06 Principeverzoek 3: Stationsbuurt 1
Tekst van het document
- Concept B-1 -
Gemeente
Medemblik
--------------------------------------------------------------------------------
Ruimtelijke onderbouwing ex. art. 2.12 Wabo t. b. v. een omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan Project:
“Logiescampus Arbeidsmigranten Stationsbuurt 1, Benningbroek” (Permanente en tijdelijke huisvesting voor een periode van max. 20 jaar)
ir. H. van Brederode bi bnSP Tigris 12 1186 JA Amstelveen SBA-reg.nr. 1.950290.005
17 oktober 2023
1
TOELICHTING 1.
Inleiding
1.
2.
Beschrijving nieuwe ontwikkeling
3.
3.
Ruimtelijk beleidskader 3.1 Nationale Omgevingsvisie 3.2. Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Medemblik 3.4.2 Beleid huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik 3.4.3 Bestemmingsplan
6. 6. 8. 10. 11. 11. 11. 12.
4.
Beeldkwaliteit 4.1 Beeldkwaliteit als onderdeel van provinciaal ruimtelijk beleid 4.2. De gemeentelijke welstandsnota
13. 13. 16.
5.
Milieubeperkingen en omgevingsaspecten 5.1 Milieu 5.1.1 Milieueffectrapportage (M.e.r.) 5.1.2 Bodem en grondwater 5.1.3 Watertoets 5.1.4 Bedrijven en milieuzonering 5.1.5 Wegverkeerslawaai 5.2 Verkeersaspecten 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Externe veiligheid 5.5 Leidingen 5.6 Cultuurhistorie / Archeologie 5.7 Natuurwaarden / Habitatrichtlijn -Vogelrichtlijn / Flora en Fauna 5.8 Duurzaamheidaspecten
16. 16. 16. 18. 18. 20. 21. 22. 22. 22. 23. 23. 23. 24.
6.
Uitvoerbaarheid
24.
Bijlagen: Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Welstandscriteria Buitengebied Nadere gegevens uit het ontwerp - presentatieplan Aeriusberekening Conclusie Verkennend bodemonderzoek Besluitkaart
Beheerplan
………………………………………………………………….
Separate bijlagen bij de Ruimtelijke onderbouwing (op te nemen in digitale pakket t.b.v. publicatie op ruimtelijke plannen.nl)
Bijlage A Bijlage B
Omgevingsscan Flora en Fauna Verkennend bodemonderzoek
1 1.
Inleiding
Initiatief De Leeuw Projectontwikkeling B.V., Kneeskade 1c, 1761 JB Anna Paulowna, is voornemens een permanent logiesgebouw met 3 tijdelijke dependances voor arbeidsmigranten te realiseren op de locatie Stationsbuurt 1 te Benningbroek, gemeente Medemblik. Hiermee zullen 164 logiesplekken beschikbaar komen, waarvan 92 permanent. De tijdelijke logiesfunctie is bedoeld voor de termijn van maximaal 20 jaar. Na het verstrijken van deze termijn worden de dependances verwijderd en de erfverharding teruggebracht tot hetgeen noodzakelijk is voor het hoofdgebouw. De initiatiefnemer heeft op 6 april 2022 voor een grootschaliger variant met 234 logiesplekken een principeverzoek ingediend, waarvan de gemeente heeft aangegeven, dat een dergelijk project kan voldoen aan te stellen voorwaarden en in ieder geval tegemoet komt aan de huisvestingsproblematiek van tijdelijke werknemers, waarbij tevens minder sprake zal zijn van verdringing op de reguliere woningmarkt. Omdat de grootschaligheid op gespannen voet bleek te staan met de landschappelijke waarden van de omgeving is de voorliggende variant uitgewerkt met een hoofdgebouw, dat qua omvang dichter bij de mogelijkheden komt, die de vigerende stedenbouwkundige regeling toestaat. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Medemblik, sectie S nrs. 206 en 207.
afb. 1
De ligging van de planlocatie in groter verband (Google Earth).
Bestaande situatie De planlocatie ligt tussen de autosnelweg A7 en de recreatieve spoorlijn Medemblik - Hoorn. Het betreft een onbebouwd terrein met het adres Stationsbuurt 1, waarop een horeca-bestemming ligt, die bedoeld was voor de realisering van een hotel-restaurant met een molen, maar die nooit is geëffectueerd. Op ca. 230 m’ ten oosten ligt een agrarisch bedrijf aan de Broerdijk 32 en ca. 100 m’ ten zuiden is de wildopvang ‘De Bonte Piet’ aanwezig op Stationsbuurt 2 (afb. 2). Het plangebied bestaat uit 2 delen: het perceel grasland (6380 m2), nu vrijwel onverhard en aan de noordzijde daarvan het voormalige rangeerterrein van de Stichting Stoomtram (1832 m2), met struiken en enkele bomen, eveneens onverhard.
afb. 2
De planlocatie
2 Huidige bestemming en gewenste afwijking De gronden zijn geregeld in het bestemmingsplan “Buitengebied”, vastgesteld 22 februari 2018. Op de gronden liggen de enkelbestemmingen “Horeca 2” (artikel 23) en “Verkeer - Railverkeer” (art. 36), alsmede de Gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone- molenbiotoop’ ( die feitelijk is achterhaald). De gewenste afwijking van het bestemmingsplan betreft het gebruik van de gronden en het bouwen van een logiescampus met een permanent hoofdgebouw en 3 tijdelijke dependances. Het gebruik betreft logieseenheden met restaurant voor 92 permanente eenheden en 72 tijdelijke eenheden voor (‘short- en mid-stay’) van arbeidsmigranten. Dit gebruik past heel redelijk binnen de bestemmingsomschrijving ‘Horeca 2’ *), maar de bebouwingsomvang (oppervlak en bouwhoogte) is binnen het aangegeven bouwvlak slechts beperkt mogelijk binnen het gegeven bouwvlak en omvat voor de tijdelijke voorziening een groot gedeelte van de gronden met de bestemming “Verkeer – Railverkeer” (zie afb. 8). Daarnaast is van toepassing het ontwerp-bestemmingsplan ‘Veegplan gemeente Medemblik’, voor zover het de verwerking van de beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers betreft.
Planologische regeling Voor het mogelijk maken van het gebruik van de betreffende gronden voor het realiseren een logiescampus voor arbeidsmigranten is een procedure voor een omgevingsvergunning voor ‘planologisch strijdig gebruik’ en ‘bouwen’ vereist. Voor de dependances betreft dit een periode van maximaal 20 jaar. Op grond van artikel 2.1 lid 2 sub c overeenkomstig artikel 2.12 lid 2 sub a onder 3 Wabo kan het strijdige gebruik met het bestemmingsplan worden opgeheven. Gelet op de strijdigheid met het bestemmingsplan dient ter onderbouwing van het opheffen van de strijdigheid een ruimtelijke afweging te worden gemaakt. Het onderhavige document - ruimtelijke onderbouwing - voorziet in dit vereiste. *) Ter vergelijking hierbij de bestemmingsomschrijving van ‘Horeca 2’ en relevante begrippen:
3 2.
Beschrijving nieuwe ontwikkeling
De planlocatie is onbebouwd. Rondom zijn sloten aanwezig welke zo nodig worden opgerekt ten behoeve van de watercompensatie. De ontsluiting vindt plaats vanaf de Stationsbuurt, direct na de afslag naar de Broerdijk. Het hoofdgebouw wordt uitgevoerd als permanent gebouw in overwegend 3 bouwlagen, zoveel mogelijk binnen het bouwvlak van het vigerende bestemmingsplan. Om een wezenlijke bijdrage te kunnen leveren aan het oplossen van de huisvestingsproblematiek van arbeidsmigranten, maar tevens ook ten behoeve van een haalbare exploitatie, moeten voor het behalen van voldoende logies-eenheden (164 logies-eenheden) concessies worden gedaan ten aanzien van de toegestane goot- en bouwhoogte. De verwachting is dat dit kan worden geregeld als ‘afwijking’ van het bestemmingsplan. In het hoofdgebouw worden de nodige voorzieningen ingepast. De bebouwing van de dependances bestaat uit gestapelde prefab-units in 2 bouwlagen, waarbij het zowel qua bouwen, als qua functie een ‘afwijking’ van het bestemmingsplan betreft, .
Het plan gaat uit van de volgende randvoorwaarden: • Het project wordt enerzijds als permante voorziening gerealiseerd en anderzijds als flexibele / tijdelijke voorziening in de vorm van drie vrijstaande kleinere logies compartimenten in twee bouwlagen; • Algemene ruimtes als keuken, winkel, recreatieruimte en wasruimtes voor gemeenschappelijk gebruik; • Eén- en tweepersoonskamers voor optimale privacy; • Wekelijkse inspectie, klachtenregistratie, 24/7 beheer en een schoonmaak protocol maken onderdeel uit van de geldende huisregels; • Cameratoezicht en directe communicatie met de lokale overheid voor de nachtregistratie; • Ontsluiting voor auto’s kan worden gerealiseerd door direct aan het begin van de Stationsbuurt een brug aan te leggen. Voor meer informatie inzake ‘beheer’, zie bijlage 6. Voor sport en ontspanning alsmede het doen van inkopen is het fietspad naar Abbekerk en Midwoud een prima optie; daarvoor zal de exploitant voldoende fietsen beschikbaar stellen, alsmede een adequate fietsenstalling op het complex realiseren. Vooralsnog is sprake van een voorlopige indicatie van de bebouwing in de vorm van een ‘massastudie’ (afb. 3).
afb. 3
Lay out - ‘Massastudie’
4 Het hoofdgebouw Voor het permanente hoofdgebouw is gekozen voor een ontwikkeling met 3 bouwlagen centraal en zijdelings aflopend naar twee bouwlagen, binnen het in het vigerende bestemmingsplan gegeven bouwvlak. Hiermee wordt de toegestane bouwhoogte van 8 meter ter plaatse van het centrale volume met … m’ overschreden. De overschrijding van de maximaal toegestane goothoogte van 5,50 m’ wordt ‘verzacht’ door het dakmateriaal naar beneden in de gevel door te trekken, zodat visueel een lage goothoogte wordt gesuggereerd.
afb. 4
Aanzicht van het hoofdgebouw
afb. 5
Schematische plattegrond begane grond
andere aanzichten Bijlage 2
Overige verdiepingen Bijlage 2
5 Met de keuze voor de hoofdvorm en materialisatie wordt getracht om de vertrouwde karakteristiek van landelijke bebouwing te benaderen, om als zodanig tot een verantwoorde landelijke inpassing te komen. De dependances Door toepassing van modulair bouwsysteem is het tijdelijke deel van het logiescomplex duurzaam te produceren en te realiseren. De drie dependances kunnen immers na 20 jaar weer gedemonteerd en verplaatst worden en is na verplaatsing op een andere locatie voor vele doelgroepen herbruikbaar De ‘bouwsteen’ is een unit voor 2 personen in twee varianten. De keuze voor prefab-units is ingegeven door het tijdelijke karakter van het gebouw. Na afloop van de termijn van 20 jaar kan het complex ontmanteld worden en kunnen de units zo nodig hergebruikt worden.
afb. 6 Schematisch plattegrond van de beganegrond v.d. dependance
afb. 7
-
verdieping identiek
Aanzicht van een dependance – 12 eenheden = 24 logiesplekken
6 3. 3.1
Ruimtelijk beleidskader Nationale Omgevingsvisie – Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving
De Nationale Omgevingsvisie vervangt de “Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)’. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Dit betreft met name de grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen zal worden gewerkt aan prioriteiten, zoals ▪ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; ▪ sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Zowel voor de lange als de korte termijn zijn voor bovengenoemde NOVI-prioriteiten maatregelen nodig, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Het Rijk geeft de nationale belangen aan en maakt nationale keuzes. Vervolgens wordt richting gegeven aan decentrale afwegingen en zal gebiedsgericht worden gewerkt.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De Novi benoemt dit als ‘omgevingsinclusief’ beleid, waarbij drie afwegingsprincipes worden onderscheiden: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is een overzicht gegeven van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Samengevat kan worden gesteld, dat met de NOVI het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak presenteert. Een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in één, waarbinnen we gezamenlijk optimaal kan worden gewerkt aan het behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Huisvesting arbeidsmigranten In het rijksbeleid zijn geen concrete uitgangspunten geformuleerd met betrekking tot de huisvesting van buitenlandse werknemers.
Wel is advies gevraagd aan het Aanjaagteam Bescherming arbeidsmigranten, dat op 30 oktober 2020 ter zake advies heeft uitgebracht (zgn. Rapport Roemer) en dat steun van het kabinet heeft verkregen op 14 december 2020. Er zijn voorstellen gedaan op het gebied van certificering van uitzendbureaus en de verbetering van de registratie van arbeidsmigranten, waarbij het belangrijkste item de kwaliteit en beschikbaarheid van huisvesting is. Een en ander overziende kan vastgesteld worden, dat de voorliggende ontwikkeling gezien moet worden als overwegend vallend onder het beoordelings- en afwegingsproces op het beleidsniveau van de provincie en de gemeente. □
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 zijn het Barro en Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) in werking getreden. In het Barro zijn regels opgenomen met betrekking tot onderwerpen die een nationaal belang hebben. Het gaat hierbij onder meer om Rijksvaarwegen, de ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Het voorliggende initiatief raakt geen onderwerpen uit het Barro.
7
□
Ladder voor duurzame verstedelijking
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte bevat en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, een motivering is opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Relevant voor de ontwikkeling ‘Wooncomplex arbeidsmigranten Benningbroek: □
De planlocatie ligt niet in bestaand stedelijk gebied
□
Is sprake van een stedelijke ontwikkeling ? Ja, als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
□
De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
□
Is sprake van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling ? Ja, een logiesgebouw met 82 logiesruimten voor 2 personen op een locatie waar eerder een horeca bedrijf van een veel bescheidener omvang was voorzien – wel bestemd, maar niet gerealiseerd – is een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
□
Beschrijving van de behoefte In 2020 is voor de regio Westfriesland kwantitatief onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling van het aantal buitenlandse werknemers sinds 2010 (Arbeidsmigranten in West-Friesland, Decisio, 22 maart 2020). Ook is een prognose gedaan naar de ontwikkeling van het aantal buitenlandse werknemers tot 2030. Deze cijfers zijn in 2021 geactualiseerd (Actualisatie cijfers arbeidsmigranten Noord-Holland Noord, Decisio, 21 april 2021). Beide onderzoeken laten zien dat het aantal vergunde huisvestingsplekken achterblijft bij het aantal werkzame personen: Van de 9.700 in Westfriesland werkzame buitenlandse werknemers, werkten er in 2019 ruim 3.500 in de gemeente Medemblik. Daar staan 1.015 vergunde huisvestingsplekken binnen de gemeente Medemblik tegenover (schatting op basis van gemeentelijk vergunningensysteem, april 2021). Prognoses geven aan dat aantal in Westfriesland werkzame buitenlandse werknemers ook de komende jaren blijft groeien tot tussen de 13.410 en 19.500 personen in 2030. Dat is een gemiddelde jaarlijkse groei van tussen de 3% en de 5%
Hiermee is de behoefte in West-Friesland aan het voorliggende huisvestingsplan voor tijdelijke arbeidsmigranten op de locatie Benningbroek voldoende aangetoond. Conclusie Een en ander overziende kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van strijdigheid met Rijksbeleid. Verder blijkt uit het voorgaande dat het beoordelings- en afwegingsproces inzake initiatieven / projecten van de onderhavige aard en omvang volledig behoort tot het beleidsniveau van de provincie en de gemeente.
8 3.2
Provinciaal beleid
Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is de bevoegdheid voor de provincie inzake beleidsvorming en uitvoering in de huidige vorm geregeld. Dit houdt in dat de provincie haar visie op het ruimtelijke beleid neerlegt in een zelfbindend beleidsdocument om vervolgens de beschreven provinciale intenties en belangen juridisch te borgen in een ruimtelijke verordening. Relevant op provinciaal niveau is de “Omgevingsvisie Noord-Holland 2050” (vastgesteld 19 november 2018) en de “Omgevingsverordening Noord-Holland 2020” (vastgesteld 23 oktober 2020). De Omgevingsverordening richt zich op bestemmingsplannen, beheersverordening, wijzigings- en uitwerkingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan (artikel 2.12 lid 1 onderdeel a onder 3 of lid 2 Wabo). Hierbij gaat het om algemene regels omtrent de inhoud. □
Omgevingsvisie NH 2050
Op 19 november 2018 is door Provinciale Staten (PS) de Omgevingsvisie NH 2050 vastgesteld. De beleidsnota vervangt de Structuurvisie 2040 en loopt vooruit op de Omgevingswet, waarvan het voornemen is dat deze in 2023 in werking zal treden. Gedeputeerde Staten hebben de Omgevingsverordening op 27 november 2020 vastgesteld. Als hoofdambitie heeft de provincie in de Omgevingsvisie NH 2050 aangegeven te willen streven naar een evenwichtige ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’. De provincie draagt bij aan het welzijn én aan de economische vitaliteit, gericht op een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier en inde overtuiging dat dit tevens een goed economisch vestigingsklimaat bevorderd. Bij de concretisering van de ambities geldt het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’ De samenhangende - ambities betreffen de volgende aspecten: gezonde en veilige leefomgeving in de hele provincie natuur- en biodiversiteit / natuurinclusief ontwikkelen duurzame en vernieuwende economie toekomstbestendige landbouw klimaat-adaptatie energietransitie ontwikkelen van stad en land metropoolregio Amsterdam ontwikkeling unieke kracht en kwaliteit Noord-Holland-Noord De ambities zijn uitgewerkt in samenhangende ‘bewegingen naar de toekomst’, waarin meerdere ontwikkelprincipes worden gehanteerd. Voor heel Noord-Holland zijn de ontwikkelprincipes in kaart gebracht (afb.
8). In Noord-Holland-Noord worden vooral de kwalitatieve eigenschappen, zoals rust en ruimte, groen en natuur en bovenal de gezonde lucht als specifieke, behoudenswaardige kenmerken beschouwd. Om die reden wordt bij de noodzakelijke verdergaande verstedelijking vooral prioriteit gegeven aan ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied met de aanwezigheid van voorzieningen en een goede bereikbaarheid van openbaar vervoer. □
Omgevingsverordening NH 2020
De verordening gaat over de fysieke leefomgeving en de activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het bereiken en in standhouden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in samenhang met het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de Omgevingsverordening gaat het om de sturingsfilosofie van de Omgevingsvisie NH 2050: ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’ en ruimte bieden voor maatwerk, gelet op de diversiteit van de regio’s. Daarbij moeten enkele inhoudelijke ambities en ontwikkelingsprincipes uit de Omgevingsvisie NH2050 in concrete juridische regels worden omgezet. Zowel voor stedelijke als landelijke gebieden zijn een aantal algemene regels vastgesteld omtrent de inhoud van en de toelichting op gemeentelijke (bestemmings-) plannen over onderwerpen waar een provinciaal belang mee gemoeid is.
9 Gemeenten zijn verplicht om voor het bestaand stedelijk gebied bestemmingsplannen vast te stellen, maar hebben bij de invulling daarvan een grote mate van beleidsvrijheid.
afb. 7
De omgevingsvisiekaart Noord-Holland 2050 met de planlocatie
Voor de onderhavige ontwikkeling is van belang hetgeen is verwoord in Afdeling 6 ‘Instructieregels’. In artikel 6.3:
Artikel 6.3 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen •
1.Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken.
•
2.Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid.
Bekend is dat de Provincie Noord-Holland actief is in het zoeken naar huisvestingslocatie in samenwerking met 3 gemeenten in de Kop van Noord-Holland. Of de Provincie op een of ander wijze betrokken is bij een vergelijkbare regionale activiteit met (3) gemeenten van West-Friesland, is voorshands onbekend. N.B. Voor ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ en “Bijzonder Provinciaal Landschap’ zie paragraaf 4.1. Conclusie: Er worden in de Omgevingsverordening met betrekking tot de voorliggende ingreep verder geen richtinggevende of belemmerende uitgangspunten of regels geformuleerd. De voorgestelde ontwikkeling van een complex t.b.v. de huisvesting van arbeidsmigranten op de locatie te Benningbroek vertoont geen strijdigheden met het hiervoor genoemde ruimtelijke beleid van de provincie.
10 3.3
Regionaal beleid
□
Structuurschets Westfriesland `Een dijk van een regio`
De zeven gemeenten van Westfriesland gaan zelf aan de slag en maken onderling afspraken over regionale samenwerking en hebben daarbij aangegeven dat ze binnen vijf jaar tot de top 10 van meest aantrekkelijke regio’s van Nederland willen horen. Om deze ambitie te bereiken hebbende colleges van Burgemeester en Wethouders de Structuurschets Westfriesland ´Een dijk van een regio´ ( februari 2017) opgesteld. De structuurschets is daarnaast vooral een uitnodiging aan initiatiefnemers, ondernemers en bewoners. Gezamenlijk wordt vorm gegeven aan de toekomst van Westfriesland. De gemeenten willen ruimte bieden aan initiatieven die Westfriesland versterken. Vanuit dit perspectief zijn vijf arrangementen voor Westfriesland geschetst. 1. Kustland 2. Experimenteerlandschap 3. Agribusiness-landschap 4. Het Westfriese Leven 5. Transformatielandschap Deze arrangementen moeten gezien worden als ‘verbeelde kansen’. Het is dus geen letterlijke vertaling van beleid en moet ook niet als zodanig worden geïnterpreteerd. Ze bevatten een samenhangende serie kansen en potenties, soms ruimtelijk, soms niet-ruimtelijk. Voor de onderhavige ontwikkeling is met name arrangement 3 ´Agribusiness-landschap´ relevant, onder het motto: “Westfriesland gaat ruimte bieden aan ontwikkeling, innovatie en schaalvergroting van de agrarische sector”. Dit in balans met andere potenties en kwaliteiten van gebieden.
Ruimte wordt geboden als dit geen afbreuk doet aan andere economisch rendabele, kansrijke ontwikkelperspectieven. Soms is er alle ruimte voor ontwikkeling en schaalvergroting: de landschappelijke kwaliteiten laten het toe, de leefbaarheid is niet in het geding en de ontsluitingsmogelijkheden zijn daar. Soms echter zijn er andere belangen en ontwikkelpotenties, bijvoorbeeld gericht op recreatie of wonen, in dat geval is terughoudendheid en balans het devies. De ontwikkelruimte moet goed worden afgewogen en samengaan met de andere belangen. Hoewel de huisvesting van arbeidsmigranten niet met name wordt genoemd, mag er van worden uitgegaan, dat - gezien het grote belang van buitenlandse arbeiders in het agrarische productieproces - een adequate huisvesting daarvan valt onder de intentie voor het versterken van de agrarische sector. Dit wordt bevestigd door de op 9 september 2021 vastgestelde nota ‘Beleidsregels buitenlandse werknemers gemeente Medemblik’ (zie hierna bij Gemeentelijk beleid)). Conclusie De realisering van een complex voor de huisvesting van buitenlandse werknemers is te beschouwen als een activiteit bedoeld ter versterking van de agrarische bedrijvigheid in West-Friesland, Als zodanig is het plan in overeenstemming met de uitgangspunten / doelstellingen van de Structuurschets Westfriesland..
N.B.:
Aangezien het bij de voorliggende ontwikkeling gaat om een logiesfunctie, waarvan een deel permanent is (92 logiesplekken) en een deel tijdelijk (72 logiesplekken), zijn de regionale beleidsnota’s ‘Woonakkoord 2020-2025 regio Westfriesland en Provincie Noord-Holland’ en het ‘Afwegingskader Wonen Westfriesland 2021’ niet van toepassing.
11 3.4.
Gemeentelijk beleid
3.4.1. Structuurvisie Medemblik Van toepassing is de “Structuurvisie 2012-2022 ‘Sterke kust en sterk achterland’. De structuurvisie betreft een actualisatie en harmonisering van het beleid van de voormalige gemeenten Andijk, Medemblik en Wervershoof en bevat een beschrijving op hoofdlijnen van de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende jaren. Daarbij worden de opgaven en ambities voor de komende tien jaar in beeld gebracht op het gebied van: regionale samenwerking, landschap en cultuurhistorie, wonen, voorzieningen en leefbaarheid, economie en bedrijvigheid, bereikbaarheid en ontsluiting, natuur en water en duurzaamheid. De titel van de structuurvisie verwijst naar de wens van de gemeente Medemblik om de kustlijn van Medemblik tot en met Andijk verder te ontwikkelen en het achterland te versterken. Andere belangrijke thema's zijn verbreding van de economie en het gezond houden van de leefbaarheid in alle kernen. Medemblik wil de komende jaren het vestigen in de gemeente zo aantrekkelijk mogelijk maken. Met oog voor realiteit stimuleert de gemeente dorpsvernieuwingen en geeft ruimte om nieuwe woningen te bouwen. Deze ruimte vult de gemeente als volgt in: • Er zijn voldoende woningbouwlocaties aanwezig, waarbij de gemeente de vinger aan de pols houdt bij het op gang brengen van de ontwikkeling van de locaties.
• Daarbij biedt de gemeente ruimte om programmatisch af te wijken van de oorspronkelijke plannen voor een locatie. • In de afweging van de locaties vormt de herontwikkeling van de kwaliteitslocaties (dorpsvernieuwing) een belangrijke rol om verpaupering in de dorpen tegen te gaan. Het voorliggende initiatief betreft geen specifieke vorm van wonen, maar een logiesfunctie t.b.v. de tijdelijke huisvesting werknemers’. Relevant is de beleidsnotitie ‘Beleid huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik’ 3.4.2
Beleid huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik
Regio Westfriesland kampt met tekort aan huisvesting voor buitenlandse werknemers In de regio Westfriesland zijn veel bedrijven afhankelijk van de inzet van buitenlandse werknemers, maar er is een groot tekort aan huisvesting voor deze doelgroep. Om aan de vraag van bedrijven te kunnen voldoen, zijn de komende jaren minimaal 3.000 logiesplekken nodig. Op 9 september 2021 stelde de gemeenteraad van Medemblik het beleid ‘Huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik’ vast. De gemeente Medemblik streeft naar voldoende kwalitatief goede huisvesting voor buitenlandse werknemers. Om dit te kunnen faciliteren heeft de gemeente beleidsregels. In de beleidsregels stelt de gemeente kaders in welke gevallen de gemeente wil meewerken aan huisvesting en welke voorwaarden daaraan zijn gekoppeld. In 2019 evalueerde de gemeente het gemeentelijk beleid rondom de huisvesting van buitenlandse werknemers (rapport ‘Huisvesting van buitenlandse werknemers in Medemblik’, Rigo Research en Advies, 10 september 2019). Deze beleidsevaluatie, kwantitatief onderzoek, en de rapporten en aanbevelingen van het landelijke Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten leverden bouwstenen op voor nieuw beleid. Aan de totstandkoming van het nieuwe beleid is een interactief proces voorafgegaan.
Zo kon tijdens verschillende sessies op input gerekend worden van: buitenlandse werknemers zelf, huisvesters en werkgevers, kernraden, en de eigen organisatie. Er zijn verschillende categorieën van huisvesting onderscheiden. Van toepassing voor het onderhavige project is de categorie ‘grootschalige huisvesting’.
12 Om te bepalen waar deze huisvesting gerealiseerd kan worden, zijn de zeven Westfriese gemeenten samen aan de slag gegaan met een locatie onderzoek. Hierbij zijn drie fasen doorlopen: een verkennende analyse van vraag en aanbod van huisvesting, een enquête onder inwoners, bedrijven en ondernemers en het bepalen van afwegingscriteria en potentiële locaties. Uiteindelijk zijn 19 voorkeurs-zoekgebieden bepaald voor de huisvesting van buitenlandse werknemers. De voorliggende locatie Stationsbuurt, Benningbroek valt niet onder de zoekgebieden die vanuit de Swecorapportage zijn aangegeven Dit hoeft geen probleem te zijn, als de locatie maar aan een aantal voorwaarden voldoet: • Eigenaar grond is de initiatiefnemer • Redelijk grootschalig met 164 bedden • Maximaal 20 jaar voor een gedeelte met 72 bedden • Exploitabel • Goede ontsluiting • 24/7 controle • Op basis van logies Daarbij aangetekend, dat het onderhavige voorstel potentieel een belangrijke bijdrage kan leveren in de huisvestingsproblematiek van arbeidsmigranten in West-Friesland. Conclusie Het voorgestelde plan voor 164 logiesplekken /-bedden voor arbeidsmigranten past in het geformuleerde gemeentelijke beleid inzake huisvesting arbeidsmigranten. 3.4.3
Bestemmingsplan
De gronden zijn geregeld in het bestemmingsplan “Buitengebied”, vastgesteld 22 februari 2018. Op de gronden liggen de enkelbestemmingen “Horeca-2” (artikel 23).en “Verkeer - Railverkeer” (artikel 36). Daarnaast is sprake van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’, maar daar de realisering van een molen – als onderdeel van een horecabedrijf - nooit heeft plaats gevonden, is deze van geen betekenis meer. Bebouwing binnen de bestemming ‘Horeca -2’ is een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk, 5,5 en 8 meter, met dien verstande dat voor de geplande molen een hoogte is toegestaan van 22 meter. Binnen de bestemming ‘Verkeer - Railverkeer’ zijn geen gebouwen mogelijk, maar geldt voor ‘andere bouwwerken’, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het spoorweg verkeer een bouwhoogte van maximaal 10,00 meter.
afb. 9 De planlocatie op de bestemmingsplankaart
13
Gezien de bestemmingen en criteria is de gewenste bestemming voor een redelijk grootschalig complex t.b.v. huisvesting van arbeidsmigranten niet mogelijk, behalve voor een deel binnen de bestemming ‘Horeca 2’. Derhalve dient voor deze planontwikkeling te worden voorzien van een passende planologische regeling. Met het doorlopen van de planologische procedure voor een ‘Omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan’ wordt het mogelijk de voorliggende ontwikkeling te realiseren NB.:
Voor het gehele grondgebied van de gemeente geldt in principe het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Medemblik”, vastgesteld 19 september 2019, maar daarin is tevens aangegeven, dat in geval nieuwe beleidsregels over parkeernormen worden vastgesteld, deze in de plaats treden van de beleidsregels, zoals in dit bestemmingsplan is opgenomen. Voor het voorliggende plan is derhalve de ‘Nota Parkeernormen Gemeente Medemblik 2021’ van toepassing (zie paragraaf 5.2).
4.
Beeldkwaliteit
4.1.
Beeldkwaliteit als onderdeel van provinciaal ruimtelijk beleid
Gezien de ligging van de planlocatie in het landelijke gebied zijn de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ (2018) en de nota ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’ (2020) van toepassing. □
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018)
Noord-Holland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Het is een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil dan ook ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft . Met deze Leidraad wil de provincie partijen zoals gemeenten, initiatiefnemers, beheerders en ontwerpers stimuleren en inspireren om tot kwalitatieve en duurzame ruimtelijke ontwerpen te komen. De Leidraad is daarbij ook bedoeld om – in lijn met de ambities van de Omgevingswet en de provinciale Omgevingsvisie – inzichtelijk te maken welke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van belang zijn. Voor elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied van Noord-Holland die bestemmingsplanplichtig is, is een goede onderbouwing van de ruimtelijke kwaliteit vereist. De Leidraad beschrijft de bestaande waarden en de ontwikkelkansen in de verschillende gebieden in Noord-Holland.
De kaart van de provincie is daartoe onderverdeeld in twintig landschappelijke eenheden, zogenaamde ensembles, en tien provinciale structuren, De planlocatie ligt in de landschappelijk eenheid West-Fries Midden (afb. 9.) De ‘kernwaarden’ van het gebied zijn de landschappelijke karakteristiek, de openheid en ruimte beleving en de ruimtelijke dragers. Dit zijn: de Westfriese Omringdijk, de lintdorpen met de vele stolpen, de spoorlijn Hoorn-Medemblik, de ringvaarten en tochten, de provinciale wegen (op enkele plekken) en de snelweg A7 (alleen bij Hoorn). Het plangebied heeft een bijzondere positie in het betreffende landschap: het is een soort ‘restgebied’ tussen de A7, de spoortracé Hoorn -Medemblik en de Broerdijksloot (zie afb. 2). Vastgesteld kan worden dat ter plaatsen - behalve de evidente ‘openheid’ - geen bijzondere karakteristieken aanwezig zijn.
14
afb. 10 De planlocatie in de landschappelijk eenheid West-Fries Midden
afb. 11
De planlocatie met rechts de A7 en links het tracé van de spoorlijn Hoorn-Medemblik
Bij een beoordeling van de nieuwe ontwikkeling (m.n. bouwhoogte) zal het effect van de nieuwbouw op de openheid beoordeeld moeten worden. In de Leidraad wordt hieromtrent het volgende opgemerkt;
Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: •
het behoud van het huidige open landschap langs de snelweg A7 en het benadrukken van de continuïteit van het Westfriese landschap aan beide zijden van de snelweg. > Behoud de kwalitatieve open inrichting van de zone langs de snelweg. Wees zeer terughoudend met ruimtelijke ontwikkelingen direct aan de A7 (‘snelwegzichtlocaties’). De onderliggende landschappelijke (verkavelings)structuren zijn steeds leidend en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voegen zich hiernaar.
p.m.
Is overleg met de provincie noodzakelijk ?
15 □
Bijzonder Provinciaal Landschap
In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’ (BPL). Dit zijn landschappen waarop we extra zuinig zijn vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier.
Het BPL is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening NH2020 bedoeld om de meest waardevolle landschappen in Noord-Holland te beschermen. Per landschap is aangegeven welke ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarden aanwezig zijn. Dit zijn de ‘kernkwaliteiten’ van het landschap. Voorbeelden hiervan zijn het leefgebied voor weidevogels, waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, de openheid en de vergezichten in het landschap of een bijzondere opbouw van de ondergrond. De kernkwaliteiten mogen niet worden aangetast. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. Per locatie kan aan de hand van de kernkwaliteiten een zorgvuldige afweging worden gemaakt welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk en welke niet wenselijk zijn. Hierdoor is er ruimte voor maatwerk en gebiedsgerichte differentiatie. In de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan dat een ontwikkeling in het BPL mogelijk maakt, moet worden gemotiveerd dat de ter plaatse geldende kernkwaliteiten niet worden aangetast. In lijn met de provinciale ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ zijn de kernkwaliteiten beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: 1.
Landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. 2. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. 3. Ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. De planlocatie ligt in het ‘BPL Abbekerk en omgeving’ (afb. 12 a, b en c). Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Westfriese Omringdijk en de N239. Aan de zuidzijde wordt de grens gevormd door de oude bebouwingslinten van Gouwe, Sijbekarspel, Benningbroek, Midwoud, Oostwoud en Veldhuis. Aan de oostzijde ligt de grens op de provinciale weg N240. De snelweg A7 doorsnijdt het gebied in noord-zuid richting. Het BPL Abbekerk en omgeving omvat het beschermd dorpsgezicht van lintdorp Twisk met zijn vele monumenten en het traject van de historische spoorlijn Hoorn – Medemblik (waarover recreanten een rit met een historische stoomtrein kunnen maken). Het BPL vormt tevens een landschappelijke buffer tussen de grootschalige glastuinbouwclusters ten noorden en ten zuiden van dit gebied. De ‘kernkwaliteiten’ van het BPL zijn hieronder weergegeven.
Afb. 12 a, b
16
De planlocatie in relatie met de kernkwaliteiten BPL ‘Abbekerk en omgeving’ . Afb. 12 c Te zien is dat de planlocatie geen rol speelt m.b.t. de ‘aardkundige en landschappelijke karakteristieken’, noch m.b.t. de ‘ruimtelijke dragers’; daarnaast is de betekenis voor de ‘openheid en ruimtelijke beleving’ betrekkelijk marginaal (zie ook afb. 2 en 10) Een en ander overziende mag verondersteld worden, dat er – mede gezien de vigerende bestemmingsregeling, de grote behoefte en de uitstekende bereikbaarheid – op de planlocatie ontwikkelingsmogelijkheden aanwezig zijn voor de realisering van een logiesgebouw voor arbeidsmigranten.
4.2
De gemeentelijke welstandsnota
De gemeentelijke welstandsnota is gebaseerd op artikel 12a van de Woningwet en art. 9.1 tweede lid van de bouwverordening. Van toepassing is de herziening van 2019. In de nota zijn welstandscriteria voor gebied 20 (Buitengebied) van toepassing (Bijlage 1) Sprake is van een ‘regulier’ welstandsgebied: Het buitengebied in de gemeente Medemblik is regulier welstandsgevoelig. In het landelijk gebied wenst de gemeente een hoge kwaliteit van natuur, milieu en landschap. Duurzaamheid staat centraal. Daarnaast streeft de gemeente naar behoud van het streekeigen karakter
p.m.
5.
Beoordeling door de welstandscommissie
Milieubeperkingen en omgevingsaspecten
5.1
Milieu
5.1.1
Milieu effect rapportage (M.e.r.)
De Omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan beoogt de mogelijkheid te bieden voor het realiseren van wooncomplex met 117 logieseenheden voor buitenlandse werknemers (ook wel aangegeven als arbeidsmigranten) en bijbehorende voorzieningen.. Voor een activiteit dat is opgenomen in de zogenaamde D-lijst is een M.e.r.-rapportage een vereiste; voor een activiteit, die onder de drempelwaarde valt, dient een zgn. ‘vormvrije M.e.r.- beoordeling plaats te vinden. De realisering van een logiescomplex valt in de D-lijst onder punt D-11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject), maar valt onder de drempelwaarde. Aangetoond moet worden dat het uitgesloten is dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Op 7 juli 2017 is het Besluit M.e.r. gewijzigd. Beoordeeld dient te worden of er een vormvrije M.e.r. beoordeling noodzakelijk is voor de bouw van het wooncomplex voor arbeidsmigranten. Dit moet - afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling - in principe geschieden in de vorm van een ‘aanmeldingsnotitie’ (wordt in voorkomende gevallen zo nodig separaat aan de gemeente geleverd).
17 In deze paragraaf wordt een beperkte toetsing M.e.r. gedaan: □
Kenmerken van het project
▪
Relatie met drempel D lijst
De realisering van een logiescomplex voor arbeidsmigranten valt in de D-lijst onder punt D-11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject), maar valt onder de drempelwaarde. ▪
Cumulatie met andere projecten.
Nee ▪
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Gebruik bouwmaterialen tijdens de bouw en gebruik energie tijdens exploitatie. ▪
Productie afvalstoffen
Huishoudelijk afval, afvalwater ▪
Verontreiniging en hinder
Veroorzaakt uitstoot van CO2 en luchtverontreiniging, zowel door de wooneenheden als door het extra autoverkeer (zie de bijlage Aeriusberekening) ▪
Risico voor ongevallen
Het project veroorzaakt geen risico voor derden. □
Plaats van het project
▪
De aard en kwaliteit van de projectlocatie
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van Benningbroek tussen de A7 en de recreatieve spoorlijn Hoorn - Medemblik. De directe omgeving is aan te merken als agrarisch productiegebied. De planlocatie is gezien de ligging en bereikbaarheid zeer geschikt voor een logiescomplex voor arbeidsmigranten omdat de locatie goed bereikbaar is, de gebruikers overwegend werkzaam zijn in het agrarische gebied en voorziening in omliggende kernen zowel met de auto als de fiets uitstekend bereikbaar zijn. Tenslotte kan in het onderhavige geval ook worden vermeld, dat de locatie op slechts 4 km is gelegen vanaf de productielocatie van de units, hetgeen een bijdrage betekent aan de duurzaamheid. In de omgeving zijn geen functies aanwezig, die qua milieu onevenredige hinder opleveren voor nieuwe logiesverblijven en omgekeerd zullen deze geen nadelige invloed hebben op de exploitatiemogelijkheden van de aanwezige niet-woonfuncties. De gronden hebben geen bijzondere landschappelijke betekenis. De locatie is vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Er zijn voor het overige geen waarden aan het bouwterrein toe te kennen, die bescherming behoeven of noodzaken tot het nemen van bijzondere maatregelen. Er is bodemonderzoek gedaan; voor het toekomstig gebruik voor woningen zijn geen belemmeringen aanwezig. ▪
De omvang van het project
Het aantal logies-eenheden is 72, elk voor maximaal 2 personen. ▪
Mogelijke schadelijke effecten van de functie
Er worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt en geen afvalstoffen geproduceerd. Er is bij de logiesfunctie geen sprake van verontreiniging van en hinder voor de omgeving en er is geen sprake van emissie van schadelijke stoffen.
18
□
Kenmerken van het potentiële effect
▪
Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)
Potentiële effecten zullen uitsluitend lokaal optreden; er zijn geen regionale of landsgrensoverschrijdende effecten. ▪
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
Verbruik van bouwmaterialen is eenmalig. Overige effecten zijn permanent. ▪
Verwerking afval en productie
CO2 en luchtverontreiniging kan met nieuwe technologie op termijn worden verminderd. Hiermee is in voldoende mate aangetoond dat het uitgesloten is, dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn naar aanleiding van het realiseren van een logiescomplex met 82 logieseenheden met 2 bedden voor tijdelijke arbeidsmigranten op de betreffende locatie. 5.1.2
Bodem en grondwater
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen aan te worden getoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging moet verkennend bodemonderzoek uit worden gevoerd. □
Verkennend bodemonderzoek
p.m. De paragraaf 5 ‘Conclusie’ uit het bodemonderzoeksrapport is weergegeven in Bijlage 4. Het integrale rapport zal bij de digitale levering als Bijlage B aan de stukken worden toegevoegd
5.1.3
Watertoets
In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen (of het voeren van vergelijkbare procedures). In het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro) dat verplicht is bij ruimtelijke procedures, wordt vooroverleg gepleegd met de waterbeheerder, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. □
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. □
Watertoets
Voor het voorliggende project is een digitale watertoets gedaan waarvan het resultaat is bijgevoegd bij deze toelichting als Bijlage ... Omdat de planlocatie onbebouwd is en derhalve sprake is ven een evidente toename aan verharding, heeft het plan invloed op de waterhuishouding. Hierna worden kort de belangrijkste punten beschreven.
19 ▪ Watercompensatie Op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, moet bij een toename van meer dan 800 m2 bebouwd of overig verhard oppervlak binnen stedelijk gebied, minstens 10% van het extra bebouwde of verharde oppervlak worden gecompenseerd door middel van nieuw oppervlaktewater. Dit water moet worden gerealiseerd binnen hetzelfde peilvak en dient blijvend in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem. Gezien het feit, dat de locatie horecavoorziening was bestemd met een beperkt oppervlak en het bestemmingsplan een bebouwingoppervlak van ca. ….. m2 toestaat., dient een berekening gemaakt te worden hoeveel aan watercompensatie nodig is en waar dit in welke vorm wordt gerealiseerd. Oppervlakte projectgebied: 8212 m2 Verharding logiescomplex met wegen en paden; Verharding wegen en parkeren (half verhard) Totaal verharding x 10% watercompensatie = 400 m2
:
3000 m2 1000 m2
p.m.
▪ Waterkering De projectlocatie is niet gelegen in of op een bij de Legger van het Waterschap aangewezen primaire of regionale waterkering. ▪ Waterkwaliteit en riolering Bij de nieuwbouw zullen geen materialen worden toegepast, welke een verontreinigende werking hebben op hemelwater en/of grondwater en de afvoer van hemelwater vindt gescheiden plaats ten opzichte van het riool. Het initiatief heeft geen gevolgen voor de waterkwaliteit. Een woonbestemming zorgt niet voor een verhoogd risico op een slechtere waterkwaliteit. Voor de afvoer van (vuil)water wordt aangesloten op de aanwezige voorziening. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd en zal gescheiden van de riolering worden afgevoerd. Tenslotte kan nog worden vermeld, dat de planlocatie is gelegen op het niveau - 1,80 NAP, hetgeen op gespannen voet staat met het uitgangspunt om het bouwen van woningen onder NAP waar mogelijk te beperken. Hieromtrent is het volgende van belang: De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn samen met medeoverheden bezig met het ontwikkelen van een richtinggevend kader. Doel van het kader is de ondersteuning van het regionale proces om een bewuste afweging te maken over waar wordt gebouwd gegeven het water en bodem systeem en de risico’s vanuit wateroverlast, overstromingen, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid.
Dit kader is richtinggevend voor gebiedsontwikkeling en keuzes die bevoegde gezagen maken. Hiermee worden water en bodem sturend bij ruimtelijke planvorming, aldus de minister en staatssecretaris. Er wordt verwacht dat de definitieve versie van het kader in het najaar van 2023 kan worden gepresenteerd. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat nieuwbouw onder NAP niet definitief tot het verleden behoort, in ieder geval als het aan de politiek ligt. Nieuwbouw echter zal binnen bepaalde risicogebieden niet snel meer worden gerealiseerd. Voor het overige is bouwen onder NAP volgens ons kabinet toekomstbestendig, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Wat die voorwaarden precies zullen zijn, moet nog blijken. Voorshands wordt in dit verband alleen benadrukt dat het niet verstandig is om nieuwbouw te realiseren in o.a. de diepste delen van de (diepe) polders (t/m ca. 6,00 meter min ANP) De diepte van de voorliggende locatie behoort daar met zijn 1,80 m’ beneden ANP niet bij. p.m.
( de reactie van het Hoogheemraadschap afwachten ?)
□
Conclusie
Uit de beschreven watertoets blijkt dat voor de uitvoerbaarheid van het project geen belemmeringen zijn op het aspect waterhuishouding.
20 5.1.4
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening houdt onder andere het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten in. Zo zorgt milieuzonering er voor dat een nieuw bedrijf (of uitbreiding van bedrijvigheid) een passende locatie ten opzichte van woningen kan krijgen. Hiermee wordt zoveel mogelijk hinder bij woningen en andere gevoelige functies voorkomen of beperkt. (logiesvoorzieningen zijn formeel geen gevoelige functie) In de geactualiseerde publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeente (VNG) wordt een richtafstanden-lijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven. De afstanden zijn richtinggevend; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Ook heeft een en ander tot doel dat een nieuwe woning of uitbreiding van bestaande woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Hiermee wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden over het uitoefenen van hun activiteiten. Voor dit aspect zijn de volgende gegevens relevant: 1.
De omgeving van het te realiseren logiescomplex is agrarisch gebied.
2.
Op ca. 230 meter ten oosten in een akkerbedrijf aanwezig;
3.
Op ca. 100 meter ten zuiden van het plangebied is een maatschappelijke functie aanwezig;
4.
Op ca. 180 meter ten zuiden bevindt zich een kleine bedrijfsvestiging;
5.
Op ca. 580 meter ten zuiden is een tankstation aanwezig aan de A 7;
Ad. 1
De kleinste afstand tot de agrarisch bestemming is aan de oostzijde van de planlocatie en bedraagt 30 m’. Aandacht moet besteed worden aan het potentiële gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zie hierna ‘Spuitzone’).
Ad. 2 t/m 4
Deze afstanden zijn zodanig, dat de bedrijfsactiviteiten op de vestigingslocatie geen hinder opleveren voor het (logies)verblijf op de planlocatie en omgekeerd zullen de bedrijven door het (logies)verblijf aldaar niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Er wordt ruimschoots voldaan aan de genoemde richtafstanden van de VNG-publicatie.
Ad. 5
Dit betreft de opslag en levering van gevaarlijke stoffen. Dit komt aan de orde in de paragraaf 5.4. ‘Externe veiligheid’.
□
Spuitzone
Tussen het logiescomplex en een agrarische bestemming waar gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt, dient de afstand zodanig te zijn, dat sprake is van goede ruimtelijke ordening. Dit is het geval indien wordt vastgesteld, dat ter plaatse van de logiesfunctie een goed woon- en leefklimaat aanwezig is. In uitspraken van de Raad van State werd uitgegaan van minimaal 50 meter als veilige afstand tussen een ‘gevoelig object’ en de precieze zone waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Hoewel een logiesgebouw formeel niet als een ‘gevoelige functie’ wordt aangemerkt, wordt in dit verband – gezien de uitgangspunten van het ‘Roemer-rapport’ – dit bij het voorliggende project wel als zodanig behandeld. De afstand tot de agrarische bestemming is 30 meter aan de oostzijde en meer dan 50 meter aan de westzijde (aan de overzijde van de A7). Te nemen maatregelen Gezien de aard en omvang van de voorliggende ontwikkeling en de feitelijke situatie wordt een nader locatiespecifiek onderzoek niet opportuun geacht. Daarenboven is de huidige berekeningsmethode door de Raad van state afgekeurd.
21 Wel kan worden vastgesteld, dat tussen het potentiële spuitgebied en het nieuwe logiescomplex een afstand van 50 meter niet mogelijk is, zodat ingezet moet worden op een deugdelijke afscherming op de erfgrens van de tuin aan de oostzijde van het perceel. Dit kan / zal geschieden in de vorm van een driftreducerende windhaag, die minimaal 90 % dicht zal zijn. De haag en de afstand daarvan tot het logiescomplex zullen leiden tot de vaststelling dat zeker nabij het complex, maar ook in het betreffende gedeelte van de tuin, geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare drift van gewasbeschermende middelen. Conclusie Het is aan het bevoegd gezag (i.c. gemeente Medemblik) om te beoordelen of - gezien: a. de wel haalbare afstand (ca. 30 meter); b. de afschermende ingreep; c. de speciale voorwaarden voor het tijdstip en de omstandigheden waaronder spuiten is toegestaan; d. én tenslotte rekening houdende met de heersende windrichting (van het wooncomplex af), een en ander voldoende is om te spreken van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de logiesfunctie en derhalve van een goede ruimtelijke ordening. 5.1.5
Wegverkeerslawaai
De woonfunctie is een geluidsgevoelige functie. De Wgh bepaalt dat de ‘geluidsbelasting’ op gevels van woningen en andere geluidgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm (48 dB - ‘voorkeurswaarde’). Langs wegen en straten bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder geluidszones. Uitzondering hiervan zijn woonerven en 30 km/u-gebieden. Onderzoek in het kader van de wet geluidhinder naar de geluidbelasting als gevolg van de aanwezige weg (i.c. de A7) is derhalve noodzakelijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening vast te stellen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Door het bureau ‘Advisering Geluid’ zijn indicatieve geluidsberekeningen wegverkeerslawaai gemaakt. De bevindingen zijn neergelegd in de notitie WG2023-02-15-A7-MIG-ABB d.d. 15 februari 2023. Hierbij de Conclusie en aanbeveling:
De integrale rapportage is opgenomen in Bijlage ...
22 5.2
Verkeersaspecten
Verkeersbewegingen p.m. Parkeervoorziening. Van toepassing is de ‘Nota Parkeernormen Gemeente Medemblik 2021’. In principe dient voor de berekening van de parkeerbehoefte de tabel uit Bijlage II van de nota te worden gehanteerd, maar daarin wordt niet verwezen naar een wooncomplex als de onderhavige. Voor arbeidsmigranten kan een lagere richtlijn aan de orde zijn, afhankelijk van de mate waarin het vervoer van en naar het werk is georganiseerd. Er wordt naar gestreefd is om het beslag voor parkeren te minimaliseren. Dit kan doordat vervoer van en naar het werk met busjes zal plaatsvinden. Op deze manier blijft zoveel mogelijk buitenruimte rond het complex beschikbaar voor recreatiemogelijkheden voor de arbeidsmigranten en voor waterberging. In het overleg met de gemeente is gekozen voor een parkeernorm van 0.3 parkeerplekken per persoon ( 0,6 per kamer). 5.3
Luchtkwaliteit
Bij ontwikkelingen is in algemene zin onderzoek nodig naar de bestaande luchtkwaliteit en de effecten, die de realisatie van die ontwikkelingen daarop zal hebben. Op 15 november 2007 is de “Wet Luchtkwaliteit” (Stb.2007,434) in werking getreden en vervangt het “Besluit Luchtkwaliteit 2005”. Deze wet voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘in niet betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3%grens niet wordt overschreden. De 3%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe ‘Wet Luchtkwaliteit’ geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. Het realiseren van een wooncomplex met 117 wooneenheden kan geacht worden te voldoen aan in ieder geval de drie eerstgenoemde voorwaarden. Conclusie Er zijn in het kader van de Wet Luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de realisering van het voorliggende bouwinitiatief. Met betrekking tot de stikstofdepositie wordt verwezen naar paragraaf 5.7. 5.4
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit betreft opslag, transport van gevaarlijke stoffen over de weg, over water en over het spoor. De veiligheidsrisico's in het kader van externe veiligheid worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. De normen voor het plaatsgebonden en het groepsrisico hebben tot doel een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon, dan wel deel uitmakend van een groep. Op de ‘Risicokaart’ van Noord-Holland zijn voor de planlocatie en directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aangegeven (zie afb. 13).
23
afb. 13
De planlocatie
op de risicokaart Noord-Holland.
Met het voorgenomen project worden in ieder geval geen nieuwe risico-relevante activiteiten ondernomen Op de risicokaart is te zien, dat op ca.1.150 meter ten oosten van de planlocatie een agrarisch bedrijf aanwezig is met opslag van gevaarlijke stoffen. Op 1.350 meter is een gas-transportleiding aanwezig, Deze afstanden leveren voor de logiesfubctie op de planlocatie geen gevaar op. De afstand tot de risico-contour van het tankstation ten zuiden van de planlocatie is ca. 480 meter; ook deze afstand betekent voor de planlocatie geen risico. Resteert het feit, dat de planlocatie binnen het invloedsgebied van de A7 ligt en daarmee binnen de ‘effectafstand’ van verschillende rampenscenario’s, Over de A7 vindt transport plaats van vloeibare brandstoffen. Maatgevend voor het groepsrisico is het aantal GF3 transporten (577 transporten per jaar, omvang invloedsgebied 880 meter) en de bevolking in het gebied.
p.m.
Veiligheidsregio ?
5.5
Leidingen
Op de precieze planlocatie zijn geen leidingen aanwezig. 5.6
Cultuurhistorie / Archeologie
In tegenstelling tot de vrijwel alle gronden ter weerzijden van de A7 is op de planlocatie geen dubbelbestemming ‘Waarde - Agrarisch 3’ van toepassing. Verondersteld mag worden, dat ter plaatse van de planlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. p.m.