1c. B19_Historisch vooronderzoek OO_220311_H22003_VOB_01_Geredigeerd
Tekst van het document
Pagina 2 van 84
Voorwoord Achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten (OO) op uw projectlocatie, wat zijn de risico’s, waar liggen de verantwoordelijkheden? In de bodem waarop wij werken, wonen en recreëren is nog een aanzienlijke hoeveelheid OO uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog aanwezig. De aanwezigheid van deze oorlogsresten kan gevaar opleveren voor mens, dier en omgeving bij de ontwikkeling van infrastructurele werken en bouwprojecten. Ons team van gepassioneerde medewerkers kan voor u bepalen of een plangebied verdacht is op de aanwezigheid van oorlogstuig en zo ja, welke OO nog in de bodem aanwezig kunnen zijn. Om het uiteindelijke onderzoeksgebied te definiëren bepalen wij zorgvuldig zowel de horizontale als de verticale afbakening van het verdachte gebied. Onze toegevoegde waarde dient maar één doel: het beheersbaar maken van de risico’s die optreden, mocht een OO alsnog tot uitwerking komen. Wij nemen adequate maatregelen om deze risico’s aanvaardbaar te maken, zodat het restrisico zo laag is als redelijkerwijs mogelijk. Redelijkerwijs impliceert dat, dat het al dan niet nemen van de mogelijke beheersmaatregelen wordt bepaald door kosten van de maatregelen tegenover de voordelen van de te behalen risicovermindering.
Het vermogen te innoveren, technieken en equipment te ontwikkelen brengt ons dagelijks op een hoger niveau, waardoor u als klant verzekerd bent van de economisch meest voordelige uitvoeringswijze. Onze aanpak is succesvol gebleken, we passen deze dagelijks toe met een team van ruim 30 specialisten die zowel de land- als de waterbodem onderzoeken. Ons werkgebied is voornamelijk Nederland, België, Duitsland, de Noord- en de Oostzee. Met de nieuwste en meest geavanceerde technologieën en veel kennis van geofysica onderzoeken we nauwkeurig en doelmatig uw plangebied om uiteindelijk een certificaat af te geven zodat u veilig de geplande werkzaamheden kunt uitvoeren. Uw veiligheid is onze zorg, natuurlijk… BODAC B.V. The UXO Clearance Company
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 4 van 84
Inhoudsopgave 1
Samenvatting
6
2
Inleiding
7
2.1 2.2 2.3 2.4
3
Projectscope 3.1
4
Historisch vooronderzoek OO in het Certificatieschema Doelstelling Onderzoeksmethode Kwalificatie onderzoeksteam
10
Indicatieonderzoek
12
Contra-indicatieonderzoek 5.1 5.2
6
Beeldvergelijking Conclusie contra-indicatieonderzoek
Conclusie en advies 6.1 6.2 6.3 6.4
7
10
Onderzoeksgebied
4.1 Eerder uitgevoerd onderzoek 4.2 Stafkaart Kadaster 4.3 Literatuur 4.4 Nationale archieven 4.4.1 Gemeentelijk en provinciaal archief 4.4.2 Nationaal Archief (NA) te Den Haag 4.4.3 Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) 4.4.4 Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en Genocidestudies (NIOD) 4.4.5 Semi-Statisch Informatiebeheer (SIB) Ministerie van Defensie te Rijswijk 4.4.6 Archief Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) 4.5 Internationale archieven 4.5.1 Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg 4.5.2 The National Archives (TNA) te Londen 4.5.3 The National Archives and Records Administration (NARA) te Washington D.C. 4.6 Analyse luchtfoto’s 4.6.1 Methodiek 4.6.2 Selectie beeldmateriaal 4.7 Conclusie indicatieonderzoek 4.7.1 Beeldmateriaal
5
7 7 8 9
Aan te treffen Ontplofbare Oorlogsresten Horizontale afbakening Verticale afbakening Advies en vervolgstappen
Leemten in kennis
12 14 16 16 16 16 17 17 17 17 20 20 20 22 22 22 23 23 25
28 28 30
31 31 32 32 34
35
Bijlage 1. Inventarisatiekaart en OO-Bodembelastingkaart
36
Bijlage 2. Indicatietabel en luchtfotoanalyse
39
Bijlage 3. Certificering
54
Bijlage 4. Uitgangspunten afbakening
55
Bijlage 5. Toelichting verplichte en aanvullende bronnen
63
Bijlage 6. Overzicht geraadpleegd bronnenmateriaal
66
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 5 van 84
Bijlage 7. Protocol Toevalstreffer OO
79
Bijlage 8. Hoofdgroepen van Ontplofbare Oorlogsresten
80
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 6 van 84
1 Samenvatting In opdracht van BRO B.V. heeft Bodac B.V. een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd ter plaatse van ‘Veghel Veghels Buiten Noordoost’ met kenmerk ‘H22003’. Naar aanleiding van de geplande realisatie van woningen is een aanvraag gedaan voor deze bureaustudie. Is het onderzoeksgebied of zijn delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen en is er daardoor een verhoogd risico op het aantreffen van OO? Op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn er feitelijke indicaties gevonden voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het onderzoeksgebied. Op 22 en 23 september 1944 is er in en rondom het onderzoeksgebied hevig gevochten. De Duitsers voerden een aanval uit op Veghel, waar op dat moment zowel Amerikaanse als Britse troepen gesitueerd waren. Er is daarbij een breed scala aan munitie met verschillende kalibers ingezet. Binnen het onderzoeksgebied kan daarom zowel Duitse, Amerikaanse en Britse infanterie- en geschutmunitie aangetroffen worden. Derhalve is het hele onderzoeksgebied aangeduid als ‘verdacht’. Zie hiervoor de OO-Bodembelastingkaart in Bijlage 1. Zie voor de te verwachten kalibers en de horizontale en verticale afbakening 6 Conclusie en advies.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 7 van 84
2 Inleiding In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor. Bodac B.V. maakt gebruik van academisch geschoolde medewerkers en moderne opsporingsmethoden om de OO te vinden en te verwijderen. Zo zorgen wij ervoor dat een veilig te bewerken (bouw)terrein overgedragen kan worden aan onze opdrachtgever.
2.1
Historisch vooronderzoek OO in het Certificatieschema
Naar aanleiding van de oorlogshandelingen, ten tijde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestaat er een mogelijkheid tot het spontaan aantreffen of toucheren van OO tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem. Hierdoor ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico door het mogelijk ongewenst tot (uit)werking treden van dit militair wapentuig. Dergelijke ongecontroleerde uitwerkingsgevolgen kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materiaal en omgeving tot gevolg hebben. Daarnaast kunnen spontane vondsten van OO resulteren in stagnatie en meerwerkkosten van de uitvoeringswerkzaamheden. Om bovenstaande situaties te voorkomen dient een werkgever de risico’s van de werkzaamheden vooraf te inventariseren en te evalueren. Deze zogenoemde risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) is zeker voor bouw gerelateerde activiteiten (werkzaamheden in of op de (water)bodem) noodzakelijk.1 Tijdens het ontwerpen van het werk moeten de risico’s in beeld worden gebracht (V&G voorbereidingsfase), waaronder mogelijke OO in de bodem. Door de privatisering van het opsporen van OO, ontstond de behoefte aan normalisatie en regelgeving gericht op kwaliteit en veiligheid. Dit resulteerde in de certificatieplicht in het Arbobesluit.
Deze plicht resulteerde allereerst in het Beoordelingsrichtlijn van het Procescertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE) en vervolgens in het Werkveld Specifiek Certificatie Schema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE).2 De aspecten vooronderzoek en risicoanalyse maakten deel uit van deze laatstgenoemde wet- en regelgeving. Hierin werden al een aantal eisen gesteld aan het onderdeel Historisch vooronderzoek. Vanwege de aangekondigde wetswijziging trachtte de Stichting Certificering Vuurwerk en Explosieven, in samenwerking met de VEO en andere belanghebbende partijen, vanaf 2015 de kwaliteitsborging van certificering te benadrukken. In deze wetswijzigingen werden het vooronderzoek en de risicoanalyse niet langer als noodzakelijk geacht om onder een wettelijke certificering te vallen. Naast het wettelijk WSCS-OCE, werd het besluit gemaakt om een privaat schema te ontwikkelen waarin de werkzaamheden van Vooronderzoek CE en Risicoanalyse CE zijn opgenomen. Het behandelvoorstel en eindconcept werden in 2017 voorgelegd aan het CCvD-OCE.3 Vanwege de wijzigingen in het Arbobesluit op 28 november 2019 (waarin de term Conventionele Explosieven is vervangen door de term Ontplofbare Oorlogsresten) besloten de belanghebbende partijen om een vernieuwd certificatieschema aan het CCvD voor te leggen.
Dit resulteerde in het ‘Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten’. 4 Deze vrijwillige certificering valt dus niet binnen een wettelijk kader en derhalve zal de inhoud en methode van een Historisch vooronderzoek OO enigszins kunnen variëren. Per 1 januari 2021 is het nieuwe, wettelijk verplichte Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (opsporing) in werking getreden. Daarbij is (gelijktijdig) het vrijwillige Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten ingegaan. 5 Bodac B.V. zal dit Historisch vooronderzoek OO dan ook uitvoeren conform de meest recente versie van het certificatieschema.
2.2
Doelstelling
Bodac B.V. werkt voorliggende rapportage uit conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO). Dit schema beschrijft de doelstelling van een Historisch 1
Zie voor meer informatie: www.explosievenopsporing.nl Tot 31 december 2020 was het WSCS-OCE opgenomen in Bijlage XII van de Arbeidsomstandigheden met oude eisen van de certificering. 3 SCVE, ‘7SCVE-SEC.11124.V’ (29 mei 2017). 4 VOMES, ‘Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten’ (8 februari 2021). 5 ‘Certificatie Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten’, < https://www.vomes.nl/certificatie/certificatie-vooronderzoek-en-risicoanalyseoo/> [geraadpleegd op 30 januari 2021]. 2
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 8 van 84 vooronderzoek OO. Het onderzoek heeft als doel om te beoordelen of er in het onderzoeksgebied sprake is van een verhoogde kans op het aantreffen van OO, en zo ja, om het verdachte gebied af te bakenen. De bureaustudie bestaat dan ook uit het inventariseren, analyseren en beoordelen van bronmateriaal. De gevonden geografisch herleidbare indicaties en contra-indicaties worden vervolgens getoetst op relevantie. Op basis hiervan zal gemotiveerd worden vastgesteld of er mogelijk sprake is van een op Ontplofbare Oorlogsresten verdacht gebied, en zo ja, dan zal de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoedelijke munitieartikelen beschreven worden.6 Vervolgens wordt een horizontale en verticale afbakening van het verdachte gebied opgesteld. Het eindresultaat is een rapportage voorzien van een bijbehorende OO-Bodembelastingkaart (zie Bijlage 1).
2.3
Onderzoeksmethode
Leidraad voor het vaststellen van de onderzoeksmethode is het CS-VROO. Verder is voorliggend document opgesteld conform het DO BMS, P01500 en ISO9001 kwaliteitssysteem. Voor het opstellen van een conclusie is het bronmateriaal essentieel. De organisatie verzamelt indicaties en contra-indicaties aan de hand van literatuur- en archiefonderzoek en een luchtfotoanalyse. De onderzoeksmethode met betrekking tot de luchtfotoanalyse wordt in Paragraaf 4.6 uiteengezet. Inzake het bronmateriaal zullen verscheidene uitgangspunten geëvalueerd worden. Een toelichting op verplichte en aanvullende bronnen, beschreven in het CS-VROO, staan in Bijlage 5 van deze rapportage. Naar aanleiding van het CS-VROO zal beoordeeld worden of bepaalde oorlogshandelingen een relevante indicatie vormen voor de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Hier mag echter gemotiveerd van afgeweken worden. De gevonden indicaties en contra-indicaties uit voornoemd bronmateriaal dient een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van oorlogstuig in het onderzoeksgebied. Bij gebruikmaking van indicaties of contra-indicaties uit geschreven bronnen, behoren de verwijzingen ongewijzigd in de rapportage over te worden genomen. Deze locaties moeten vervolgens vertaald worden naar een plaatsbepaling in de huidige topografie.
Indien er onduidelijkheid is over de locatie van indicaties of contra-indicaties zal dit eveneens gedocumenteerd worden. Vervolgens zullen alle relevante indicaties beoordeeld worden op betrouwbaarheid. Gecontroleerd wordt of de informatie van desbetreffende indicatie uit een primaire of secundaire bron komt, of de informatiebron op zichzelf betrouwbaar is met betrekking tot de beschreven feiten en of de gevonden informatie overeenkomt met dezelfde OO-gerelateerde indicaties uit andere bronnen. Op basis van het onderzoek zal een conclusie worden getrokken of er binnen een onderzoeksgebied wel of geen verhoogde kans is op de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Bij het vaststellen van de conclusie ‘verdacht’ of ‘onverdacht’ worden enkele uitgangspunten gehanteerd. Een verhoogde kans op OO wordt geconstateerd wanneer er specifieke meldingen zijn van de aanwezigheid van munitieartikelen of wanneer Bodac B.V. een beredeneerde inschatting maakt over de aanwezigheid van oorlogshandelingen. Aan voorgenoemde constateringen wordt de conclusie ‘verdacht’ gekoppeld. Benoeming van hoofdsoort, subsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, verschijningsvorm, ontstekingsinrichtingen en aantal (afwerpmunitie) van de mogelijke OO is noodzakelijk. Daarnaast hanteert de bureaustudie een horizontale en verticale afbakening bij een verdacht verklaarde locatie.
Deze afbakeningen worden vastgesteld op basis van de ‘nadere bepalingen voor het beoordelen van bronnenmateriaal en afbakening van verdacht gebied’, behorende bij het CS-VROO. Deze nadere bepalingen, bekend onder kenmerk CS-VROO-02, stellen geen eisen aan de certificaathouder aangezien gemotiveerd van deze nadere bepalingen mag worden afgeweken. De horizontale afbakening wordt in het systeem ArcGIS Pro verwerkt, waarbij Bodac B.V. gebruik maakt van het Rijksdriehoeksstelsel (RD) als coördinatensysteem. In de rapportage dient bij het bepalen van de verticale afbakening rekening te worden gehouden met hoofdsoort, gewicht en kaliber. Daarnaast zal, voor het berekenen van de indringingsdiepte bij afgeworpen munitie, gebruik worden gemaakt van het Ontwerp Voorschrift Bepaling Indringingsdiepte Conventionele Explosieven.7 Indien er sprake is van grondroering of grondverzet in de periode 1945 tot heden, dan zal dit meegenomen worden in het contra-indicatieonderzoek. De uiteindelijke verdachte verticale afbakening zal uitgedrukt worden tot een diepte ten opzichte van NAP.
6
De gevonden indicaties zullen beoordeeld worden op de aannemelijkheid van de aanwezigheid van OO. Enkel door detectie kan de daadwerkelijke aanwezigheid van munitieartikelen vastgesteld worden. 7 Deltares, ‘Ontwerp Voorschrift Bepaling Indringingsdiepte Conventionele Explosieven’, 1210497-000, 2015.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 9 van 84
2.4
Kwalificatie onderzoeksteam
Het Historisch vooronderzoek OO en alle ArcGIS Pro werkzaamheden zijn uitgevoerd door historicus dhr. R. (Rick) Klein Gunnewiek (MA).8 Deze rapportage is in samenspraak en onder verantwoording van dhr. R. (Roy) Maas, projectleider van Bodac B.V., voltooid.
8
Dhr. Klein Gunnewiek beschikt over de expertises Historisch onderzoek en Luchtfoto-interpretatie.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 10 van 84
3 Projectscope Ter plaatse van Veghel zijn grondroerende werkzaamheden gepland, namelijk het bouwen van nieuwe woningen. Om een inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s heeft BRO B.V. aan Bodac B.V. opdracht verleend tot het uitvoeren van een Historisch vooronderzoek OO naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Zoals gecommuniceerd met de opdrachtgever, middels de door Bodac B.V. opgestelde offerte, zal deze bureaustudie het kenmerk ‘H22003’ betiteld als ‘Veghel Veghels Buiten Noordoost’ krijgen. 9
3.1
Onderzoeksgebied
Teneinde een gefundeerde uitspraak te kunnen doen omtrent de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied is door Bodac B.V. een buffer geformuleerd met een straal van 150.00 m1. Binnen deze straal worden alle voor het indicatieonderzoek relevante gebeurtenissen meegenomen in deze rapportage. Het onderzoeksgebied valt onder de gemeente Meijerijstad in de provincie Noord-Brabant. Het onderzoeksgebied is gelegen aan de oostkant van Veghel en bestaat voornamelijk uit onbebouwd gebied dat in gebruik is geweest als landbouwgrond. Voor deze rapportage zal de gemeente Meijerijstad alsook de voormalige gemeente Veghel relevant zijn. Middels kaartmateriaal is het onderzoeksgebied met buffer op de navolgende pagina in kaart gebracht (220224_H22003_OG_01).
9 Email correspondentie tussen Mevr. A. Diepen (BRO B.V.) en dhr. B. Goossens (Bodac B.V.) conform offerte met kenmerk 210920_C21314_OB_VO_01 verzonden op 20 september 2021.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 12 van 84
4 Indicatieonderzoek Het indicatieonderzoek zal op basis van primaire en secundaire bronnen vaststellen of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Alvorens deze bronnen geraadpleegd kunnen worden, zal een inventarisatie plaats moeten vinden van de eerder uitgevoerde vooronderzoeken ter plaatse van het onderzoeksgebied.
4.1
Eerder uitgevoerd onderzoek
Conform het CS-VROO dient bij aanvang van het onderzoek te worden nagegaan of er in het verleden onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van OO, en zo ja, te worden gerapporteerd op welke wijze(n) deze informatie is betrokken bij het onderzoek. Voor dit vooronderzoek is navraag gedaan bij de VEO Bommenkaart. De volgende rapportages hebben betrekking op delen van het onderzoeksgebied: Rapportages Bodac B.V. Bodac B.V., Toetsing VO CE Veghels Buiten 2015, rapportkenmerk H5008 (16-3-2015); Bodac B.V. heeft het door REASeuro uitgevoerde vooronderzoek in 2006 getoetst aan de destijds geldende regelgeving voor vooronderzoeken. Daarbij werd geadviseerd om het advies uit de rapportage van REASeuro op te volgen. Dit advies was om opsporing te laten uitvoeren.
Bodac B.V., verschillende opsporingsprojecten nabij het huidige onderzoeksgebied (tussen 2016 en 2020).
Tussen 2016 en 2020 zijn er verschillende gebieden nabij het huidige onderzoeksgebied onderzocht. Er is geen overlap met het huidige onderzoeksgebied. Daarin is bij één opsporing een Duitse 8,8 cm granaat gevonden. Rapportages Derden
REASeuro, Rapport Probleemanalyse Veghel Zuidoost, rapportkenmerk RO-060067 (18-5-2006);
REASeuro heeft in dit rapport uit 2006 hun onderzoeksgebied verdacht gemaakt op zowel Duitse als geallieerde munitie. Het onderzoeksgebied van REASeuro heeft veel overlap met het huidige onderzoeksgebied. REASeuro deelt hun onderzoeksgebieden niet middels de VEO-bommenkaart. Derhalve is dit onderzoek niet zichtbaar in het kaartmateriaal.
T&A Survey, Historisch Vooronderzoek Explosieven Aanvullende locaties GNIP Keldonk-Veghel, rapportkenmerk GPR4832.2 (7-10-2016).
T&A Survey heeft in het door hun uitgevoerde onderzoek verschillende gebieden onderzocht ten zuiden van het onderzoeksgebied. Daarbij kwam als conclusie naar voren dat deze gebieden verdacht zijn op verschoten, gegooide en gedumpte geallieerde en Duitse infanterie- en geschutmunitie. Het kaartmateriaal op de navolgende pagina schetst een beeld van de eerder uitgevoerde onderzoeken in verhouding tot het huidige onderzoeksgebied (220301_H22003_VEO_01).
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 14 van 84
4.2
Stafkaart Kadaster
Ten behoeve van het bronnenonderzoek is kennis van de toenmalige topografie ten tijde van mogelijke oorlogshandelingen noodzakelijk. Met behulp van topografische kaarten van het Kadaster en ArcGIS Pro kan de oude situatie geprojecteerd worden op de huidige locatie.10 Daarmee kunnen verdwenen toponiemen uit het huidige straatbeeld achterhaald en gebruikt worden in het brononderzoek. Op het kaartmateriaal staan diverse toponiemen beschreven, zoals: Beukelaar; Heuvel; Havelt; Blanken Kerkhof. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog viel het onderzoeksgebied onder de gemeente Veghel. Derhalve dienen de archieven van deze gemeente geraadpleegd te worden, alsmede het provinciale archief van NoordBrabant. Onderstaande afbeelding geeft de topografische stafkaart weer die werd gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog (220301_H22003_HIS_01).
10
Kadaster, Stafkaart Vechel, Holland 1:25.000, G.S.G.S. 4427 (AMS 1), First Edition 1943, sheet 18 N. E.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 16 van 84
4.3
Literatuur
Voor het indicatieonderzoek is relevante literatuur geraadpleegd. Het betreft zowel standaardwerken als eventuele specifieke lokale en regionale schriftuur. In deze literatuur kunnen indicaties gevonden worden welke herleidbaar zijn tot het onderzoeksgebied. In het chronologisch overzicht in Bijlage 2 zal de relevantie en herleidbaarheid verder onderzocht worden. De lijst met geraadpleegde literatuur, websites en alle andere geraadpleegde bronnen is te vinden in Bijlage 6.
4.4
Nationale archieven
Ten behoeve van het indicatieonderzoek zijn nationale en internationale archieven onderzocht. In de archieven is voornamelijk aandacht besteed aan documenten van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde OO, oorlogsschaderapporten, oorlogsdagboeken, gevechtsverslagen van verschillende legeronderdelen en eventuele naoorlogse werkzaamheden. Waar aanwezig zijn relevante indicaties in het indicatieonderzoek meegenomen. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken bevindt zich in Bijlage 6. 4.4.1 Gemeentelijk en provinciaal archief In het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) te Den Bosch zijn archiefstukken geraadpleegd, te weten 7699 Gemeentebestuur Veghel 1937-1969. In het BHIC zijn ook de provinciale documenten ingezien. Er zijn diverse dossiers geanalyseerd uit het archief 127 Militair Gezag in Brabant. Het Militair Gezag (MG) was het dagelijks bestuur van de in 1944 en 1945 bevrijde delen van Nederland namens de Nederlandse regering in Londen tot aan de overdracht van deze gebieden aan voorgenoemde regering. Het MG moest het door zuiveringen, collaboratie en oorlogshandelingen ontstane vacuüm in het burgerlijke gezagsapparaat opvullen. Het orgaan hield zich bezig met herstel van het land en handhaving van de veiligheid.
Onderwerpen als de luchtbeschermingsdienst, het herstellen van oorlogsschade en de explosievenopruiming vielen hier ook onder. Deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het indicatieonderzoek. 4.4.2 Nationaal Archief (NA) te Den Haag In het Nationaal Archief zijn documenten van het archief 2.04.53.15 Ministerie van Buitenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. In 1936 trad de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen in werking. Dat leidde tot de oprichting van de Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, die tot taak had de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. In 1942 verving de Duitse bezetter de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen door de Luchtbeschermingsverordening. Dit bracht de luchtbescherming sterker onder controle van de bezetter. Tot de onderwerpen die aan de orde komen behoren rapportages over luchtactiviteiten en informatie over de organisatie van de luchtbeschermingsdienst. Naast bovengenoemd archief zijn documenten van de Korps Hulpverleningsdienst onderzocht, te weten 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 1945-1974.
Op 21 juli 1947 werd de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (MMOD) enkel belast met ruimingen van militaire objecten, voorheen functioneerde dit orgaan ook in de civiele sector. Het Korps Hulpverleningsdienst was vanaf bovenstaande datum als aanspreekpunt en verantwoordelijke organisatie aangewezen voor het ruimen van explosieven in de civiele sector. Vanaf 1 januari 1948 werd zij eveneens verantwoordelijk voor militaire objecten.11 Rond 1971 werden taken, zoals het ruimen van geïmproviseerde explosieven, overgedragen aan de Explosieve Opruimingsdienst (EODD). Met het raadplegen van dit archief tracht Bodac B.V. inzicht te krijgen in mogelijke ruimingen tussen 1946 en 1971. Specifieke informatie uit de periode waarin het Korps Hulpverleningsdienst actief was, is vermoedelijk wel gedocumenteerd, maar vervolgens vernietigd of niet zodanig gearchiveerd dat deze informatie nog vindbaar is. In het archief zijn derhalve alleen krantenberichten over de werkzaamheden van het Korps geraadpleegd. Tevens is het archief 2.13.25 Archief van het Militair Gezag, (1939) 1943-1946 (1956) ingezien. Relevante indicaties over de luchtbeschermingsdienst van de vijftien secties van Nederland kunnen aanwezig zijn in deze documentatie.
Ook het 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen 1940-1941 – Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is gecontroleerd op relevante indicaties. Op 14 mei 1940 werd de zetel van de Nederlandse regering formeel in Londen gevestigd. Hiermee werd ook het ministerie van Defensie (later Oorlog) in Londen ondergebracht. 11
J. van Woensel, Vrij van Explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004), 90.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 17 van 84 Het ministerie hield zich bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Informatie met betrekking tot deze taken kunnen relevant zijn voor deze bureaustudie. Tot slot is het archief 2.13.210 Archief van de Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie- Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814) 1867-1942 geraadpleegd. De voornaamste taken van de Commissie van Proefneming waren het plannen, uitvoeren en verslag uitbrengen van de resultaten van fabricage, ontwikkelingsproeven van munitie en wapens. Daarnaast ontwikkelde en verbeterde de Commissie de beproevingmethoden en -procedures van wapens en munitie. In 1939 werd de Commissie in verband met het opheffen van de Normaal Schietschool uitgebreid en zij werd opgeheven met ingang van 15 juli 1940. 4.4.3 Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) In het Nederlands Instituut voor Militaire Historie te Den Haag is allereerst het zogenoemde bunkerarchief geraadpleegd, te weten 575 Bureau Inlichtingen/Duitse verdedigingswerken. Dit archief vermeld Duitse verdedigingswerken op nationaal niveau.
4.4.4 Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en Genocidestudies (NIOD) In het Nederlands Instituut voor Oorlog-, Holocaust- en Genocidestudies te Amsterdam zijn meerdere archieven onderzocht, zoals 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West). Toen Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart zich in mei 1940 in Nederland vestigde liet hij zich bijstaan door vier Generalkommissare met bijbehorend apparaat voor belangrijke onderdelen van het bestuur. De Generalkommissar für das Sicherheitswesen was leider van de SS-organisatie in Nederland. Het archief betreft documentatie van deze organisatie. Vervolgens is het archief 216k Departement van Justitie geraadpleegd. Behalve documenten, afkomstig van de afdeling Luchtbescherming, bevinden zich hier tevens rapporten, correspondentie van de afdelingen Politie, Marechaussee e.d. 4.4.5 Semi-Statisch Informatiebeheer (SIB) Ministerie van Defensie te Rijswijk In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog was de Mijn- en Munitie Opruimings Dienst (MMOD) verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie in Nederland. Het archief van het MMOD bevindt zich bij het Semi-Statisch Informatiebeheer van het Ministerie van Defensie in Rijswijk. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingsrapporten van Nederlandse gemeenten.
In sommige gevallen is deze informatie omtrent munitieruimingen in de naoorlogse jaren 1945-1947 eveneens aanwezig in de betreffende gemeentearchieven. Voor het huidige indicatieonderzoek is gezocht op vermeldingen van de voormalige gemeente Veghel. 4.4.6 Archief Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) Ten behoeve van het indicatie- en contra-indicatieonderzoek is het archief van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) te Soesterberg bestudeerd. In 1971 heeft de EODD de taak voor het ruimen van aangetroffen OO van de Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken overgenomen. Pas vanaf dit jaar zijn alle meldingen van aangetroffen en geruimde explosieven bijgehouden. Tot 1990 werden deze ruimingen ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s) genoemd. Tegenwoordig worden de ruimingen omschreven als ‘Werkopdrachten’ (WO’s) of ‘Uitvoeringsopdrachten’ (UO’s). Een nadeel van deze bron is de onvolledigheid van meldingen of ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 bij de EODD of het SIB. Over de periode 2010-2020 zijn de meldingen digitaal raadpleegbaar bij de EODD. Voor deze bureaustudie is gezocht op vermeldingen van de (voormalige) gemeente Veghel en de plaatsen Veghel, Erp en Mariaheide. Bodac B.V. heeft een overzicht van de EODD ontvangen van de UO’s/MORA’s binnen en rondom het onderzoeksgebied. Hierbij maakt Bodac B.V.
gebruik van een buffer van 500.00 m1, welke overigens voor elke gevonden indicatie gebruikt wordt om de relevantie te bepalen. Deze meldingen ondersteunen het indicatieonderzoek door een nauwkeuriger beeld te creëren welke oorlogshandelingen (beschietingen, grondgevechten, bombardementen) in of in de buurt van het te onderzoeken gebied hebben plaats gevonden. Zowel in de database als op de ruimrapporten zelf zijn de locatieomschrijvingen dikwijls vrij summier beschreven. Dit betekent dat de betreffende locaties meestal slechts indicatief kunnen worden ingetekend op de inventarisatiekaart in Bijlage 1. Om het verschil in nauwkeurigheid enigszins aan te geven maakt Bodac B.V. onderscheid tussen munitieruimingen op adresniveau en op straat(naam)niveau. Hierbij dient nog opgemerkt te worden dat ook een munitieruiming op adresniveau als indicatief dient te worden beschouwd, omdat de exacte locatie meestal niet is te achterhalen uit de stukken. Om de gevonden plaatsaanduidingen te www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 18 van 84 lokaliseren is gebruik gemaakt van Google Maps en ArcGIS Pro. In Bijlage 6 Overzicht geraadpleegd materiaal is een tabel opgenomen met daarin de geraadpleegde MORA’s welke relevant zijn voor het onderzoeksgebied. Deze ruimingen zijn in het kaartmateriaal op de navolgende pagina inzichtelijk gemaakt (220309_H22003_EODD_01). Binnen en rondom het onderzoeksgebied zijn veel munitieruimingen verricht door de EODD. Bij die ruimingen zijn zowel Duitse als geallieerde geschutmunitie en door infanterie gebruikte hoofdsoorten van munitie (onder meer klein kaliber munitie, handgranaten en raketmunitie) geruimd. De kalibers variëren, waarbij wel opvalt dat het grootste deel van de geruimde munitie bestaat uit rookgranaten van 25 ponder geschut. Een verklaring hiervoor is dat de 25 ponder krombaangeschut is. Granaten die door dit type geschut worden afgevuurd hebben een grotere kans om in dieper de bodem in te dringen. Eveneens valt op dat de munitieruimingen voornamelijk aan de Veghelse kant van het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd. Dit kan te maken hebben met het feit dat aan die kant van het onderzoeksgebied meer bodemroeringen hebben plaatsgevonden met de aanleg van gebouwen en infrastructuur. Het onderzoeksgebied lijkt op basis van luchtfoto’s voornamelijk te bestaan uit landbouwgrond. Hier zullen waarschijnlijk geen noemenswaardige bodemroeringen hebben plaatsgehad.
Naast het overzicht van de UO’s heeft Bodac B.V. het mijnenveldregister onderzocht. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog maakten de strijdende partijen gebruik van mijnenvelden. Het type (antitankmijn of antipersoneelsmijn) en het aantal gelegde mijnen was afhankelijk van de functie van het mijnenveld. Mijnen werden onder andere gelegd voor de verdediging en vertraging van de opmars van troepen. In de jaren direct na 1945 zijn de Duitse en geallieerde mijnenvelden geruimd, waarbij niet altijd alle geplaatste mijnen konden worden terug gevonden. Sindsdien zijn op of nabij de locaties van voormalige mijnenvelden nog sporadisch mijnen aangetroffen. In sommige gevallen werden zelfs grote aantallen mijnen gevonden, doordat de als ‘geruimd’ aangemerkte mijnen destijds niet zijn afgevoerd of vernietigd, maar ter plaatse begraven of gedumpt. De EOD beschikt over een collectie mijnenlegrapporten en mijnenruimrapporten uit de periode 1944-1947. Bodac B.V. heeft navraag gedaan of er ter plaatse van het onderzoeksgebied mijnenvelden zijn gedocumenteerd. Uit de door de EODD aangeleverde gegevens blijkt dat er geen mijnenvelden in het onderzoeksgebied waren geregistreerd.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 20 van 84
4.5
Internationale archieven
Bodac B.V. beschikt over gegevens uit internationale archieven welke, conform CS-VROO, voor dit indicatieonderzoek zijn geraadpleegd. Het betreft documenten uit het Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau, The National Archives (TNA) te Londen en The National Archives and Records Administration (NARA) te College Park (Washington D.C.). 4.5.1 Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg Ten behoeve van het indicatieonderzoek heeft Bodac B.V. onderzoek gedaan in het Militärarchiv, dat ondergebracht is in het Bundesarchiv te Freiburg am Breisgau. Dit archief beschikt over documenten van het Duitse rijk ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Archiefstukken van organisaties als de Waffen-SS, Krijgsmarine en Wehrmacht zijn beperkt bewaard gebleven. Door verschillende oorlogshandelingen zijn de documenten ernstig beschadigd. 12 Derhalve blijven slechts enkele archieven over die van betekenis kunnen zijn voor het indicatieonderzoek. Een voorbeeld is de collectie van Lageberichte, te weten RL 2-II Generalstab der Luftwaffe/Luftwaffenführungsstab en RM-7 Seekriegsleitung der Kriegsmarine. Deze dagelijkse rapporten gaven een korte beschrijving van oorlogshandelingen (voornamelijk bomafworpen) door heel Nederland voor de periode 10 mei 1940 tot 10 november 1941.
4.5.2 The National Archives (TNA) te Londen In The National Archives te Londen zijn verschillende collecties geraadpleegd voor deze bureaustudie. Allereerst beschikt Bodac B.V. over de zogenoemde ’Daily Logs’ van de 2nd Tactical Air Force (ook wel 2nd TAF genoemd). Zij was vanaf september 1944 tot en met mei 1945 actief boven het Nederlandse luchtruim. Naast de gegevens van de 2nd TAF zijn andere AIR-collecties geraadpleegd. Voorbeelden hiervan zijn het RAF Bomber Command, Coastal Command en Fighter Command. Daarnaast zijn er Operation Record Books (ORB’s) onderzocht van relevante Groups, Wings en Squadrons. Naast archieven over Geallieerde luchtstrijdkrachten beschikt TNA over zogenoemde ’War Diaries’ van Britse, Canadese en Schotse grondstrijdkrachten die ten tijde van de bevrijding van Nederland in Nederland operationeel waren. Uit de archiefstukken van de AIR- en WO-collecties kunnen gegevens gevonden worden omtrent aanvalsdoelen, gevechtshandelingen en de gehanteerde of gebruikte OO. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog maakten de Geallieerden gebruik van een specifiek coördinatensysteem genaamd Nord de Guerre. Met dit systeem werd Nederland onderverdeeld in kaartvierkanten van 1000 bij 1000 meter met elk een specifieke codering en nummering van vier cijfers. Wanneer er gebruik werd gemaakt van zes cijfers dan besloeg dit een gebied van 100 bij 100 meter.
geallieerde stafkaarten, waarin dit coördinatensysteem staat aangegeven, zijn geraadpleegd om de desbetreffende relevante kaartvierkanten voor het indicatieonderzoek te achterhalen. Voor het indicatieonderzoek is de navolgende geallieerde stafkaart gebruikt: Stafkaart Vechel, Holland 1:25.000, G.S.G.S. 4427 (AMS M831), First Edition 1943 (AMS 1), sheet 18 N.E. De volgende kaartvierkanten dekken het onderzoeksgebied af en zijn derhalve gebruikt tijdens het evalueren van de bronnen uit The National Archives (zichtbaar op de navolgende pagina):
QE4936 t/m QE4938; QE5036 t/m QE5038.
12
Bundesarchiv, ‘Militärische Unterlagen’, <https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zurBenutzung/benutzen-hinweise-militaerische-unterlagen.html> [geraadpleegd op 30 januari 2021]. Het archief geeft een uitleg over de beschadigingen: ’Die Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten. Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten. Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.’
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 22 van 84 4.5.3 The National Archives and Records Administration (NARA) te Washington D.C. Er zijn zogenoemde ‘After Action Reports’ geraadpleegd van relevante Amerikaanse grondtroepen. Deze documenten zijn, qua inhoud, enigszins vergelijkbaar met de ‘War Diaries’ van de Britten en Canadezen. Hoewel de originele ‘After Action Reports’ van de troepen die bij Veghel vochten in het NARA aanwezig zijn, heeft Bodac B.V. gebruik gemaakt van de kopieën die het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) bezit. Derhalve zal er in de bronvermelding verwezen worden naar die toegang van het BHIC.
4.6
Analyse luchtfoto’s
Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog maakten de geallieerden gebruik van uitgebreide luchtfotoanalyses om troepenbeweging te ontdekken, resultaten van bombardementen waar te nemen en nieuwe ‘targets’ e.d. te vinden. Het doel van de luchtfoto-interpretatie is – de in de geschreven bronnen gevonden – indicaties visueel inzichtelijk te maken, alsmede additionele informatie te vergaren. Met behulp van luchtopnamen is dikwijls vast te stellen of het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Sporen van kraters, beschadigde woningen, troepenverplaatsingen of stellingen (militaire vergraving) kunnen aanwijzingen zijn voor een mogelijk verdacht gebied. 4.6.1 Methodiek Conform het CS-VROO worden de meest geschikte luchtfoto’s geselecteerd voor de interpretatie van het onderzoeksgebied. Tijdens de selectie houdt Bodac B.V. rekening met: Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het te onderzoeken gebied; Dekking; Opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen; Kwaliteit fotobeeld; Schaal. Luchtfoto’s zullen, naar op basis van de data van de oorlogshandelingen, met data van vóór, ten tijde en ná de gevonden indicaties geraadpleegd worden. Ten behoeve van de luchtfoto-interpretatie zal Bodac B.V.
letten op de verschillende typen luchtfoto’s, de meest bruikbare foto’s zijn de zogenoemde ‘verticals’.13 Met behulp van beeldparen kunnen verstoringen in de foto’s geanalyseerd en gedefinieerd worden. Het programma Photoshop wordt gebruikt om de foto’s bij te snijden en grijswaarden toe te passen. Door middel van het georeferentie systeem ArcGIS Pro kunnen mogelijke indicaties op de juiste locatie gepositioneerd worden.14 Niet alleen de selectie van foto’s kan invloed hebben op de luchtfotoanalyse. Een luchtfoto blijft een momentopname van de situatie van het onderzoeksgebied ten tijde van fotograferen. Niet alleen kunnen wolken, bebouwing, schaduwwerkingen, groei van planten of water hinderlijk zijn tijdens de luchtfotointerpretatie. Ook herstelwerkzaamheden of camouflage kunnen een vertekend beeld geven van mogelijke oorlogshandelingen. Tijdens de luchtfotoanalyse maakt Bodac B.V. een classificatie van objecten welke relevant kunnen zijn voor het indicatieonderzoek. Drie termen zullen de validiteit van een object of verstoring bepalen. Het begrip ‘bevestigd’ wordt ingezet wanneer de betrouwbaarheid grenst aan zekerheid, waarbij de waarneming met een tweede bron bevestigd kan worden. Het begrip ‘waarschijnlijk’ zal ingezet worden wanneer er een overwegende zekerheid bestaat over de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto.
Als er een overwegende onzekerheid bestaat over de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto, dan zal de term ‘mogelijk’ gebruikt worden. Indien een object met de betrouwbaarheid ‘mogelijk’ invloed heeft op de afbakening van een verdacht gebied, streeft Bodac B.V. ernaar om aanvullende bronnen te raadplegen.15 Tot slot maakt Bodac B.V. gebruik van een bedrijfsspecifieke GIS-codering betreffende het indicatieonderzoek van bronnenmateriaal en de luchtfotoanalyse. Met behulp van deze codering wordt getracht een koppeling te maken tussen de verschillende indicaties die zijn voortgekomen uit het vooronderzoek en het kaartmateriaal wat alles visueel inzichtelijk maakt. Indien relevante indicaties 13
De kwaliteit van de luchtfotoanalyse heeft onder andere te maken met de opnamehoek en opnamehoogte van de foto’s. Vanwege verschillende aspecten (kwaliteit luchtfoto, opnamehoek, brandpunt, snelheid vliegtuig en de beschikbare georeferentie punten) treedt er tijdens de georeferentie van luchtfoto’s een afwijking van vijf tot tien meter op. In dit indicatieonderzoek wordt een tolerantie gehanteerd van tien meter. 15 Het object met betrouwbaarheid ‘mogelijk’ zal door Bodac B.V. geverifieerd worden met behulp van andere luchtfoto’s met verschillende data. Daarnaast zal getracht worden om aanvullende indicaties uit het literatuur- en archiefonderzoek te vinden. 14
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 23 van 84 geografisch ingetekend kunnen worden, zal de GIS-code in Bijlage 2 beschreven worden. Er wordt bij het optekenen van de GIS-codering rekening gehouden met het verschil tussen indicaties afkomstig uit literatuur en archiefmateriaal, alsmede indicaties afkomstig uit de luchtfotoanalyse. Wanneer indicaties afkomstig zijn vanuit literatuur of archiefmateriaal wordt de GIS-codering gekoppeld aan de letter ‘A’ (archief). Voor indicaties afkomstig uit de luchtfotoanalyse wordt de letter ‘L’ (luchtfoto) gehanteerd. Wanneer indicaties in beide bronnen voorkomen worden beide letters genoteerd. In de paragraaf 4.7 Conclusie indicatieonderzoek is een tabel opgenomen met daarin alle indicaties die als relevant voor het onderzoeksgebied zijn bestempeld. 4.6.2 Selectie beeldmateriaal Voor dit indicatieonderzoek heeft Bodac B.V. een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtfoto’s in nationale en internationale archieven. In Nederland bestaan momenteel twee archieven die samen een vrij complete collectie beheren van relevantie luchtopnamen die gemaakt zijn door zowel Britse als de Amerikaanse luchtmacht. Een deel van deze collecties bevindt zich in de afdeling Speciale Collecties, Bibliotheek Wageningen University (WUR) te Wageningen. Het andere deel beheert het Kadaster GEOInformatie (KAD) te Zwolle.
De luchtfoto’s uit beide archieven kunnen geleverd worden door de site www.dotkadata.nl. Naast de verplichte Nederlandse archieven beschikken ook internationale archieven over luchtfoto’s van Nederland. Bodac B.V. heeft ook de luchtfotocollecties van The National Collection of Aerial Photography (NCAP) te Edinburgh geraadpleegd. In Bijlage 6 wordt een overzicht gegeven van de geselecteerde en geanalyseerde luchtfoto’s. In Bijlage 2 worden de resultaten van de luchtfotoanalyse gepresenteerd in vergelijking met de indicatietabel.
4.7
Conclusie indicatieonderzoek
Uit het indicatieonderzoek is gebleken dat er relevante en herleidbare indicaties zijn gevonden in de literatuur, archiefstukken en/of de luchtfotoanalyse. In Bijlage 2 is een overzicht in chronologische tabelvorm gegeven van de bevindingen uit het indicatieonderzoek. Van sommige indicaties is het niet mogelijk gebleken een exacte locatie vast te stellen. Deze zijn omwille van het historisch overzicht en/of relevantie wel opgenomen in het overzicht. Wanneer een gebeurtenis buiten de buffer van het onderzoeksgebied heeft plaatsgevonden, of als de precieze locatie niet bekend is, dan wordt dit vermeld. In het overzicht wordt tevens vermeld of een gebeurtenis als relevant of niet relevant kan worden beschouwd voor het onderzoeksgebied. Middels een GIS-codering worden de indicaties uit de indicatietabel, welke zichtbaar zijn in luchtopnamen, gekoppeld aan de luchtfototabel. Al aan het begin van de oorlog is Veghel het strijdtoneel van gevechten tussen Nederlandse en Duitse troepen. Deze gevechten beperken zich echter tot de omgeving van de Zuid-Willemsvaart waar de Nederlandse troepen stelling nemen. Er zijn geen indicaties dat het onderzoeksgebied in deze periode betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Ook de luchtoorlog die boven Nederland werd uitgevoerd gaat niet aan Veghel voorbij.
Uit de literatuur en de bronnen blijkt dat er op meerdere momenten tijdens de oorlog bommen rond Veghel afgeworpen zijn en dat er op verschillende plaatsen in en rond Veghel vliegtuigen zijn neergestort. Een groot deel hiervan is niet te herleiden tot het onderzoeksgebied. Indicaties die mogelijk tot het onderzoeksgebied te herleiden zijn, zijn op basis van de bekende informatie niet meer relevant. Het gaat dan bijvoorbeeld om vliegtuigen die niet in de bodem zijn ingedrongen en geen bommenlast meer bij zich hadden. Bij de grote luchtlandingen van operatie Market Garden, die op 17 september 1944 van start gingen, werden twee landingszones aan de westkant van Veghel gekozen om parachutisten af te werpen (zie hieronder Figuur 1). Het doel van deze Amerikaanse parachutisten van de 101st Airborne Division was om de bruggen bij Veghel over de Zuid-Willemsvaart en de Aa veilig te stellen. Het lukt deze parachutisten om Veghel te bevrijden en de bruggen veilig te stellen. Toch wordt de druk van de Duitsers op Veghel in de daaropvolgende dagen steeds groter. Verschillende malen wordt geprobeerd Veghel te hernemen en de bruggen te vernietigen, om zo de opmars die vanuit België was gestart met als einddoel de Rijnbruggen bij Arnhem te stuiten.
Op 21 september 1944 wordt door het Duitse opperbevel besloten om met onder meer de nieuw gevormde Kampfgruppe Walther te proberen de vrij smalle corridor bij Veghel te doorbreken en te proberen de bruggen bij Veghel te vernielen. In de ochtend van 22 september wordt vanuit de kant van Erp een gecombineerde aanval van tanks, infanterie en artillerie ingezet op Veghel. De Kampfgruppe Walther nadert en start daarbij www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 25 van 84 4.7.1
Beeldmateriaal
Figuur 1: Dropzones van de Amerikaanse parachutisten ten westen van Veghel. Bron: F. Govers, Corridor naar het verleden. Veghel een snijpunt in Oost-Brabant 1940-1945 (De Kempen 1983).
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 26 van 84
Figuur 2: Kaart van de troepenbeweging van de Duitsers op 22 september 1944 bij de aanval op Veghel. Bron: J. Didden en M. Swarts, Kampfgruppe Walther, and Panzerbrigade 107 a thorn in the side of Market Garden (Drunen 2016).
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 27 van 84
Figuur 3: De tegenaanval van 23 september 1944 door de geallieerden. Bron: J. Didden en M. Swarts, Kampfgruppe Walther, and Panzerbrigade 107 a thorn in the side of Market Garden (Drunen 2016).
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 28 van 84
5 Contra-indicatieonderzoek Na de Tweede Wereldoorlog kunnen binnen het onderzoeksgebied grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden die de kans op de aanwezigheid van OO kunnen beïnvloeden. Werkzaamheden als ontgravingen, aanleg van wegen, het planten van bomen en/of de bouw van woningen kunnen van belang zijn bij de conclusie van het indicatieonderzoek (zie Paragraaf 4.7). Daarnaast mag geconcludeerd worden dat wanneer er eventuele munitieartikelen zijn aangetroffen, hier een melding van gemaakt is. Naast deze grondwerkzaamheden vallen ook opsporingswerkzaamheden, door de EODD of haar voorgangers en civiele opsporingsbedrijven, eveneens onder het contra-indicatieonderzoek.
5.1
Beeldvergelijking
Met behulp van recente satellietbeelden via ArcGIS Pro maakt Bodac B.V. allereerst een beeldvergelijking met de luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog. Zo kan (enigszins) bepaald worden waar de bodem geroerd is. Het kaartmateriaal op de navolgende pagina toont de beeldvergelijking (220301_H22003_BV_01). Wanneer de beelden van het onderzoeksgebied ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en nu vergeleken worden, is te zien dat er weinig veranderingen zijn. Hoewel bepaalde perceellijnen zijn verlegd, is het overgrote deel van het gebied nog steeds onbebouwd. Waarschijnlijk is de bodem in het onderzoeksgebied alleen voor agrarische doeleinden geroerd en zullen grotere bodemingrepen niet hebben plaatsgevonden. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de eventueel aan te treffen OO nog in de bodem aanwezig kunnen zijn en nog niet zijn weggenomen. Op vier verschillende locaties binnen het onderzoeksgebied is wel sprake van bebouwing. Drie van deze locaties bestaan uit bebouwing in de vorm van huizen. Deze locaties vallen buiten het ontwerp en zijn derhalve voor de vervolgwerkzaamheden niet van belang. De vierde locatie betreft een kassencomplex. Op deze locatie staan wel werkzaamheden gepland. Mogelijk is de bodem hier al geroerd tot de verdachte diepte. Dit zal echter situationeel bepaald moeten worden.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 30 van 84
5.2
Conclusie contra-indicatieonderzoek
Uit het contra-indicatieonderzoek blijkt dat er weinig relevante naoorlogse grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen het onderzoeksgebied. Deze veranderingen zijn van invloed op de conclusie van het indicatieonderzoek en de uiteindelijke horizontale afbakening (zie Paragraaf 6.2 voor uitleg). Daar waar daadwerkelijk graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden kan redelijkerwijs worden aangenomen dat OO destijds zijn opgemerkt en weggenomen. Het grootste deel van het onderzoeksgebied is sinds de Tweede Wereldoorlog onbebouwd gebleven. Hier zal dan ook geen verandering van het verdachte gebied optreden en blijft het advies om waar werkzaamheden plaatsvinden opsporing te laten uitvoeren. Op vier verschillende plekken binnen het onderzoeksgebied is wel sprake van bebouwing in de vorm van huizen en een kassencomplex. Deze bebouwing is echter verspreid. Het kan zijn dat de bodem op die locaties al is afgegraven tot de verdachte dieptes. Dit zal echter situationeel bepaald moeten worden. Op basis van de door BRO B.V. aangeleverde tekeningen blijkt dat op de plekken waar al bebouwing staat in de vorm van huizen geen werkzaamheden zullen plaatsvinden. Derhalve zijn deze niet van belang voor verder onderzoek. Voor de locatie van het kassencomplex staan wel werkzaamheden gepland.
Mogelijk kan een risicoanalyse, waarbij onderzoek wordt gedaan naar de naoorlogse ontwikkelingen binnen een gebied, voor deze locatie een deel van het verdachte gebied verkleinen.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 32 van 84 -
10,5 cm (brisant)
Tabel 2: Overzicht van de mogelijk aan te treffen OO in het onderzoeksgebied.
6.2
Horizontale afbakening
Bij de horizontale afbakening van het verdachte gebied is Bijlage 2a van het CS-VROO als uitgangspunt gehanteerd. De indicaties uit Bijlage 2, de conclusie van het indicatieonderzoek (Paragraaf 4.7) en de conclusie van het contra-indicatieonderzoek (Paragraaf 5.2) zijn als uitgangspunten gebruikt voor de horizontale afbakening van het op OO verdacht verklaarde gebied. Artilleriebeschieting | Uit het literatuur- en archiefonderzoek en de ruimingen van de EODD blijkt dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen (onder andere) met geschutmunitie. In het CS-VROO wordt het volgende vermeld voor artilleriebeschietingen: Beschieting door grondgebonden geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudige) raketwerpsystemen of beschieting door scheepsgeschut. Op basis van de gegevens die bekend zijn uit het literatuur- en archiefonderzoek en de gegevens van de munitieruimingen van de EODD, blijkt dat de omgeving van het onderzoeksgebied te maken heeft gehad met een breed scala aan kalibers die mogelijk aangetroffen kunnen worden van de gevechten op 22 en 23 september 1944. De Duitse artillerie heeft vanaf Erp de geallieerden met artillerievuur bestookt. Daarnaast is er een gecombineerde aanval van infanterie en tanks uitgevoerd op de oostkant van Veghel.
De geallieerden hebben zich in de omgeving van het onderzoeksgebied met hetzelfde materiaal (artillerie, tanks en infanterie) verdedigd tegen deze aanval. Er is daarom zowel Duitse als geallieerde geschutmunitie gevonden bij het onderzoeksgebied. Omdat de artillerie-eenheden die meevochten aan geallieerde zijde bestond uit flarden van troepen die toevallig op het moment van de doorbraak van de corridor aanwezig waren in Veghel, is er geen duidelijk vuurplan, en is er ook weinig terug te vinden in de ‘War Diaries’ van deze eenheden. Ondanks die leemte in kennis, laten de munitieruimingen zien dat er veel 25 ponder munitie is gevonden en het gebied beschoten moet zijn door de aanwezige eenheden. Ook zijn er verschillende kalibers mortieren aangetroffen bij het onderzoeksgebied, van zowel Duitse als geallieerde komaf, die door de infanterie-eenheden is afgevuurd. Ook zijn van beide kanten tanks en anti-tankgeschut ingezet bij het onderzoeksgebied. Zo maakten de Amerikanen gebruik van 57 mm anti-tankgeschut, zijn er veel 75 mm granaten geruimd door de EODD en is er tijdens een opsporing nabij het onderzoeksgebied door Bodac B.V. een 8,8 cm granaat gevonden. Op basis van de genoemde gebruikte kalibers en de gevonden en geruimde munitie rondom het onderzoeksgebied is het onderzoeksgebied ‘verdacht’ op de aanwezigheid van de hierboven genoemde geschutmunitie.
Infanteriemunitie | Uit het literatuur- en archiefonderzoek en de ruimingen van de EODD blijkt dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij grondgevechten tussen infanterie-eenheden. Volgens het CSVROO is een eenduidige afbakening van grondgevechten niet mogelijk en moet deze situationeel bepaald worden. Gezien de grote inzet van infanterie-eenheden in en rondom het onderzoeksgebied die de beschikking hadden over onder meer handgranaten, geweergranaten en raketmunitie, gekoppeld aan de ruimingen van onder meer klein kaliber munitie, handgranaten en raketmunitie gebruikt door infanterietroepen is er in dit geval gekozen om het gehele onderzoeksgebied ‘verdacht’ te maken op infanteriemunitie.
6.3
Verticale afbakening
De verticale afbakening van het verdachte gebied is afhankelijk van de verschijningsvormen welke in het onderzoeksgebied zijn geconstateerd. Bij het bepalen van de verticale afbakening dient rekening te worden gehouden met verschillende factoren, zoals bodemgesteldheid, bodemweerstand, vorm en diameter van de OO. Voor het merendeel van de (verschoten/weggeslingerde) munitieartikelen zijn gegevens, zoals de verwachte snelheid en inslaghoek, niet gevonden in het archiefonderzoek. Daarnaast heeft de maaiveldhoogte ten tijde van de Tweede Wereldoorlog invloed op de uiteindelijke verticale afbakening. Ten tijde van de oorlog lag de maaiveldhoogte tussen 9.00 m¹ + NAP en 10.00 m¹ + NAP.18 Tegenwoordig ligt de 18
Kadaster, ’Topotijdreis: meer dan 200 jaar topografie’ <https://www.topotijdreis.nl/> [Geraadpleegd op: 9-3-2022].
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 34 van 84
6.4
Advies en vervolgstappen
Het onderzoeksgebied kwalificeert Bodac B.V. op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als verdacht op de (mogelijke) aanwezigheid van OO. Daar waar het verdachte gebied en het onderzoeksgebied elkaar overlappen (het opsporingsgebied) adviseren wij de opdrachtgever om het opsporingsproces voort te zetten. Indien alleen grond wordt aangebracht, waarbij geen beroering of afgraving van de bodem plaatsvindt, kan worden overwogen om de bodem voorafgaand aan de (grond)werkzaamheden niet nader te onderzoeken op de aanwezigheid van OO. Bij aan- en afvoer van grond zal echter vaak gebruik worden gemaakt van zware machines. De druk en trilling die door deze machines op de bovengrond wordt uitgeoefend kan mogelijk leiden tot het in werking treden van OO die (net) onder het maaiveld liggen. Het is derhalve aan te bevelen de bodem voorafgaand aan deze werkzaamheden toch te laten onderzoeken op de aanwezigheid van munitieartikelen. Daar waar enkel graafwerkzaamheden plaatsvinden binnen de contouren van reeds naoorlogs vergraven tracés van bijvoorbeeld rioleringssleuven kan redelijkerwijs worden aangenomen dat OO destijds zijn opgemerkt en weggenomen. Deze aanname is echter geen wetmatigheid.
Het is derhalve raadzaam voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een protocol op te stellen met betrekking tot de handelswijze bij het incidenteel aantreffen van OO uit de Tweede Wereldoorlog. Ook voor gebieden welke als ‘onverdacht’ verklaard zijn kan gebruik worden gemaakt van dit protocol. Bodac B.V. heeft reeds een Protocol Toevalstreffer voor u opgezet (te vinden in Bijlage 7). Om de risico’s van de aanwezigheid van OO in relatie tot het toekomstige gebruik c.q. de toekomstige functie van het projectgebied in kaart te brengen kan de opdrachtgever besluiten tot het laten uitvoeren van een risicoanalyse (RA) op locaties waar reeds naoorlogse bodemroeringen hebben plaatsgevonden, in dit specifieke geval het kassencomplex In de RA worden de risico’s beoordeeld dat OO ongewenst tot uitwerking komen ten gevolge van de geplande grondroerende werkzaamheden en wat de uitwerkingsfactoren daarvan kunnen zijn. Op basis van de risicobeoordeling kan de noodzaak tot het uitvoeren van detectiewerkzaamheden worden bepaald, hetgeen kan leiden tot een beperking van het te detecteren gebied. Voor het onbebouwde deel van het onderzoeksgebied geldt dat geadviseerd wordt direct over te gaan tot opsporing. Bodac B.V. kan deze werkzaamheden voor u uitvoeren.
www.bodac.nl Historisch vooronderzoek OO - Veghel Veghels Buiten Noordoost
Pagina 35 van 84
7 Leemten in kennis Het is uiteraard altijd mogelijk dat bepaalde oorlogshandelingen niet zijn beschreven, gearchiveerd of in de tijd verloren zijn gegaan, waardoor deze in het heden niet als feitenmateriaal terug te vinden zijn.
Niet alle gebeurtenissen konden tot een exacte locatie worden herleid; De gebruikte luchtfoto van 19-9-1944 is enige dagen voor de gevechten rond het onderzoeksgebied genomen. Er bleken echter geen geschikte luchtfoto’s van een latere datum beschikbaar; Er is slechts zeer beperkt informatie beschikbaar m.b.t. munitieruimingen gedurende de periode 19471971; De ligplaatsen van gemelde en geruimde OO konden niet allemaal achterhaald worden; Niet alle boven Nederland uitgevoerde bombardementen zijn nauwkeurig geregistreerd; Luchtfoto’s geven een momentopname weer van een situatie die op een eerder of later tijdstip geheel anders zou kunnen zijn.