CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

1. OntwerpBP Hezelstraat-Den Uil Erp

Raadsvergadering 17 februari 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Hezelstraat/Den Uil' Erp26.128 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Hezelstraat/Den Uil, Erp

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Betreffende

Hezelstraat/Den Uil, Erp

Planstatus

ontwerp

Projectnummer

NL.IMRO.1948.ERP000BP0022021P-ON01

Datum

6 september 2021

Bestemmingsplan Hezelstraat/ Den Uil, Erp Gemeente Meierijstad Ontwerp

Rapportnummer:

P03434_1

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1948.ERP000BP0022021P-ON01

Datum:

6 september 2021

Opdrachtgever:

Versteegden Vastgoed BV

Projectteam BRO:

JRi, MvDn

Concept:

november 2020

Voorontwerp:

april 2021

Ontwerp:

juli 2021, september 2021

Vaststelling: Bron foto kaft:

Gemeente Meierijstad

Beknopte inhoud:

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Hoofdstuk 6

50

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 4 5 6

2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling

7 7 7

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

12 12

3.1.1 Nationale omgevingsvisie 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

12 13 13 14 16

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 M.e.r.-aanmeldingsnotitie 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Flora en fauna 4.4 Water 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Hoogspanningslijnen 4.13 Spuitzones gewasbescherming 4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.15 Verkeer en parkeren

Inhoudsopgave

21 21 21 26 28 31 32 32 36 37 38 39 41 41 42 42

1

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

44 44 44 46

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48 48 48

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Vaststellingsprocedure

48 48

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Indicatieve verkaveling Hezelstraat Bijlage 2: Beeldkwaliteitplan Bijlage 3: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 4: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Waterparagraaf Bijlage 7: Bodemrapportage Bijlage 8: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 9: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en besluit Hogere Waarde Bijlage 10: Stikstofonderzoek

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om acht grondgebonden levensloopbestendige seniorenwoningen te realiseren op het perceel gelegen tussen Hezelstraat 11 en 23 en tussen Den Uil 34 en 46 te Erp, welke kadastraal bekend staat als ERP00 – E – 1379. Met de ontwikkeling op dit terrein ontstaat tevens de mogelijkheid om aan de oostzijde van de Hezelstraat een stoep aan te leggen. Die ontbreekt op dit stuk en vanuit verkeersveiligheid is het gewenst dat deze er komt. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2.370 m2. Het plangebied is momenteel een braakliggend terrein aan een bebouwingslint in de kern Erp. Figuur 1.1 toon de ligging van het plangebied aan de Hezelstraat/ Den Uil.

Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (bron: Ruimtelijkeplannen.nl).

Binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Erp’, vastgesteld op 23 mei 2013 door de voormalige gemeente Veghel, heeft de locatie weliswaar een woonbestemming, maar is geen bouwvlak voor woningen opgenomen. Het planvoornemen om 8 grondgebonden levensloopbestendige seniorenwoningen te realiseren is dus in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om de realisatie van de woningen juridisch planologisch mogelijk te maken dient het bestemmingsplan herzien te worden. Er dient een bestemmingsplan in procedure gebracht te worden, waarin aangetoond wordt dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is en dat er sprake is van een goede ruimtelijk ordening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 1

3

1.2 Plangebied Het plangebied ligt aan de Hezelstraat en Den Uil in de kern Erp, gemeente Meierijstad. De directe omgeving wordt voornamelijk omgeven door vrijstaande-, twee-onder-een-kap- en rijwoningen, tevens zijn in de omgeving ook enkele voorzieningen, zoals horeca en een sportpark gevestigd. De locatie maakt onderdeel uit van het perceel dat momenteel nog kadastraal bekend staat als ERP00 – E – 1379 en wat een oppervlakte heeft van ca. 3.620 m2. Op dit perceel, aan de zuidzijde, zijn rijksmonumenten aanwezig. Het betreft een woonhuis met bedrijfsruimten en een vrijstaande kerverij, paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie gaat hier verder op in. Voor het onderliggende planvoornemen wordt de noordzijde van het perceel gebruikt, welke momenteel bestaat uit braakliggend terrein. Het plangebied waar voorliggend bestemmingsplan betrekking op heeft, heeft een totale oppervlakte 2.370 m2. De ligging van het perceel en de globale ligging en begrenzing van het plangebied staan weergegeven in figuur 1.2. De exacte begrenzing van het plangebied volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Figuur 1.2 Globale ligging en begrenzing plangebied in luchtfoto en kadastrale kaart (bron: Google Maps, kadastralekaart.com). 4

Hoofdstuk 1

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Erp’, vastgesteld op 23 mei 2013 door de voormalige gemeente Veghel het geldende planologisch-juridisch kader. Het plangebied heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’ met de bouwaanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’. Een klein gedeelte in het zuidwestelijke deel van het plangebied kent de bestemming ‘Wonen’ met de functieaanduiding ‘erf’. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’.

Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Tevens geldt ter plaatse het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019, door de gemeente Meierijstad. Met dit bestemmingsplan wordt het gemeentelijk parkeerbeleid op eenduidige wijze verankert in alle bestemmingsplannen van gemeente Meierijstad. Op grond van het geldende bestemmingsplan is de ontwikkeling van de woningbouw niet mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de regels van het vigerend bestemmingsplan. Derhalve dient het bestemmingsplan te worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 1

5

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: één verbeelding (plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de voorschriften voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Achtereenvolgens is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied en de toekomstige ruimtelijk-functionele invulling van het gebied. Vervolgens is ingegaan op de beleidsinkadering, de milieu- en overige aspecten, sectorale onderzoeks- en analyseresultaten, economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Rapportages van uitgevoerde sectorale omgevingsonderzoeken (zoals akoestisch onderzoek, bodemonderzoek, flora en fauna-onderzoek e.d.) zijn als separate bijlagen bij deze toelichting gevoegd.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit een braakliggend terrein. Het plangebied is gelegen aan de Hezelstraat en Den Uil in de kern Erp ten zuidoosten van het centraal gelegen Hertog Janplein en de kerk. De Hezelstraat is een belangrijke doorgaande weg in het dorp. Deze weg maakt onderdeel uit van de N616, waaraan in 2019 wegwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Bij de werkzaamheden is de weg verbreed en is er voorzien in een geluidsarmer wegdek. Ter hoogte van het plangebied is het totale profiel echter te smal om aan weerszijden van de weg een stoep te kunnen maken. In de omgeving van het plangebied zijn zowel woningen als een klein bedrijf en café gevestigd. Het betreft een kapper met een volgens de VNG bijbehorende milieucategorie 1 en een café met milieucategorie 1, met de bijbehorende richtafstand van 10 meter tot rustige woonwijk en 0 meter tot gemengd gebied. Aan deze richtafstanden worden voldaan. Omliggende bedrijven vormen geen belemmering voor het planvoornemen, paragraaf 4.7 gaat hier verder op in. Figuur 2.1 geeft een impressie van het plangebied in de huidige situatie.

Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied (bron: BRO)

2.2 Voorgestane ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens acht levensloopbestendige- / seniorenwoningen te ontwikkelen binnen het plangebied met een oppervlakte van circa 2.370 m2. De acht woningen betreffen zes twee-ondereen-kapwoningen en twee vrijstaande woningen. Levensloopbestendige woningen zijn woningen die het mogelijk maken om er zo lang mogelijk in te blijven wonen. Op de begane grond is er een volledig woningbouwprogramma met maximaal een extra slaapkamer op verdieping. De woningen zijn zo gebouwd dat de bewoners erin kunnen blijven wonen als hun levensomstandigheden veranderen, bijvoorbeeld door ouderdom, ziekte of een handicap.

Hoofdstuk 2

7

Met de woningbouw wordt de open plek in het bebouwingslint van de Hezelstraat – Kerkstraat en dat van Den Uil – De Wasaa – Schildstraat opgevuld. Aan de Hezelstraat wordt de heersende rooilijn doorgezet en in deze rooilijn zijn ter plaatse van het plangebied een tweekapper en een vrijstaande woning beoogd. Aan Den Uil is ruimte om op een evenwichtige manier 2 tweekappers en 1 vrijstaande woning in te passen. De bouwmassa’s sluiten aan op het heersende bebouwingsbeeld en zullen met oog voor het historische karakter worden vormgegeven. De bebouwing is qua oriëntatie, situering, gevelbreedte en bouwvolume afgestemd op de bebouwingskarakteristiek in het dorpse bebouwingslint. Er is daarom gekozen voor een relatief lage goot- en bouwhoogte (3,5, respectievelijk 8 meter), waarbij het toepassen van kenmerkende mansardekappen of zadeldaken mogelijk is. Met de plannen is gezorgd voor duidelijke voorkanten aan de straatzijde en het vermijden van te grote afwijkingen van de gangbare rooilijnen. Qua gevelbreedtes, -hoogtes en materiaalkeuzes is aangesloten op de dorpse bebouwingskarakteristiek. Bij 7 woningen worden er 2 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein en bij één woning worden er 3 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. In het noordoosten van het plangebied worden nog eens 3 openbare parkeerplaatsen aangelegd. In totaal worden er 20 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Na de realisatie van de woningen blijft er ruimte over op het zuiden van het perceel voor het verbreden van de Hezelstraat en ter plaatse een stoepstrook aan te leggen zoals dit ten noorden van de planlocatie ook gedaan is. Figuur 2.2 toont het ontwerp van het planvoornemen. De stedenbouwkundige invulling is besproken met welstand. Het ontwerp is tevens opgenomen als bijlage bij deze toelichting. De woningen worden gebouwd als levensloopbestendige- / seniorenwoningen. Dit uit zich in een volledig woonprogramma op de begane grond met maximaal een slaapkamer op de verdieping en een relatief lage bouwhoogte (1 bouwlaag met een kap). Voor iedere woning is op de begane grond een slaapkamer en badkamer voorzien. Het voetpad tussen de nieuw te ontwikkelen woningen en de Hezelstraat 23 wordt openbaar om de koppeling te maken met het sportpark en de Aa. Er is een beplantingsplan opgesteld waarvan de uitvoering als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.2 Ontwerp perceelindeling (bron: van Houtum Architecten)

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.3 Geveltekeningen type A (bron: van Houtum architecten)

Figuur 2.4 Geveltekeningen type B en C, indicatief (bron: van Houtum architecten)

Beeldkwaliteit De gemeente verplicht een beeldkwaliteitplan bij een ontwikkeling van meer dan twee woningen, derhalve is voor deze locatie een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hieronder worden enkele belangrijke uitgangspunten benoemd binnen het beeldkwaliteitsplan. In de bijlagen is het beeldkwaliteitsplan opgenomen voor een volledige weergave van het stedenbouwkundig programma en de criteria die hierbij horen. Het beeldkwaliteitplan fungeert als inspiratiebron, maar ook als leidraad en toetsingskader voor de beoordelingen van omgevingsvergunningen en de welstandsbeoordeling. Het streven is dat de beoogde ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en openbare ruimte tot uitdrukking komt. Het beoogde beeld is dat de nieuwe ontwikkeling aansluit bij de directe omgeving. Om te komen tot het beoogde ruimtelijkeen beeldkwaliteit zijn de volgende uitgangspunten bepalend:  aansluiten bij bestaande ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur;  aansluiten op dorpse bebouwingskarakteristiek;  rekening houden met cultuurhistorische waarden;  verbeteren van de verkeerssituatie door verbreding van de Hezelstraat door middel van een stoepstrook. Ruimtelijke stedenbouwkundige structuur Binnen het beeldkwaliteitsplan wordt de bebouwing op de bestaande straatzijde georiënteerd, hierbij dient de rooilijn van de bebouwing uit de omgeving overgenomen te worden.

Duidelijke voorkanten aan de straatzijde zijn van belang. Daarnaast is het wenselijk dat het ‘gat’ in de bebouwingswand wordt opgevuld. De bebouwing dient qua oriëntatie, situering, gevelbreedte en bouwvolume afgestemd te zijn op de bebouwingskarakteristiek uit de omgeving. De bouwmassa’s dienen met oog voor het historische karakter worden vormgegeven. Bouwmassa De woningen zullen bestaan uit een bouwlaag met kap, zie de geveltekeningen in figuur 2.3 en 2.4. Door de relatief lage goot- en bouwhoogte is het mogelijk een mansardekap toe te passen, daarnaast zou een zadeldak ook van toepassing kunnen zijn. De kaprichting is realiseerbaar evenwijdig aan de

Hoofdstuk 2

10

straat, bij stedenbouwkundige aanleiding is draaiing of combinatie van kapvorm toegestaan. Een aanbouw aan de voorzijde, zoals een erker of entreepartij is uitgesloten. Dakkapellen zijn daarentegen wel toegestaan. De bijgebouwen/garages dienen achter de voorgevel van het hoofdvolume te worden geplaatst. Afstand tot perceelsgrenzen De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient bij vrijstaande woningen aan één zijde minimaal 3 meter, en aan de andere zijde minimaal 1 meter te bedragen. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient bij tweekappers aan één zijde minimaal 3 meter te bedragen. Aankleding buitenruimte en erfafscheiding De inrichting van de buitenruimte bij de te realiseren woningen moeten aansluiten bij het dorpse karakter. Er wordt gebruik gemaakt van eenvoudige dorpse materialen zoals klinkers, bomen en gras. Hagen vormen de zichtbare erfafscheidingen vanuit de openbare ruimte. De voorste perceelsgrens wordt eveneens begrenst door een (lage) haag. In het beplantingsplan, wat is opgenomen als bijlage bij de bestemmingsregels is opgenomen dat de erfafscheidingen zullen bestaan uit een 100% gewone beuk - Fagus sylvatica, met eivormige heldergroene bladeren welke snoei goed verdraagt. De roodbruine herfstbladeren blijven tot in het voorjaar (mei) aan de plant hangen, waardoor de haag ook in de winter voor afscherming/begeleiding zorgt.

Cultuurhistorische waarden Er moet een kwalitatieve overgang van de ontwikkeling naar het rijksmonument gerealiseerd worden. Dit kan door ruimte rondom het perceel vrij te houden en kwalitatief in te richten met bijvoorbeeld gras en bomen in combinatie met een voetpad. Verkeerssituatie De verkeerssituatie moet verbeterd worden, het plan biedt ruimte voor het aanleggen van een trottoir. Van belang is dat het profiel en materialisering aansluit op het dat verderop in de Hezelstraat ook is toegepast. Het aanleggen van nieuwe rijwegen is niet wenselijk. Er dienen voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd te worden, openbare parkeerplaatsen moeten qua materiaal aansluiten op de bestaande bestrating.

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke op 11 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd is. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn:  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;  Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is.

Hoofdstuk 3

12

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Het plan aan de Hezelstraat voorziet in de realisatie van 8 seniorenwoningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Op basis van geldende jurisprudentie geldt dat in het geval van woningbouwlocaties sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het plan voorziet met 8 woningen dan ook niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. Een toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

13

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Duurzame verstedelijking De toenemende verschillen binnen Brabant maken het des te belangrijker om op het niveau van het daily urban system goed samen te werken en keuzes te maken. Het daily urban system is het gebied waarin een inwoner zich dagelijks verplaatst vanwege werk, voorzieningen en sociale contacten. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag.

Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw! De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dat betekent dat we komende 10 jaar dé kans hebben om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. De provincie brengt met haar partners de transformatiepotenties in beeld en onderzoeken gezamenlijk hoe deze opgaven kunnen worden aangepakt. Er wordt bijgedragen aan de realisering van grote, complexe transformatieopgaven. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen worden er nieuwe woningen gerealiseerd op een braakliggend terrein. Er is derhalve sprake van een inbreidingsopgave binnen het bestaand stedelijk gebied. Er worden nieuwe woningen gerealiseerd, er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is op 1 maart 2020 geconsolideerd.

De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat

Hoofdstuk 3

14

betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De planlocatie waar de woningen worden opgericht is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘stedelijk gebied’ en ‘landelijke kern’, zie figuur 3.1. Onderstaande artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing.

Figuur 3.1 Uitsnede Interim Omgevingsverordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 - Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 a. b. c. d. e. f.

- Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoen de ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Hoofdstuk 3

15

Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De Interim Omgevingsverordening bepaalt dat het initiatief moet voorzien in de ruimtelijke kwaliteit. Er worden woningen gerealiseerd in een bestaand bebouwingslint in het stedelijk gebied. Met het planvoornemen is sprake van inbreiding. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Veghel 2030 Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad de ‘Structuurvisie Veghel 2030, Menu voor de toekomst’ vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn voor de gemeente op hoofdlijnen beschreven. Het plangebied is aangeduid als woongebied met dorpse kwaliteiten in de kern Erp (zie figuur 3.2).

Figuur 3.2 Uitsnede Structuurvisie Veghel 2030 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In de structuurvisie ‘Veghel 2030’ schetst de gemeente haar visie op het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2030. Beleid dat vooral gericht is op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten, waaronder behoud van de sterke positie van Veghel als werkstad en de bijbehorende stedelijke voorzieningen te behouden. Daarbij wordt vooral ingezet op het verder ontwikkelen van de altijd al sterk vertegenwoordigde voedingsindustrie. Deze structuurvisie biedt daarom met recht een ‘menu voor de toekomst’. Dat ‘menu’ is opgesteld voor de voormalige gemeente Veghel als geheel. Dat betekent dat vooral de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid in deze structuurvisie aan bod komen. Zaken dus, die iedereen in de gemeente aangaan. Daarbij wordt bijna 20 jaar vooruit gekeken, met als doel om de komende vijf à tien jaar in te kunnen spelen op belangrijke trends voor de lange termijn.

Hoofdstuk 3

16

Vraaggestuurd ontwikkelen Verschillende ontwikkelingen op de woningmarkt maken het noodzakelijk om vraaggestuurd te ontwikkelen. De gemeente Meierijstad (voorheen gemeente Veghel) biedt mogelijkheden voor organische gebiedsontwikkeling en functiemenging binnen gemeentelijke grondexploitaties. Vraaggestuurd ontwikkelen leidt over het algemeen tot meer diversiteit en kleinschaligheid en sluit daarmee naadloos aan op de wens om meer ‘dorps’ te bouwen. De volgende zaken hebben daarbij voorrang, waarbij kwaliteitswinst altijd een vereiste is:  het aanhelen van linten en/of versterken van identiteitsbepalende ruimtelijke structuren;  het versterken van de kwaliteiten van de dorpscentra;  verbreding van het aanbod aan dorpse en landelijke woonmilieus. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling worden er 8 woningen gerealiseerd in de kern van Erp. De gemeente wil meer vraaggestuurd gaan ontwikkelen waarbij woningbouwontwikkelingen die invulling geven aan onder andere het ‘dorps’ bouwen (als voorbeeld van een bijzonder woonmilieu) de voorkeur hebben. In onderhavig geval gaat het om de ontwikkeling van een locatie binnen de kern Erp. De locatie leent zich voor woningtypen in een dorps woonmilieu. Onderhavig plan bouwt door op het historische patroon van haar omgeving. De omliggende wegenstructuren worden niet veranderd.

Met het plan kan zelfs een verbetering in deze structuur worden bereikt omdat er ruimte ontstaat om het straatprofiel te laten aansluiten op de het profiel dat verderop in de Hezelstraat ook is toegepast. Ook wordt er gezorgd voor het opvullen van een ‘gat’ in de bebouwingswand van zowel de historische structuur van de Hezelstraat als die van Den Uil. De bebouwing is qua oriëntatie, situering, gevelbreedte en bouwvolume afgestemd op de bebouwingskarakteristiek in het dorpse bebouwingslint. Gezien het bovenstaande past de ontwikkeling binnen het uitgedragen beleid zoals neergelegd in de Veghelse structuurvisie. Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. De gemeente streeft naar vitale wijken en kernen en een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid.

De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Zorg en welzijn De samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving.

Hoofdstuk 3

17

Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen. Leefbaarheid Het creëren van een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Kwantitatieve woonbehoefte Regionale afstemming Voor de Brabantse Agenda Wonen zijn voor de periode 2017-2040 geen vaste cijfers meer vastgesteld, maar twee scenario’s: een hoge en een lage verstedelijkingsgraad. Op basis van het scenario ‘hoog’ heeft Meierijstad voor de periode 2017-2029 een indicatieve toename woningvoorraad van 4.810 woningen. Op grond van het scenario ‘laag’ betreft dat 3.855 woningen. De gemeenteraad van Meierijstad gaat uit van behoeftecijfers van scenario ‘hoog’. Regionale afspraken over de woningbouwplanning en -programmering moeten nog gemaakt worden. Kwantitatieve woonbehoefte Meierijstad  Meierijstad had op 1 januari 2017 79.800 inwoners. Naar verwachting zal het aantal inwoners toenemen naar 83.375 inwoners in 2030. Een toename van bijna 4,5%.

De jaren daarna blijft Meierijstad groeien, maar minder in omvang. Namelijk met 1,4% naar 84.530 inwoners in 2040.  De gemeente Meierijstad telde op 1 januari 2017 33.613 particuliere huishoudens, waarvan 48% in de voormalige gemeente Veghel, 30% in de voormalige gemeente Schijndel en 22% in de voormalige gemeente Sint-Oedenrode.  De provincie prognosticeert een toename van ruim 4.400 extra huishoudens in de gemeente Meierijstad (een toename van 13%). Dit betekent dat er ruim 5.400 woningen extra nodig zijn tot 2040. Dit is uitgaande van de hoge prognose waarbij de achterstand die er op de woningmarkt is ontstaan, geheel wordt ingehaald.  Op de eerste plaats dient Meierijstad te voorzien in de woningbehoefte van de eigen bevolkingsontwikkeling, gebaseerd op geboorte- en sterftecijfers en de taakstelling statushouders en beperkt arbeidsmigranten. In tabel 3.1 staat de kwantitatieve woningbehoefte van Meierijstad weergegeven.

Tabel 3.1: kwantitatieve woningbehoefte

Hoofdstuk 3

18

De prognose in de provinciale woningbehoefteprognose vastgesteld in mei 2017 met een hoge en een lage variant. De hoge variant betreft de behoefte inclusief het inhalen van de achterstand die er nu is. De cijfers van de voormalige gemeenten te samen wijkt iets af van die van Meierijstad totaal. Dit is het gevolg van afrondingsverschillen. Bepalend is de totale woningbehoefte voor Meierijstad. In de periode 1-1-2018 tot 2040 zouden er in de gemeente Meierijstad 4.466 tot 5.421 woningen toegevoegd moeten worden op basis van de lage respectievelijk de hoge provinciale woningbehoeftecijfers. De grootste toename zit in de komende 10 jaar (2018-2028). Voor de komende 10 jaar is er behoefte aan 3.136 tot 3.941 woningen welke de kwantitatieve woningbehoefte is voor het woningbouwprogramma op basis van de lage respectievelijk de hoge woningbehoefte. De provincie gaat er bij de hoge prognose van uit dat in 2030 de gehele achterstand in realisatie woningbouw is ingehaald. Vandaar dat de cijfers voor de periode 2030-2040 voor zowel de lage als de hoge prognose gelijk zijn. Wanneer alleen naar Veghel gekeken wordt zouden er in de periode 1-1-2018 tot 2040 3.003 tot 3.507 woningen toegevoegd moeten worden op basis van de lage respectievelijk de hoge provinciale woningbehoeftecijfers.

Kwalitatieve woonbehoefte De huishoudenssamenstelling verandert de komende jaren als gevolg van vergrijzing, ontgroening en huishoudensverdunning. Met name het aantal oudere huishoudens, ouder dan 75 jaar groeit sterk.  De vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens stijgt; dit geldt zowel voor ouderen als jongeren.  De komende jaren zal Meierijstad flink vergrijzen. Het aantal huishoudens van 75 jaar en ouder zal naar verwachting tot 2040 meer dan verdubbelen. In 2040 zal in Meierijstad een kwart van alle huishoudens 75 jaar of ouder zijn.  Uit het onderzoek van de werkgroep die in het kader van het traject van de woonvisie woonwensen en woonbehoeften van ouderen in kaart heeft gebracht blijkt dat er 2.700 senioren graag willen verhuizen waarvan 1.600 binnen 1 tot 3 jaar. Het aantal jonge huishoudens en het aantal gezinnen blijven nagenoeg gelijk.  Hoewel Meierijstad vergrijst, blijft het aantal en aandeel gezinnen naar verwachting ook de komende jaren groot. De doelgroep blijft door zijn aanhoudende omvang dus ook in de toekomst een factor van betekenis op de woningmarkt in Meierijstad. Gezinnen met kinderen zoeken relatief vaak een eengezinskoopwoning, met name tussen de €250.000 en €350.000.  Het aantal jonge huishoudens tot 35 jaar blijft in de gemeente Meierijstad de komende jaren nagenoeg gelijk.

Deze groep op de woningmarkt is echter wel sterk geneigd te verhuizen. Met andere woorden: de doelgroep jonge huishoudens is misschien qua omvang klein (en wordt steeds kleiner), maar de impact op de woningmarkt is en blijft er.  Jongeren en jonge gezinnen ondervinden bij hun zoektocht naar geschikte woonruimte beperkingen wat betreft betaalbaarheid/financierbaarheid. De kwalitatieve behoefte aan woningen voor de gemeente Meierijstad in zijn totaliteit voor de komende jaren (tot 2030) is kort samengevat als volgt weer te geven:  25% sociale huur;  15% huur vanaf € 710,00 per maand;  10% koop < € 185.000 (goedkoop);  20% koop € 185.000 tot € 275.000 (middelduur);  20% koop > € 275.000 (duur);

Hoofdstuk 3

19

10 % variabel in te zetten.

De genoemde percentages gelden algemeen en worden per ontwikkellocatie verfijnd (met uitzondering van het percentage sociale huur). Bij het bovenstaande wordt opgemerkt dat prioriteit wordt gegeven aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. Doorwerking plangebied De gemeente geeft de prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. Onderhavig plan voorziet in het mogelijk maken van het realiseren van seniorenwoningen in de kern Erp, binnen het bestaand stedelijk gebied. De realisatie vindt plaats op een logische plek in het stedelijk weefsel, bij het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de uitstraling van het gebied. Het inbreidingsplan omvat twee vrijstaande- en zes twee-onder-een-kapwoningen. De woningen worden gebouwd als levensloopbestendige woningen. De woningen worden gerealiseerd met aandacht voor kwaliteitsverbetering en behoudt van de kracht van de kern. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad. Zo zullen de woningen zoveel mogelijk energieneutraal gebouwd worden. Met onderhavige ontwikkeling wordt ingespeeld op de kwalitatieve behoefte, er worden namelijk 8 seniorenwoningen gerealiseerd. De ontwikkeling van 8 seniorenwoningen past zowel kwantitatief als kwalitatief in het woningbouwbeleid van Meierijstad. Hiermee is het plan in lijn met de Woonvisie Meierijstad.

Met initiatiefnemer is afgesproken dat alle woningen in het koopsegment vallen. Dit is op eigen risico van de initiatiefnemer en met initiatiefnemer afgestemd.

Hoofdstuk 3

20

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 M.e.r.-aanmeldingsnotitie In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan worden 8 seniorenwoningen gerealiseerd. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden.

Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied In het Besluit m.e.r. worden woningen als onderdeel van de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er is een aanmeldingsnotitie separaat bij dit bestemming toegevoegd als bijlage. Aanbevolen wordt - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van voorliggend initiatief geen milieueffectrapportage wordt vereist.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op

Hoofdstuk 4

21

het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. De voor 'Waarde Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor bouwwerken groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm dient naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate vastgesteld te worden. Doorwerking plangebied Met de beoogde ontwikkeling van 8 seniorenwoningen wordt de onderzoeksgrens overschreden.

Derhalve is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd door Salisbury Archeologie. Het volledige rapport is toegevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten beschreven. Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied vastgesteld. Deze verwachting is gebaseerd op de bekende archeologische, historische en aardwetenschappelijke gegevens uit het onderzoeksgebied. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat er een esdek aanwezig is. Dit betekent dat een vondstenniveau uit de periode Laat-Paleolithicum t/m Vroege Middeleeuwen waarschijnlijk niet meer intact is. Het sporenniveau uit deze periodes zal juist beschermd zijn door het esdek. Salisbury Archeologie adviseert in het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Voor het opsporen van een vindplaats zonder intact vondstenniveau, is een proefsleuvenonderzoek de aangewezen opsporingsmethode. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Het vervolgonderzoek zal moeten aantonen of er sprake is van een vindplaats en de aard, omvang en datering hiervan vaststellen.

De huidige archeologische dubbelbestemming blijft daarom gehandhaafd en dient ter bescherming van ingrepen in het archeologisch bodemarchief. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

Hoofdstuk 4

22

Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Het plangebied is gelegen in de ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Doorwerking plangebied Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig. Echter is op hetzelfde perceel als dat van onderhavig plangebied, aan de zuidzijde, wel een Rijksmonument aanwezig. Het betreft een woonhuis met bedrijfsruimten en een vrijstaande kerverij, gebouwd in 1922. Het is een eénlaags bedrijfspand op een rechthoekige plattegrond onder een mansardedak.

Het dak is gedekt met muldenpannen. Oorspronkelijk waren alle gevels geheel in hout uitgevoerd, na oorlogsschade is het gebouw op een bakstenen plint gezet. In de gevels zijn vooral zesruitsramen aangebracht. Er zijn enkele liggende ramen aanwezig. Er wordt een kwalitatieve overgang van de beoogde ontwikkeling naar het rijksmonument gerealiseerd. Dit kan door ruimte rondom het perceel vrij te houden en kwalitatief in te richten met bijvoorbeeld gras en bomen in combinatie met een voetpad. Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. De 8 seniorenwoningen worden gerealiseerd in het westen van het perceel. Het plangebied van de woningen wordt afgescheiden van de rijksmonumenten door een fiets-/voetpad en door hagen. In de omgeving van het plangebied zijn verder diverse MIP-panden en andere beeldbepalende panden gelegen. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle panden en lijnen. De omliggende wegenstructuren worden niet veranderd. Met het plan kan zelfs een verbetering in deze structuur worden bereikt omdat er ruimte ontstaat om het straatprofiel te laten aansluiten op de het profiel dat verderop in de Hezelstraat ook is toegepast.

Ook wordt er gezorgd voor het opvullen van een ‘gat’ in de bebouwingswand van zowel de historische structuur van de Hezelstraat als die van Den Uil. De bebouwing is qua oriëntatie, situering, gevelbreedte en bouwvolume afgestemd op de bebouwingskarakteristiek in het dorpse bebouwingslint. Het initiatief zorgt daarom niet voor negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving. Het thema cultuurhistorie zorgt daarom ook niet voor belemmeringen. Historische kenschets Het plangebied gelegen aan de Hezelstraat kan worden geclassificeerd in twee landschapstypen. Allereerst grenst het plangebied aan het beekdal van de Aa, daarnaast maakt het omliggende landschap uit van de oude ontginningen. De Aa komt aan de zuidoostkant Meierijstad binnen en loopt door Erp, langs Keldonk en gaat vervolgens door Veghel naar Heeswijk Dinther. De Hurkske Loop, Leijgraaf en Beekgraaf zijn belangrijke zijbeken die door de Meierijstad heen lopen. In vergelijking met het beekdal van de Dommel is het dal van de Aa opener van karakter en minder natuurlijk. Dit open karakter wordt versterkt door de (dichte) lintbebouwing aan de randen van het beekdal. Dit is ook duidelijk terug te zien in aangrenzende omgeving van het plangebied.

Hoofdstuk 4

23

Figuur 4.1 1900 (Bron: topotijdreis)

Figuur 4.2 1950 (Bron: topotijdreis)

Figuur 4.3 1970 (Bron: topotijdreis)

Figuur 4.4 1990 (Bron: topotijdreis)

Figuur 4.5 2000 (Bron: topotijdreis)

Figuur 4.6 2019 (Bron: topotijdreis)

Hoofdstuk 4

24

Het ontstaan van de oude zandontginningen gaat ver terug. De intrede van de landboud en veeteelt was bepalend voor de ontwikkeling van de oude zandgronden. Alleen de hoge gronden waren geschikt voor de agrarische bedrijvigheid. Op basis van hoogte verschillen kunnen er dan ook drie globale zones worden onderscheiden. Dit is namelijk het gebied aan weerszijden van de Dommel, de zone aan weerszijden van de Aa en de zone rondom Schijndel/Eerde. Het landschap van de Oude zandontginningen wordt gekenmerkt door een kleinschalig landschap met een halfopen karakter. Hierin komen onregelmatige en organische wegen en verkavelingspatronen voor. Op basis van verschillende groenstructuren is er een diversiteit aan landschapselementen zoals lanen, bomenrijen, houtwallen, solitaire bomen, droge en natte boscomplexen en kleinere hakboutbosjes. Door deze landschapselementen zijn de ruimtes in het landschap gevarieerd. Zijn kan er onderscheid gemaakt worden in meer besloten gebieden en gebieden met een meer open karakter. In de figuren 4.1 t/m 4.6 wordt duidelijk hoe in de loop van de jaren het landschap zich heeft ontwikkeld. Doorwerking plangebied Het is belangrijk de omgevingskwaliteiten, waarden en de aanwezigen monument/structuren van het gebied te waarborgen en of te versterken.

Zoals al eerder beschreven heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten op de ruimtelijke kwaliteiten van het landschap. Door de omgevingskarakteristiek in het plan mee te nemen wordt de nieuwe ontwikkeling geïntegreerd in het huidige landschap. Kwaliteiten die dienen meegenomen te worden in het plan zijn:  Het oude agrarisch kampenlandschap met oude graslanden kent een kleinschalig afwisselend beeld met een kamerstructuur;  In de oude ontginningen is het wegenpatroon kronkelig en loopt om de oude essen heen;  Enkele wegen zijn beplant met eik, beuk;  Karakteristiek zijn de kavelgrensbeplantingen van houtsingels en wallen en de vele diverse erfbeplantingen, met esdoorn, beuken en haagbeukenhagen;  De verkaveling is kleinschalig en onregelmatig organisch gegroeid;  Met verspreide bebouwing aan transparante linten dan wel in clusters (boerderijzwermen) verspreid in het landschap;  Half open tot besloten van karakter door opgaande kleine landschapselementen (coulisselandschap);  Vanaf de bebouwingslinten op de randen van beekdalen is tussen de bebouwing en de erfbeplanting door het beekdal zichtbaar;  Vanuit dit kleinschalige landschap zijn verrassende subtiele doorkijkjes op de nabije kernen, waarvan de kerktoren dan boven de beplanting uit steekt.

Deze landschappelijke kwaliteiten komen uit de landschapsanalyse van Meierijstad 2009 en zorgen voor belangrijke kaders en uitgangspunten bij een nieuwe ontwikkeling. Het voorgenomen plan kan bijdrage aan een versterken van het oude ontginningslandschap door kleinschalige landschapselementen toe te voegen. Daarnaast bevindt het plangebied binnen de lintbebouwingsstructuur. Hiermee wordt door de nieuwe ontwikkeling de huidige structuur versterkt. Echter zal er wel rekening gehouden moeten worden met de aangrenzende omgeving m.b.t. doorzichten, openheid en beslotenheid en monumenten. Wanneer de eerdergenoemde punten worden meegenomen kan de voorgenomen ontwikkeling in het landschap worden ingepast.

Hoofdstuk 4

25

4.3 Flora en fauna De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Deurnsche Peel & Maria-peel”, bevindt zich op circa 19 kilometer afstand ten zuidoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling van 8 grondgebonden levensloopbestendige woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd.

Uit deze berekening blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de Notitie AERIUS-berekening opgenomen met tevens de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de gebruiksfase. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is

Hoofdstuk 4

26

een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 35 meter ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing beschermde soorten De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb)  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) In tabel 4.1 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=56c0a8a7-4a92-4b51-b775-a60e2034e289