CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Raadsvoorstel Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad geconsolideerd.docx

Commissie Ruimte, Economie en Bedrijfsvoering 18 oktober 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad geconolideerd44.880 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Burgemeester en wethouders streven naar overeenstemming met de netbeheerder over de verlegging, uitvoering en planning met als doel een technisch adequate oplossing tegen de maatschappelijk laagste kosten. 5. Als tijdens het vooroverleg blijkt dat er sprake is van kabels of leidingen die niet noodzakelijk verlegd moeten worden krijgt de netbeheerder de gelegenheid om op eigen kosten die leidingen te rijzen, te vervangen of te verwijderen of andere voldoende aanpassingen te verrichten. 6. De in het vijfde lid bedoelde werkzaamheden worden zodanig ingepland en uitgevoerd dat de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken geen vertraging oplopen. 7. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het tweede lid wordt verleend op basis van, door burgemeester en wethouders vast te stellen, regels (Beleidsregels nadeelcompensatie). Artikel 7.12

Overleg 22

1. Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. 2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk. 3. Burgemeester en wethouders stemmen af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht, verpacht of verhuurd worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen. Artikel 7.13 Niet openbaar netwerk 1. Dit hoofdstuk houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk. 2. Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.14 Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. 2.

De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. Artikel 7.15 Wijziging, intrekking vergunning en stillegging werkzaamheden In aanvulling op artikel 3.6 zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, de omgevingsvergunning te wijzigen of in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen als: a. er wordt gewerkt zonder omgevingsvergunning of goedgekeurde melding; b. de omgevingsvergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend; c. er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels; d. er wordt gewerkt in strijd met het geldende breek- en graafverbod.

HOOFDSTUK 8 REGELS VOOR OVERIGE ACTIVITEITEN (niet zijnde weekmarkt en havenbeheer) Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 8.1 Op wie van toepassing Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Afdeling 2

Verontreinigde bodem

Artikel 8.2

Doel van de regels over bodem

23

Het doel van de artikelen 8.2 tot en met 8.5 is het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het bepaalde in deze artikelen is gelijk aan de artikelen 2.1.5, 2.4.1 en 2.4.2 van de (voormalige) Bouwverordening Artikel 8.3 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3.

Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 8.4 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 8.4 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a.

waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 8.5 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 8.4 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de 24

bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Afdeling 3

Regels over geluid en verlichting

Paragraaf 3.1 Regels voor inrichtingen Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 8.6 Definities In deze paragraaf wordt verstaan onder: -

-

Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 8.7 tot en met 8.9 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 8.7

Aanwijzing collectieve festiviteiten

1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9 gelden niet gedurende de volgende dagen of dagdelen: a. op het grondgebied van de hele gemeente: 1oCarnaval van vrijdag t/m dinsdag) (5 dagen); 2o Koningsnacht en -dag (2 dagen); 3o Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag (2 dagen); b. op het grondgebied van de betreffende kern: de dagen waarop aldaar de jaarlijkse kermis wordt gevierd (4/5 dagen). 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet tijdens de door de betreffende sportclubs georganiseerde toernooien. 3. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4. Het gemeten equivalente geluidsniveau (LAeq,T) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan:

25

a. 75 dB(A) en 90dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in in- of aanpandige geluidsgevoelige gebouwen. 5. De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie (Cb) en de meteocorrectieterm (Cm) buiten beschouwing gelaten. Als binnen 2 meter van een achterliggende gevel is gemeten dan wordt de geluidwaarde in het zesde lid met 3 dB verhoogd. 6. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9 uiterlijk een half uur voor de in artikel 2:29 of 2:30 van de APV Meierijstad voorgeschreven sluitingstijd beëindigd. Artikel 8.8

Melding incidentele festiviteiten

1. Het is een inrichting toegestaan: a. op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2,17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders; b. om maximaal 3 van de onder a bedoelde dagen of dagdelen per kalenderjaar op het buitenterrein binnen de grens van de inrichting incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2,17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders. 2.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders . 3. Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 5. Het gemeten equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan: a. 70 dB(A) en 80 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter voor festiviteiten als bedoeld onder lid 1a; b. 75 dB(A) en 90 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter voor festiviteiten als bedoeld onder lid 1b; c. 50 dB(A) en 65 dB(C), gemeten in in- of aanpandige gevoelige gebouwen. 6. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.

Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie (Cb) en de meteocorrectieterm (Cm) buiten beschouwing gelaten. Als binnen 2 meter van een achterliggende gevel is gemeten dan wordt de geluidwaarde in het zesde lid met 3 dB verhoogd. 26

7. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid onder a, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 8.9, op zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur en op de dag volgend op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in het gebouw van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 8.9

Onversterkte muziek

1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

7.00-19.00 uur 50 dB(A)

19.00-23.00 uur 45 dB(A)

23.00-7.00 uur 40 dB(A)

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

3. Voor maximaal 2 keer per week, met een duur van maximaal 3 uur per keer aaneengesloten is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting tussen 10.00 uur en 19.00 uur

27

(dagperiode) en tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avondperiode) uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 8.7 en 8.8. Paragraaf 3.2 Geluidhinder buiten een inrichting Artikel 8.10 Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 8.11 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 8.12

Overige geluidhinder

1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud onder voorwaarden dat: a. deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren; b. de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder; en c. de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19 en 7 uur niet meer bedraagt dan 75 LAr,LT in dB(A). 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant, de Omgevingswet, of artikel 2:25 van de APV Meierijstad. Afdeling 4

Activiteiten op een openbare plaats

Artikel 8.13 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg, of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of c. het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw op hinderlijke wijze belemmert of hen door dat gebruik anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

28

2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer: a. niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en b. niet ten minste een vrij onderrijdbare hoogte van 4 meter wordt gelaten. 3. Burgemeester en wethouders kunnen kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, bouwobjecten en nader door hen aan te wijzen voorwerpen. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 9.18 van deze verordening. c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7.

Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de wet beheer rijkswaterstaatwerken of op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 8.14 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder, of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of breedte van de wegverharding te veranderen, of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord Brabant, de Waterschapsverordening, Hoofdstuk 7 van deze verordening (AVOI), of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet en de Telecommunicatieverordening. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 8.15 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van artikel 3.5 wordt een vergunning slechts geweigerd: a. in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de weg; b. in het belang van de doorstroming van het verkeer op de openbare weg; c. in het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving; 29

d. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; e. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; f. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen, of; g. wegens strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de (Interim) Omgevingsverordening NoordBrabant en op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 8.16 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.

Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Artikel 8:16a Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (artikel 2.15 APV) Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd, of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 8.16b Rookverbod in bossen en natuurterreinen (artikel 2.18 APV) 1. Het is verboden in bossen of op heide: a. te roken; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. De verboden in het eerste lid gelden gedurende een door burgemeester en wethouders vast te stellen periode tevens binnen een afstand van 30 meter van bossen en heide. 3. De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 4. De rookverboden in het eerste lid, onder a, en het tweede lid zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken betreft dat plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven

Afdeling 5

Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 8.17 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de

30

Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 8.18 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel, of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening, de Omgevingswet of de (Interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant. Afdeling 6

Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 8.18 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 8.19 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan of omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in 3.5 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap, of b. een stadsgezicht. Artikel 8.19a Slapen op een openbare plaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, tent, aanhangwagen of (vracht)auto als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2.

Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, het aanzien van de woon- en werkomgeving, verontreiniging, voorkoming van besmettelijke ziekten en brandgevaar. 3. Het verbod geldt niet op de door burgemeester en wethouders daartoe aangewezen plaatsen. Artikel 8.19b Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 8.19, eerste lid en 8.19a, eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. 31

2. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 8.19, vierde lid en artikel 8.19a, tweede lid. Afdeling 7. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 8.20 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 3.

De verboden zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, hoofdstuk 7 en 10 van deze verordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 8.21 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Burgemeester en wethouders kunnen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant en op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de (Interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van deze verordening het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. 4. Burgemeester en wethouders kunnen aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door burgemeester en wethouders gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

32

Artikel 8.22 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant of hoofdstuk 10 van deze verordening. Artikel 8.23 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 8.24 Veiligheid op het water 1. Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de (Interim) Omgevingsverordening NoordBrabant, hoofdstuk 10 van deze verordening (Havenbeheer) of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 8.25 Overlast aan vaartuigen 1.

Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 8. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 8.26 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

33

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 8.27 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen terreinen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c.

die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling 9 Kabels en leidingen Artikel 8.28 Verbod objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan of omgevingsplan.

34

HOOFDSTUK 9

WEEKMARKTEN EN STANDPLAATSEN

Afdeling 1

Weekmarkten

Paragraaf 1

Algemene bepalingen

Artikel 9.1. Toepassingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op alle door burgemeester en wethouders ingestelde warenmarkten die op gezette tijden worden gehouden. Artikel 9.2 Doel van de regels in dit hoofdstuk Het doel van dit hoofdstuk is tweeledig. Ten eerste worden hiermee de kaders gecreëerd om markten zodanig te (her)organiseren dat de gemeentelijke belangen beschermd worden en dat de markten tegelijkertijd aantrekkelijk blijven voor zowel consumenten als marktkooplieden en – voor zover gemeenten daar invloed op kunnen uitoefenen – dat er een divers aanbod is dat van goede kwaliteit is. Ten tweede heeft dit hoofdstuk tot doel dit alles op een overzichtelijke, duidelijke manier te regelen, ontdaan van overbodige regels en administratieve lasten.. Artikel 9.3. Inrichtingsplan 1. Voor elke markt stellen burgemeester en wethouders een inrichtingsplan vast, dat in elk geval bevat: a. aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd); b. een kaart van de markt; c.

aanduiding van de wijze waarop nieuwe vaste-standplaatsvergunningen en dagplaatsvergunningen kunnen worden verstrekt; 2. Op de kaart zijn aangegeven: a. de grenzen van de markt; b. de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor houders van een vastestandplaatsvergunning; c. voor zover van toepassing, de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen alsmede, indien van toepassing, de maximum aantallen vaste-standplaatsvergunningen die voor een of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kunnen worden afgegeven; d. indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor houders van een dagplaatsvergunning; 3. Als een standplaats, bestemd voor de houder van een vaste-standplaatsvergunning bij aanvang van de markt nog niet door de vergunninghouder of diens plaatsvervanger is ingenomen, kan daarvoor een dagplaatsvergunning worden afgegeven. 4. Het inrichtingsplan is gedurende de markttijd op de markt aanwezig en in te zien. Artikel 9.4 Vergunningen 1. Het is verboden, op een markt zonder vaste-standplaatsvergunning of dagplaatsvergunning van burgemeester of wethouders een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen.

35

2. Een vaste-standplaatsvergunning geldt voor een periode van maximaal 12 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de looptijd van de vergunning. Daarbij kan de in het tweede lid genoemde periode worden verlengd of bekort als blijkt dat dit noodzakelijk is in verband met hogere regelgeving (Europees of landelijk) of rechterlijke uitspraken. 4. Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de op de vergunning vermelde standplaats. 5. Vergunning kan enkel worden verleend aan een handelingsbekwame natuurlijke persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten. 6. Een vaste-standplaatsvergunning is niet overdraagbaar. Artikel 9.5. Mandaatverboden 1. De bevoegdheid tot het vaststellen van inrichtingsplannen kan niet worden gemandateerd. 2. De bevoegdheid tot wijzigen daarvan en die tot het verlenen of het intrekken van een vastestandplaatsvergunning kan niet aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd. Paragraaf 2

Vaste-standplaatsvergunningen

Artikel 9.6. Selectiestelsel 1. Voor de toekenning van een vaste standplaatsvergunning wordt het selectiestelsel zoals hierna beschreven gehanteerd. 2. Burgemeester en wethouders maken bij het vrijkomen van een vaste standplaats bekend dat voor de markt een of meer vaste-standplaatsvergunningen kunnen worden verleend, voor welke branche of artikelgroep dit geldt en dat gegadigden voor een vergunning vóór de daarbij genoemde datum daarvoor een aanvraag kunnen indienen. 3. De bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving in het Gemeenteblad Meierijstad en op de gemeentelijke website. 4. Als een aanvraag vóór de indieningsdatum is ingediend maar onvolledig is, krijgt de aanvrager een termijn van 5 werkdagen om zijn aanvraag aan te vullen. Als er meer onvolledige aanvragen zijn, wordt de betreffende aanvragers op dezelfde dag mededeling gedaan van de gelegenheid om hun aanvraag aan te vullen. 5. Uitsluitend volledige aanvragen die tijdig zijn ingediend en waarbij is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, komen voor beoordeling als bedoeld in het zevende lid in aanmerking. 6. Burgemeester en wethouders leggen de aanvragen om advies voor aan een door hen te benoemen vaste marktcommissie van ten minste 3 personen, in te vullen door personen met een directe relatie met een van de marktkramen.

Een lid van de commissie vermijdt op elk moment (de schijn van) belangenverstrengeling bij de advisering. Advisering dient volledig onafhankelijk plaats te vinden. Het college kan ter zake nadere regels stellen. 7. a. Bij de beoordeling van de aanvragen kennen burgemeester en wethouders punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximumaantal: 10 of het assortiment van de gegadigde een gewenste toevoeging aan het marktassortiment vormt (20); 20 de uitstraling van de uitstalling (20); 3 0. het marktverleden van de gegadigde en de indruk die hij maakt (20); 36

4 0. of bij de gegadigde sprake is van maatschappelijk verantwoord ondernemen (20). b. Aanvragers komen in aanmerking in de volgorde van het aantal toegekende punten. Voorwaarde daarbij is dat de aanvraag passend moet zijn op de vrijgekomen plaats. 8. Burgemeester en wethouders verlenen de vaste-standplaatsvergunning aan de gegadigde met het op basis van de beoordeling hoogste aantal punten. 9. Als meer gegadigden hetzelfde aantal punten krijgen toegekend, vindt de verdeling van de vergunning tussen hen plaats via loting door middel van een trekking, waarvoor zij worden uitgenodigd. Artikel 9.7. Verlenging vergunning na afroep 1. Bij het beschikbaar komen van een vaste-standplaatsvergunning vanwege het einde van de vergunningsduur kunnen burgemeester en wethouders de procedure van verlenging na afroep toepassen, als voldoende aannemelijk is dat er naast de betreffende vergunninghouder geen andere gegadigden voor deze vergunning zijn. 2. Bij de verlenging na afroep maken burgemeester en wethouders 8 weken voor het einde van de duur van de vaste-standplaatsvergunning door een openbare kennisgeving in het Gemeenteblad Meierijstad en op de gemeentelijke website bekend dat deze vergunning beschikbaar komt voor de termijn van maximaal 12 jaar. 3.

Bij deze openbare kennisgeving worden gegadigden uitgenodigd om hun belangstelling voor de vaste-standplaatsvergunning binnen 2 weken, tenzij anders vermeld, na de kennisgeving kenbaar te maken op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. In de kennisgeving wordt tevens aangegeven voor welke branche of artikelgroep dit geldt. 4. Als binnen de gestelde termijn alleen de betreffende vergunninghouder belangstelling kenbaar heeft gemaakt en is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, verlengen burgemeester en wethouders zijn vaste-standplaatsvergunning met de in het tweede lid genoemde duur. 5. Als binnen de gestelde termijn naast de betreffende vergunninghouder ook een of meer andere gegadigden belangstelling kenbaar hebben gemaakt, wordt de vergunning niet verlengd. In dat geval passen burgemeester en wethouders de vastgestelde procedure van artikel 9.6 toe. 6. In het in het vijfde lid bedoelde geval stellen burgemeester en wethouders de gegadigden ervan in kennis dat de procedure van artikel 9.6 wordt toegepast en dat zij vóór de door burgemeester en wethouders genoemde datum een aanvraag kunnen indienen. Artikel 9.8 Overschrijven vaste-standplaatsvergunning 1.

Als de vergunninghouder niet langer zelf van de vaste-standplaatsvergunning wil gebruikmaken, overleden is of onder curatele gesteld is, kunnen burgemeester en wethouders op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoont of samenwoonde, of zijn kind. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van het selectiestelstel van artikel 9.6 kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria, genoemd in artikel 9.6, zevende e lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. 2. Als de in het eerste lid bedoelde overschrijving niet kan worden gedaan, kunnen burgemeester en wethouders de vaste-standplaatsvergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator overschrijven op naam van een medewerker van de vergunninghouder of een 37

mede-eigenaar van diens bedrijf als deze ten minste 3 jaren in loondienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder of 3 jaren heeft gefunctioneerd als mede-eigenaar. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 9.6, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria genoemd in artikel 9.6 zevende lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. 3. De looptijd van een overgeschreven vergunning voor een vaste-standplaatsvergunning is: a. bij vergunningen verleend voor een bepaalde termijn gelijk aan de resterende looptijd van de vergunning die wordt overgeschreven; b. bij vergunningen verleend voor een onbepaalde termijn gelijk aan de termijn van 12 jaar, verminderd met het aantal jaren dat na de inwerkingtreding van deze verordening is verstreken op het moment van overschrijving van de vergunning. 4. In geval van overlijden of ondercuratelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend. 5. Burgemeester en wethouders wijzen de aanvraag tot overschrijving af als niet wordt voldaan aan het bij of krachtens dit hoofdstuk en de daarop betrekking hebbende bepalingen van deze verordening bepaalde. 6.

Als de nieuwe vergunninghouder al over een vaste-standplaatsvergunning voor de desbetreffende markt beschikt, kunnen burgemeester en wethouders deze intrekken. Artikel 9.9 Intrekking en vervallen vaste-standplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders trekken een vaste-standplaatsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.6 in twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij een aanvraag tot overschrijving is ingediend overeenkomstig artikel 9.8. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een vaste-standplaatsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.6 voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken: a. als de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; b. als van de vergunning gedurende ten minste 8 van de 13 weken geen gebruik is gemaakt; of c. als de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. In geval van intrekking voor bepaalde tijd kan tevens worden bepaald dat de toegewezen standplaats vervalt. 4.

Als de vergunninghouder of zijn overeenkomstig artikel 9.10 aangewezen vervanger zijn standplaats niet uiterlijk bij aanvang van de markt heeft ingenomen, vervalt de vergunning voor de rest van de dag. Artikel 9.10 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging 1. De houder van een vaste-standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger voor in totaal ten hoogste 50% procent van het aantal marktdagen per jaar. Daarvan doet hij zo mogelijk tevoren mededeling aan de marktmeester. De houder van de vergunning blijft persoonlijk verantwoordelijk voor zijn standplaats. 2. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger.

38

Paragraaf 3.

Dagplaatsen

Artikel 9.11 Dagplaatsvergunning 1. Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt op plaatsen die daarvoor ingevolge het inrichtingsplan in aanmerking komen en op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vaste-standplaatsvergunning omdat voor de plaats geen vergunning geldt, de vergunning is vervallen of omdat de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is voorzien in vervanging overeenkomstig artikel 9.10. 2. Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking degenen die daarvoor die dag vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester een aanvraag hebben ingediend, voldoen aan een eventueel van toepassing zijnde branche- of artikelgroepvereiste en die niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: a. zich op de markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden, of b. niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op de grondslag van artikel 229 van de Gemeentewet. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van een gegadigde bepalen dat een uitsluitingsgrond niet geldt of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn in aanmerking wordt genomen.

Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruik gemaakt wanneer strikte toepassing van deze bepaling leidt tot onredelijke gevolgen in relatie tot de hiermee te dienen doelen. 4. De dagplaatsvergunningen worden verstrekt aan de in aanmerking komende gegadigden op volgorde van ontvangst van de aanvragen. Gegadigden die een artikel of artikelsoort wensen te verkopen dat nog niet op de markt verkrijgbaar is, hebben daarbij voorrang. 5. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. 6. Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning weigeren wanneer de aanvrager eerder een vaste-standplaatsvergunning had die niet langer dan 1 jaar geleden is ingetrokken. 7. De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. Paragraaf 4. Algemene bepalingen voor vergunninghouders Artikel 9.12 Bijstand De houder van een vaste-standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen. Artikel 9.13 Legitimatieplicht Degene die een standplaats wenst in te nemen of inneemt op een markt, is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel 9.14 Markttijden in acht nemen 1.

Het is een vergunninghouder verboden meer dan 3 uur voor de aanvang en meer dan 2 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren. 39

2. Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt, behoudens op aanvraag door burgemeester en wethouders verleende ontheffing. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3. Burgemeester en wethouders kunnen aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de ontheffing is vereist. De houder van de ontheffing is verplicht de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel 9.15 Markt schoonhouden 1. Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrij komt zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af of laat het afvoeren. 2. Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten. Paragraaf 5

Handhaving

Artikel 9.16 Onmiddellijke verwijdering Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden. Afdeling 2

Standplaatsen buiten de weekmarkt

Artikel 9:17 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Meierijstad. Artikel 9:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning wegens strijd met het een geldend bestemmingsplan of het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:5 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

40

b.

een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet-tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 9:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 9:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 9:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. 2. De weigeringsgrond van artikel 9:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

HOOFDSTUK 10 Paragraaf 1

HAVENBEHEER

Algemene bepalingen

Artikel 10.1 Doel van de regels van dit hoofdstuk Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het bevorderen van de veiligheid, het ordelijk gebruik en de bescherming van het milieu en de eigendommen in en om de haven. Artikel 10.2 Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: • binnenschip: schip, niet zijnde een zeeschip; • exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip; • gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de IMO Code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (International Maritime Dangerous Goods Code), de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical Code), de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code) en het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN), met uitzondering van eetbare oliën; • haven: a.

wateren die in het beheer zijn van de gemeente en die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen, zoals aangegeven op de als zodanig aangeduide kaart in bijlage bij deze verordening; b de kaden aan de Zuid-Willemsvaart zoals aangegeven op de als zodanig aangeduide kaart in bijlage bij deze verordening ladingresiduen: de restanten van lading in ruimen of tanks aan 41

• • •

•

• • •

boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van restanten na lading of lossing en morsingen; ontvangstvoorziening: voorziening geschikt voor de ontvangst van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen; pleziervaartuig : een vaartuig dat is bestemd of wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding. scheepsafval: afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat tijdens de bedrijfsvoering van een schip en dat valt onder de reikwijdte van bijlagen I, IV, V en VI van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels, en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels, alsmede ladinggebonden afval, zijnde al het materiaal dat aan boord bij de stuwage en verwerking van de lading als afval overblijft, met inbegrip van stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden, verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton, draad en stalen banden;] schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting; schipper:

degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert; tankschip: schip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten; woonschip: Een schip dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als, of te oordelen naar de constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd als hoofdverblijf ten behoeve van het dag-en/of nachtverblijf door een of meerdere personen;

Artikel 10.3 Toepassingsgebied 1. Dit hoofdstuk is van toepassing in de haven. 2. Het bepaalde in paragraaf 3 is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien in paragraaf 3.9.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 10.4 ` Mondelinge beslissing De verlening van een vergunning of ontheffing kan uitsluitend in spoedeisende gevallen voor een eenmalige gedraging of handeling van korte duur mondeling geschieden. Artikel 10.5 Geldigheidsduur 1 Tenzij bij of krachtens dit hoofdstuk anders is bepaald, wordt een vergunning of ontheffng verleend voor de duur van één jaar. 2. Een ontheffing voor een eenmalige gedraging of handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, met dien verstande dat de ontheffing voor maximaal zes maanden wordt verleend. Artikel 10.6 Weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden Burgemeester en wethouders kunnen in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.5 en 3.6 een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is;

42

Artikel 10.7 Verplichtingen van houders van toestemmingen Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft. Artikel 10.8 Normadressaat 1. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 2. Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Artikel 10.9 Aanwijzing havenmeester Burgemeester en wethouders wijzen een havenmeester aan. Artikel 10.10 Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over: a. de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip een haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen; b. de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, dient plaats te vinden; c. de wijze waarop een aanvraag om een vergunning of ontheffing dient plaats te vinden; d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4ec69f4c-fbd2-45c7-a510-0b58addeefa6