester en wethouders. 5. Spoedeisende werkzaamheden worden voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld bij burgemeester en wethouders of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, wordt de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd gedaan. Artikel 7.7 Gegevensverstrekking 1. Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, wordt in afwijking van art.

3.2, eerste lid, uitsluitend gebruik gemaakt van het door burgemeester en

19

wethouders gehanteerde digitale formulier. De volgende gegevens worden daarbij in ieder geval verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder en contactgegevens waarop de projectleider van de netbeheerder te bereiken is; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen, waarbij aangegeven wordt hoeveel kabels er daadwerkelijk direct in gebruik genomen worden; d. vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren, beheerders van openbare gronden en/of belanghebbenden; e..een tekening (PDF- en DWG-formaat) op basis van een BGT-ondergrond met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: 1°. een weergave van het gewenste tracé; 2°. een weergave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; 3°. een weergave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen; 4°. een weergave van de te plaatsen distributie- en mutatiepunten groter dan 30x30x30 cm (lxbxh). f.

overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt: 1°. binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt; 2°. dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; 3°. dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven. g. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; h. de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; i. indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de omgevingsvergunningstekening weergeven. 2. Voor een melding, als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, wordt in afwijking van art. 3.2, eerste lid, uitsluitend gebruik gemaakt van het door burgemeester en wethouders gehanteerde digitale formulier. De volgende gegevens worden daarbij in ieder geval verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder en contactgegevens waarop de projectleider van de netbeheerder te bereiken is; b. als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c.

de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een beschrijving van de werkzaamheden en een werktekening; d. de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; e. de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; In geval van spoedeisende werkzaamheden worden tevens verstrekt: f. de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden; g. de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. 20

Artikel 7.8 Voorschriften en weigeringsgronden 1. Burgemeester en wethouders kunnen, in aanvulling op artikel 3.4 en 3.5, in de omgevingsvergunning voorschriften opnemen, dan wel een omgevingsvergunning weigeren, in het belang van: a. de openbare orde; b. veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten. 2. De voorschriften en weigeringsgronden, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. 3.

De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden worden door de netbeheerder schriftelijk geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4. De netbeheerder is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij burgemeester en wethouders vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. Artikel 7.9 (Mede)gebruik van voorzieningen 1. Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van burgemeester en wethouders aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2. Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist. 3. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 7.10 Termijnen 1. In aanvulling op artikel 3.3 wordt de goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard genomen binnen vijf werkdagen. 2.

De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, met in acht name van het bepaalde in artikel 3.5, tweede lid, uiterlijk vijf werkdagen nadat de melding is gedaan. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

21

Paragraaf 3:

Overige bepalingen

Artikel 7.11 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie 1. Voor verleggingen van kabels of leidingen van een netwerk van een netbeheerder in of op openbare gronden op verzoek van burgemeester en wethouders, gelden de volgende bepalingen: a. De netbeheerder is verplicht op verzoek van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen voor kabels en leidingen ten dienste van zijn net, waaronder het verleggen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente in het algemeen belang; b. De gemeente en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van kabels of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken; c. Burgemeester en wethouders nemen het besluit tot een schriftelijke aanwijzing voor het verleggen van een leiding zo mogelijk op basis van overeenstemming; d. Na een schriftelijk verzoek van burgemeester en wethouders tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo spoedig mogelijk over tot de uitvoering, doch niet later dan dertien weken na de datum van ontvangst van het verzoek. 2.

Als ten gevolge van werkzaamheden, niet zijnde gemeentelijke werkzaamheden, verlegging wijziging of verwijdering van enig eigendom van de gemeente noodzakelijk is, dan wel ten behoeve van werkzaamheden speciale voorzieningen moeten worden getroffen, komen de kosten ervan voor rekening van de opdrachtgever, tenzij er redelijkerwijs aanleiding bestaat om de kosten over meerdere partijen te verdelen, dan wel om geen kosten in rekening te brengen. 3. Burgemeester en wethouders geven van hun voornemen van een werk, zijnde de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door de gemeente, waarvan de verlegging van kabels en leidingen van netbeheerders het gevolg kan zijn, zo spoedig mogelijk een schriftelijke mededeling aan de netbeheerder. Deze mededeling bevat ten minste: - de omschrijving van de voorgenomen werkzaamheden; - de vermelding van de mogelijk te verleggen leidingen; - een tekening van het plangebied met daarop aangegeven de plangrenzen; - een tekening met daarop aangegeven de bestaande situatie; - een tekening met daarop aangegeven de nieuwe situatie; - een tekening met daarop aangegeven het tracé voor de te verleggen leidingen; een uitnodiging voor een overleg met burgemeester en wethouders binnen 2 weken na dagtekening, waarvoor alle betrokken netbeheerders worden uitgenodigd. 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=fd85f724-037d-4b96-845e-3e61cf5c37eb