07 ARCHIEF DOC-21-388461 - Bijlage Verslagen workshops maatschappelijke organisaties LTA.pdf
Tekst van het document
Oplegger verslaglegging workshops Hieronder volgt de verslaglegging van de workshops met de direct betrokken maatschappelijke organisaties voor het lange termijn accommodatiebeleid(LTA). Na de inwonerenquête zijn de workshops de tweede en tevens laatste stap, in het door de raad vastgestelde, participatieproces van het LTA. Nu wordt zorgvuldig het overzicht gecreëerd uit de verzamelde input bestaande uit verscheidenheid uit meningen, argumenten en standpunten zijn gedeeld. Vanuit de maatschappelijke doelstellingen en financieel kader wordt in een bespreeknotitie dillema’s van LTA gedeeld met de raad. Het participatietraject tezamen met het proces in de raad zorgt voor een lange termijn accommodatiebeleid wat eind 2021 ter besluitvorming aan de raad wordt aangeboden.
Lange Termijn Accommodatiebeleid gemeente Medemblik Bundeling van de verslagen van de workshops in maart
Inhoud Aanleiding................................................................................................................................................2 Opzet van het traject...........................................................................................................................2 Maatschappelijke organisaties betrekken ter advisering........................................................................5 Samenvatting gespreksverslagen workshops..........................................................................................7 Verslag Zwembadbesturen 16 maart 2021 .............................................................................................9 Verslag Besturen van jeugd- en jongerenorganisaties 22 maart 2021..................................................14 Verslag kinderopvang en consultatiebureaus 23 maart 2021...............................................................19 Verslag sportverenigingen 24 maart 2021 ............................................................................................24 Verslag MFA’s, dorpshuizen en sporthallen 30 maart 2021..................................................................29 Verslag schoolbestuurders 31 maart 2021............................................................................................35 Verslag sportverenigingen 31 maart 2021
............................................................................................40
Aanleiding Wethouder Joset Fit heet de deelnemers welkom. De gemeente Medemblik is bezig een lange termijn accommodatiebeleid op te stellen. De gemeenteraad heeft op 17 december 2020 opdracht gegeven dit lange termijn accommodatiebeleid vorm te geven met participatie van inwoners en van maatschappelijke organisaties. Accommodaties (zoals buitensport, sporthallen, dorpshuizen, scholen, kinderopvang en jongerencentra) zijn belangrijk voor de leefbaarheid van de kernen. Maar er wacht komende jaren een forse financiële uitdaging op het gebied van accommodaties. Bij ongewijzigde voortzetting van het huidige beleid ontstaan in de toekomst structurele tekorten, zoals blijkt uit de onderstaande prognose.1
Het verschil tussen de oranje en blauwe lijn geeft het financieel tekort weer als we doorgaan met het huidige accommodatiebeleid. Dit is het gevolg van dat er geen overkoepelend beleid was. Het gevolg daarvan is dat de gemeente investeringen heeft gedaan om aan de wensen van de inwoners te voldoen maar daarbij niet de lange termijn investeringen in de begroting is opgenomen. Daarom moet het nieuwe lange termijn accommodatiebeleid de kaders bieden om keuzes te maken zodat de structurele lasten verlaagd worden en we ruim onder de blauwe lijn eindigen.
1 De onderstaande prognose is gedeeld met de gemeenteraad op februari 2020. Destijds was de scope van het
accommodatiebeleid: MFA’s , jeugdgebouwen, gemeentehuis, scholen, kerken , zwembaden en bandweerkazerne.
Opzet van het traject Om tot een lange termijn accommodatiebeleid te komen, heeft de gemeenteraad het volgende traject vastgesteld. Eerst is onderzocht wat de meest impactrijke keuzes zijn die voorliggen als het gaat om de accommodaties in Medemblik. Die afwegingsrichtingen betreffen:
de verdeling van de accommodaties over de kernen, variërend van een gelijkmatige verdeling over alle kernen tot kernoverstijgende accommodaties
het beleggen van het eigenaarschap: ligt dat bij de gemeente of bij de verenigingen, stichtingen en commerciële organisaties? De rol van de gemeente, variërend van een actieve rol tot een terughoudende rol.
Op basis van deze afwegingsrichtingen zijn vier mogelijke toekomstscenario’s opgesteld die elk laten zien welk eindbeeld in het horizonjaar 2040 ontstaat als de afwegingsrichtingen
consequent
worden
uitgevoerd.
Daarmee
laten
de
toekomstscenario’s als het ware ‘de uiterste hoeken van de kamer’ zien. actieve rol gemeente
het assenkruis
Sober en doelmatig
Verdeling over de gemeente
rol
Actief op zoek naar kwaliteit
Kernover stijgend
focus
De kernen aan zet met een eigen kernbudget
Een rijk palet met de samenlevin g aan zet
terughoudende rol gemeente
Deze scenario’s zijn voorgelegd aan de inwoners ter raadpleging. In februari hebben alle inwoners van 15 jaar en ouder een digitale enquête ontvangen over het lange termijn
accommodatiebeleid.
Zij
konden
digitaal
aangeven
hoe
zij
de
toekomstscenario’s in volgorde van voorkeur wilden plaatsen. Ook werd gevraagd hoe tevreden zij zijn met de bestaande accommodaties en welk gebruik zij daarvan maken.
In totaal hebben 2.978 inwoners de enquêtes ingevuld, dat is een respons van 8%. De uitslag van de enquête is als volgt:
Uit de uitslagen blijkt dat inwoners van Medemblik hun voorkeuren redelijk gespreid over de toekomstscenario’s hebben verdeeld. Het scenario dat de lichte voorkeur heeft is scenario D waarin het kernbudget centraal staat. Op de tweede plaats van voorkeur komt scenario A waarin accommodaties zoveel mogelijk in de eigen kern zijn gesitueerd. Eerste duiding van de uitslag:
Inwoners hebben een voorkeur voor accommodaties in de nabijheid van de kern.
Omdat inwoners een voorkeur voor zowel scenario A als D hebben kan geconcludeerd worden dat de wijze van exploitatie (uitbesteding aan de samenleving, of in eigen beheer van de gemeente) minder van belang is.
Uit de antwoorden over gebruik van en tevredenheid over de accommodaties blijkt dat inwoners van Medemblik relatief tevreden zijn over de huidige accommodaties.
De vragen die zijn gesteld over de aanpak, uitkomsten en representativiteit van de enquête, het proces en de presentaties zijn/worden beantwoord door de wethouder, projectleider en ambtelijke vertegenwoordigers.
Maatschappelijke organisaties betrekken ter advisering Na de raadpleging van de inwoners is de volgende stap in het participatietraject om de maatschappelijke organisaties hierbij te betrekken. Op 16, 22, 23, 24, 30 maart en 31 maart 2021 werden zeven workshops gehouden over het Lange Termijn Accommodatiebeleid van Medemblik. Voor de workshops werden verschillende maatschappelijke organisatiesgroepen uitgenodigd:
Op 16 maart met de besturen van zwembaden
Op 22 maart met de besturen van jeugd- en jongerenorganisaties
Op 23 maart met de kinderopvang en consultatiebureaus
Op 24 maart met besturen van sportverenigingen (1)
Op 30 maart met MFA’s, dorpshuizen en sporthallen
Op 31 maart met besturen van scholen
Op 31 maart met besturen van sportverenigingen (2)
Conform het kaderstellend Partipicatieplan voor het Lange Termijn Accommodatiebeleid van Medemblik hadden de maatschappelijke organisaties tijdens deze workshop een adviserende rol. Dat betekende dat zij argumenten, motiveringen, inzichten en adviezen naar voren kunnen brengen die gebruikt worden om een Lange Termijn Accommodatiebeleid voor de gemeente Medemblik vorm te geven. Bij workshops zijn raadsleden van de gemeente Medemblik aanwezig als toehoorder. Tijdens de workshops werden de maatschappelijke organisaties eerst op de hoogte gebracht van de financiële aanleiding om een lange termijn accommodatiebeleid op te stellen. Vervolgens werden de resultaten van het voorafgaande participatietraject aan hen gepresenteerd. Dat betrof met name de uitslagen van de digitale enquête over de tevredenheid met de accommodaties in Medemblik en de beoordeling van de vier toekomstscenario’s voor het accommodatiebeleid door inwoners van Medemblik van 15 jaar en ouder. Daarna werd de maatschappelijke organisaties verzocht de vier toekomstscenario’s te beoordelen vanuit het gezichtspunt van de organisatie die zij vertegenwoordigden. De scenario’s werden gepresenteerd in een kort filmpje, waarna de deelnemers de voor- en nadelen van ieder scenario konden benoemen. Na alle scenario’s op die manier doorlopen te hebben, werd hen verzocht een
afsluitend oordeel te geven en (elementen van) hun eigen voorkeursscenario te delen. De workshops vonden vanwege de coronacrisis in digitale vorm plaats. Bij de beoordeling van de toekomstscenario’s vond de verslaglegging plaats. De verslaglegger noteerde zichtbaar voor alle deelnemers op een werkveld de opmerkingen van de deelnemers. Zij konden indien nodig de aantekeningen corrigeren of aanvullen. De onderstaande verslagen zijn tijdens de workshops integraal opgenomen. Daarnaast is een weergave gemaakt van de opmerkingen en aanvullingen die naar aanleiding daarvan tijdens de workshops werden gemaakt. Doel van de workshops was om argumenten, motivering, inzichten en adviezen naar voren te halen die gebruikt kunnen worden bij de ontwikkeling van het lange termijn accommodatiebeleid van Medemblik. Daarom zijn de verslagen geen letterlijke notulen en zijn ook niet de namen van sprekers toegevoegd. Hieronder volgt de samenvatting van de gespreksverslagen van de workshops en daaropvolgend volgen chronologisch de gespreksverslagen achter elkaar.
Verslag Zwembadbesturen 16 maart 2021 Tijdens de gesprekken met de maatschappelijke organisaties wordt eerst het voorkeursscenario van de inwoners als uitgangspunt genomen. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn:
Wat zijn de voordelen van het voorkeursscenario gezien vanuit uw organisatie?
Wat zijn de nadelen van het voorkeursscenario gezien vanuit uw organisatie?
Welke rol ziet u voor uw eigen organisatie in dit voorkeursscenario?
In het tweede deel van de workshop wordt de blik verbreed en kunnen ook de overige scenario’s of elementen daarvan in het gesprek betrokken worden. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn onder andere: Welke elementen van de overige scenario’s wilt u in het lange termijn
accommodatiebeleid opnemen. Welke overige aanvullingen heeft u om tot het voor uw organisatie gewenste
toekomstscenario te komen? Welke suggesties en welk advies wilt u de gemeente Medemblik meegeven om
het accommodatiebeleid tot een succes te maken? Workshop eerste deel Wat is wenselijk aan het voorkeursscenario D van de inwoners?
Dat de verantwoordelijkheid ligt bij de inwoners om te bepalen welke accommodaties aanwezig zijn binnen de kern.
Dat er een grotere kans is op een divers aanbod van accommodaties. Dat we niet hoeven te reizen naar de andere kernen voor de accommodaties.
Dat er sprake is van saamhorigheid binnen de kernen.
Dat de leefbaarheid van de kernen in stand wordt gehouden.
De deelnemers vinden het positief dat de inwoners zeer betrokken zijn binnen de eigen kernen. Het is voor hen erg belangrijk dat de inwoners verantwoordelijkheid willen nemen. Het is namelijk hun gemeente en uiteindelijk bepalen de inwoners wat voor accommodaties ze willen. De betrokkenheid van de inwoners uit zich in de hechte woongemeenschappen, waarin iedereen elkaar goed kent en op elkaar let. De saamhorigheid wordt binnen dit scenario bevorderd door de invoering van de kernbudgetten. Positief aan dit scenario is dat door de invoering van de kernbudgetten iedere kern zelf kan investeren
in de gewenste accommodaties. Zo krijg je binnen de gemeente een divers aanbod aan accommodaties - elke kern heeft namelijk de accommodaties die passen bij de eigen identiteit. De invoering van de kernbudgetten bevordert de leefbaarheid van de eigen kernen. Doordat de kernen zelf bepalen welke accommodaties ze willen, blijft de kern voor de inwoners levend en trekken inwoners niet weg. Wat is niet wenselijk aan het voorkeursscenario D van de inwoners?
Dat het niet goed voor de grotere accommodaties is als het kernbudget is gebaseerd op het aantal inwoners.
Dat er veel afhangt hoe de budgetten worden ingevuld. Er moeten keuzes worden gemaakt tussen verschillende accommodatie.
Als er minder budget is, dan moet je het als gemeenschap met elkaar “uitvechten” over het voortbestaan van de accommodaties.
Dat er geen rekening wordt gehouden met het feit dat er een aantal
accommodaties niet meer bestaat na de stemming voor de inrichting van het kernbudget.
Dat dit scenario de doodsteek geeft aan een aantal accommodaties.
Dat de risico’s worden neergelegd bij de bestuurder of de exploitant van de accommodatie.
Er zijn ook elementen die niet wenselijk zijn binnen deze voorkeursrichting. De algemene indruk was vooral: als deze voorkeursrichting wordt gekozen geeft dat de doodsteek aan een aantal accommodaties. Sommige deelnemers vinden het bijvoorbeeld krom dat een kern een budget krijgt toegewezen gebaseerd op het aantal inwoners. Dit betekent namelijk dat de grotere accommodaties die soms een kernoverstijgende doelgroep hebben – zoals zwembaden – failliet zullen gaan. Verder zijn de deelnemers kritisch over hoe de kernbudgetten worden ingevuld. Ze gaan ervan uit dat bij de verdeling van de kernbudgetten keuzes worden gemaakt tussen de verschillende accommodaties. Wat voor impact heeft dit voor bijvoorbeeld de ouderen? Zij zullen zich misschien moeten schikken naar wat de jongeren willen en verliezen dan hun vaste stekje.
Volgens sommige aanwezigen kunnen de kernbudgetten ook leiden tot onderlinge concurrentie. Dit zou de saamhorigheid in een kern uiteindelijk kunnen ondergraven. De
gemeenschap
moet
het
namelijk
onderling
gaan
“uitvechten”
welke
accommodaties blijven bestaan en welke niet. Dat geeft ook grote onzekerheid en risico’s voor bestuurders en exploitanten van accommodaties – zij kunnen er niet vanuit gaan dat het budget jaarlijks aan hen wordt toebedeeld. Deze onzekerheid wordt nog bevorderd doordat de voorkeuren van de inwoners snel kunnen wisselen. Zeker als het gaat om accommodaties waarbij grote lange termijn investeringen nodig zijn, zoals bij zwembaden, is dat een uitdaging. Als een kern heeft besloten dat er geen geld meer naar een bepaalde accommodatie gaat en na vier jaar besluit daar toch weer geld aan te willen besteden, kun je niet één twee drie een dergelijke accommodatie weer opstarten. Workshop tweede deel In het tweede deel van de workshop werd de focus op scenario D verlaten en konden de deelnemers ook elementen van andere scenario’s of eigen bevindingen in de discussie betrekken. Algemeen werd gesteld dat de tweede afwegingsrichting van de scenario’s – namelijk of de gemeente accommodaties in eigen beheer heeft of aan de samenleving heeft overgedragen – op de zwembaden niet van toepassing is. Deze zijn namelijk allemaal in beheer en exploitatie van de verenigingen en organisaties zelf. De gemeente verstrekt alleen maar financiering via subsidies. De deelnemers vinden dat de gemeente moet stoppen met bezuinigen op de accommodaties.
Er is in de afgelopen jaren namelijk al te veel bezuinigd – ergens moet er een grens zijn. Belangrijk is dat zwembaden meerdere functies hebben voor de samenleving. Een zwembad is niet alleen een plek om lekker te sporten, maar heeft ook een verbindende functie. Mensen komen ook voor een gezellig praatje bij elkaar in de zwembaden. Met name voor jongeren is een zwembad in de zomer de plek waar men elkaar kan ontmoeten.
Verder heeft een zwembad ook een educatieve functie doordat er zwemlessen gegeven worden en mensen leren zwemmen. In een waterrijk land als Nederland is dit een basisvoorziening die de veiligheid bevordert. Tenslotte hebben zwembaden een integratiefunctie – nieuwkomers, mensen met een allochtone achtergrond, komen in contact met de huidige inwoners. Het blijkt voor de maatschappelijke organisaties toch lastig om te bepalen hoe zij zelf een rol kunnen spelen om het accommodatiebeleid te optimaliseren. Eén deelnemer kwam met het idee om als stichtingen en verenigingen bij elkaar te komen, om zo gezamenlijk te brainstormen over een advies aan de gemeente. Een andere deelnemer wees de gemeente erop om eerst goed te kijken naar waar de groeiende kosten vandaan komen, waardoor we in deze situatie zijn terecht gekomen. Ook was er bij een enkeling sprake van gelatenheid en berusting: als een zwembad in de toekomst niet meer houdbaar is, moeten we ons daar maar bij neerleggen. Los van het concept van een kernbudget per kern, benadrukken de deelnemers dat het belangrijk is dat de inwoners actief meebepalen in het aanbod van de accommodaties: het is immers hun gemeente. Zij verwachten daarnaast wel dat de gemeente de lange termijn in het oog blijft houden en blijft inspringen wanneer accommodaties die fundamenteel zijn voor de leefbaarheid dreigen te verdwijnen.
Aanwezigen
Maatschappelijke organisaties: deelnemers
Chyla Bot: penningmeester van Het Molenbad
Jouke van Groningen: voorzitter van Zwembad de Spetter
Rob Kommers: voorzitter van Het Zwembad in Midwoud
Jos Oosterbrink: voorzitter van het Molenbad
Bart Timmer: manager van Zwembad de Zeehoek
Claus Ursem: bestuurslid van Stichting samenwerkende zwembaden WestFriesland
Mariëlle van Wijk: bestuurslid van Het zwembad in Midwoud
Klaas Jan Zijp: bestuurder van het Ploetertje in Benningbroek
Gemeentebestuur: toehoorders
Tom Beerepoot: raadslid van de VVD en tevens secretaris van Het Molenbad
Joset Fit (wethouder)
Gerben Gringhuis: raadslid van Gemeente Belangen
Bart Huisman: commissielid voor GroenLinks Medemblik
Saskia Schouten: raadslid van het CDA
Claudia Selders: raadslid van het CDA
Ambtelijke ondersteuning
Stephan van Beek (verslag)
Monique Burger: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Johan Hagedoorn: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Jan Nekkers (moderatie gesprek)
Tomas Rongen: projectleider LTA
Verslag Besturen van jeugd- en jongerenorganisaties 22 maart 2021 Tijdens de gesprekken met de maatschappelijke organisaties wordt eerst het voorkeursscenario van de inwoners als uitgangspunt genomen. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn:
Wat zijn de voordelen van het voorkeursscenario gezien vanuit uw organisatie?
Wat zijn de nadelen van het voorkeursscenario gezien vanuit uw organisatie?
Welke rol ziet u voor uw eigen organisatie in dit voorkeursscenario?
In het tweede deel van de workshop wordt de blik verbreed en kunnen ook de overige scenario’s of elementen daarvan in het gesprek betrokken worden. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn onder andere: Welke elementen van de overige scenario’s wilt u in het lange termijn
accommodatiebeleid opnemen. Welke overige aanvullingen heeft u om tot het voor uw organisatie gewenste
toekomstscenario te komen? Welke suggesties en welk advies wilt u de gemeente Medemblik meegeven om
het accommodatiebeleid tot een succes te maken? Workshop eerste deel Wat is wenselijk aan het voorkeursscenario D van de inwoners?
Dat je met een eigen budget zelf kan bepalen wat voor accommodatie je wilt binnen de eigen kern.
Dat het positief is dat de verantwoordelijkheid bij de inwoners van de kern ligt. Op die manier houd je de inwoners betrokken en creëer je onderlinge saamhorigheid. Maar de inbreng van de jongeren moet wel worden gewaarborgd, zodat accommodaties gericht op jongeren blijven bestaan.
Dat sommige accommodaties kern overstijgend zijn is acceptabel, vooral
voor de wat oudere jeugd. Maar er moet wel rekening worden gehouden met de jeugd die te jong is om zelf te reizen naar een andere kern voor een accommodatie.
De deelnemers vinden het wenselijk dat de inwoners zelf verantwoordelijk zijn voor de invulling van de accommodaties binnen de eigen kern. Het is positief dat elke kern een budget krijgt toegewezen en deze mag uitbesteden naar voorkeur. Zo versterk je de betrokkenheid van de inwoners met de kern waarin zij wonen. De inwoners weten namelijk zelf het beste wat voor accommodaties zij nodig hebben. De voorwaarde is
echter wel dat de inbreng van de jongeren tijdens de stemming over het kernbudget wordt gewaarborgd. Er zou bijvoorbeeld een vaste jongerenclub moeten komen die het geluid van de jongeren vertegenwoordigt. Op die manier hoeven er ook geen accommodaties gericht op jongeren onnodig te verdwijnen: de jeugd heeft immers de toekomst. Het feit blijft wel dat sommige belangrijke accommodaties waar veel jongeren gebruik van maken zo zouden verdwijnen en alleen aanwezig zijn in bepaalde kernen. Het is voor de deelnemers niet erg dat een aantal accommodaties kern overstijgend is. De wat oudere jeugd is prima instaat om zelfstandig te reizen naar een andere kern. Maar er moet wel rekening worden gehouden dat de wat jongere jeugd zich dit niet kan veroorloven. Accommodaties gericht op de allerjongste moeten daarom in elke kern in stand worden gehouden. Wat is niet wenselijk aan het voorkeursscenario D van de inwoners?
Dat de mogelijkheid bestaat dat veel accommodaties gericht op de jeugd zullen verdwijnen.
Dat de kosten voor het onderhoud van de gebouwen bij de inwoners ligt.
Dat de stemming over het kernbudget mogelijk niet representatief genoeg is. Belangen van minderheden krijgen in dit scenario te weinig aandacht. Sommige groepen zijn niet goed genoeg in staat om hun mening te ventileren.
Dat de gemeente in dit scenario onvoldoende stil staat bij de impact van
het besluit om de inwoners zelf de regie te geven over de accommodaties.
Dat de lasten zoals het onderhoud van het gebouw in dit scenario hoger worden, en worden neergelegd bij de verengingen en organisaties.
Dat dit scenario een onzekerheid geeft voor het bestuur van een
organisatie, vanwege het stemmen dat elke vier jaar plaatsvindt.
De deelnemers waren duidelijk: dit is niet het ideale scenario. Ze vinden het accommodatiebeleid een te complex verhaal om zo maar over te laten aan de inwoners zelf. Ze vragen zich af of de gemeente genoeg rekening houdt met de mogelijke consequenties voor het accommodatiebeleid. De deelnemers zijn vooral bang dat jeugd- en jongerenaccommodaties het loodje leggen vanwege de stemming. Het zullen waarschijnlijk vooral de volwassenen zijn die participeren. De vraag is in hoeverre zij zullen stemmen in het belang van de jeugd. De deelnemers
zijn ervan overtuigd dat veel groepen voor zichzelf kiezen, en niet omkijken naar het collectieve belang. Verder zullen minderheidsgroeperingen die niet genoeg in staat zijn om op te komen voor de eigen belangen, zoals jongeren met een beperking, het onderspit delven. Zij kunnen moeilijker hun mening ventileren, en worden overschreeuwd door dominante groeperingen. Hoe gaat de gemeente ervoor zorgen dat de stem van de zwakkeren gewaarborgd blijft? De deelnemers maken zich ook zorgen over de impact van het eigenaarschap over de gebouwen waar de verengingen en organisaties gebruik van maken. In dit scenario ziet het er naar uit dat de verengingen en organisaties verantwoordelijk zijn voor de kosten van het onderhoud van de gebouwen; zij zijn immers zelf eigenaar. De kosten zullen hierdoor eventueel oplopen. Zijn de vrijwilligers wel bekwaam genoeg om de gebouwen te onderhouden, of moeten ze dure professionals inhuren? Krijgen zij wel voldoende budget om alles zelf te regelen? Indien dit niet zo is zal dit negatieve gevolgen hebben voor de accommodaties, zoals achterstallig onderhoud van het gebouw of zelfs faillissement. Dit scenario geeft ook een grote onzekerheid voor het bestuur van een accommodatie. Elke vier jaar wordt er een stemming gehouden, waardoor bestuurders alleen een vierjarenplan kunnen schrijven.
De deelnemers vinden dat er dan geen ruimte is voor een bestuur om een langetermijnvisie op te stellen, waardoor er voor sommige plannen helaas geen toekomst is. En continuïteit in een visie is juist zo belangrijk om de accommodaties in leven te houden.
Workshop tweede deel In het tweede deel van de workshop werd de focus op scenario D verlaten en konden de deelnemers ook elementen van andere scenario’s of eigen bevindingen in de discussie betrekken. Deelnemers vinden het wenselijk dat de gemeente een actieve rol speelt om accommodaties te ondersteunen – vooral accommodaties met veel vrijwilligers. Zij zijn de professionals, en kunnen met hun kennis en financiële middelen de accommodaties levend houden. Ook moet de gemeente ervoor zorgen dat de budgetten evenredig worden toegewezen. Het moet niet zo zijn dat alleen accommodaties met een grote achterban zichzelf financieel kunnen onderhouden. Daarnaast moet de gemeente ermee rekening houden dat sommige kernen weinig jeugd- en jongerenorganisaties kennen, omdat daar simpelweg niet veel jeugd woont. Toch moeten in deze kernen de accommodaties niet volledig verdwijnen – niet iedereen kan makkelijk reizen naar een andere kern. Het is belangrijk dat de drempel om toe te treden tot een organisatie of vereniging lager wordt, om zo meer mensen te betrekken bij een accommodatie. Een belangrijke oplossing is dat verenigingen en organisaties meer met elkaar gaan samenwerken en meer verschillende doelgroepen betrekken. Hierdoor wordt de levensvatbaarheid van
de
accommodaties
vergroot.
Jeugd-
en
jongerenorganisaties
kunnen
bijvoorbeeld meer samenwerken met het onderwijs. Ook moet zo efficiënt mogelijk om worden gegaan met leegstaande ruimtes. Dit kan bijvoorbeeld door meerdere verenigingen en organisaties gebruiken te laten maken van dezelfde ruimtes op verschillende tijdstippen. Maar wel met goede afspraken. In het verleden hebben deze gedeelde ruimtes namelijk geleid tot irritaties. Verder is het belangrijk om de wensen van de eigenaar van het gebouw te respecteren. Een gastorganisatie of -vereniging mag niet zonder toestemming bepalen over de eventuele inrichting van de ruimte. Tot slot moet de organisatie of verenging wel passen bij het pand waar zij gebruik van willen maken: een kinderdagverblijf in een ruimte waar gedart wordt is niet verstandig. De deelnemers benadrukken het belang van de jongeren-en jeugdaccommodaties in de verschillende kernen. Een belangrijke functie is dat de accommodatie een ontmoetingsplaats is voor de jongeren, waardoor de onderlinge saamhorigheid wordt
versterkt. Maar nog belangrijker – het is een plek waar jongeren hun talenten kunnen ontwikkelen en waar ze leren om te gaan met verantwoordelijkheid.
Aanwezigen
Maatschappelijke organisaties: deelnemers
Sandra Aarends: Bestuurslid jongerencentrum The Future
Dorinda Dolving: Vrijwilliger van jongerencentrum Missing
Frans Feld: bestuurslid JC De Bunker
Jordy Lutterot: vrijwilliger van jongerencentrum Missing
Justine Lomax: jongerenwerker in gemeente Medemblik
Jalisha Meegdes: bestuurslid jongerencentrum The Future
Bram Neij: bestuurslid jongerencentrum The Future
Marit Overboom: vicevoorzitter Forever Young Wognum
Arjen Rood: Bestuurslid JongerenBeweging Zwaagdijk-West
Antonie van Splunter: jongerenwerker gemeente Medemblik
Gemeentebestuur: toehoorders
Joset Fit (wethouder)
Bert de Jong: raadslid PVDA
George van Keulen, commissielid gemeenteraad GroenLinks in Medemblik
Saskia Schouten: raadslid van het CDA
Gerben Gringhuis: raadslid van Gemeente Belangen
Ambtelijke ondersteuning
Stephan van Beek (verslag)
Monique Burger: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Johan Hagedoorn: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Jan Nekkers (moderatie gesprek)
Tomas Rongen: projectleider LTA
Verslag kinderopvang en consultatiebureaus 23 maart 2021 Tijdens de gesprekken met de maatschappelijke organisaties wordt eerst het voorkeursscenario van de inwoners als uitgangspunt genomen. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn:
Wat zijn de voordelen van het voorkeursscenario gezien vanuit uw organisatie?
Wat zijn de nadelen van het voorkeursscenario gezien vanuit uw organisatie?
Welke rol ziet u voor uw eigen organisatie in dit voorkeursscenario?
In het tweede deel van de workshop wordt de blik verbreed en kunnen ook de overige scenario’s of elementen daarvan in het gesprek betrokken worden. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn onder andere: Welke elementen van de overige scenario’s wilt u in het lange termijn
accommodatiebeleid opnemen. Welke overige aanvullingen heeft u om tot het voor uw organisatie gewenste
toekomstscenario te komen? Welke suggesties en welk advies wilt u de gemeente Medemblik meegeven om
het accommodatiebeleid tot een succes te maken? Workshop eerste deel Wat is wenselijk aan het voorkeursscenario D van de inwoners?
Dat er samenwerking is met de inwoners en met andere partijen. Er zou veel efficiënter moeten worden samengewerkt. Bijvoorbeeld ruimtes/panden delen.
Dat de kinderopvang zelf gaat investeren in bijvoorbeeld de huisvesting.
Hierdoor worden ze eigenaar van het pand. De druk op de gemeentelijke begroting zal hierdoor afnemen.
Dat de JGZ-locaties dichtbij de doelgroep komen.
Dat je multifunctionele accommodaties krijgt. Gebouwen worden efficiënt gebruikt. Hierdoor krijg je een hoog voorzieningsniveau binnen de kleine kernen, al hangt dit af van het beschikbare budget.
Dat de eigendom van de accommodaties wordt overgedragen aan de instellingen zelf. Hierdoor komt de inwoner centraal te staan.
De deelnemers vinden het wenselijk dat er in dit scenario meer samenwerking is tussen de inwoners, maatschappelijke instellingen en het bestuur van de kernen. De
inwoners kunnen dan via de stemming aangeven waar het bestuur van de kern het kernbudget aan gaat besteden. Echter is het voor de deelnemers wel belangrijk dat er wordt ingezet op efficiënt samenwerken. Hoe kunnen de ruimtes en panden zo optimaal mogelijk gebruikt worden? De maatschappelijke instellingen kunnen bijvoorbeeld de panden die zij gebruiken delen met andere organisaties. Of men kan multifunctionele
gebouwen
creëren
waar
verschillende
accommodaties
in
gehuisvest worden, waardoor de ruimte zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt. Hierdoor krijg je een hoog voorzieningsniveau binnen de kernen en stimuleert het de onderlinge samenwerking. De deelnemers vinden het verder wenselijk dat de gemeente de eigendom van de accommodaties overdraagt aan de maatschappelijke instellingen. Op deze manier kunnen ze de inwoner centraal stellen en de instelling een laagdrempelig karakter geven. De kinderopvang kan nu met het toegewezen kernbudget zelf kiezen waarin zij gaan investeren, zoals de huisvesting. Ook kunnen de maatschappelijke instellingen zoals de JGZ (jeugdgezondheidszorg) hun locaties dicht bij hun doelgroep huisvesten. Natuurlijk hangen deze keuzes af van het beschikbare toegewezen budget: het moet wel betaalbaar blijven. Wat is niet wenselijk aan het voorkeursscenario D van de inwoners?
Dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met het feit dat de inwoners eigen belangen hebben. Ook de gemeenteraad en het bestuur van
voorzieningen zoals het onderwijs kunnen soms tegenstrijdige belangen hebben.
Dat het belangrijk is om te weten welke ambitie de gemeente houdt voor
de kernen. Zijn er bijvoorbeeld basisvoorwaarden voor de inrichting van de accommodaties? Het is belangrijk dat de gemeente wel kaders aan blijft geven en niet te veel loslaat.
Dat het de concurrentie tussen de kernen versterkt. De ene kern gaat voor kinderopvang, terwijl de andere kern gaat voor een mooie sportlocatie.
Dat cultuur van de inwoners meespeelt in het denken binnen een kern. Elke kern heeft zijn eigen identiteit met normen en waarden.
Dat landelijke ontwikkelingen in de gaten moeten worden gehouden. In hoeverre heeft dit impact op de besluitvorming binnen de gemeente/kernen?
Dat het niet altijd wenselijk is dat elke voorziening in elke kern aanwezig is. Bijvoorbeeld een JGZ-locatie in elke kern is onnodig en duur. Sommige voorzieningen kunnen juist kernoverstijgend zijn.
Naast de wenselijke elementen, heeft het voorkeursscenario ook onwenselijke elementen volgens de deelnemers. Zo zou de stemming over het beschikbare kernbudget wel eens verkeerd kunnen uitpakken. De inwoners hebben namelijk hun eigen belangen: eenieder kiest in de eerste plaats voor zichzelf. Naar alle waarschijnlijkheid zal dit betekenen dat sommige maatschappelijke instellingen binnen een kern zullen verdwijnen. Verder vragen de deelnemers zich af of de gemeente alles met betrekking tot de inrichting van de accommodaties loslaat binnen een kern. Of gelden er nog bepaalde basisvoorwaarden voor de inrichting van de accommodaties? Houdt de gemeente bijvoorbeeld voldoende rekening met de specifieke cultuur van de kernen? Elke kern heeft namelijk zijn eigen normen en waarden. Het is ook belangrijk om de landelijke ontwikkelingen in de gaten te houden, en te bedenken in hoeverre dit invloed heeft op de besluitvorming in de gemeente en binnen de kernen. Daarnaast zijn de deelnemers bezorgd dat dit scenario de concurrentie tussen de kernen bevordert. Sommige kernen zullen zich focussen op kinderopvang, terwijl andere kernen meer aandacht geven aan sportvoorzieningen. De deelnemers geven aan dat het daarom belangrijk is dat de gemeente kaders aangeeft en de regie niet loslaat, zodat het niet uit de hand kan lopen.
Workshop tweede deel In het tweede deel van de workshop werd de focus op scenario D verlaten en konden de deelnemers ook elementen van andere scenario’s of eigen bevindingen in de discussie betrekken. De deelnemers vinden het zeer wenselijk als er een goede integrale samenwerking is tussen de maatschappelijke instellingen en belangrijke ketenpartners, zoals scholen. Dit maakt instellingen laagdrempeliger en zichtbaarder voor inwoners. Je kunt bijvoorbeeld voorzieningen die gericht zijn op de bevordering van de ontwikkeling van kinderen aan elkaar koppelen
Ook vinden de deelnemers dat de kwaliteit van de voorziening altijd voorop moet staan: het is niet nodig om in elke kern een JGZ-locatie te hebben. Het is beter om kwalitatief goede voorzieningen in een beperkt aantal kernen te hebben. Wel moet er rekening mee gehouden worden dat de spreiding van de voorzieningen niet te ver doorslaat. Dit heeft namelijk een negatief effect op de kleine kernen. Het is belangrijk dat bij spreiding rekening wordt gehouden met primaire voorzieningen. Een bassischool heeft een belangrijke functie in een kleine kern, namelijk het bevorderen van de saamhorigheid. Een JGZ-instelling is geen primaire voorziening en hoeft dan ook niet in elke kern een locatie te hebben. Het is echter wel van belang dat de bereikbaarheid tussen de kernen wordt verbeterd, zodat een JGZ wel goed bereikbaar is vanuit de andere kernen. Voor veel deelnemers is het volledige eigenaarschap over een accommodatie wenselijk - je krijgt zelf veel meer en sneller voor elkaar dan wanneer de gemeente eigenaar is. Aan de andere kant zijn er zorgen over het onderhoud van gebouwen. De gemeente zou voor deze kosten op moeten draaien, want het budget is niet genoeg. Als een accommodatie zelf op zoek moet gaan naar extra geld, zullen ze een wat commerciëler karakter krijgen. Dit kan leiden tot kwaliteitsverbetering, maar soms ook tot belangenverstrengeling.
De gemeente zou ook andere aspecten moeten meenemen in het beleid die niet per se direct gerelateerd zijn aan de accommodaties, zoals de woningbouw. Als er in een kern nieuwe eengezinswoningen worden gebouwd, zullen er meer kinderen komen die gebruik willen maken van accommodaties. En het is ook verstandig om het duurzaamheidsaspect mee te nemen in het lange termijn beleid, aangezien Nederland zich landelijk bezighoudt met verduurzaming. Als laatste benadrukken de deelnemers dat de gemeente rekening moet houden met minder kansrijke kernen. Deze kernen hebben namelijk hun specifieke problemen die de rijkere kernen niet kennen, zoals vergrijzing, geen nieuwbouwmogelijkheden en een laag inwoneraantal. De minder kansrijke kernen hebben daarom een specifieke benadering nodig. Geen van de deelnemers had de voorkeur voor scenario’s A of D. Sommige gaven scenario B de voorkeur, maar de meeste deelnemers kozen voor Scenario C. De deelnemers vinden dat Scenario C noodzakelijke samenwerkingen en verbinding
creëert tussen de verschillende organisaties. Op die manier worden van accommodaties gerealiseerd die multifunctioneel en van hoge kwaliteit zijn.
Aanwezigen
Maatschappelijke organisaties: deelnemers
Gaby Alberts: directie van Berend Botje
Suzan Feenstra: accounthouder GGD
Marga Hendriks: directeur bestuurder van Kappio
Christine de Jong: manager huisvesting Berend Botje.
Annemiek Klopper: locatiemanager Smallsteps
Remco de Noord: beleidsadviseur onderwijs bij gemeente Medemblik
Wendy Visser: werkt bij Smallsteps kinderopvang, twee locaties in Medemblik en Andijk.
Marjan Zwolsman: werkzaam bij de GGD, relatiebeheerder en contactpersoon.
Gemeentebestuur: toehoorders
Joset Fit (wethouder)
Ambtelijke ondersteuning
Stephan van Beek (verslag)
Suzan Feenstra: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Remco de Noord: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Johan Hagedoorn: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Jan Nekkers (moderatie gesprek)
Tomas Rongen: projectleider LTA
Verslag sportverenigingen 24 maart 2021 Tijdens de gesprekken met de maatschappelijke organisaties zijn de scenario’s één voor één besproken. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn:
Wat zijn de voordelen van het scenario gezien vanuit uw organisatie?
Wat zijn de nadelen van het scenario gezien vanuit uw organisatie?
Welke rol ziet u voor uw eigen organisatie in dit scenario?
In het tweede deel van de workshop konden de deelnemers aangeven wat hun voorkeursscenario was. En waarom dit – indien van toepassing - afwijkt van het voorkeursscenario van de inwoners. Workshop eerste deel Wat zijn de voordelen van scenario A?
Dat het vertrouwd is en rust brengt; de situatie is hetzelfde als nu.
Dat er in elke kern accommodaties aanwezig zijn.
Wat zijn de nadelen van scenario A?
Dat er steeds minder verenigingen ontstaan.
Dat verenigingen moeilijk zullen standhouden in kleine kernen, vanwege te weinig massa.
Dat de nadruk ligt op basisverenigingen. Wat gebeurt er met nieuwe
accommodaties (kan ook binnen de vereniging zelf), is daar ruimte voor?
Dat het financieel lastig wordt voor de kleine verenigingen in de kleine
kernen. Marktpartijen moeten het soms overnemen, waardoor het duurder wordt.
Dat elke vereniging zijn eigen belangen heeft en ook onderhoud op verschillende manieren gebeurt bij elke vereniging.
De deelnemers vinden scenario A erg lijken op de huidige situatie: het voelt vertrouwd en het brengt rust. Elke kern heeft accommodaties, en dat is voor de deelnemers wenselijk. Tegelijkertijd zijn de deelnemers zich ervan bewust dat het moeilijk is om deze situatie in stand te houden. Ze maken zich zorgen dat sommige verenigingen uiteindelijk verdwijnen, omdat er niet genoeg budget is. Marktpartijen kunnen de rol van de gemeente eventueel innemen, maar daardoor worden de verenigingen alleen maar duurder voor de leden.
Verder benadrukken de deelnemers dat er binnen dit scenario weinig ruimte is voor het ontstaan van nieuwe accommodaties. De nadruk ligt te veel op het behouden van de verenigingen die al bestaan. Wat zijn de voordelen van scenario B?
Dat in sommige gevallen kernoverstijgende voorzieningen goed zijn voor de levensvatbaarheid van de accommodatie.
Dat je meer mensen op dezelfde plek bij elkaar krijgt; dit geeft bestaansrecht aan sommige verenigingen.
Wat zijn de nadelen van scenario B?
Dat sommige accommodaties niet meer zullen bestaan.
Dat verenigingen geen saamhorigheidsfunctie hebben.
Dat het niet goed is als er accommodaties verdwijnen, aangezien deze ervoor zorgen dat de kern leefbaar blijft.
Dat wanneer verenigingen grootschalig gaan samenwerken, de kern het knusse/kneuterige karakter verliest.
Dat veel verenigingen volledig draaien op de inwoners/vrijwilligers van het dorp.
Dat onderlinge competitie tussen de kernen wenselijk is. Dit verdwijnt als de verenigingen op grote schaal gaan samenwerken.
Dat ontmoeting belangrijk is; iedereen leeft in zijn eigen kern en wil liever niet naar een andere kern gaan voor een accommodatie.
Voor sommige deelnemers is het wenselijk dat een aantal accommodaties kernoverstijgend is. Het is namelijk voor hen niet reëel om in elke kern een locatie te hebben en het is goed voor de levensvatbaarheid van sommige verenigingen om een samenwerkingsverband aan te gaan. De voorwaarde is echter wel dat er flink wordt geïnvesteerd in de bereikbaarheid van de kernen. De meeste deelnemers vinden echter vooral dat dit scenario de doodsteek geeft aan een
groot
aantal
accommodaties:
er
moeten
keuzes
worden
gemaakt.
Kernoverstijgend betekent immers dat in een aantal kernen accommodaties zullen verdwijnen. Dat is niet wenselijk volgens de deelnemers, verengingen hebben namelijk een belangrijke sociale functie: het is een plek om elkaar te ontmoeten.
De
deelnemers benadrukken dat de onderlinge concurrentie tussen de kernen met hun verenigingen bijdraagt aan de saamhorigheid binnen de kern: de inwoners moedigen de vereniging van de eigen kern aan! Verder draaien veel verenigingen op vrijwilligers uit de kernen. De accommodaties maken dus de kernen leefbaar en geven invulling
aan de identiteit van de kernen. De deelnemers willen absoluut niet dat het knusse en kneuterige karakter van hun kern verloren gaat. Wat zijn de voordelen van scenario C?
Dat de verenigingen veel zelf kunnen bepalen.
Wat zijn de nadelen van scenario C?
Dat sommige accommodaties financiële steun nodig hebben van de gemeente om in leven te blijven.
De deelnemers vinden wenselijk aan dit scenario dat de verenigingen zelf de touwtjes in handen hebben, en daardoor beslissingen zelf kunnen nemen. Echter, moet dit niet te veel doorslaan: de ene vereniging is de andere niet. Sommige accommodaties hebben juist de financiële steun hard nodig!
Wat zijn de voordelen van scenario D?
Dat het beleid gericht is op de kern zelf; inwoners bepalen over de
accommodaties binnen hun eigen kern. Wat zijn de nadelen van scenario D?
Dat de verenigingen met de grootste achterban waarschijnlijk het meeste voor elkaar krijgen; dit gaat ten koste van de kleine verenigingen.
Dat de onderhoudskosten voor rekening van de accommodaties zelf zijn. Past dit wel binnen het budget, of krijgen verenigingen een tekort?
Dat dit scenario de concurrentie tussen de verenigingen binnen een kern versterkt; dit kan leiden tot irritaties.
Dat de grote verenigingen zullen overblijven en kwetsbare verenigingen de dupe worden.
Dat eenieder stemt voor zijn eigen belang en niet denkt aan het
maatschappelijke belang; sommige accommodaties zullen hierdoor verdwijnen.
De deelnemers vinden het wenselijk dat in dit scenario het beleid gericht is op de kern zelf - de inwoners van de kern bepalen wat voor accommodaties zij krijgen. Zij zijn echter wel bang dat dit scenario vooral positief uitvalt voor de verenigingen met een grote achterban. Zij kunnen door lobbyen veel voor elkaar krijgen wat ten koste gaat van de kleine verenigingen. Dit kan leiden tot concurrentie tussen de verengingen,
hetgeen de saamhorigheid binnen de kern niet ten goede komt. De gemeente moet zich daarnaast realiseren dat de inwoners veelal stemmen voor hun eigen belang boven het maatschappelijke belang, waardoor sommige accommodaties zullen verdwijnen in een kern. Ook maken de deelnemers zich zorgen over het budget: is dit wel voldoende? Onderhoudskosten kunnen behoorlijk hoog zijn, waardoor sommige verengingen in financiële problemen kunnen raken.
Workshop tweede deel In het tweede deel van de workshop konden de deelnemers aangeven wat hun voorkeursscenario was, en waarom dit – indien van toepassing – afwijkt van het voorkeursscenario van de inwoners. Geen van de deelnemers had de voorkeur voor scenario’s C of D. Sommige gaven scenario B de voorkeur, maar de meeste deelnemers kozen voor Scenario A. De deelnemers vinden dat Scenario A erg veel lijkt op de huidige situatie en die is wenselijk. Het huidige accommodatiebeleid is prima: waarom zou dit moeten veranderen? Als er eventuele verschuivingen gaan plaatsvinden, wat blijft er dan over van de accommodaties? De gemeente zou wel kunnen nadenken over onderhoud van de ruimtes en panden waar accommodaties gebruik van maken. De kosten zijn hoog - vrijwilligers zouden een goede rol hierin kunnen spelen. Veel inwoners kozen voor scenario D. Deelnemers denken dat het verschil in voorkeursscenario komt omdat de inwoners vooral hebben gestemd uit emotie. De inwoners gaan bij de keuze voor scenario D (gericht op kernbudgetten) voorbij aan het feit dat zij niet de expertise hebben op bepaalde vraagstukken. Ze zouden dit moeten overlaten aan de gemeente zelf: zij hebben immers de juiste professionele kennis in huis.
Aanwezigen
Maatschappelijke organisaties: deelnemers
Mark Beemster: penningmeester sportvereniging Spartanen
John van Dijk: voorzitter voetbalvereniging Opperdoes
Cees Duijn: bestuurslid VV strandvogels.
Nico Fischer: penningmeester Wognumse Gymnastiek Club
Jan Groenland: voorzitter Wognumse Gymnastiek Club
Peter Gutter: bestuurslid voetbalvereniging Opperdoes
Arjan Hoogewerf: Tafeltennis vereniging Esopus
Annette Schouten: voorzitter tennisvereniging ’t Woud
Monique Veer-Smid: Handbal vereniging SEW
Gemeentebestuur: toehoorders
Joset Fit (wethouder)
Saskia Schouten: raadslid van het CDA
Claudia Selders: raadslid van het CDA
Gerben Gringhuis: raadslid van Gemeente Belangen
Ambtelijke ondersteuning
Stephan van Beek (verslag)
Johan Hagedoorn: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Jan Nekkers (moderatie gesprek)
Tomas Rongen: projectleider LTA
Martijn Scholten: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Verslag MFA’s, dorpshuizen en sporthallen 30 maart 2021 Tijdens de gesprekken met de maatschappelijke organisaties zijn de scenario’s één voor één besproken. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn:
Wat zijn de voordelen van het scenario gezien vanuit uw organisatie?
Wat zijn de nadelen van het scenario gezien vanuit uw organisatie?
Welke rol ziet u voor uw eigen organisatie in dit scenario?
In het tweede deel van de workshop konden de deelnemers aangeven wat hun voorkeursscenario was. En waarom dit – indien van toepassing - afwijkt van het voorkeursscenario van de inwoners. Workshop eerste deel Wat zijn de voordelen van scenario A?
Dat de accommodaties voor iedereen dichtbij zijn.
Dat de financiële verantwoordelijkheid bij de gemeente ligt.
Dat elke kern in ieder geval één ontmoetingsplek en één basisschool heeft.
Wat zijn de nadelen van scenario A?
Dat investeren voor accommodaties uitdagend wordt.
Dat je als inwoner minder regie hebt, omdat alles vanuit de gemeente georganiseerd wordt.
Dat je als accommodatie afhankelijk bent van het gemeentelijk beleid.
Deelnemers vinden het belangrijk dat je elkaar kunt ontmoeten in de eigen kern, en scenario A biedt die mogelijkheid. Onder andere voor ouderen is deze nabijheid zeer belangrijk. Ook voor de betrokkenheid van inwoners is dit van belang; de kans dat je je als vrijwilliger inzet is groter als dat voor een accommodatie in je eigen kern is. En als er in alle kernen voorzieningen voor alle leeftijden zijn, vergroot je de kans dat alle kernen een diverse bevolking qua leeftijd behouden. Sommigen zien het ook als voordeel dat de financiële verantwoordelijkheid bij de gemeente ligt. Het geld wordt in dit scenario efficiënt geïnvesteerd door te kiezen voor bestaande dorpshuizen in plaats van nieuwbouw. Toch worden er ook vraagtekens gezet bij de investeringsmogelijkheden voor accommodaties in dit scenario. De afgelopen 10 jaar hebben immers laten zien dat dit scenario onbetaalbaar is. Is het bijvoorbeeld financieel wel mogelijk om in dit
scenario aan de landelijke verplichtingen op het gebied van duurzaamheid te voldoen? Dat alles door de gemeente georganiseerd wordt betekent een verminderde betrokkenheid van inwoners. Vrijwilligers worden zo ontmoedigd hun steentje bij te dragen, terwijl die bereidheid wel aanwezig is in de gemeenschap. De overheadkosten zijn in dit scenario onnodig hoog; werk van ambtenaren kan ook door vrijwilligers overgenomen worden. Het geld dat de gemeente daarmee bespaart kan vervolgens naar de accommodaties gaan. Wat zijn de voordelen van scenario B?
Dat de kwaliteit van sommige accommodaties hoog is.
Dat er mogelijkheden voor topsport zijn.
Dat er efficiënt gebruikt wordt gemaakt van accommodaties door meerdere functies in één gebouw te combineren.
Wat zijn de nadelen van scenario B?
Dat de leefbaarheid van de kleine kernen in het geding komt als daar de accommodaties verdwijnen.
Dat het onder andere voor oudere inwoners en voor jongeren lastig is als zij verder moeten reizen voor een accommodatie.
De deelnemers zien nauwelijks voordelen in scenario B. Enkel de hoge kwaliteit, mogelijkheden voor topsport en efficiënt gebruik van de ruimte werden hierbij genoemd. Met name voor de kleinere kernen kent dit scenario veel nadelen. Voor de leefbaarheid van de (kleine) kernen zijn een ontmoetingsplek en een basisschool van groot belang voor de saamhorigheid. Maar ook voor de gemeente, om zicht te houden op wat er leeft in de kleine kernen. Ook voor bijvoorbeeld sport geldt dat het ontmoeten groter is bij een accommodatie in de eigen kern dan als je in een andere kern terecht moet waar je minder mensen kent. Voor
onder
andere
ouderen
is
het
afleggen
van
een
grotere
afstand
drempelverhogend en dit staat haaks op het bestrijden van eenzaamheid. De genoemde aanvullende maatregelen voor vervoer brengen hoge kosten met zich mee, en de vraag is of die de baten door consolideren te boven gaan. Ook de jeugd moet in dit scenario met de auto gebracht worden, waardoor je meer vervuiling krijgt.
Wat zijn de voordelen van scenario C?
Dat je baas in eigen huis bent.
Dat de gemeenschap beter kan inspelen op de lokale behoefte dan de gemeente.
Dat er meer kansen zijn voor grootschalige topvoorzieningen.
Wat zijn de nadelen van scenario C?
Dat de gemeente geen sturende rol heeft en dat accommodaties geen budget ontvangen van de gemeente.
Dat kleinschalige voorzieningen voor kansarme groepen kansloos zijn.
Dat de kwaliteit van accommodaties afhankelijk is van de kwaliteit van het bestuur van de stichtingen en verenigingen.
NB alle genoemde nadelen bij scenario B m.b.t. de leefbaarheid van de kleine kernen en de grotere afstand gelden ook voor scenario C.
In dit scenario is er vanuit de gemeenschap een grote mate van betrokkenheid bij de accommodaties, en dat is positief. Ook het zelf hebben van de regie wordt als positief ervaren. Toch ziet niet iedereen dit uitsluitend als voordeel. Andere deelnemers vinden het juist onwenselijk dat de gemeente geen sturende rol heeft en benadrukken de financiële onzekerheid in plaats van financiële onafhankelijkheid die dit scenario met zich meebrengt. Zij vrezen dat hun accommodaties niet zonder budgettaire steun kunnen van de gemeente. Met name kleinschalige voorzieningen voor kansarme groepen zullen het zwaar krijgen. Er wordt in dit scenario marktwerking geïntroduceerd, terwijl bij ander sectoren zoals de zorg is gebleken dat marktwerking niet de oplossing is voor gemeenschappelijke voorzieningen.
Wat zijn de voordelen van scenario D?
Dat betrokkenheid van inwoners en eigen initiatief gestimuleerd wordt.
Dat je als kern, bijvoorbeeld door samenwerking, kan zorgen dat het budget effectief wordt ingezet..
Dat de overheadkosten bij de gemeente lager zijn.
Dat inwoners het gevoel hebben dat je als kern eerlijk “het geld krijgt waar je recht op hebt”.
Wat zijn de nadelen van scenario D?
Dat je concurrentie krijgt tussen verenigingen binnen een dorpskern.
Dat degene die het hardst schreeuwt het meeste geld krijgt.
Dat dorpskernen waar minder daadkrachtige mensen wonen, of
accommodaties waar minder daadkrachtige mensen gebruik van maken, meer moeite zullen hebben.
Dat het meer tijd vraagt van de besturen, en dit het lastiger maakt om bestuursleden te vinden.
Dat de budgetten gekoppeld zijn aan het aantal inwoners van een kern; hierdoor is sprake van schaalnadelen. Je zou bijvoorbeeld ook met een basisbedrag per kern kunnen werken.
Deelnemers vinden het positief dat in dit scenario inwoners gestimuleerd worden om zich in te zetten voor de accommodaties. Er is sprake van een schaarste aan middelen in Medemblik, en deelnemers zijn liever zelf onderdeel van de besluitvorming dan dat het voor hen besloten wordt door de gemeente. Door de verantwoordelijkheid over het budget bij de kern/accommodaties te leggen, motiveer je mensen om betrokken te zijn en bijvoorbeeld plaats te nemen in een bestuur. Sommigen denken echter dat deze grote verantwoordelijkheid ook afschrikwekkend kan werken in de zoektocht naar bestuursleden. Ook het feit dat een bestuursfunctie meer tijd gaat kosten in dit scenario kan nadelig zijn in het vinden van voldoende vrijwilligers. Middels crowdfunding, sponsoring en vrijwilligerswerk kun je met elkaar veel voor elkaar krijgen. Als je als gemeenschap luxe voorzieningen hebt, komt dit omdat je als kern bereid was de handen uit de mouwen te steken. Sommige deelnemers verwachten dat inwoners dit scenario eerlijk vinden; je krijgt het geld als kern waar je recht op hebt. Anderen denken juist dat het gevoel van oneerlijkheid zal overheersen; degene die het hardst schreeuwt krijgt het meeste geld. Het concurrentiegevoel tussen verenigingen in een kern wordt vergroot en dat komt de saamhorigheid in de kern niet ten goede.
Deelnemers vinden het niet juist om de budgetten te koppelen aan het aantal inwoners. De kosten voor onderhoud van een accommodatie worden namelijk niet altijd bepaald door het aantal inwoners. Daarnaast ben je als kern in het voordeel als
je al nieuwe voorzieningen hebt, dan als je accommodaties hebt waar op korte termijn grote investeringen nodig zijn. Er moet dus wel rekening gehouden worden met de huidige verdeelsleutel bij de initiële verdeling van de budgetten zodat er een gelijk speelveld is. Een voorstel is daarnaast om met een basisbedrag per kern te werken en daarbovenop een budget per inwoner. Tot slot is de vraag of je als kern in scenario D meer of minder geld krijgt dan als de verantwoordelijkheid bij de gemeente ligt zoals in scenario A; de hoeveelheid geld wordt door sommigen belangrijker gevonden dan waar de verantwoordelijkheid ligt. Workshop tweede deel In het tweede deel van de workshop konden de deelnemers aangeven wat hun voorkeursscenario was, en waarom dit – indien van toepassing – afwijkt van het voorkeursscenario van de inwoners. Geen van de deelnemers had de voorkeur voor scenario B. Enkele kozen voor scenario A en C, maar de meerderheid gaf de voorkeur aan scenario D. Ook werd door iemand de vraag gesteld of het huidige beleid behouden tot de mogelijkheden behoort. Concluderend
kan
worden
gesteld
dat
deelnemers
overwegend
hetzelfde
voorkeusscenario kozen als inwoners. Deelnemers hebben met name met betrekking tot de financiering verwachtingen van de gemeente, maar zijn wel als kern bereid ook zelf de handen uit de mouwen te steken. Tot slot viel op dat saamhorigheid en verbinding binnen de kernen een nadrukkelijke rol speelde in de argumentatie van de voor- en nadelen van de scenario’s. Aanwezigen
Maatschappelijke organisaties: deelnemers 1.
Karel Beukema toe Water – Dorpshuis Twisk
2. Gilles Beydals – Stichting Sport en Cultuur Midwoud - Oostwoud 3. Selma Cool – De Dorpsraad Hauwert 4. Michael Deen – Dorpshuis Twisk 5. Cindy van Est en dhr. Druif – Stichting Woudrust Activiteitencentrum voor Ouderen in Oostwoud 6. Nel de Geus – Dorpshuis Abbekerk 7. HenkJan Gillebaard – Dorpshuis De Vang in Benningbroek
8. Eelco Groen – Stichting Dorpshuis De Werf in Hauwert 9. Jasper Holla – Stichting Sport en Cultuur Midwoud - Oostwoud 10. Margreeth Irgolitsch – Dorpshuis De Vang in Benningbroek 11. Eric Jansen – Stichting Nibbik-Uit in Nibbixwoud 12. Jan Kempenaar – De Dorpsraad in Hauwert 13. Bianca Koopman – Stichting Sociaal Cultureel Centrum De Schoof in Wervershoof 14. Michael Laan – Stichting Sociaal Cultureel Centrum De Schoof in Wervershoof 15. Dirk Neefjes – Dorpshuis Zwaagdijk 16. Silvan Schilder – Stichting Nibbik-Uit in Nibbixwoud 17. Ton Schouten – Sport en Wellnescenter De Dars in Wervershoof 18. Ron Stam – café Stam in Wognum 19. Jaap Surink – Dorpshuis De Werf in Hauwert 20. René Veerman – Dorpshuis Abbekerk
Gemeentebestuur: toehoorders
Tom Beerepoot – raadslid VVD
Roel Braaksma – raadslid GemeenteBelangen
Joset Fit (wethouder)
Gerben Gringhuis: raadslid van GemeenteBelangen
Bart Huisman – raadslid GroenLinks
Roelandt Paarlberg – raadslid GemeenteBelangen
Saskia Schouten: raadslid van het CDA
Claudia Selders: raadslid van het CDA
Ambtelijke ondersteuning
Zsa Zsa Balian (verslag)
Monique Burger: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Johan Hagedoorn: beleidsadviseur bij gemeente Medemblik
Jan Nekkers (moderatie gesprek)
Tomas Rongen: projectleider LTA
Verslag schoolbestuurders 31 maart 2021 Tijdens de gesprekken met de maatschappelijke organisaties zijn de scenario’s één voor één besproken. Vragen die tijdens de workshop beantwoord worden zijn:
Wat zijn de voordelen van het scenario gezien vanuit uw organisatie?
Wat zijn de nadelen van het scenario gezien vanuit uw organisatie?
Welke rol ziet u voor uw eigen organisatie in dit scenario?
In het tweede deel van de workshop konden de deelnemers aanbevelingen doen aan de gemeente.
Waar moet de gemeente rekening mee houden?
Welke richting zou het gemeentebestuur op moeten?
Het is lastig om een tijdstip te plannen waar van alle onderwijsinstellingen één bestuurder aanwezig is. Bij dit overleg zijn 3 van de 5 bestuurders aanwezig. Met de andere 2 bestuurders wordt nog een overleg ingepland. Workshop eerste deel Wat zijn de voordelen van scenario A?
Dat er in elke kern accommodaties aanwezig zijn; dit is goed voor de
leefbaarheid van een kern. Scholen hebben namelijk een belangrijke sociale functie.
Dat de kinderen uit het basisonderwijs in hun eigen kern terecht kunnen om onderwijs te volgen.
Wat zijn de nadelen van scenario A?
Dat de accommodaties sober zijn in dit scenario; kwaliteit moet voorop staan.
Dat de faciliteiten in dit scenario moeilijk in stand te houden zijn.
Dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met wat er vandaag de dag speelt in de gemeente, zoals krimp en financiële tekorten.
Het is voor de deelnemers duidelijk: kwaliteit gaat boven kwantiteit. In dit scenario zijn in elke kern faciliteiten en accommodaties aanwezig, maar wel in een sobere vorm. Deze situatie wijkt niet veel af van de huidige situatie, want in elke kern staan scholen; soms wel meer dan één. De kwaliteit van de schoolgebouwen staat onder druk door de financiële beperkingen. Het is daarom voor de deelnemers realistischer dat
sommige faciliteiten alleen aanwezig zijn in een beperkt aantal kernen. Deze centralisatie van de faciliteiten leidt volgens hen tot betere kwaliteit. Het nadeel van de centralisatie is dat er een grotere fysieke afstand is tussen de afnemer en de aanbieder. Een scholier uit een kleine kern moet naar een andere kern reizen om naar school te gaan. Dit is in principe niet erg voor een middelbare scholier, maar wel voor kinderen uit het basisonderwijs. De gemeente moet rekening houden met het feit dat de school een belangrijke sociale functie heeft: het vergroot onderlinge betrokkenheid. Voor de deelnemers is daarom het ideaalbeeld dat in elke kern tenminste één basisschool blijft bestaan. Voor de leefbaarheid van de kernen is thuisnabij onderwijs van groot belang. Wat zijn de voordelen van scenario B? Dat in dit scenario de nadruk ligt op “samen”, zoals de verbinding, ontmoeting en het kennisdelen.
Dat dit scenario veel kansen biedt om elkaar in het onderwijs te versterken. Dat de fysieke afstand tussen de scholier en school niet per sé een obstakel hoeft te zijn.
Wat zijn de nadelen van scenario B? Dat in dit scenario onderwijs waarschijnlijk grootschaliger wordt geregeld.
Het wenselijke van dit scenario is dat de nadruk ligt op het samenwerken, zoals de verbinding met elkaar zoeken en het leren van elkaar. Dit zou kunnen plaatsvinden in een breed integraaljeugdcentrum waar de leeftijden van 0 t/m 18 jaar samenkomen. Verder biedt dit scenario veel kansen om elkaar te versterken. Dit geldt bijvoorbeeld voor kleine scholen die normaal gesproken zelf de financiën moeten regelen. In deze situatie kun je veel meer met elkaar doen, waardoor de lasten minder zwaar worden. Ook kun je de panden en ruimtes samen zo efficiënt mogelijk benutten. Een nadeel is echter dat het onderwijs steeds grootschaliger wordt georganiseerd, en dat is niet wenselijk voor de kinderen uit het basisonderwijs. Voor hen kan een groot gebouw een “afschrikwekkende” functie hebben. In dit scenario zullen scholen meer gecentraliseerd zijn in de grotere kernen, waardoor scholieren uit bepaalde kernen verder zullen moeten reizen. Maar de fysieke afstand tussen de scholier en het onderwijs speelt een steeds minder belangrijke rol.