1.5 Bijlage 5 toelichting migitatieplan huismussen Dieperskant 11
Tekst van het document
MITIGATIEPLAN HUISMUSSEN Dieperskant 11 Keldonk
LOCATIE: DIEPERSKANT 11, KELDONK RAPPORTNUMMER: 2020BE-0733 In opdracht van: G van den Elsen Morschehoef 7 5469 SM Erp
Brabant Eco Ecologische dienstverlening
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2020BE-0733 Opdrachtgever Gertjan van den Elsen Morschehoef 7 5469 SM Erp Contactpersoon De heer GJ van den Elsen Locatie Dieperskant 11, Keldonk Opleverdatum 15 april 2020
Uitvoerder
l
Brabant Eco Ecologische dienstverlening De Lange Kant 27 5061PX Oisterwijk 06-24218274
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
P a g i n a |1
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
Inhoudsopgave 1. INLEIDING …. …………….……………………………………………...……....3 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Criteria 1.4 Plangebiedsbeschrijving 2. AANPAK EN UITVOERING……………………………………………….………..5 2.1 Geplande ingreep 2.2 De huismus; Passer domesticus 2.3 Mitigerende maatregelen 2.3 Tijdsplan maatregelen 3. GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING…………………………….………13 4. CONCLUSIE…………………………………………………..…………………...14 4.1 Resume 4.2 Advies 5. LIJST VAN BRONNEN…………………….……..………………………..………16 6. BIJLAGEN..……………………………...……………………………… ………..17
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |2
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om de locatie Dieperskant 11 in Erp, gemeente Meierijstad, te herontwikkelen. De bestaande varkenshouderij zal volledig worden gesaneerd en er worden twee ruimte-voor ruimte woningen beoogd. De bestaande bedrijfswoning zal worden gesloopt en daarna weer herbouwd. Aan het plangebied zal een woonbestemming worden toegekend. De intensieve varkenshouderij zal volledig verdwijnen. Om te kunnen bepalen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’ dient onder andere onderzocht te worden of de voorgenomen activiteit past binnen de regels van de Wet natuurbescherming. In dit kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Lomans Ecoworks (projectnummer 2003 d.d. 12-02-2020) In deze quickscan is aangegeven dat het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen niet kan worden uitgesloten voor de bedrijfswoning. Lopende 2020 zal Brabant Eco op verzoek van de heer van den Elsen hiervoor een nader onderzoek uitvoeren. Tevens is er tijdens deze quickscan de aanwezigheid van huismussen vastgesteld in de onderste dakrand aan de oostkant van de bedrijfswoning. Om overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming te voorkomen, waardoor een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk zal zijn, heeft de heer van den Elsen aan Brabant Eco gevraagd hiervoor een mitigatieplan op te stellen.
Dit mitigatieplan wordt opgesteld conform het Kennisdocument Huismus, Passer domesticus Versie 1.0, juli. 1.2 doelstelling Het voorliggende mitigatieplan beschrijft de handelingen die worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten. Het rapport beantwoordt de volgende vragen: • Welke maatregelen worden genomen om negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten, individuen en functies te voorkomen dan wel verzachten? • Welke maatregelen worden genomen om de functionaliteit van het plangebied voor de aanwezige beschermde soorten tijdens en na de werkzaamheden te behouden? 1.3 Criteria Op dit mitigatieplan zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl) o Het mitigatieplan is opgesteld door een onafhankelijk adviesbureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit plan. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |3
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco. o Brabant Eco hanteert de door brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus opgestelde gedragscode. 1.4 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Dieperskant 11 te Keldonk in de gemeente Meierijstad. Ten noordoosten ligt deelgemeente Erp, ten noordwesten Veghel en ten westen de kern van het dorp Keldonk. Keldonk valt onder de gemeente Meierijstad. De kern heeft 1.205 inwoners ( bron: wikipedia;4 oktober 2014). Meierijstad is een per 1 januari 2017 ingestelde gemeente in de regio Meierij door samenvoeging van drie Oost-Brabantse gemeenten, Veghel (waaronder Erp met Keldonk), Schijndel en Sint-Oedenrode. Meijerijstad telt iets meer dan 81.000 inwoners en is ruim 186 vierkante kilometers groot. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit agrarische percelen, intensieve veehouderijen en een woonboerderij. Ten zuiden ligt de weg Dieperskant met tegenover gelegen intensieve nrundveehouderijen. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 1,4 ha, is gedeeltelijk bebouwd met twee varkensstallen, een mestsilo, een bedrijfswoning met bijgebouw, een open veldschuur en een schapenstalletje. Het erf tussen de gebouwen is verhard met betonklinkers en asfalt.
Er is opgaand groen aanwezig in de vorm van een laan met volwassen essen langs de toegangsweg tot de bedrijfswoning, een rij van drie zomereiken en een els ten westen van de varkensstallen en een drietal berken nabij het voormalige schapenstalletje. Verder bestaat het plangebied vooral uit grasland.
Afbeelding: Luchtfoto plangebied met globale projectgrens in blauw
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |4
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
2. AANPAK en UITVOERING 2.1 Geplande ingreep De beoogde ontwikkeling betreft de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. De varkensstallen worden volledig gesaneerd en de bedrijfswoning zal ter plaatse worden herbouwd. Na sanering van de varkensstallen zullen er ook twee ruimte-voor-ruimte woningen worden gerealiseerd. Het nieuwe plan wordt landschappelijk ingepast met groenstructuren en een waterpartij. In de bedrijfswoning zijn twee jaarrond beschermde nesten van huismussen aangetroffen onder de dakpannen. De daarvoor te nemen mitigerende maatregelen worden opgenomen in dit mitigatieplan.
Afbeelding: Plattegrond tekening van bestaande
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |5
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
Afbeelding: tekening van beoogde
Afbeelding: bovenaanzicht plangebied. Google maps.
Impressie bedrijfswoning
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |6
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
2.2 De Huismus; Passer domesticus De huismus, met als Latijnse naam Passer domesticus, is een zogenaamde half-holenbroeder (vogels die wel beschut willen zitten, maar daarnaast ook uitzicht willen hebben). De nesten komen voor in holtes onder dakpannen of gaten en nissen in gebouwen, bomen en aardwallen. Als dergelijke holtes niet aanwezig zijn nestelt de huismus op beschutte plekjes onder afdakjes, in dichte gevelbegroeiing, heggen en struiken. Dergelijke ‘natuurlijke’ nesten zijn nog altijd tamelijk voldoende aanwezig, echter door het sterk verminderde gebruik van dakpannen en het ontbreken van gaten en nissen in gebouwen is het aantal broedterritoria in steden en dorpen de laatste jaren sterk achteruitgegaan. Om deze reden wordt steeds meer gebruik gemaakt van vogelvides, speciale dakpannen, houten nestkasten of mussenpotten die worden bevestigd aan woningen, gebouwen, stallen of schuren. Volgens de Natuurkalender Broedvogels van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie bevindt de broedperiode (van nestbouw tot en met verzorging vliegvlugge jongen) van de huismus zich tussen begin maart tot en met begin september. De huismus broedt in losse kolonies van enkele paren tot soms wel 40 exemplaren. Het grootste gedeelte van het jaar verspreidt de huismus zich echter niet verder dan 600 meter van de broedplaats.
Van augustus tot oktober kunnen jonge huismussen en een deel van de volwassen vogels zich verspreiden over een groter gebied. Na deze periode keren volwassen mussen terug naar hun eigen broedgebied, terwijl de jonge mussen zich elders vestigen. De huismus komt het liefst voor in een rommelige agrarische omgeving met struikgewas, schuren, weilanden met vee en gemorst graan. Maar ook tuinen en parken zijn favoriete foerageerplekken. Het voedsel van de huismus bestaat uit zaden (met name granen zoals haver, gerst en tarwe), bloemknoppen, brood, fruit, bessen. Tijdens het broedseizoen vormen insecten (ondermeer vliegen en muggen) een cruciale voedselbron. Naast broedplaatsen en voldoende voedselaanbod is in het kleine leefgebied van de huismus ook beschutting een belangrijk onderdeel van het leefgebied. Roofvogels zoals de sperwer, ransuil en kerkuil, kraaiachtigen zoals de ekster, kauw en gaai, spechten en zoogdieren zoals de kat zijn (min of meer) natuurlijke vijanden van de huismus. Beschutting waar de huismus kan schuilen voor zijn vijanden bestaat onder andere uit hagen (liguster, meidoorn, sleedoorn) en een dichte begroeiing van klimplanten tegen muren. 2.2.1.
De huismus binnen het plangebied Volgens het onderzoek naar beschermde natuurwaarden op 12-02-2020 door Lomans Ecoworks waren er onder de dakpannen aan de oostzijde van de woonboerderij 2 aan Dieperskant 11 te Erp twee paren van de huismus aanwezig.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |7
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
Er zijn nesten van huismussen vastgesteld maar er is sprake van een gebied waar zich geen duurzame populatie kan bevinden. Dit betreft gebieden waar zich minder dan 10 paartjes huismussen bevinden. Het is volgens de wet Natuurbescherming niet toegestaan om nestplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen aan te tasten en dieren mogen niet verstoord of gewond raken tijdens de werkzaamheden. Een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is te voorkomen door voorafgaand aan de werkzaamheden voorzorgsmaatregelen te treffen. Het gaat dan om het behoud van de functionaliteit van de voortplanting- en/of vaste rust- of verblijfplaats van de soort.
Afbeelding: bovenaanzicht bedrijfswoning met in rood: nestplaatsen huismus. Google maps.
2.2.1. De huismus nabij het plangebied In de omgeving van het plangebied en elders binnen en nabij de gemeente Meierijstad komt de huismus nog tamelijk regelmatig voor als broedvogel, echter het aantal broedplaatsen is de laatste jaren sterk achteruitgegaan. Volgens het onderzoek naar beschermde natuurwaarden op 12-02-2020 zijn huismussen luid kwetterend gehoord in de groene omgeving nabij het agrarische bedrijf ten zuiden van het plangebied. “Zeer aannemelijk is, dat zich hier de overige delen van het functionele leefgebied van de huismus bevinden als dekkingsmogelijkheden, foerageerplekken etc “ Door de sloop van de bedrijfswoning binnen het plangebied zullen er op lokaal niveau negatieve effecten zijn voor de huismus, echter het zal niet lijden tot een totale verdwijning van de huismus als broedvogel op lokaal niveau. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |8
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
2.3 Mitigerende maatregelen Met de sloop van de bedrijfswoning gaan de jaarrond beschermde nesten van de huismus verloren. Door mitigerende maatregelen te treffen conform het Kennisdocument Huismus, (Passer domesticus versie 1.0, juli 2017) kan voorkomen worden dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. In het Kennisdocument zijn effectieve maatregelen opgenomen die de functionaliteit van de nest-, voortplantings-, of rustplaatsen waarborgen. Op de planlocatie Dieperskant 11 dienen de volgende maatregelen worden toegepast: 1. Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden 2. Behoud functionaliteit 3. Afsluiten van toegang tot huidige verblijfplaatsen 4. Realiseren van permanente voorzieningen 5. Aanbieden van schuilmogelijkheden 6. Werken buiten kwetsbare perioden 7. Inschakelen van deskundige 2.3.1 Aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen Voor elke nestplaats die aangetast of verwijderd wordt worden minimaal twee nieuwe nestplaatsen aangeboden. Omdat er 2 nestplaatsen aangetoond zijn dienen er minimaal 4 alternatieve nestplaatsen aangeboden te worden. Voor de vervangende nestplaatsen geldt dat er meerdere nestplekken bij elkaar aangeboden moeten worden waarvan de openingen minimaal 50 centimeter uit elkaar dienen te liggen.
Dit kan dichter bijeen maar er dient gezorgd te worden dat de nestingang niet zichtbaar is voor de huismus die in de andere nestingang zit. Tevens dient de vervangende nestplaats zo dicht mogelijk, en maximaal 200 meter bij de locatie van de oorspronkelijke verblijfplaats liggen. Ook moet deze buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden liggen. Aan te bevelen is om minimaal drie mussenhotels met telkens drie nesten te hangen of een zelfde aantal nestkasten. Naar verwachting gaat de sloop op de planlocatie aanvangen in maart 2021. Daarom is het aan te raden om de alternatieve verblijfplaatsen in juli/augustus 2020 op te hangen. Dit is de tijd dat juvenielen op zoek gaan naar nieuwe nestgelegenheden. In ieder geval voor november 2020. Deze alternatieve tijdelijke verblijfplaatsen mogen pas verwijderd worden wanneer de nieuwe permanente voorzieningen minimaal 3 maanden functioneel zijn. Bovendien mogen nestkasten nooit tijdens het broedseizoen verwijderd worden. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a |9
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
• Voor de vervangende nestplaatsen geldt: – dat er meerdere nestplekken bij elkaar aangeboden moeten worden. Zorg dat de openingen minimaal 50 centimeter uit elkaar liggen; dit kan dichter bijeen, maar zorg er dan voor dat de nestingang niet zichtbaar is voor de huismus die in de andere nestingang zit – zo dicht mogelijk bij de locatie van de oorspronkelijke verblijfplaats worden geplaatst en als dat niet mogelijk is, dan in de directe omgeving (in de regel binnen 200 meter, bij uitzondering 500 meter) van de oorspron kelijke nestplaats en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden liggen – op minimaal 3 meter hoogte plaatsen – een minimale broedruimte van 15 x 8 centimeter – dat ze op een voor de huismus geschikte wijze en plek worden aangebracht. Zo mogen ze niet te heet worden in de middagzon, maar zich ook niet op een te koude locatie bevinden: voorkeur heeft een noord of oost expositie of een ligging in de schaduw van een dakgoot of iets dergelijks – in de directe omgeving van de nieuwe nestplaats continu voldoende dekking aanwezig is (minimaal 3 à 4 meter hoog opgaand groen), en dat er altijd (binnen 100 à 200 meter, bij voorkeur binnen 50 meter) voldoende geschikt voedsel en potentiële slaapplaatsen beschikbaar zijn – dat ze van voldoende duurzaam materiaal zijn en op een voldoende duurzame wijze worden bevestigd.
Of de duurzaamheid voldoende is hangt van meerdere factoren af, bijvoorbeeld van het type materiaal (hout, houtbeton, aardewerk, pvc, en dergelijke), van de houtsoort (ceder en robinia zijn duurzamer dan vuren of grenen), de wijze van ophanging, de aangebrachte plek (bijvoorbeeld onder een dakgoot of een andere vorm van overhang of vol in zon en wind), dient het voor tijdelijke vervanging ter overbrugging van de periode van de werkzaamheden of als permanente vervanging, het te verwachten gebouwbeheer (bij schilderwerk verdwijnen regelmatig aangebrachte voorzieningen) en of het beheer en onderhoud van de voorziening (schoonhouden, herstel bij gebreken) geregeld is. – dat er voldoende veiligheid is tegen predatoren. Dit geldt voor de nestplaats zelf, als ook dat er voldoende opgaand groen in de directe omgeving aanwezig is als dekking voor adulten of (net uitvliegende) juvenielen – dat het materiaal waarvan ze zijn gemaakt niet behandeld is met chemische middelen – dat ze minimaal drie maanden voor de start van de werkzaamheden aanwezig zijn, om de vogels te laten wennen aan de nieuwe voorzieningen – dat het beheer duurzaam geregeld is. Dit beheer moet gebeuren in een periode dat verstoring niet of minimaal optreedt nestplaatsen; bron kennisdocument huismus Tekst; vervangende • Monitoring van de effectiviteit van de genomen maatregelen kan aan de orde zijn.
Afbeelding: tekening mussenhotel; bron vogelbescherming Tekst; vervangende nestplaatsen; bron kennisdocument huismus
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 10
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
Afbeelding; tekening mussenhotel; bron vogelbescherming
2.3.2 Behoud functionaliteit verblijfplaatsen Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de huismussen de voorzieningen ontdekken en verkennen voor de ingreep wordt uitgevoerd. In geval voedsel geen beperking geeft is de huismus zeer flexibel in het innemen van allerlei typen vervangende verblijfplaatsen. 2.3.3 Ongeschikt maken huidige nestplaats Om te voorkomen dat huismussen gewond raken of gedood worden tijdens de werkzaamheden is het noodzakelijk dat de verblijfplaatsen vooraf ongeschikt gemaakt worden. Voorafgaand aan het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden wordt eerst het nestmateriaal weg gehaald en de dakrand ongeschikt gemaakt als nestlocatie. Tenminste twee maanden na het ophangen van de tijdelijke verblijfplaatsen en buiten de periode maart – september kan dit door de onderste drie rijen dakpannen met de hand te verwijderen of met vogelschroot, pur of mussengaas de toegang tot de nestplekken dicht te stoppen. Hierdoor wordt voorkomen dat deze bewoond wordt tijdens de werkzaamheden.
2.3.4 Realiseren van permanente voorzieningen Bij de realisering van de nieuwe woningen is het zeer gewenst om ‘huismusvriendelijk’ te bouwen door de woningen uit te rusten met bij voorkeur vogelvides. Over de gehele breedte van de nieuw te bouwen woning zal er verhoogd vogelschroot aangebracht kunnen worden, zodat de ruimte onder de eerste pannenrij geheel toegankelijk blijft voor huismussen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 11
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
De mussen kunnen net als in de huidige situatie via de ruimte tussen goot en onderste dakpan de achterliggende ruimte bereiken met het verschil dat ze niet verder onder het dak kunnen dan de volgende panlat. Door de iets kleinere openingen in de nieuwe situatie kunnen mussen nog steeds eenvoudig onder de pannen komen maar is dit voor bijvoorbeeld kauwen onmogelijk. Dus is er geen nestpredatie. Hierdoor blijven de daken geschikt als broedlocatie voor de huismus. Deze maatregel heeft op grote schaal effectiviteit bewezen in soortgelijke projecten, waardoor met voldoende mate van zekerheid de toekomst van de huismus in het plangebied gewaarborgd is als het gaat om broedgelegenheid. Maar ook inbouwstenen en speciale dakpannen kunnen worden gebruikt als broedplaats voor mussen. Het aanbrengen van houten nestkasten is minder duurzaam. Op deze manier kan de in de directe omgeving aanwezige populatie zich naar de planlocatie uitbreiden en wordt de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd.
Afbeelding: mussenpan
Afbeelding; vogelvide
2.3.5 Aanbieden van schuilmogelijkheden Daarnaast is het van belang om de groene elementen in belangrijke mate af te stemmen op onder meer de levensbehoeften van de huismus. Voorbeelden zijn de aanleg van hagen (liguster, haagbeuk, meidoorn), struiken, bomen, schuttingen en/of muren met klimplanten, ruige overhoekjes in de tuinen of bermen met allerlei inheemse planten, de aanwezigheid van vijvers of andere wateren en van op zandige plekjes. Ten opzichte van de huidige situatie blijft het aantal schuil- en foerageerplekken minimaal gelijk. Er is slechts sprake van tijdelijke lokale verstoring door sloop van de bebouwing en nieuwbouw van de drie woningen. 2.3.6 Werken buiten kwetsbare periode De huismus gebruikt zijn nest jaarrond en het hele jaar kan aangemerkt worden als kwetsbare periode voor de huismus. De meest kwetsbare periode is de voortplantingsperiode. Deze loopt van maart tot en met augustus. Indien sprake is van late vervolglegsels kan september ook aangemerkt worden als voortplantingsperiode. Ook kan de periode, afhankelijk van klimatologische en meteorologische omstandigheden, eerder beginnen en/of later eindigen. Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 12
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
Het uitvoeren of opstarten van de sloopwerkzaamheden binnen het voortplantingsseizoen is alleen mogelijk als een broedvogelcontrole is uitgevoerd door een ecologisch deskundige op het gebied van huismus. Wanneer blijkt dat het nest bewoond is, worden maatregelen genomen om vestiging te voorkomen. Naast het broedseizoen vallen ook perioden met aanhoudende vorst onder de noemer “kwetsbare periode”. Mussennesten mogen ook in een dergelijke koude periode niet aangetast worden. jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
voortplanting Koude perioden Figuur: op hoofdlijnen aangegeven kwetsbare perioden. (bron: Kennisdocument Huismus)
2.3.7 Inschakelen deskundige Bij planning vooraf werd overleg gepleegd met een ecoloog. Bij uitvoering van werkzaamheden m.b.t. nesten voor 1 september en bij twijfel dient een deskundige op het gebied van broedvogels vast te stellen of de nesten verlaten zijn. Van belang is of een broedgeval aanwezig is. Werkzaamheden mogen nooit leiden tot aantasting of vernieling van nesten met eieren of jongen. Een deskundige moet bij twijfel bepalen of er sprake is van een kwetsbare periode. 2.4 Tijdsplanning maatregelen huismus Afstemming met initiatiefnemer Ophangen tijdelijke verblijfplaatsen Ongeschikt maken huidige nesten Sloop van bedrijfswoning Permanente voorzieningen Aanbieden schuilmogelijkheden Verwijderen tijdelijke kasten Inschakelen deskundige
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
april 2020 augustus 2020 november-december 2020 maart 2021 bij bouw nieuwe woningen Bij en direct na bouw 3 maanden of later na in gebruik name permanente Tijdens gehele proces bij afwijkingen en calamiteiten
P a g i n a | 13
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
3. GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING Er zijn twee nestplaatsen aangetroffen. Hiervan zouden ca. 4-12 exemplaren gebruik maken als de jongen uitgekomen zijn. De huismus is een algemene soort in Nederland en komt ook in de regio Meijerijstad algemeen voor. Ook is het heel aannemelijk dat het mussennest in de bedrijfswoning deel uit maakt van een flinke huismussenpopulatie in de omgeving gezien de zeer geschikte groene omgeving aan de overzijde van Dieperskant. Voor iedere nestplaats van de huismus die binnen het plangebied verloren gaat worden minimaal twee tijdelijke alternatieve nestplaatsen gerealiseerd. Door het plaatsen van permanente voorzieningen voor huismuslocaties aan de te bouwen woningen worden nieuwe potentiele permanente verblijfplaatsen gecreëerd. Na de bouw wordt de planlocatie landschappelijk ingericht waarna de functionele leefomgeving met schuilmogelijkheden en foerageergebied voor huismussen sterk verbeterd wordt in vergelijking met de huidige situatie. De intensieve varkenshouderij verdwijnt volledig en wordt vervangen door wonen. Door de geplande werkzaamheden is er weliswaar sprake van een tijdelijke beperkte verstoring van foerageergebied voor de huismus en dekking ronde de huidige verblijfplaatsen, maar dit heeft geen wezenlijk effect op de functionaliteit van de leefomgeving als geheel omdat er voldoende alternatieven in de directe omgeving overblijven.
Huismussen hebben ook verblijfplaatsen in woningen en bijgebouwen staande in de directe omgeving van het plangebied. Deze liggen vooral aan de overzijde van de weg. De gunstige staat van instandhouding is voor de huismus binnen het project gegarandeerd. Met de sloop van de bedrijfswoning gaan de jaarrond beschermde nesten van de huismus verloren. Door mitigerende maatregelen te treffen conform de Kennisdocumenten van BIJ12 voor beschermde soorten kan voorkomen worden dat verbodsbepalingen uit de Wet Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 14
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
natuurbescherming worden overtreden. In de Kennisdocumenten van BIJ12 zijn effectief bewezen maatregelen opgenomen die de functionaliteit van nest-, voortplantings- of rustplaatsen waarborgen. Door het uitvoeren van gepaste maatregelen in tijd en ruimte wordt voldaan aan de zorgplicht/ zorgvuldig handelen, het behoud van de functionaliteit van de verblijfplaats en de waarborging van de lokale staat van instandhouding van de huismus. De verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming worden zodoende niet overtreden. Daardoor is geen ontheffing van het bevoegd gezag noodzakelijk. In dit mitigatieplan zijn de maatregelen onderbouwd en gedocumenteerd. Het plan dient tijdens de werkzaamheden ter plaatse aanwezig te zijn voor het geval er een handhavingsverzoek of toezicht aan de orde mocht zijn.
4. CONCLUSIE
o o o
o
o o
o o o o
4.1 Resume Aan de oostzijde van de te slopen bedrijfswoning zijn twee nesten van huismussen vastgesteld. In de omgeving van het plangebied komen meer huismussen voor. Doordat de toekomstige functie van het plangebied drastisch gaat veranderen zullen de kwalitatieve natuurwaarden en de biodiversiteit van het plangebied verbeteren. Het intensieve varkensbedrijf zal plaatsmaken voor wonen. Dit mitigatieplan beschrijft de handelingen die worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten. Dit mitigatieplan is opgesteld conform het Kennisdocument Huismus, Passer domesticus Versie 1.0, juli. Door het tijdig plaatsen en controleren op gebruik van alternatieve verblijfplaatsen alvorens het ongeschikt maken van de huidige nestlocaties wordt de gunstige staat van instandhouding van de huismussen gewaarborgd. In of aan de nieuw te bouwen woningen worden permanente voorzieningen aangebracht voor huismussen. De aan te brengen groenelementen worden afgestemd op de huismus. Er wordt rekening gehouden met de kwetsbare periode van de huismus. Bij onvoorziene omstandigheden dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
4.2 Advies Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van huismussen (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang: Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 15
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
• nestlocatie, • habitat met voedselaanbod • en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters van het plangebied. Geschikt leefgebied van huismussen bevat een combinatie met voldoende voedsel- en schuilplaatsen. Voor het voedselaanbod is het van belang dat er voldoende ruigte en overhoekjes aanwezig zijn, waar zowel zaadplanten als voldoende insectentrekkers aanwezig zijn. Beschutting is zeer belangrijk voor huismussen ter bescherming, maar ook om vanuit te foerageren. Daarom moeten er schuilplaatsen aanwezig zijn in de vorm van heggen en hagen. Bij de landschappelijke inpassing met groenstructuren worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en struifmeel afhankelijk zijn, op elkaar afgestemd. Een belangrijk verschil met uitheemse soorten die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv.
(groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Zie www.checklistgroenbouwen.nl. De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten Bij onvoorziene omstandigheden dient daarnaast direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 16
Mitigatieplan Huismussen Dieperskant 11 te Erp
LIJST VAN BRONNEN
Quickscan Flora en fauna Lomans Ecoworks project 2003 d.d.12-02-2020 www.wetnatuurbescherming.nl www.wikipedia.nl www.meierijstad.nl www.keldonk.nl www.rijksoverheid.nl www.checklistgroenbouwen.nl www.brabant.nl www.natuurmonumenten.nl www.vogelbescherming.nl www.BIJ12.nl kennisdocument huismus netwerk groene bureaus
o
Als bijlage 1 is toegevoegd het kennisdocument Huismus
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
P a g i n a | 17
Leidseveer 2 3511 SB Utrecht t 085 - 486 22 22 f 085 - 486 22 33 info@bij12.nl
Kennisdocument
Huismus Passer domesticus Versie 1.0, juli 2017
bij12.nl
Dit is een publicatie van BIJ12
Inhoudsopgave Leeswijzer
2
Inleiding
3
1
De huismus
6
1.1 Soortkenmerken
6
1.2 Leefwijze
6
1.3 Voedsel
6
1.4 Nesten, rustplaatsen en (functionele) leefomgeving
7
2
3
4
1.5 Verspreiding en aantalsontwikkeling
10
1.6 Populaties
13
Benodigd ecologisch onderzoek
15
2.1 Inleiding
15
2.2 Het aantonen van aanwezigheid of van afwezigheid
15
2.3 Het bepalen van de effecten van de activiteiten
21
Mogelijke maatregelen ten gunste van de huismus
26
3.1 Werken buiten kwetsbare perioden
27
3.2 Alternatieve nestplaatsen aanbieden
28
3.3 Verbeteren habitat in bestaand of nieuw leefgebied
31
3.4 Faseren activiteiten in ruimte en tijd
32
3.5 Toegankelijk houden nestplaatsen
33
3.6 Ongeschikt maken nestplaatsen
33
3.7 Inschakelen huismusdeskundige
33
3.8 Opstellen ecologisch werkprotocol
34
Activiteiten: effecten en te nemen maatregelen
35
4.1 Effecten van verschillende typen activiteiten
35
4.2 In aanmerking komende maatregelen bij verschillende typen activiteiten
36
Colofon
41
BIJLAGE 1 Wet natuurbescherming
42
BIJLAGE 2 Jaarrond beschermde nesten
45
Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017
Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies
Leeswijzer
Inleiding
Dit document is opgebouwd uit vier hoofdstukken die los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar
Waarom de soortenstandaard
te lezen zijn. Het is niet noodzakelijk om dit document van voor tot achter door te lezen. Elk hoofdstuk
De huismus is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
heeft zijn eigen ingang. Afhankelijk van uw primaire vraag kunt u direct door naar één van deze vier
natuurbescherming, op basis van het feit dat de soort deel uitmaakt van ‘alle natuurlijk in het wild
hoofdstukken en zo nodig kunt u teruggrijpen op één van de andere hoofdstukken.
levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is’ (artikel 1 van de Vogelrichtlijn). De huismus staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de
Hoofdstuk 1: ecologische informatie
nesten jaarrond beschermd zijn (RVO, 2009). De nesten van huismussen vallen onder categorie 2 van
Wilt u meer weten over de huismus zelf dan kunt u inhoudelijke ecologische informatie over de huismus
vogelnesten “nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin
vinden in hoofdstuk 1. Hier vindt u bijvoorbeeld informatie over het type gebied waarin zich huismussen
zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats
kunnen bevinden en over hun verblijfplaatsen.
zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar” (zie bijlage 2 Jaarrond beschermde nesten). De huismus staat tevens als gevoelig vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (2004).
Hoofdstuk 2: ecologisch onderzoek Bent u vooral geïnteresseerd in welke gegevens u moet hebben en welk ecologisch onderzoek u wanneer
De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle
moet uitvoeren om soepel aan de vereisten vanuit de soortbescherming in de natuurwetgeving tegemoet
inheemse vogels. De wet verbiedt onder andere:
te komen, dan start u met hoofdstuk 2. Hier staat bijvoorbeeld beschreven op welke wijzen u de aan- of
1.
het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1);
afwezigheid van huismussen kunt aantonen en hoe u kunt aantonen dat de functionaliteit van een nest of
2.
het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het
rustplaats van de huismus al dan niet behouden blijft.
wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); 3.
het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3);
Hoofdstuk 3: maatregelen
4.
het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4);
Hoofdstuk 3 geeft voorbeelden van maatregelen ten gunste van de huismus die u bij uw activiteiten kunt
5.
het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan
nemen. Het nemen van één of meer van deze maatregelen stelt u in staat om negatieve effecten van
(artikel 3.2).
uw activiteiten op de huismus geheel of zoveel mogelijk te voorkomen. Hiermee kunt u mogelijk een overtreding voorkomen. In het geval dat een overtreding niet te voorkomen valt, kunnen dit maatregelen
In geval van overtreding van deze verboden bestaat er voor het bevoegd gezag een beginselplicht
zijn die genomen moeten worden om in aanmerking te komen voor een ontheffing. De provincie waar u
tot handhaving. Dat kan leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen in de vorm van een last onder
voornemens bent de activiteit te ontplooien, beoordeelt of deze maatregelen afdoende zijn.
bestuursdwang, een last onder dwangsom of een BSBm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu).
C
Overtreding van deze verboden is bovendien een economisch delict en kan leiden tot strafrechtelijke Hoofdstuk 4: activiteiten en maatregelen
vervolging. De wet voorziet in een algemene bevoegdheid voor de bevoegde gezagen (de provincies en
Hoofdstuk 4 heeft als ingang een aantal veel voorkomende activiteiten met een mogelijk negatief effect
in sommige gevallen het Ministerie van Economische Zaken) om onder voorwaarden een ontheffing of
op de huismus. Daaraan is in de vorm van een matrix een aantal te nemen maatregelen ten gunste van
vrijstelling te verlenen van de verboden (artikel 3.3).
de huismus gekoppeld. Niet alle activiteiten zullen effecten hebben op huismussen. Voor de meest voorkomende activiteiten staat hier indicatief aangegeven welke maatregelen ten gunste van de huismus
Wat staat erin?
in aanmerking kunnen komen om de negatieve effecten te doen verminderen of op te heffen.
Het kennisdocument geeft voor een soort een overzicht van vaak in aanmerking komende maatregelen die genomen kunnen worden als deze beschermde soort aanwezig is in of nabij een gebied waar de
Het juridisch kader voor de bescherming van de huismus is vastgelegd in artikelen 3.1 tot en met 3.4
ruimtelijke activiteiten plaats gaan vinden. Dergelijke maatregelen voorkomen of verminderen negatieve
van de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1). Dit kader is door de nationale wetgever uitgewerkt in
effecten op de soort als gevolg van die voorgenomen activiteiten. Verder beschrijft het document de
het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming. Dat kader staat nader beschreven
kenmerkende ecologische aspecten en de wijze waarop de aanwezigheid (of de afwezigheid) van de
in een afzonderlijk document: het Juridisch Kader horende bij de kennisdocumenten. Op provinciaal
soort kan worden aangetoond.
niveau kunnen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten binnen dit kader beleidskeuzes maken. Deze beleidskeuzes zijn niet beschreven in het Juridisch Kader behorende bij de kennisdocumenten.
Dit kennisdocument Huismus 2017 vervangt de soortenstandaard Huismus uit 2014 die nog door de
De provinciale beleidskeuzes vormen samen met het juridisch kader en het kennisdocument het
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) in opdracht van het Ministerie van Economische
beoordelingskader voor de provincie bij een ontheffingsaanvraag.
Zaken was opgesteld. Aanpassing van de soortenstandaard was nodig vanwege de invoering van de nieuwe Wet Natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Onder deze nieuwe wet komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen namelijk voor het overgrote deel bij de provincies te liggen. In enkele situaties waarbij nationale belangen in het geding zijn, blijft
2
het Ministerie van Economische Zaken bevoegd gezag. Voorbeelden hiervan zijn het aanleggen of
3
Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017
Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies
aanpassen van de hoofdinfrastructuur zoals snelwegen hoofdspoor en waterwegen, maar ook de hoofd
dieren en planten en de beoordeling of daarmee verbodsbepalingen van de natuurwetgeving worden
infrastructuur die nodig is om gas en elektriciteit te transporteren.
overtreden. Het kennisdocument vormt een hulpmiddel en sluit andere maatregelen en methoden niet uit mits die door een deskundige op het gebied van de soort worden onderbouwd. Het kennisdocument
In het kader van de decentralisatie van het bevoegd gezag krijgen de provincies meer vrijheid voor de
kan alleen worden gebruikt in combinatie met het juridisch kader behorende bij de kennisdocumenten en
invulling van hun eigen natuurbeleid waaronder de bescherming van planten- en diersoorten. Door
het provinciespecifieke beleid ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen.
de decentralisatie is er dus geen sprake meer van één landelijk soortenbeleid en stopt RVO.nl met het beheren van de soortenstandaards. Omdat de soortenstandaards veel nuttige informatie bevatten en een
Samenhang met andere instrumenten
belangrijk hulpmiddel zijn bij het bepalen van de effecten van een ingreep op een soort en met welke
Het kennisdocument werkt op deze wijze nader uit wat getoond wordt in de
maatregelen deze effecten kunnen worden verminderd of voorkomen, hebben de provincies gezamenlijk
Maatregelenindicator Soorten
besloten de kennis van de soortenstandaards overeind te willen houden. Daartoe heeft BIJ12 opdracht
(http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatormaatregelen. aspx?subj=soorten). Deze
gekregen van het Interprovinciaal Overleg (IPO) het beheer van de soortenstandaards over te nemen.
indicator is een internetapplicatie die snel een eerste inzicht verstrekt in mogelijke maatregelen. De maatregelen zijn gebaseerd op de activiteiten zoals deze in de WABO (per 2019 de omgevingswet) en
In het kader van deze overname is het uiterlijk van de soortenstandaard aangepast naar een BIJ12-
waterwet worden onderscheiden.
format, de naam soortenstandaard gewijzigd in kennisdocument en zijn beleidskeuzes uit de documenten verwijderd. Dat laatste was nodig vanwege de decentralisatie van het bevoegd gezag en
Vragen of reageren
de vrijheid die iedere Provincie heeft met de invulling van haar eigen natuurbeleid. Daarmee is het
Bij het ontwikkelen en actueel houden van de kennisdocumenten, gecoördineerd vanuit BIJ12, wordt
voor u liggende document een algemeen kennisdocument geworden waarin beleidsneutrale informatie
gebruik gemaakt van de ecologische en juridische expertise van verschillende deskundigen. Ondanks
staat over de soort. Zowel de provincies als RVO.nl hebben input geleverd bij de omvorming van de
de zorgvuldige wijze waarop de voormalige soortenstandaards en huidige kennisdocumenten zijn
soortenstandaard tot kennisdocument. De opbouw van het kennisdocument is gelijk gebleven aan die
samengesteld, zullen zich in de praktijk toch nieuwe situaties voordoen, zullen andere ervaringen worden
van de soortenstandaard. Voor juridische aspecten wordt verwezen naar het juridisch kader behorende
opgedaan of worden er andere oplossingen aangereikt. Deze informatie en de ervaringen met het gebruik
bij de kennisdocumenten en naar de websites van de diverse provincies alwaar de beleidsregels en
van de kennisdocumenten nemen we graag mee voor een volgende versie van dit kennisdocument.
verordeningen zijn te vinden ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen.
Heeft u verbetersuggesties of aanvullende informatie? Stuur ons een e-mail naar info@bij12.nl. Heeft u specifieke inhoudelijke vragen met betrekking tot de uitvoering van de wet of beoordeling van een
Wat kunnen de twee hoofddoelgroepen ermee?
aanvraag, dan dient u contact op te nemen met de desbetreffende provincie en in enkele situaties met
Initiatiefnemers
RVO.nl.
Een initiatiefnemer, of diens ecologisch adviseur, kan deze informatie -in combinatie met andere informatie- gebruiken bij het invulling geven aan onder andere het zorgvuldig handelen, de zorgplicht, het onderbouwen van maatregelen voor een ontheffingsaanvraag, het voorkomen van een overtreding, het behoud van de functionaliteit van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen en zo bijdragen aan het behoud van een goede staat van instandhouding van de betreffende soort. Tevens kan deze informatie bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in de benodigde onderzoeks- en uitvoeringsinspanning om aan deze doelen te kunnen voldoen. In het geval dat er maatregelen worden uitgevoerd waardoor er geen overtreding op treedt, is er geen ontheffing van het bevoegd gezag noodzakelijk. Het is de keuze en verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer zelf om deze maatregelen te formuleren en uit te voeren ter voorkoming van een overtreding. Indien er wel een verbodsbepaling wordt overtreden, dient er altijd een ontheffingsaanvraag te worden ingediend. Bevoegde gezagen Het bevoegd gezag dat moet oordelen over ontheffingsverzoeken of afgifte van een verklaring van geen bedenkingen of betrokken is bij handhaving, kan informatie uit het kennisdocument gebruiken bij haar beoordeling.
De informatie is generiek van aard en het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager hoe hij deze informatie gebruikt in een concreet geval. Vaak is immers meer informatie nodig over de betreffende activiteit en over de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied (werklocatie), om vast te kunnen stellen welke maatregelen in een concreet geval nodig zijn. Ook de aard van de activiteit, de duur van het effect en het schaalniveau waarop de activiteit wordt uitgevoerd, kunnen
4
van invloed zijn op de omvang van de schadelijke effecten die de activiteit kan hebben op beschermde
5
Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017
1 De huismus
Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies
Jongen eten in de eerste twee weken van hun leven eerst voornamelijk zacht eiwitrijk voedsel bestaande uit insecten zoals bladluizen, (dans)muggen, vliegen, vliegmieren, gaasvliegen, rupsen en zelfs spinnen. Naarmate de jongen in die
1.1 Soortkenmerken
periode groeien, wordt dit dieet geleidelijk aangevuld met plantaardig voedsel. De jongen worden
De huismus is 14 tot 16 centimeter lang en weegt maximaal circa 35 gram. Het mannetje en vrouwtje
gevoerd tot een week of twee na het uitvliegen en dan is het voedsel hetzelfde als die van een volwassen
verschillen van uiterlijk. Het mannetje heeft een grijze kruin, een zwarte oogstreep, een witte stip achter
huismus.
het oog, een zwarte bef tot op de bovenborst, roodbruine, zwartgestreepte bovendelen en vleugels en een opvallende witte vleugelstreep. Het vrouwtje heeft licht bruine bovendelen met een grijze waas en
Het voedsel wordt gezocht op plaatsen zonder of met korte vegetatie, zoals wegbermen, erven en tuinen.
donkerbruine strepen, een effen lichte borst en eenkleurig grijze onderdelen met een beige teint.
Essentieel is dat er continu betrouwbare, voedselbronnen beschikbaar zijn en dat bij die voedselbronnen voldoende dekking is. In het stedelijk gebied is dit vaak in de omgeving van kinderboerderijen, bakkers
De helft van de juveniele huismussen overleeft het eerste half jaar. Deze exemplaren worden meestal
en terrasjes; in het landelijk gebied is dit vaak bij boerderijen en graanverwerkende bedrijven. Ook in
circa 3 à 4 jaar oud, maar er zijn exemplaren bekend tot 10 jaar oud.
bomen, zoals wilg, eik en berk, kunnen huismussen insecten vinden.
1.2 Leefwijze
1.4 Nesten, rustplaatsen en (functionele) leefomgeving
Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing.
Habitat
Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze
De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen
voedselbron moet continu aanwezig zijn.
en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen
Huismussen zijn uitgesproken standvogels, die zich meestal niet meer dan enkele honderden meters
herbergen hogere dichtheden huismussen dan als er geen groen aanwezig is. Hierbij valt te denken aan
van de broedplaats verwijderen. In het broedseizoen blijven ze dichterbij de broedplaats. Huismussen
ruim opgezette wijken met parkjes en tuinen en in dorpen met veel groen en met landbouwgronden in de
zijn sociale dieren: broeden, foerageren, baltsen, stofbaden nemen, slapen en uitzwermen na de
nabijheid.
broedperiode zijn allemaal activiteiten die in groepsverband plaatsvinden. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal elementen, die ook nog eens Huismussen zijn in tegenstelling tot veel andere vogels ’s ochtends rond zonsopkomst nog niet erg actief
binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek
met zingen, wel 1-2 uur na zonsopkomst; aan het eind van de morgen neemt de zangactiviteit weer af. Op
en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken
de gezamenlijke slaapplaatsen en foerageerplaatsen wordt wel volop gekwetterd en getjilpt.
voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de
De broedtijd is meestal van begin april tot en met augustus, maar in maart kan er ook al gebroed
onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt.
worden. Meestal worden 2 tot 3 legsels grootgebracht. De nestbouw begint al in maart. Ook buiten de broedperiode wordt aan het nest gebouwd en wordt het nest ook gebruikt als slaapplaats. Eén succesvol
Verblijfplaatsen en functionele leefomgeving
broedsel per seizoen is niet voldoende om de populatie in stand te houden, daarvoor zijn ook succesvolle
De huismus kent twee typen verblijfplaatsen: de nesten als voortplantingsplaats en altijdgroene struiken
vervolglegsels noodzakelijk. De broedduur bedraagt 12 tot 14 dagen en vervolgens vliegen de jongen na
en klimplanten als rustplaats in de winter.
14 tot 16 dagen uit en worden daarna nog 10 tot 14 dagen door hun ouders gevoed. Huismussen zijn stapelvoedsel voor bijvoorbeeld sperwers. Deze zijn tegenwoordig frequent aanwezig in stedelijke gebieden. Meerdere succesvolle broedsels per jaar zijn ook om deze reden nodig om de huismuspopulatie in stand te houden. Plekken waar voedsel gezocht worden moeten, zeker in gebieden waar predatoren aanwezig zijn, in de directe omgeving van schuil- en vluchtmogelijkheden liggen.
1.3 Voedsel Het voedsel van volwassen huismussen bestaat voornamelijk uit zaden van grassen en onkruiden en wordt aangevuld met insecten en hun larven, bessen en bloemknoppen. In stedelijke omgeving zijn naast het voedselaanbod uit voerdersilo’s broodkruimels en andere voedselresten van mensen en hun huisdieren de belangrijkste voedselbron. Ook wordt er wel grit (kalk!) en kleine hoeveelheden kleine steentjes (bevorderen vertering harde granen) gegeten. In het broedseizoen hebben vrouwtjes voldoende eiwitrijk voedsel nodig om eieren te kunnen leggen.
6
7
Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017
•
Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies
Nesten
•
Niet te veel grote bomen.
Nesten van huismussen zijn in de regel te vinden in of tegen allerlei menselijke bebouwing:
•
Droge, zandige plekken voor het nemen van een zandbad.
onder dakpannen, in neststenen en in kieren en gaten in muren. Ook zijn nesten te vinden
•
Water om te drinken en water om in te baden. Er moet binnen 1 à 2 meter dekking aanwezig zijn om
achter regenpijpen bij al dan niet met klimop begroeide muren en in nestkasten als ook in speciale mussennestkasten zoals vogelvides. Soms maakt de huismus in holten van bomen of
op te drogen. •
Plekken waar kleine steentjes of grit gevonden kan worden
in dichte struiken een nest, maar dat gebeurt alleen als er geen vijanden in de omgeving voorkomen en de hoeveelheid nestgelegenheid een beperkende factor is terwijl er
Dit alles moet bij voorkeur zo dicht mogelijk bij elkaar liggen, maar altijd binnen een straal van 100 à
wel voldoende voedsel aanwezig is. Als geschikte holtes en beschutte plaatsen schaars
200 meter rond de plek waar gebroed wordt (figuur 1). Deze elementen moeten op meerdere plekken
zijn kunnen huismussen vrij hangende, bolvormige nesten in bomen bouwen. Boomnesten
aanwezig zijn binnen die straal.
worden in Nederland echter maar zelden waargenomen. Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen. Binnen enkele meters van de nestplaats moet dekking aanwezig
Figuur 1: Schematische voorstelling van het functionele leefgebied dat hoort bij de nesten (rood), en van de rustplaatsen
zijn voor de jongen als ze uitvliegen en voor de ouders voordat ze naar het nest vliegen om de
(oranje) van de huismus. In het leefgebied (groen) zijn onderdelen van het landschap niet geschikt als bijvoorbeeld
jongen te voeren.
foerageergebied of slaapplek (witte delen). Ze horen daarom niet tot het functionele leefgebied.
De huismus is zeer honkvast. Hij blijft het gehele jaar in de buurt van zijn eenmaal gekozen nest. Huismussen gebruiken het nest zelf ook het gehele jaar door. In de periode begin april tot en met augustus worden er 2 à 3 legsels per seizoen gelegd in het nest. Voorafgaand aan het broeden slapen vrouwtjes al op het nest. Tijdens strenge koude wordt het nest ook in de winter gebruikt voor overnachting. In het najaar begint de huismus al weer met het naar het nest toe slepen van nestmateriaal, waarschijnlijk ook voor bekleding van het door de jongen vervuilde nest. Huismussen zijn, als dat noodzakelijk is, in staat om nieuwe nestplekken te accepteren. Dit kunnen ze doen als ze een nieuwe partner hebben gevonden. Ook als nestgelegenheid de beperkende factor is geworden, kunnen ze nieuw aanbod (bijvoorbeeld vogelvides) gaan bewonen. •
Winterverblijfplaatsen De huismus gebruikt ’s winters vooral altijd groenblijvende struiken of gevelbegroeiing als plekken om (gezamenlijk) de nacht door te brengen, maar zijn dan ook wel onder dakpannen of in gebouwen te vinden.
Migratie Migratie is de seizoensgebonden beweging heen en terug tussen delen van het leefgebied. De huismus
De functionele leefomgeving van een nest en rustplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om
volgt geen specifieke vaste migratieroutes om van bijvoorbeeld de nestplaats naar het foerageergebied
ze als zodanig te laten functioneren. Een nest kan alleen dan succesvol functioneren als zodanig, als er
te gaan.
voldoende habitat van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen moet er plaats kunnen vinden.
Dispersie Dispersie is de ongerichte verspreiding of het uitzwerven van een individu dat op zoek is naar een
De functionele leefomgeving van een nest en een rustplaats moet idealiter het volgende leveren:
vestigingsplaats. Vaak betreft het juvenielen of subadulten die als ze zelfstandig zijn geworden op zoek
•
Er moet continu voedsel te vinden zijn. Bij de plekken waar voedsel gezocht wordt moet in de
zijn naar een nieuw leefgebied, maar dispersie kan ook optreden bij volwassen dieren. Dispersie vindt
directe omgeving (binnen 5 à 10 meter; bij aanwezigheid van predatoren dichterbij) dekking
bij de huismus over kleine afstanden plaats: (her)kolonisatie van geschikt habitat vindt alleen plaats
aanwezig zijn. De dekking bestaat uit stekelige struiken, begroeide gevels of schuttingen,
direct aangrenzend aan gebieden waar de huismus al aanwezig is. Juvenielen vormen in de (na)zomer
groenblijvende begroeiingen zoals klimop.
grote zwermen en gaan rondzwermen. Eerst in de buurt van de kolonie, later trekken ze verder weg. In
Voldoende inheems groen en enkele grote bomen als leverancier van eiwitrijk voedsel (kleine
het stedelijk gebied blijven de meeste jonge dieren binnen 1,5 à 2 kilometer van de nestplaats waar ze
zachte insecten, larven, rupsen) voor de jongen. Deze elementen moeten binnen 50 meter van de
opgegroeid zijn. In het landelijk gebied vestigen ze zich tot 4 à 5 kilometer van de nestplaats waar ze
nestplaats te vinden zijn.
opgegroeid zijn. Als er voldoende geschikte nestplaatsen in de directe omgeving van de opgroeiplek
Altijd groenblijvende planten in hagen, gevelbegroeiing of plekken onder daken te gebruiken
beschikbaar en vrij zijn, blijven de jongen dichter bij de opgroeiplek. Adulte huismussen trekken niet
als collectieve slaapplek (en tevens voor dekking) voor mannetjes, ongepaarde vrouwtjes en
verder dan één kilometer weg als ze op zoek moeten naar een nieuwe nestplaats.
•
•
8
juvenielen.
9
Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017
Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies
1.5 Verspreiding en aantalsontwikkeling
Figuur 3: Twee praktijkvoorbeelden van de aanwezige dichtheidsverschillen in een gebied op basis van een
Huismussen worden nagenoeg overal in Nederland aangetroffen waar geschikt broedgebied aanwezig
gebiedsdekkende inventarisatie (Mostert & Vastenhouw, 2007).
is (figuur 2). Hij ontbreekt in gebieden met weinig bebouwing zoals grote delen van de Veluwe, het Lauwersmeergebied en grote delen van de meeste Waddeneilanden (Texel uitgezonderd). De huismus vermijdt bossen. De hoogste dichtheden komen voor in min of meer kleinschalig cultuurlandschap met verspreide bebouwing, vooral op de hoge gronden. Er is daarbij een duidelijke relatie tussen bewoning van mensen, kippen en ander vee en het voorkomen van de huismus. Figuur 2: Relatieve broedvogeldichtheid van de huismus per vierkante kilometer (bron: Atlas van de Nederlandse Broedvogels, 2002. SOVON).
Ooit was de huismus de meest algemene broedvogel van Nederland. De soort is de laatste decennia om onbekende reden in aantal vrij hard achteruitgegaan. Begin jaren tachtig van de 20e eeuw begon de afname, die in de beginjaren negentig versnelde. Dit heeft geresulteerd in een landelijke afname van meer dan 50% van het aantal broedparen. Vermoedelijk is één van de oorzaken de afname van broedgelegenheid, onder andere door renovatie en isolatie van oude woningen, en dit in combinatie met een afgenomen voedselaanbod, minder dekking en een toename aan predatie. Ondanks dat de oppervlakte stedelijk gebied en het aantal huizen groter geworden is in Nederland, is de huismus in aantal afgenomen. Het aantal geschikte nestplaatsen in nieuwbouwwijken is in vergelijking met oude bebouwingsvormen veel lager. De broedmogelijkheden in nieuwbouwwijken worden beperkt door een veranderde bouwstijl. Zo is bij de tegenwoordig gangbare daken de ruimte bij de onderste rij dakpannen ontoegankelijk gemaakt voor huismussen. De kaart uit figuur 2 geeft een indicatie van de mogelijke aanwezigheid van huismussen in een bepaald gebied. Dichtheidsnuances komen redelijk goed overeen met menselijke bewonersaantallen. Zo liggen
Niet overal neemt de huismus af (figuur 4). In het landelijk gebied van hoog Nederland zijn de aantallen
in Nederland de dichtheid in steden bijna twee keer zo hoog als op het platteland. Binnen de bebouwde
huismussen stabiel. In het stedelijk gebied neemt hij nog steeds af. Mogelijk dat binnen het landelijk
kom spelen kwantiteit en kwaliteit van het groen een rol. Hoge dichtheden worden gevonden in wijken
gebied nog onderscheid gemaakt kan worden tussen kleinstedelijke gebieden en dorpen enerzijds
waarvan 1/3 à ½ ingenomen wordt door groen, maar als er veel of alleen hoge bomen in een wijk staan
(stabiel) en het overige landelijke gebied anderzijds (na een eerdere afname tegenwoordig stabilisatie).
worden de dichtheden lager. Dichtheden van huismussen kunnen op korte afstand sterk verschillen (figuur 3). Overigens ontbreken in sommige delen van grote steden huismussen geheel.
10
11
Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017
Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies
Figuur 4: Trend van de huismus in BMP (Broedvogel Monitoring Project) en MUS (Meetnet Urbane Soorten). BMP stedelijk
Sinds de eeuwwisseling lijkt de broedpopulatie zich te herstellen; het is nog onduidelijk of dit een
voor 2007 minder betrouwbaar; MUS is in 2007 gestart (bron: Sovon).
structureel herstel is of dat het een tijdelijke opleving betreft. Met de start van het Meetnet Urbane Soorten (MUS-project; figuur 5) door Sovon in 2007 komt er meer informatie beschikbaar om trends met meer zekerheid te bepalen.
1.6 Populaties Huismussen zijn sociale vogels en leven in groepen. Ze broeden in losse kolonies van enkele paren tot soms wel veertig tot honderd nesten. De grotere kolonies hebben in de regel een beter broedresultaat dan de kleinere kolonies. De kolonies kunnen worden gezien als (deel)populaties. Omdat juist in het broedseizoen het sterftecijfer onder volwassen vogels hoog is, worden regelmatig nieuwe paren gevormd. Niet alle volwassen dieren broeden en vanuit het overschot aan ongepaarde dieren worden opengevallen broedplaatsen weer snel aangevuld. Kolonies mogen niet te ver uit elkaar liggen vanwege de geringe afstand die huismussen afleggen. Geïsoleerde populaties van minder dan 10 paar zullen in de regel verdwijnen (zie figuur 6). Deze kleine kolonies hebben een te gering broedsucces om te zorgen voor voldoende aanwas en sterven daardoor uit tenzij er voldoende toestroom van exemplaren kan zijn vanuit andere kolonies (die dus voldoende broedsucces moeten hebben en zich niet te veraf mogen bevinden). Kolonies met tussen de 10 en 25 paar hebben een wisselend succes van overleving. Kolonies groter dan 25 paar kunnen zichzelf in stand houden en er kan in dat geval ook dispersie naar kleinere kolonies in de omgeving plaatsvinden. Figuur 5: Gemiddeld aantal Huismus per telpunt in ’s Gravenhage en Arnhem in MUS 2007-2014. Opvallend verschil tussen
Figuur 6: Zie tekst in figuur (bron: Vogelbescherming Nederland, 2008).
twee grote steden (bron: Sovon).
12
13
Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017
Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies
Kolonies bij kinderboerderijen, maneges, dierentuinen, terrasjes, stations en dergelijke zijn vaak de
2 Benodigd ecologisch onderzoek
laatste bolwerken in het stedelijk gebied. Behoud van deze bolwerken is essentieel voor het behoud van de huismus. Rond deze bolwerken bevinden zich vaak andere deelkolonies.
2.1 Inleiding Om te weten of er sprake is of kan zijn van een overtreding van één of meer van de verbodsbepalingen van de soortbescherming in de natuurwetgeving is het nodig om onderzoek te doen. Hoeveel en welk onderzoek nodig is, is afhankelijk van de uit te voeren activiteiten en de effecten die gaan optreden op beschermde natuurwaarden. U kunt hierbij mede gebruik maken van de effectenindicator soorten waarbij gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna NDFF worden gebruikt (https://www. synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorsoorten2016.aspx?subj=soorten). Er moet een goede documentatie zijn van wanneer, hoe en door wie het onderzoek uitgevoerd is, en wat de resultaten ervan zijn. Deze documentatie is altijd van belang, ongeacht of er uiteindelijk wel of niet een aanvraag voor een ontheffing of verklaring van geen bedenkingen wordt gedaan. In paragraaf 2.2 wordt beschreven op welke wijze de aan- of afwezigheid van huismussen kan worden bepaald. Ook staat hier op welke wijze bepaald kan worden welke functies het gebied voor de huismus vervult en hoe bepaald kan worden hoe groot de populatie ter plekke is. In paragraaf 2.3 staat beschreven hoe de effecten op de huismus bepaald kunnen worden.