1.4 Bijlage 4 toelichting flora en fauna onderzoek Dieperskant 11
Tekst van het document
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp
1
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp Status: Concept In opdracht van: Dhr. Gertjan van den Elsen Morschehoef 7 5469 SM Erp Contactpersoon: Dhr. Guido Bosmans Crijns rentmeesters bv Uitgevoerd door: Lomans Ecoworks Boerenkamplaan 75 5712 AB Someren Veldwerk: M. Lomans Rapportage: M. Lomans Projectnr: 2003 Datum: 12-02-2020
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de huidige natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Lomans Ecoworks accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Lomans Ecoworks uitgevoerde onderzoek neemt.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
2
Inhoud 1. INLEIDING ...............................................................................................................................3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................3 1.2 Kader van het onderzoek. .....................................................................................................3 1.3 Doelstelling onderzoek ..........................................................................................................3 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED....................................................................................................4 2.1 Ligging en beschrijving plangebied.........................................................................................4 2.2 Huidig gebruik en beoogde ontwikkeling ...............................................................................5 2.3 Foto- impressie plangebied....................................................................................................6 3. WERKWIJZE ............................................................................................................................7 4.
NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND .................................................................................8 4.1 Soortenbescherming .............................................................................................................8 4.2 Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 11 4.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 12 5. RESULTATEN ONDERZOEK SOORTENBESCHERMING............................................................. 13 5.1 Flora .................................................................................................................................... 13 5.2 Vogels ................................................................................................................................. 13 5.3 Landzoogdieren grondgebonden ......................................................................................... 16 5.4 Vleermuizen ........................................................................................................................ 17 5.5 Ongewervelden ...................................................................................................................
18 5.6 Vissen, reptielen en amfibieën............................................................................................. 19 6. RESULTATEN ONDERZOEK GEBIEDSBESCHERMING .............................................................. 20 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................................ 20 6.2 Natuurnetwerk Brabant/ Ecologische hoofdstructuur .......................................................... 21 6.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 21 7. SAMENVATTING EN CONCLUSIE ........................................................................................... 22 8. AANBEVELINGEN .................................................................................................................. 23 9. GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................. 24 10. TOELICHTING NADER ONDERZOEK VLEERMUIZEN EN MITIGATIEPLAN HUISMUSSEN ........ 25 Bijlage 1. Beschermde soorten Vogelrichtlijn Bijlage 2. Beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage 3. Beschermde soorten Provincie Noord- Brabant, ‘Andere soorten’ Bijlage 4. Vrijgestelde soorten
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
3
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Initiatiefnemer heeft het voornemen om de locatie Dieperskant 11 in Erp, gemeente Meierijstad, te herontwikkelen. Daarvoor wordt het geldende bestemmingsplan herzien. Ten behoeve van de onderbouwing voor het nieuwe bestemmingsplan dient een Quickscan Flora en fauna (een verkennende natuurtoets) uitgevoerd te worden. Aan Lomans Ecoworks is door de initiatiefnemer opdracht verleend tot het uitvoeren van deze quickscan.
1.2
Kader van het onderzoek
Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming: o Soortenbescherming o Gebiedsbescherming o Houtopstanden • Provinciale verordening: o Natuurnetwerk Nederland (NNN) • Gemeentelijke regelgeving: o APV bomenkap
1.3
Doelstelling onderzoek
Middels dit verkennende onderzoek wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. En op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Indien de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten, leidt de quickscan tot aanbeveling voor vervolgstappen om te voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
4
2.
BESCHRIJVING PLANGEBIED
2.1
Ligging en beschrijving plangebied
Het plangebied ligt op ca. 1,5 kilometer ten zuidoosten van Erp gemeente Meierijstad, in het agrarische buitengebied. De GPS coördinaten in het midden van het plangebied zijn X: 169575, Y: 399576. Aan de noord- en de oostzijde grenst het plangebied aan agrarische percelen. Ten zuiden ligt de weg Dieperskant met tegenoverliggende intensieve veehouderijen en ten westen bevindt zich een woonboerderij in een groene omgeving. Aan de zuid- en de westzijde is het perceel omringd met een watervoerende greppel van het type dat het hele jaar door water bevat. De bebouwing in het plangebied bestaat uit een bedrijfswoning met bijgebouw, een open veldschuur, twee stallen ten behoeve van de intensieve varkenshouderij, een mestsilo en een vervallen schapenstalletje. Het erf tussen de bedrijfsgebouwen is verhard met beton, betonklinkers en bitumen. Rondom de stallen en ten zuiden van de bedrijfswoning bevinden zich graslandperceeltjes. Er is opgaand groen aanwezig in de vorm van een rij van drie zomereiken en een els ten westen van de varkensstallen, een laan met volwassen essen langs de halfverharde toegangsweg tot de bedrijfswoning, en een drietal berken nabij het voormalige schapenstalletje.
Figuur 1. Globale begrenzing (geel) plangebied Dieperskant 11 in Erp. Bron: Google Earth.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
5 2.2
Huidig gebruik en beoogde ontwikkeling
Momenteel zijn de varkensstallen nog in gebruik ten behoeve van de intensieve varkenshouderij, de bedrijfswoning is bewoond en het bijgebouw is in gebruik als opslagruimte. De beoogde ontwikkeling betreft de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Het agrarische bedrijf wordt gesaneerd en de bedrijfswoning wordt herbouwd. Na de sanering worden op het achtererf twee Ruimte voor Ruimte woningen gerealiseerd. Daarna zal het plangebied landschappelijk worden ingepast met streekeigen groen en wordt een waterpartij/poel aangelegd in de zuidwesthoek van het plangebied.
Figuur 2. Situatieschets beoogde ontwikkeling Dieperskant 11 te Erp. Bron: Crijns Rentmeesters.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
6 2.3
Foto- impressie plangebied
Zicht op het plangebied vanuit de Dieperskant op de te slopen bedrijfswoning en veldschuur. Op de rechterfoto het te slopen bijgebouw achter de bedrijfswoning.
Te slopen veldschuur en de meest westelijke varkensstal met te behouden bomenrij.
Te slopen oostelijke varkensstal en een kijkje binnen de stal.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
7
3.
WERKWIJZE
De quickscan bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en een biotoopgeschiktheidsbeoordeling.
Bronnenonderzoek In het kader van de quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving en gebiedsgerichte bescherming. Voor het soortenonderzoek is o.a. gebruik gemaakt van actuele verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), diverse verspreidingsatlassen en kennisdocumenten. De bron van de NDFF gegevens die in deze rapportage worden vermeld betreft: NDFF - quickscanhulp.nl 02-02-2020 15:52:34. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (EHS). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant.
Veldbezoek Er heeft een veldbezoek plaatsgevonden op 5 februari in de voormiddag. Het weer was half bewolkt met een zwakke westenwind bij een temperatuur van 6°C. Daarbij zijn de aanwezige biotopen in het plangebied en directe omgeving opgenomen. Bij de biotoopgeschiktheidsbeoordeling worden de aangetroffen biotopen tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF vergeleken met de habitatvereisten van beschermde soorten, waarop ingeschat kan worden welke soorten er potentieel voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.
Opmerking: De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de plangebied en directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
8
4.
NATUURBESCHERMING IN NEDERLAND
Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming staat in het teken van verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in Soortenbescherming en Gebiedsbescherming.
4.1
SOORTENBESCHERMING
Beschermingsniveaus De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Europa in het wild levende vogels worden beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Soorten worden Europees beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Het derde beschermingsregime betreft: ‘Andere soorten,’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het zwaarst beschermingsregime gelden voor de Europees beschermde soorten welke vallen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en worden hier als strikt beschermd aangeduid. Voor nationaal beschermde soorten ‘Andere soorten’ geldt een zwakker beschermingsregime en kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Van de soorten die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. (met uitzondering van exoten die hier ook kunnen broeden).
Op alle vogels is het beschermingsregime van § 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De Europees beschermde soorten bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De ‘andere’ nationale soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10 en 3.11. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst. Op deze soorten (zie bijlage 3), is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
9 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun Natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Tabel 1. Overzicht beschermingsregime met verbodsbepalingen Wet natuurbescherming.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
10 Jaarrond beschermde verblijfplaatsen Naast soorten beschermt de Wet Natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. (zie bijlage 1 en 2) Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Ook hier zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek. In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover voor deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Ontheffingsplicht en vrijstelling Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen.
Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode, door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Toetsing Elke categorie beschermde soorten kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Voor de drie categorieën beschermde soorten moeten de effecten op populatieniveau worden getoetst. Daarbij dient de staat van instandhouding van de gehele populatie in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna. Zorgplicht De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. Dit is de waarde die de plant of dier in zichzelf heeft. De waarde die wordt gehecht aan kwaliteiten van een soort, ongeacht de waarde die soort heeft voor mensen.
Artikel 1.11 van de Wnb stelt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om zodoende die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
11 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort nodig onder de Wet natuurbescherming. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.
4.2
GEBIEDSBESCHERMING
De gebiedenbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden • •
Gebieden die op Europees niveau beschermd zijn en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands) en vallen onder de noemer Natura 2000- gebieden. Planologisch beschermde natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (EHS). In de provincie NoordBrabant geheten; Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Natura 2000 Natura 2000- gebieden betreffen gebieden van grote ecologische waarde. In Nederland zijn 164 Natura 2000- gebieden aangewezen. Per Natura 2000- gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Iedereen die vermoedt, of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000- gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000- doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend indien er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Natuurnetwerk Nederland De natuurgebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland vormen door hun onderlinge verbindingen een samenhangend ecologisch netwerk. Het Natuurnetwerk Nederland is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) waarvan de naam de EHS nog in de wetgeving verankerd is.
De beleidsmatige bescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Verordening Ruimte 2017. In de provincie Noord- Brabant (Natuurnetwerk Brabant) bestaat het Natuurnetwerk Nederland uit de Rijks EHS en de provinciale EHS. In de Verordening ruimte wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen de Rijks- en de provinciale EHS. Provincies kunnen zelf bepalen welke gebieden beschermd worden via het provinciaal beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle mogelijke effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De bescherming van NNNgebieden verloopt via het ruimtelijk ordeningsrecht Barro (bestemmingsplannen) en niet via natuurwetgeving.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
12
4.3
BESCHERMING VAN HOUTOPSTANDEN
Bos valt onder de Wet natuurbescherming als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft, uit meer dan 20 bomen bestaat. Alleen als bos buiten de bebouwde kom ligt, valt het onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet. Bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden zijn uitgezonderd van de meldingsplicht. Verder is in de Wet natuurbescherming ruimte gecreëerd voor vellen voor de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd van de meld- en herplantplicht indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd. De uitzondering van de oude Boswet voor Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen gaat onder de Wet natuurbescherming niet meer op. De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod.
De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Meldingsplicht Wanneer een boseigenaar voornemens is om een houtopstand die onder de Wet Natuurbescherming valt, te gaan vellen dan moet hij dit voornemen minstens een maand van te voren melden bij Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie. (art. 4.2 Wnb). Herplantplicht De eigenaar van grond waarop een houtopstand is geveld, of op andere wijze teniet is gegaan, is verplicht binnen drie jaar te herplanten. (art. 4.2 Wnb). Het is niet van belang hoe het bos is ontstaan of in welke staat het verkeerde. Wanneer de herplant niet aanslaat, moet binnen drie jaar daarna de herplant worden vervangen. Er geldt een algehele vrijstelling voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Kapverbod In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten een kapverbod opleggen wanneer het natuurof landschapsschoon ernstig in gevaar is. In de praktijk gebeurt dat slecht af en toe, zoals in gevallen waarbij het om zeer oude bomen of buitengewoon waardevolle boomgemeenschappen gaat.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
13
5.
RESULTATEN ONDERZOEK SOORTENBESCHERMING
De aangetroffen soorten en het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied wordt beschreven. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1
FLORA
Voorkomen Het plangebied bestaat uit een bedrijfswoning met bijgebouwen en een tweetal varkensstallen. Het erf tussen de stallen en de bedrijfswoning is geheel verhard en omringd met bemeste en periodiek gemaaide graslandperceeltjes. De directe omgeving bestaat uit sterk bemeste agrarische percelen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Enkel algemene soorten van verstoorde en bemeste bodem tussen de betonklinkers en gaten in de erfverharding werden aangetroffen zoals paarse dovenetel, grote brandnetel, vogelmuur, paardenbloem en muursla. Volgens gegevens uit het NDFF komt binnen een straal van één kilometer kruipend moerasscherm (§ 3.2 Wnb) voor. Groeiplaatsen van kruipend moerasscherm bevinden zich op zonnige, open plekken op natte, matig voedselarme zwak zure veen- of kleibodems die ’s winters overstromen. Dit soort biotopen komen niet voor binnen het plangebied. Plantensoorten die op de lijsten vermeld staan van de strikt beschermde plantensoorten van de Habitatrichtlijn en provinciaal beschermde soorten worden niet verwacht. Voor dergelijke soorten, die veelal specifieke eisen stellen aan hun leefomgeving, ontbreken geschikte biotopen in het plangebied. Conclusie In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig en worden gezien de aanwezige biotopen ook niet verwacht.
5.2
VOGELS
In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’ (zie bijlage 1). Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. Voorkomen Categorie 1-4 vaste verblijfplaatsen in gebouwen Uit deze zwaarste beschermingscategorie zijn in het plangebied mogelijk een aantal soorten aanwezig die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk zijn van bebouwing. Binnen een straal van één kilometer vermelden de NDFF gegevens enkele vogels voor met jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen als gierzwaluw, kerkuil, steenuil en huismus. Voor gierzwaluwen zijn geen broedplekken door het ontbreken van geschikte steile pannendaken met spleten, kieren of losliggende pannen.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
14 Er is uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of ruiveren onder mogelijke roestplekken in de open veldschuur. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Huismus Onder enkele dakpannen aan de oostzijde van de bedrijfswoning zijn twee nesten van huismussen aangetroffen. Opvallend is dat binnen het plangebied geschikte groenstructuren zoals hagen, groenblijvende en of stekelige struiken etc. geheel afwezig zijn. Dit zijn voor de huismus noodzakelijke elementen die behoren tot hun functionele leefgebied en vaak te vinden zijn in de directe omgeving van een nestlocatie.
Figuur 3. Aangetroffen huismussennesten in de te slopen bedrijfswoning. In het plangebied zelf is geen huismussenactiviteit waargenomen, wel zijn huismussen luid kwetterend gehoord in de groene omgeving nabij het agrarische bedrijf ten zuiden van het plangebied. Zeer aannemelijk is, dat zich hier de overige delen van het functionele leefgebied van de huismus bevinden als dekkingsmogelijkheden, foerageerplekken etc. De nesten van huismussen zijn jaarrond beschermd. De Wet natuurbescherming verbiedt om huismussen opzettelijk te verwonden, te doden, of hun nesten te beschadigen of weg te nemen. Met de voorgenomen sloop van de bedrijfswoning gaan vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen verloren en worden mogelijk verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden. Daarvoor dienen mitigerende (verzachtende) maatregelen te worden genomen ter voorkoming van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb en instandhouding van de nesten. Categorie 1-4 vaste verblijfplaatsen in bomen Volgens gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen op een afstand van minder dan één kilometer uit deze categorie o.a. boomvalk, buizerd, wespendief, havik en ransuil voor. Alle genoemde roofvogelsoorten vinden leefgebied in de vochtige bossen nabij het hoog- en laagveengebied ‘De Roost’ op een kleine honderd meter ten noorden van het plangebied.
Tijdens het veldbezoek werd een buizerd vanuit het plangebied nabij het natuurgebied waargenomen. Binnen het plangebied is geen geschikt leefgebied voor genoemde vogels met jaarrond beschermde nesten door het ontbreken van geschikt broedhabitat en foerageergebied. Ook voor de ransuil die broedt in oude kraaien- of eksternesten en bij voorkeur roestplaatsen onderhoud in naaldbomen, ontbreekt geschikte nestgelegenheid. In het plangebied zijn geen beschermde nesten uit categorie 1-4 aanwezig, en worden ook niet verwacht.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
15 Vaste rust- en verblijfplaatsen categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zo zeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Tijdens het veldbezoek zijn twee oude nesten van waarschijnlijk holenduif en een nestje van winterkoninkje in de veldschuur aangetroffen. In een brede muurspleet was een onbekend nestje aanwezig. Verder is in het plangebied weinig geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden.
Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen en een waterpartij zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen. Conclusie Jaarrond beschermde verblijfplaatsen in gebouwen Onder de dakpannen aan de oostzijde van de bedrijfswoning zijn enkele huismussennesten aanwezig. Met de sloop van het woonhuis gaan vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen verloren en worden mogelijk verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden. Er wordt een mitigatieplan opgesteld met maatregelen ter instandhouding van het functionele leefgebied waardoor overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb wordt voorkomen en een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk is. Jaarrond beschermde verblijfplaatsen in bomen In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten in bomen aanwezig. Voor de meeste vogels met jaarrond beschermde nesten ontbreekt geschikt broedhabitat en jachtgebied. Alle opgaand groen in het plangebied blijft gehandhaafd en in het nieuwe plan zullen groenstructuren worden toegevoegd. Overige Vogelrichtlijnsoorten Tijdens het veldbezoek werden enkele soorten waargenomen uit deze categorie als kraai, merel en houtduif.
De robuuste landschappelijke inpassing in het nieuwe plan met bij voorkeur inheemse soorten en de aanleg van de waterpartij zullen bijdragen aan een toenemende nest- en foerageergelegenheid voor algemene vogelrichtlijnsoorten. Met betrekking tot de geplande sloopwerkzaamheden dient te worden voorkomen dat broedende vogels worden verstoord in het plangebied en directe omgeving. De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, (broedseizoen is globaal van half maart – half juli), of wanneer vooraf door een terzake deskundige is vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Op deze wijze worden negatieve effecten ten aanzien van broedende vogels voorkomen.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
16 5.3
LANDZOOGDIEREN GRONDGEBONDEN
Voorkomen Jaarrond beschermde verblijfplaatsen Volgens bronnenonderzoek komt de eekhoorn, steenmarter en das (§ 3.3 Wnb) voor in de omgeving binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied. Eekhoorn De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. In het plangebied valt weinig te foerageren voor de eekhoorn door het ontbreken van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. De aanwezigheid van de steenmarter verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van de steenmarter. De varkensstallen zijn ontoegankelijk en in de overige gebouwen zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van de steenmarter. Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel zijn in de provincie Noord- Brabant vanaf 1 oktober 2017 beschermd (§ 3.3 Wnb).
Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor kleine marterachtigen ontbreken geheel. Das Het leefgebied van de das is te vinden in kleinschalig weide- of akkerlandschap bij bosranden of houtwallen met voldoende dekking, voedselaanbod en weinig verstoring. Dit type leefgebied is niet aanwezig in het plangebied en directe omgeving. Vrijgestelde soorten Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van vrijgestelde soorten aangetroffen. Er worden wel enkele zoogdieren verwacht die gebruik maken van het plangebied uit de categorie ‘Vrijgestelde soorten’ als konijn, egel, mol en enkele algemene muizensoorten. Conclusie Het voorkomen van beschermde landzoogdieren met vaste verblijfplaatsen kan worden uitgesloten.
In het plangebied en directe omgeving komen verder geen beschermde soorten voor die op de lijsten staan van de Habitatrichtlijn of de ‘Andere soorten’, (provinciaal beschermde soorten) door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Echter de zorgplicht is wel altijd van kracht.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
17 5.4
VLEERMUIZEN
Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in de Europese Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb). Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voorkomen Volgens het cursusdictaat ‘Vleermuizen en planologie’, (Limpens et al 2014), kunnen in dit deel van het land o.a. de volgende soorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis en watervleermuis. Belangrijke vliegroutes en foerageergebied Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. Het is niet uitgesloten dat de bomenlaan met zomereiken aan de Dieperskant fungeert als vaste vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. Ook de aansluitende toegangsweg tot de bedrijfswoning met de rijen essen vormt een ideale geleidende groenstructuur die kan dienen als vliegroute naar mogelijke verblijfplaatsen in de bedrijfswoning.
Het plangebied vormt foerageergebied van redelijke kwaliteit voor vleermuizen. Met de beoogde herontwikkeling blijven alle groenstructuren behouden en worden nadien versterkt door de landschappelijke inpassing. De foerageermogelijkheden voor vleermuizen zullen daarmee verbeteren. Verblijfplaatsen Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. In het plangebied zijn geen bomen met geschikte stamdiameter, holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Alle bomen blijven sowieso behouden. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In de te slopen open veldschuur met golfplaten dak en damwandprofiel gevels zijn geen potenties voor vleermuisverblijfplaatsen. Ook het te slopen bijgebouw met golfplaten dakbedekking zonder dakbeschot en ontoegankelijke spouw is ongeschikt voor vleermuizen. De te slopen varkensstallen zijn opgetrokken uit geheel dichte stenen spouwmuren zonder stootvoegen en gedekt met golfplaten dak met afgedichte ruimtes voorzien van isolatiepanelen of geheel dichtgespoten met purschuim aan de onderzijde. De varkensstallen zijn ongeschikt bevonden als vleermuisverblijfplaats.
De te slopen bedrijfswoning met pannendak, spleten, kieren en andere (ventilatie)openingen biedt mogelijkheden voor vleermuizen om in te verblijven. Conclusie Belangrijke vliegroutes en foerageergebied Mogelijk fungeert de bomenlaan met zomereiken aan de Dieperskant als een vaste vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. Ook de aansluitende toegangsweg tot de bedrijfswoning met de rijen essen vormt een ideale groenstructuur welke als onderdeel van een vliegroute naar een mogelijke verblijfplaats in de bedrijfswoning kan leiden. Deze essenlaan blijft ongewijzigd behouden in het nieuwe plan.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
18
Alle groen blijft gehandhaafd en met de beoogde herontwikkeling zullen nieuwe groenelementen en een poel worden toegevoegd. Dit betekent een versterking van de biodiversiteit ter plaatse. Foerageermogelijkheden voor vleermuizen zullen verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen geschikte holtebomen waarin zich vleermuisverblijfplaatsen kunnen bevinden. In de te slopen bijgebouwen en varkensstallen kunnen vleermuisverblijfplaatsen redelijkerwijs worden uitgesloten. De te slopen bedrijfswoning biedt potenties voor vleermuizen. Mogelijk gaan vleermuisverblijfplaatsen verloren met de sloop van de bedrijfswoning en worden verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden. Een nader onderzoek naar vleermuizen en verblijfsfuncties wordt aanbevolen conform Vleermuisprotocol 2017.
5.5
ONGEWERVELDEN
Voorkomen Vlinders en libellen Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders en/of libellen waargenomen. In deze tijd van het jaar vliegen geen vlinders en libellen. Wel worden in het plangebied enkele algemene vlindersoorten verwacht als klein koolwitje, boomblauwtje en citroenvlinder. Uit bronnenonderzoek blijkt één waarneming van een beschermde libel in de omgeving binnen een kilometer afstand bekend te zijn. Het betreft de gevlekte witsnuitlibel (§ 3.1 Wnb). De gevlekte witsnuitlibel vindt geschikt habitat nabij rijk begroeide wateren zoals in het veengebiedje De Roost op ca. 100 meter ten noorden van het plangebied. De watervoerende greppel welke het plangebied deels omringd is van een ander type en ongeschikt als voortplantingswater voor de gevlekte witsnuitlibel. Verder ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Overige soorten ongewervelden Overige beschermde soorten insecten, hout- en waterkevers zoals vliegend hert, vermiljoenkever of gestreepte waterroofkever zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving.
Ook voor soorten als Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn is in het plangebied geen geschikt habitat aanwezig en zijn ook geen waarnemingen bekend in de omgeving. Conclusie Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde dagvlinders en geen libellen waargenomen. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
19
5.6
VISSEN, REPTIELEN EN AMFIBIEËN
Voorkomen Vissen In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, daarmee kan de aanwezigheid van (beschermde) vissoorten bij voorbaat uitgesloten worden. De watervoerende greppel aan de zuid- en de westzijde blijft ongewijzigd aanwezig in het nieuwe plan. Reptielen Volgens gegevens uit het NFDD komt binnen één kilometer afstand de levendbarende hagedis (§ 3.3 Wnb) voor. De levendbarende hagedis is afhankelijk van bos- en heideterreinen. Dergelijke biotopen ontbreken in het plangebied en directe omgeving. Amfibieën De waarnemingen van Alpenwatersalamander (§ 3.3), kamsalamander, knoflookpad en poelkikker (§ 3.2 Wnb) binnen de afstand van één kilometer van het plangebied hebben zeer waarschijnlijk betrekking op het nabijgelegen natuurgebied De Roost. In het plangebied is geen voortplantingswater of geschikt landhabitat met ruige grasvegetaties, struwelen of vergraafbaar zand aanwezig. Conclusie Beschermde vissoorten, reptielen en amfibieën komen niet voor in het plangebied door het ontbreken van voortplantingswater en geschikt leefgebied. Het plangebied wordt mogelijk benut door bruine kikker en gewone pad als landhabitat. Bruine kikker en gewone pad behoren tot de ‘Vrijgestelde soorten’ waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling geen verbodsbepalingen gelden. Echter de zorgplicht is altijd van kracht.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
20
6.
RESULTATEN ONDERZOEK GEBIEDSBESCHERMING
6.1
Natura 2000
Op het kaartje met beschermde Natura 2000- gebieden op de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is te zien dat de dichtstbijzijnde Natura 2000- gebieden liggen op ruime afstand van het plangebied. Het betreffen resp. de Natura 2000-gebieden ’Kampina en Oisterwijkse vennen op ca. 20 kilometer ten westen, ‘Strabrechtse heide en Beuven’ op ca. 18 kilometer ten zuiden en een snipper hoogveenrestant behorend tot de ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ op 19 kilometer ten zuidoosten.
Figuur 3. Ligging plangebied (blauwe cirkel) t.o.v. Natura 2000- gebied (geel). Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Stikstofdepositie De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de intensieve varkenshouderij, de herbouw van de bedrijfswoning en de realisatie van een tweetal Ruimte voor Ruimte kavels. De sanering van de intensieve varkenshouderij met de daarbij behorende ammoniakemissie en de sloop van de stallen betekent een sterk verminderde milieudruk. Zo zijn o.a. de periodieke verkeersbewegingen van voerleveranciers met zware vrachtwagens niet meer aan de orde. De sloop- en herbouwwerkzaamheden van de bedrijfswoning zullen leiden tot een beperkte en tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal na de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen sprake zijn van een relatief lage uitstoot (hogere isolatiewaarden, hoogrenderende
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
21 stookinstallatie en alles volgens de nieuwste bouweisen voldaan). Wel zal er sprake zijn van een beperkte toename in verkeersbewegingen door toekomstige bewoners. Per saldo wordt in de nieuwe situatie een fikse afname in stikstofuitstoot verwacht. Gelet op de ruime afstand tot beschermde Natura 2000-gebieden kunnen tijdelijke en permanente effecten worden uitgesloten. Natura 2000- overige effecten (licht, geluid, trillingen) Gelet op de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden, kunnen mechanische en optische effecten en geluidsverstoring worden uitgesloten.
6.2
Natuurnetwerk Brabant / Ecologische Hoofdstructuur
Op het kaartje van het Natuurbeheerplan van de provincie Brabant is te zien dat het plangebied ligt op ca. 90 meter ten zuiden van een gebied begrensd als Natuurnetwerk Brabant. Het betreft ‘nog om te vormen landbouwgrond naar natuur’ met beheertype N00.01 met ten oosten aangrenzend het hoog- en laagveenrestant De Roost met natuurtype N14.02 ‘hoog- en laagveenbos’.
Figuur 4. Ligging plangebied (blauwe cirkel) t.o.v. Natuurnetwerk Brabant (lichtgroen vlak) Bron: http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/ In of in de directe nabijheid van een NNB-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNB-gebied. De bestemmingswijziging van agrarisch naar een woonbestemming zal niet leiden tot aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van de omliggende NNB-gebieden. 6.3
Houtopstanden
Het aspect Houtopstanden is niet van toepassing. Met de beoogde ontwikkeling worden geen bomen gekapt. Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
22
7.
SAMENVATTING EN CONCLUSIE (Toetsing aan de Wet natuurbescherming)
BESCHERMDE SOORTEN Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb In de te slopen bedrijfswoning zijn enkele huismussennesten aanwezig onder de dakpannen aan de oostelijke kopgevel. Met de sloop van de bedrijfswoning gaan de jaarrond beschermde nesten verloren en vindt mogelijk overtreding plaats van art. 3.1 lid 2,4 en 5 van de Wet natuurbescherming. Hiervoor dient een mitigatieplan te worden opgesteld conform Kennisdocument Huismus Passer domesticus Versie 1.0, juli 2017 om de functies van de nestlocaties in stand te houden. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Met de herontwikkeling worden meer groenstructuren aangeplant waardoor foerageermogelijkheden worden verbeterd. Mogelijke vliegroutes voor vleermuizen zijn aanwezig in de laanbomenstructuur aan de Dieperskant. Deze blijven ongewijzigd aanwezig. Alle bomen in het plangebied blijven behouden. Het is niet uit te sluiten dat vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de te slopen bedrijfswoning. Een nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen conform Vleermuisprotocol 2017 is noodzakelijk. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied.
Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals bruine kikker, gewone pad, egel en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht.
BESCHERMDE GEBIEDEN Natura 2000- gebied Gezien de aard van de beoogde ontwikkeling en de ruime afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden van gemiddeld 19 kilometer, kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen voor (stikstofgevoelige) habitattypen en leefgebieden van soorten bij voorbaat worden uitgesloten. Natura 2000- overige effecten (licht, geluid, trillingen) Gezien de aard, de omvang en het effectbereik van de sloop- en bouwwerkzaamheden en de ruime afstand tot Natura 2000- gebieden zijn negatieve effecten bij voorbaat uit te sluiten.
Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in of aangrenzend aan een NNB-gebied. Het dichts bijzijnde gebied dat is begrensd als Natuurnetwerk Brabant ligt op ca. 90 meter van het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van aantasting van ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNBgebied.
Houtopstanden Het onderdeel Houtopstanden is niet van toepassing, er worden geen bomen gekapt
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
23
Eindconclusie: • Voor het verwijderen van de nesten van huismussen dient een mitigatieplan te worden opgesteld. • Een nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen wordt aanbevolen. • De aanbevelingen voor ‘Vogels algemeen’ dienen te worden opgevolgd.
8.
AANBEVELINGEN
Vogels algemeen Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Voor de in het plangebied te verwachten vogelsoorten kan dit plaatsvinden door de sloopwerkzaamheden buiten de broedperiode van aanwezige soorten uit te voeren, of wanneer vooraf door een terzake deskundige is vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Op deze wijze worden negatieve effecten ten aanzien van broedende vogels voorkomen. Landschappelijke inpassing Bij de landschappelijke inpassing met groenstructuren worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en struifmeel afhankelijk zijn, op elkaar afgestemd. Een belangrijk verschil met uitheemse soorten die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar.
Deze ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. Natuurinclusief bouwen Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van nest- en vleermuiskasten in de gevels van het nieuwe woningbouwplan. Natuurinclusief bouwen bevorderd de biodiversiteit en ons leefklimaat! Voor meer informatie over natuurinclusief bouwen zie onderstaande websites: www.stadszaken.nl/ruimte/groen/1079/natuurinclusief-bouwen-met-deze-40-punten. www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat-wij-doen/in-de-stad/gemeenten-bedrijvenbouwers/hulp-van-vogelbescherming. www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat-wij-doen/in-de-stad/gemeenten-bedrijvenbouwers/goede-voorbeelden. www.checklistgroenbouwen.nl www.operatiesteenbreek.nl
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
24 Hieronder een paar praktijkvoorbeelden: Links een ingebouwde vleermuiskast, midden de inbouw van neststenen voor gierzwaluwen, rechts een voorbeeld van vogelvide onder de eerste rij pannen.
Ter informatie: Natuurinclusief bouwen is niet verplicht. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen en huismussen verloren geldt wel de verplichting om in het nieuwe bouwplan verblijfplaatsen te integreren.
9.
GERAADPLEEGDE BRONNEN
Literatuur • Broekhuizen, S., K. Spoelstra. J.N.M.Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. • Creemers, R.M.C.& J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. • Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortenbescherming. 11 oktober 2017. Zoogdiervereniging en provincie Noord- Brabant. • Kennisdocument Huismus Passer domesticus Versie 1.0, juli 2017. • Kennisdocument Gewone dwergvleermuis. Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0, juli 2017. • Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie december 2016. • SOVON broedvogelonderzoek Nederland 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. • Veldgids Vleermuizen van Europa, Christian Dietz & Andreas Kiefer 2017. • Vleermuizen en planologie, Cursusdictaat november 2014. Zoogdiervereniging. • Wet natuurbescherming, 16 december 2015, gepubliceerd Staatscourant 19 januari 2016.
Internetsites • www.brabant.nl • www.meijerijstad.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.quickscanhulp.nl
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
25
10.
TOELICHTING: Nader onderzoek vleermuizen en mitigatieplan huismussen
Vleermuizen Geplande ontwikkelingen, effecten op vleermuizen en mogelijk vervolgscenario Het is niet uit te sluiten dat vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn in de te slopen bedrijfswoning. Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd. Tijdens de sloopwerkzaamheden kunnen aanwezige vleermuizen verstoord worden, gewond raken of mogelijk gedood worden. Nader onderzoek is noodzakelijk om de verblijfsfuncties die de woning kan vervullen voor vleermuizen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het Vleermuisprotocol 2017 waarbij in de periode tussen half mei en half september een viertal veldbezoeken plaatsvinden om soorten en functies vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Als de functies van het plangebied voor vleermuizen in beeld gebracht zijn en er negatieve effecten door de sloopwerkzaamheden te verwachten zijn, kunnen passende mitigerende/ compenserende maatregelen voorgesteld worden. Door te nemen maatregelen kunnen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden vermeden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaats deze tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden.
De ecologische functie die het plangebied mogelijk voor de betreffende populatie vervult moet onverminderd blijven bestaan. Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen o.a. de volgende maatregelen nodig zijn: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare perioden. • Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden, ruim voordat de sloop gaat plaatsvinden. • Bij het verdwijnen van een verblijfplaats kunnen inpandige voorzieningen worden gerealiseerd in de nieuwbouw, zodat deze geschikt is voor vleermuizen om in te verblijven. De voorgestelde maatregelen worden opgenomen in een ‘mitigatieplan’. In het mitigatieplan worden maatregelen voorgesteld ter voorkoming van overtreding verbodsbepalingen Wnb en behoud van de functionele leefomgeving. Indien aantoonbaar wordt gewerkt conform Kennisdocument van BIJ12 is een ontheffingsaanvraag/verklaring van geen bedenkingen, niet noodzakelijk.
Huismussen Geplande ontwikkelingen, effecten op huismussen en opstellen mitigatieplan Met de beoogde herontwikkeling wordt bebouwing gesloopt waarin zich huismussennesten bevinden. Nesten van huismussen inclusief hun functionele leefgebied zijn jaarrond beschermd. Tijdens de sloopwerkzaamheden zullen de jaarrond beschermde nesten verloren gaan en worden mogelijk verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Er dient een mitigatieplan te worden opgesteld conform de richtlijnen van het Kennisdocument Huismus (Passer domesticus), BIJ12, versie juli 2017. In het mitigatieplan worden maatregelen voorgesteld ter voorkoming van overtreding verbodsbepalingen Wnb en behoud van de functionele leefomgeving. Indien aantoonbaar wordt gewerkt conform Kennisdocument van BIJ12 is een ontheffingsaanvraag/verklaring van geen bedenkingen, niet noodzakelijk. De volgende maatregelen kunnen o.a. nodig zijn: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare perioden. • Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden, ruim voordat de sloop gaat plaatsvinden. • Bij het verdwijnen van een verblijfplaats kunnen inpandige voorzieningen worden gerealiseerd in de nieuwbouw, zodat deze geschikt is voor huismussen.
Lomans Ecoworks
Quickscan Flora en fauna Dieperskant 11 te Erp.
26
BIJLAGE 1
BESCHERMDE SOORTEN VOGELRICHTLIJN
Onder dit beschermingsregime vallen de Europees beschermde soorten als bedoeld in art 3.1 van de Wnb. Vogels met vaste verblijfplaatsen De Vogelrichtlijn onderscheidt de volgende categorieën beschermde vaste verblijfplaatsen: Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. 1. 2.