04 P04554_BP_Gemeentewerf Abbekerk_20220816
Tekst van het document
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.
Onderzoek Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van de kern Abbekerk. In de omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig. Daarnaast loopt de dichtstbijzijnde spoorlijn op circa 1,6 km van
Hoofdstuk 4
28
het plangebied. Ter plaatse van het plangebied zal daarom geen sprake zijn van industrie- of spoorweglawaai. In het ‘Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan Medemblik - Beleidsnota’ is een kaart opgenomen met de wegcategorisering van alle wegen binnen de gemeente Medemblik. Deze kaart, met een uitsnede ter plaatse van de kern Abbekerk, is weergegeven in figuur 4.2. In de gehele bebouwde kom van Abbekerk geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. In de directe omgeving van het plangebied liggen dan ook alleen 30 km/uur-wegen. Voor de ontsluitingswegen van en naar de kern geldt een maximumsnelheid van 60 km/uur. De dichtstbijzijnde weg met maximumsnelheid boven de 30 km/uur is het noordelijke deel van de Dorpsstraat op een afstand van circa 200 meter. Gezien de afstand van circa 200 meter tot de dichtstbijzijnde weg met maximumsnelheid boven de 30 km/uur, zal de geluidsuitstraling van voertuigen op die weg niet/nauwelijks merkbaar zijn in het plangebied. Aangezien de wegen die dichter bij het plangebied liggen allemaal een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben is hiervoor geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Naast erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen loopt ten westen van het plangebied de Rijksweg A7. Op de kaart in figuur 4.2 is deze weg gekenmerkt als ‘stroomweg (100 km/uur – 120/130 km/uur)’.
In het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen II Herziening 2014’ is voor deze weg de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – weg’ opgenomen. In de regels van dat bestemmingsplan is het onderstaande beschreven: Op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone - weg’ mag, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen geluidsgevoelige bebouwing worden opgericht, tenzij een hogere waarde is vastgesteld. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van geluidsgevoelige bebouwing. In figuur 4.3 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven met hierop de geluidszone voor de A7. Op deze kaart is te zien dat de geluidszone niet tot aan het plangebied reikt.
Hoofdstuk 4
29
Wegcategorisering gemeente Medemblik in kaart
plangebied
Figuur 4.2: Wegcategorisering gemeente Medemblik in kaart (bron: Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan Medemblik – Beleidsnota)
plangebied
Figuur 4.3: Uitsnede geldende bestemmingsplan met aanduiding geluidszone
Hoofdstuk 4
30
Ten behoeve van een volledige afweging van de akoestische situatie is door Windmill een akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied4. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De conclusie wordt hieronder beschreven. Voor de binnen het plangebied geplande woningen en appartementen zijn ter indicatie geluidcontouren bepaald conform de geluidsklassen gehanteerd volgens de methode Miedema. Het betreft de gecumuleerde geluidcontouren van de in de nabijheid gelegen 30 km/uur wegen. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van het plangebied lager dan 50 dB Lden bedraagt. Wettelijke normen voor de toetsing van bovenstaande cumulatieve geluidbelastingen zijn niet voorhanden. Overeenkomstig ‘methode Miedema’ kan de geluidbelasting ter plaatse van de appartementen aan de Dorpsstraat geclassificeerd worden als “matig”. Bron- en/of overdrachtsmaatregelen stuiten evenwel op bezwaren. De overige geplande woningen en appartementen worden geclassificeerd als “goed”. Op grond van ‘methode Miedema’ is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Het aspect geluid vanwege de omliggende wegen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Conclusie Ter plaatse van het onderzochte gebied is er sprake van een matig tot goed woon- en leefklimaat.
Het aspect ‘akoestiek’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
4
Windmill, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor het plan aan de Kerkweg te Abbekerk, 4 november 2019
Hoofdstuk 4
31
Onderzoek De toename van het verkeer bedraagt met het plan per saldo ca. 164 motorvoertuigen per etmaal zie par. 4.1). Berekend is dat de bijdrage van het ontwikkelplan aan de concentraties voor NO 2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het ontwikkelplan maximaal 0,23 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,03 µg/m3 bijdragen. Hierbij is uitgegaan van een relatief hoog aandeel vrachtverkeer voor een woonwijk in een dorpskern.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verNO2 in μg/m3 keer PM10 in μg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
2022
164 5,0% 0,16 0,03 1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Op basis van het geldende bestemmingsplan concluderen we dat de huidige situatie ook geen knelpunt vormt ten aanzien van luchtkwaliteit. Op basis van de huidige en nieuwe situatie vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Milieuzonering is: het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten we bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
32
Richtafstanden Bij de milieuzonering gebruiken we de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Onderzoek In en nabij het plangebied komen de onderstaande functies voor. Deze vormen geen belemmering voor het woningbouwplan aangezien de daadwerkelijke afstanden hoger liggen dan de minimale afstand behorende bij de betreffende milieucategorie. Daarmee vormt het bouwplan tevens geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de betreffende bedrijven.
* Daadwerkelijke afstand (naar beneden afgerond) gemeten vanaf de dichtstbijzijnde gevel van een milieugevoelige woning tot aan de bestemmingsgrens van het bedrijf
5
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
33
Schietvereniging Binnen het plangebied ligt schietsportvereniging De Vrijheid. Deze binnenschietbaan heeft de volgende hoeveelheden munitie vergund gekregen: 20.000 patronen licht kaliber; 10.500 patronen zwaar kaliber; 1.000 gram kruit. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is op deze inrichting niet van toepassing. Zodoende ligt er geen plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied rondom de inrichting. Wel zijn er veiligheidsafstanden in het Activiteitenbesluit voorgeschreven. Indien voldaan wordt aan de normen die gesteld worden aan de bouwkundige voorzieningen van het pand en de opslag van patronen en kruit, dient de afstand tot kwetsbare objecten minstens 8 meter te bedragen. Dit is gebaseerd op de vergunde hoeveelheden kruit en patronen. De VNG-richtlijn "Bedrijven en milieuzonering" hanteert voor binnenschietbanen een minimale afstand tot kwetsbare objecten van 10 meter voor het aspect gevaar en 200 meter voor het aspect geluid. De Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord adviseert om bij de herontwikkeling rekening te houden met 10 meter als afstand tot kwetsbare objecten6. Onderzoek Mede op advies van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord moet door middel van een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat de nieuw te bouwen woningen omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperken.
Hierbij moet het onderzoek mede worden uitgevoerd met behulp van metingen ter plaatse. In voorliggende situatie is er onderzoek gedaan naar de schietvereniging 7 (in dit onderzoek is uitgegaan van een planontwikkeling exclusief het deel wat ter plaatse van Het Nieuwe Bonte Paard wordt ontwikkeld, maar omdat dit verder van de schietbaan afligt, is het onderzoek ook hiervoor maatgevend). Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) ten gevolge van schieten niet meer bedraagt dan respectievelijk 38 dB(A) en 54 dB(A) ter plaatse van de woningen binnen het plangebied. Hiermee wordt de richtwaarden uit stap 2 van het stappenplan uit de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering” gerespecteerd. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het woningbouwplan.
6
Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord, Advies bestemmingsplan t.b.v. herbestemmen naar Wonen, RUD17.213277, 27 maart 2017 7 Windmill, Akoestisch onderzoek industrielawaai voor het plan aan de Kerkweg te Abbekerk, 2 november 2018
Hoofdstuk 4
34
4.5 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: Activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Onderzoek Er is onderzoek gedaan naar het aspect externe veiligheid. In dit onderzoek is uitgegaan van een planontwikkeling exclusief het deel wat ter plaatse van Het Nieuwe Bonte Paard wordt ontwikkeld, maar omdat dit verder van inrichtingen afligt, is het onderzoek ook hiervoor maatgevend). De OD NHN concludeert dat het plan: Zich niet bevindt in het invloedsgebied van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden vervaardigd, bewerkt of opgeslagen, met uitzondering van de schietvereniging (zie par. 4.4); In de nabijheid van de ontwikkeling bevindt zich een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk is (rijksweg A7);
Hoofdstuk 4
35
Er bevinden zich geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de directe omgeving van het plangebied; De gemeente Medemblik heeft een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Het plan is getoetst aan de beleidsvisie en de visie vormt geen belemmering; Het verzoek is niet in strijd met het externe veiligheidsbeleid van de provincie Noord-Holland ten aanzien van het clusteren van risicovolle activiteiten; De ruimtelijke ontwikkeling bevindt zich in het invloedsgebied van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen (transportroute). Strikt genomen dient de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord in de gelegenheid gesteld te worden om te adviseren over rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Echter, in dit geval zal in geval van een calamiteiten in voldoende mate een beroep kunnen worden gedaan op de zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het woningbouwplan.
4.6 Ecologie Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet onderzocht worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, moeten deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling is gebleken dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als dit niet is gebleken, kan het plan worden vastgesteld onder de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
Hoofdstuk 4
36
3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met verzachtende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); Andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Er is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd, alsmede een aanvullend onderzoek vanwege het toevoegen van de locatie van Het Nieuwe Bonte Paard aan het plan 8.
In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele quickscan wordt verwezen naar de bijlagen. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen. 8
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Gemeentewerf/ijsbaan’ te Abbekerk, 1 februari 2018 en Notitie uitbreiding, 11 november 2019
Hoofdstuk 4
37
Middels nader (protocollair) onderzoek naar de functionaliteit van het ijsbaangedeelte en het koeken-zopiehuisje alsmede het pand van Het Nieuwe Bonte Paard voor zowel vleermuizen als de huismus, moet eerst inzicht worden verkregen of er bij uitvoering van de huidige plannen sprake is van overtreding. Indien van toepassing kunnen, middels het tijdig treffen van de juiste (inrichtings)maatregelen en het aanvragen van een ontheffing, de plannen alsnog worden uitgevoerd. Ten aanzien van overige broedvogels moet, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen en de sloop buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige overige soorten moet de zorgplicht in acht worden genomen.
Stikstof Daarnaast is met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige Aerius-berekening inzichtelijk gemaakt of er sprake is van significante toename van de stikstofdepositie ter plaatse van en Natura 2000-gebied9. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde gebieden niet zullen worden aangetast. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Met in acht name van het bovenstaande vormt flora en fauna ter plaatse van het onderzochte gebied geen belemmering voor het plan. Uit aanvullend onderzoek naar de huismus en vleermuizen voor een deel van het plangebied10 blijkt dat binnen het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen voor huismussen of vleermuizen verloren gaan. Door de ingreep is er wel kans op verstoring van vleermuizen door de werkzaamheden. Hiervoor is het noodzakelijk dat gewerkt wordt volgens een nog op te stellen ecologisch werkprotocol. De sloop van de bebouwing ‘Het Nieuwe Bonte Paard’ kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom is middels soortgericht vervolgonderzoek inzichtelijk gemaakt of in de huidige situatie verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en.
Binnen en in de omgeving van het projectgebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Er gaan bij werkzaamheden geen rusten verblijfplaatsen, essentieel leefgebied of vliegroutes verloren. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is hiermee uitgesloten.
4.7 Bodem Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de
9
Aerius-berekening woningen Gemeentewerf te Abbekerk (Kerkweg), gemeente Medemblik, 14 november 2019 BRO, Ecologisch onderzoek huismus en vleermuizen, Gemeentewerf/ijsbaan te Abbekerk, 6 september 2018
10
Hoofdstuk 4
38
grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de betreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Daarom is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Onderzoek Door de OD NHN wordt geadviseerd een verkennend en nader bodemonderzoek uit te voeren11. Dit onderzoek heeft in augustus 2018 plaatsgevonden 12. Uit het onderzoek blijkt dat er belemmeringen zijn voor de herontwikkeling voor wat betreft het perceel Kerkweg 2-4, locatie van de ijsbaan. De bodemsituatie op de locatie Plantsoenstraat 2 vormt eveneens een belemmering voor het voorgenomen plan. Op dit perceel zijn sterke lood- en zinkverontreinigingen aangetroffen en moet nader onderzoek worden uitgevoerd. Onderzoek Dorpsstraat 54 In november 2021 is door Bodemvisie de bodemsituatie op de locatie Dorpsstraat 54 nader onderzocht (locatie Het Nieuwe Bonte Paard). De omvang van de verontreinigingen zijn op basis van de resultaten van het verkennend- en nader bodemonderzoek op de toegankelijke terreindelen horizontaal en verticaal voldoende inzichtelijk gemaakt. Op basis van het geheel aan analyseresultaten blijkt, dat verspreid over de gehele onderzoekslocatie matig tot sterke verontreinigingen met lood en zink in de puin-/baksteen houdende bodem.
Hierbij worden voor zink overwegend matige verhoogde gehalten aangetroffen. De sterke verontreinigingen betreffen in vrijwel alle gevallen de parameter lood. In het kader van de toekomstige herontwikkeling met woningbouw, wordt aanbevolen om de aangetoonde verontreinigingen te saneren. Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de bodem als gevolg van diverse verontreinigingen nog niet geschikt is voor toekomstig gebruik Er zijn in de huidige situatie derhalve belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Bij de voormalige gemeentewerf Kerkweg 2-4, perceel Plantsoenstraat naast 2 en Dorpstraat 54 dienen aanvullende onderzoeken dan wel saneringen te worden uitgevoerd. Voorts zijn er ook lichte verontreinigingen aangetroffen met lood, die mogelijk een risico vormen voor kleine kinderen. Resumerend dienen er met betrekking tot toekomstig gebruik nog de volgende bodemwerkzaamheden te worden uitgevoerd: 1. Voormalige gemeentewerf Kerkweg 2-4 a. Aanvullend onderzoek onder bebouwing en verhardingslagen. b. Sanering van een verontreiniging met cyanide en chloride bij de voormalige zoutloods. c. Aanvullend onderzoek en mogelijke sanering van een sterke loodverontreiniging bij een gedempte sloot langs de Kerkweg. 2. Perceel Plantsoenstraat naast nr. 2 - Nader onderzoek en sanering van loodverontreiniging. 3. Dorpsstraat 54 a.
Na sloop bebouwing en vlonder aanvullend afperken lood- en zinkverontreiniging en onderzoek grond onder bebouwing conform NEN-pakket. b. Saneren toekomstige loodverontreiniging.
11 12
Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord, Advies bestemmingsplan t.b.v. herbestemmen naar Wonen, RUD17.213277, 27 maart 2017 Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord, Advies bodemonderzoek, RUD214044 9 augustus 2018.
Hoofdstuk 4
39
4.8 Water Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Onderzoek Gebiedsbeschrijving Het noordelijke deel van het plangebied is gelegen in peilgebied 6750T-9B in de polder Vier Noorder Koggen. Het hier ter plaatste geldende streefpeil volgens het peilbesluit Vier Noorder Koggen is NAP –1,70 meter. De zuidkant van het plangebied is gelegen in peilgebied 6750T-2 in de polder Vier Noorder Koggen. Het hier ter plaatse geldende streefpeil volgens het peilbesluit Vier Noorder Koggen is NAP –1,20 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire- en primaire waterlopen naar het gemaal Vier Noorder Koggen. Daar wordt het water via dit gemaal op het IJsselmeer uitgeslagen. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is momenteel bezig met de herziening van het peilbesluit Vier Noorder Koggen. In de momenteel beschikbare conceptversie is het genoemde NAP 1,70 meter peil gewijzigd in NAP-1,74 meter. Het opnemen van dit lagere waterpeil in het nieuwe peilbesluit is een vastlegging van het gehanteerde praktijkpeil, en heeft dus geen peilverlagingen in de waterlopen tot gevolg.
Inrichting watersysteem Vanuit het hoogheemraadschap wordt in het plan rekening gehouden met het volgende: In nieuwe stedelijke gebieden is het uitgangspunt van het hoogheemraadschap dat varend onderhoud mogelijk moet zijn. In verband hiermee geldt voor die gebieden dat nieuw aan te leggen en bestaande, te handhaven waterlopen (inclusief grenswaterlopen) worden aangelegd met een minimale breedte op de waterlijn van zes meter, een minimale waterdiepte van één meter met taludhellingen van ten minste 1:2. Normaal adviseert het hoogheemraadschap daarbij waterlopen aan te leggen met grotere waterbreedtes dan de genoemde minimale breedte. Elk doorvaarbaar tracé dient ten minste één maaiboottewaterlaatplaats te krijgen. Verder moeten elke ongeveer 200 meter locaties voor het lossen van uitkomend slootvuil worden ingericht. Binnen het plangebied ligt slechts één doodlopend gedeelte waterloop. Het is niet zinvol dit zo te verbreden dat hier varend onderhoud kan plaatsvinden. Ruimtelijke adaptatie Het hoogheemraadschap adviseert om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Het plan biedt uitstekende kansen hiertoe. Zo kan bij de aanleg van parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat.
Beleid In het kader van het Deltaprogramma Prinsjesdag 2014 hebben vertegenwoordigers van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen de ‘Bestuursovereenkomst Deltaprogramma’ ondertekend, waarmee partijen afspreken de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën in hun eigen plannen te verankeren. De Bestuursovereenkomst is voorbereid door de deltacommissaris en is een aanvulling op het
Hoofdstuk 4
40
Bestuursakkoord Water uit 2011. Het Rijk zal de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën vastleggen in een tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan en voor de nieuwe waterveiligheidsnormen de wet aanpassen. Eén van de deltabeslissingen is de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen hebben daar een verantwoordelijkheid in. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben zich door de ondertekening van de ‘Bestuursovereenkomst Deltaprogramma’ gecommitteerd aan de onderstaande ambities. • Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben de ambitie dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht en bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaat voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is.
• Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is uiterlijk in 2020 onderdeel van het beleid en handelen van deze partijen, door in hun regionale en lokale ruimtelijke afwegingen de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid van het eigen plangebied te analyseren, de resultaten van deze analyse te vertalen in een gedragen ambitie en een adaptatiestrategie met concrete doelen en de beleidsmatige- en juridische doorwerking van deze ambitie te borgen voor de uitvoering. • Ieder van de partijen aan de overeengekomen gezamenlijke ambitie invulling geeft op basis van de eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Klimaatbestendige stad Klimaatadaptie is een actueel en urgent onderwerp. Het is belangrijk alle mogelijke kansen te benutten die waterrobuust en klimaatbestendig bouwen bieden. De veranderingen in het klimaat, van welke aard en omvang ook, gaan gevolgen hebben voor de manier waarop wij wonen, werken en onze vrije tijd doorbrengen. Het is niet eenvoudig om de opgaven te relateren aan het dagelijks werk in de lokale (ruimtelijke) praktijk. En juist de combinatie van verstedelijking en klimaatverandering kan tot een opeenstapeling van problemen leiden.
Daar liggen echter óók veel kansen: bij grotere en kleinere stedelijke projecten, variërend van herbestrating tot gebiedsherontwikkeling, kunnen diverse ruimtelijke maatregelen getroffen worden die weinig tot niets extra kosten maar wel de weerbaarheid van de stad tegen extreem weer doen toenemen. Waterrobuust bouwen Als gevolg van toenemende risico's door veranderende rivierafvoeren, bodemdaling en zeespiegelstijging, gekoppeld aan demografische groei rondom onze rivieren is er begin deze eeuw voor gekozen anders om te gaan met water. Hoewel de kans op een overstroming relatief klein is, zullen de gevolgen van een mogelijke overstroming zeer groot zijn. Daarom is het concept van meerlaagsveiligheid opgesteld. Naast het voorkomen van een overstroming (eerste laag), richt de aandacht zich in dit concept ook op gevolgenbeperking als een overstroming zich toch voordoet (tweede laag). Er is immers altijd een zogenoemd 'restrisico'. De omvang van dit restrisico wordt bepaald door het verloop van een overstroming, het aanwezige kapitaal en de hoeveelheid inwoners van een gebied. En door de mate waarin vitale functies en kwetsbare objecten al dan niet onherstelbaar worden getroffen. Het gaat dan om energienetwerken (gas, elektra), de drinkwatervoorziening en ICT, telecommunicatie- en zorgvoorzieningen.
Het al dan niet intact blijven van deze sectoren is medebepalend voor de omvang van een ramp en de mogelijkheid tot relatief snel herstel nadien.
Hoofdstuk 4
41
Door maatregelen te treffen in de ruimtelijk inrichting, kan het aantal slachtoffers en de hoeveelheid schade worden beperkt. Daarnaast is er in het concept van meerlaagsveiligheid aandacht voor rampenbeheersing in de vorm van evacuatie en rampenplannen (de derde laag). Ook aan deze derde laag kan de ruimtelijke inrichting een bijdrage leveren, door bijvoorbeeld het realiseren van vluchtroutes. Waterkwaliteit en riolering De ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van woningen. Thans is de locatie in gebruik als onder meer opslagterrein (gemeentewerf), ijsbaan en parkeerplaats. Als gevolg van deze functiewijziging zal de productie van huishoudelijk afvalwater ter plaatse toenemen. Het uitgangspunt bij de gemeente Medemblik en het hoogheemraadschap is dat bij nieuwe ontwikkelingen een gescheiden rioolstelsel wordt aangelegd waarbij het hemelwater van schone oppervlakken gescheiden wordt afgevoerd van het huishoudelijk afvalwater. Omdat dit schone hemelwater nu of in de toekomst wordt geloosd op het plaatselijke oppervlaktewater adviseert het hoogheemraadschap om toe te zien op het terughoudend toepassen van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink, stoffen die de waterkwaliteit schaden en problemen geven bij de afzet van slootbagger.
Vergunningen en ontheffingen Voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan oppervlaktewater, waterkeringen en wegen in het beheer van het hoogheemraadschap en het aanleggen van ≥ 800 m² verharding is een watervergunning of ontheffing van het hoogheemraadschap nodig. Afhankelijk van de complexiteit van de aanvraag en/of werken is het belangrijk om hierover in een vroeg stadium overleg te starten, zodat onderzoeken tijdig kunnen worden gestart en wordt voorkomen dat onnodige onderzoeken worden gedaan. Doorwerking plangebied Onderstaande tabel laat de bestaande en nieuwe situatie zien ten aanzien van open water en verhard en onverhard oppervlak. De toename wordt veroorzaakt door het dempen van de aanwezige sloot in het plangebied en door een afname van het onverhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. In bijlage 6 zijn tekeningen opgenomen die dit illustreren. Door deze toename aan verharding zal de neerslag versneld worden afgevoerd van het terrein. Zonder compenserende maatregelen kan dit leiden tot ongewenste peilstijgingen en zal de waterhuishoudkundige situatie verslechteren. Bij een verhardingstoename van ≥ 2000 m² gebruikt het hoogheemraadschap een exacte berekening om het oppervlak voor compensatie uit te rekenen. Het compensatiepercentage is op deze locatie 8%.
Hierbij is uitgegaan van een peilstijging van 0,60 meter die statistisch eens in de 25 jaar kan voorkomen, een bemalingscapaciteit van 14,4 mm/dag, een drooglegging van 1,5 meter en grondsoort klei. Compensatie dient in principe binnen het plangebied te worden gerealiseerd. Omdat dit niet mogelijk is, is binnen hetzelfde peilgebied (Nap -1.20 M.) een alternatieve locatie gezocht. Dempingen moeten geheel teruggegraven worden, in dit geval betreft dit 193 m2. Het totaal aan compensatie bedraagt aldus ca. 422 m2.
Hoofdstuk 4
42
Aantal m2 verhard Aantal m2 half verhard Aantal m2 onverhard Water Totaal
Huidige situatie
Nieuwe situatie
Saldo
5860 1686
7178 4786
+ 1318 + 3100
5925
1712
- 4213
193
0
- 193
Compensatie (800 - Compensatie 2000m2 verhardings- (>2000 m2 verhartoename) dingstoename) 132 105 155 124
193 480
193 422
Figuur 4.4 Watercompensatie ten westen van het plangebied
De compensatie wordt gerealiseerd in de nabijheid van het plangebied, namelijk ter plaatse van (te verbreden) sloten, onder andere ten noorden van het voetbalterrein van vereniging ALC. Conclusie Er is sprake van toename van verharding en demping van bestaand open water. Voor de verhardingstoename is een watervergunning noodzakelijk. Voor de demping van het open water vindt compensatie plaats ten zuidwesten van het plangebied binnen hetzelfde peilgebied. Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.9 Archeologie Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden moet worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Onderzoek Er is door Archeologie West-Friesland een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied 1314, eerst voor het achterliggende plangebied en later voor de locatie ter plaatse van “Het Nieuwe Bonte Paard”. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Het oostelijk deel van het plangebied heeft een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd middels de AMK. Historisch kaartmateriaal toont aan dat binnen het plangebied in de Nieuwe Tijd geen bebouwing aanwezig was. Binnen het gehele plangebied geldt op basis van de bodemkaart een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd en een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum. 13 14
Archeologie West-Friesland, Archeologische Quickscan Plangebied: Kerkweg, Abbekerk, gemeente Medemblik Adviesnummer: 17032, 15 maart 2017 Archeologie West-Friesland, Archeologische Quickscan Plangebied: Dorsstraat 54, Abbekerk, gemeente Medemblik Adviesnummer: 18070, 22 maart 2018
Hoofdstuk 4
43
Het zuidelijk deel van het plangebied is ca. 50 cm afgegraven voor de aanleg van de schaatsbaan, hier zullen alleen eventuele diepere archeologische sporen aanwezig zijn. Op het terrein zijn nog enkele loodsen aanwezig, waarvan het onzeker is in hoeverre deze de bodem hebben geroerd. Gezien de hoge mate van verstoring binnen het plangebied, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Aanvullend onderzoek15 In een aanvullend archeologisch onderzoek is de locatie aan de Plantsoenstraat 2 onderzocht. Geconcludeerd wordt dat de hoge archeologische waarde voor het oostelijke deel van het perceel Plantsoenstraat 2 kan komen te vervallen. De bebouwing uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bevindt zich langs de Dorpsstraat. Het deel van het perceel waarvoor een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie geldt is te klein om nog binnen dit plan van belang te zijn. De aanleg van de ijsbaan (juist ten noorden van perceel Plantsoenstraat 2) heeft het eventueel aanwezige prehistorische landschap aangetast. Archeologie West-Friesland adviseert het voorontwerpbestemmingsplan vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie.
Locatie Het Nieuwe Bonte Paard Dit deel het plangebied valt binnen het dorpslint van Abbekerk, waar een hoge archeologische waarde geldt voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op basis van historische kaartmateriaal, het AHN en Archis zijn er geen duidelijke indicaties dat het plangebied vóór de vroege 19de eeuw is bebouwd. Het huidige gebouw is in de (tweede helft van) de 20ste eeuw gebouwd en daarmee zeer waarschijnlijk zwaar gefundeerd. Het pand beslaat bijna het gehele oppervlak binnen het plangebied dat nog niet is vrijgegeven op de concept-beleidskaart archeologie. Gezien de verwachte verstoring door recente bouwwerkzaamheden en de geringe indicaties voor langdurige bewoning op het perceel, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Conclusie Het aspect archeologie vormt binnen het plangebied geen belemmering voor het initiatief.
4.10 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie16 met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. 15 16
Archeologie West-Friesland, Archeologisch Advies Plangebied Kerkweg, Abbekerk, gemeente Medemblik, 17032, 04-092018 BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan Gemeentewerf Abbekerk, november 2021
Hoofdstuk 4
44
Doorwerking plangebied Met dit planvoornemen wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.
D.11.2
Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt de realisatie van maximaal 38 woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Bijlage bij het Besluit m.e.r. De ontwikkeling van de woningen valt onder de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2): de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van het gebied met maximaal 38 woningen ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht naar aanleiding van de wijziging van het Besluit m.e.r. per 16 mei 2017.
Dit betekent dat voordat het plan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders een Mer-besluit nemen.
Hoofdstuk 4
45
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen staan omschrijvingen van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.
Hoofdstuk 5
46
Hoofdstuk 2: bestemmingsregels Dit hoofdstuk beschrijft de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt op de verbeelding aangegeven, eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage). In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.
Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid zijn daarbij aangegeven.
algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 5
47
overige regels. Hierin is opgenomen hoe verwijzingen naar andere regelgeving moet worden geïnterpreteerd. Tevens is een parkeerregeling opgenomen, zodat gewaarborgd is, dat ten behoeve van de functies voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik, en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Bedrijf; Groen; Sport; Verkeer; Water; Wonen. Hieronder worden de gekozen bestemmingen beknopt toegelicht. Inhoudelijk is voor de verschillende bestemmingen omwille van de rechtseenheid zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels van het geldende bestemmingsplan ‘Dorpskernen II Herziening 2014’. Bedrijf Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de reeds aanwezige, te behouden nutsvoorziening aan de noordzijde van het plangebied. De bestemming omvat een bouwvlak en is voorzien van de functieaanduiding ‘nutsvoorziening’. Ter plaatse is een nutsvoorziening met bijbehorende voorzieningen toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogten van het gebouw bedragen respectievelijk 3 en 6 meter. Verder zijn andere bouwwerken toegestaan. De maximumhoogten zijn aangegeven in de bouwregels. Groen In het plangebied zijn enkele groenstroken aanwezig en voorzien. Hiervoor is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. De betreffende gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen met daarbij behorende voorzieningen zoals water, speelvoorzieningen en paden. Er zijn geen gebouwen toegestaan, maar uitsluitend andere bouwwerken. Sport De bestemming ‘Sport’ is opgenomen ter plaatse van het gebouw van de schietvereniging.
Deze functie blijft ter plaatse gevestigd en de bestemming is overgenomen vanuit het geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsvlak bestaat tevens uit een bouwvlak. Binnen de bestemming zijn gebouwen toegestaan, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de reguliere gebouwen, waarvoor maximaal de bestaande hoogten zijn toegestaan, en fietsenstalling. Daarnaast zijn andere bouwwerken toegestaan. De gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen met daarbij behorende voorzieningen.
Hoofdstuk 5
48
Verkeer De bestaande en nieuwe hoofdinfrastructuur in het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. Binnen de bestemming zijn (ontsluitings)wegen, straten en paden toegestaan, alsmede parkeervoorzieningen, in- en uitritten, groenvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen. Gebouwen zijn binnen de bestemming niet toegestaan. Voor andere bouwwerken, passend binnen de bestemming, geldt een maximale bouwhoogte van 20 meter (zoals zendmasten) en voor erf-/terreinafscheidingen van maximaal 2 meter. Water De watercompensatie wordt geregeld in een gebied dat in het zuidwesten van de ontwikkeling ligt. Ter plaatse worden enkele bestaande sloten deels verbreed, waarmee de vereiste watercompensatie wordt bereikt. Waar dit het geval is wordt de bestaande bestemming gewijzigd in de bestemming Water, zodat dit juridisch-planologisch wordt geborgd. Wonen Het plan voorziet in woningbouw binnen vijf zones in het plangebied. De woningbouw bestaat uit maximaal vijf vrijstaande woningen, waarvan vier aan de noordwestzijde van het plangebied en één woning aan de Plantsoenstraat 2. Daarnaast komen er maximaal negen rijwoningen centraal in het plangebied, maximaal acht gestapelde woningen nabij het gebouw van de schietvereniging en 16 gestapelde woningen ter plaatse van de huidige horecavoorziening. In totaal zal het plangebied daarmee ruimte bieden aan maximaal 38 woningen.
Voorts wordt aan de zuidwestkant van het plangebied een stuk van de huidige Sportbestemming betrokken bij het bestaande woonperceel Dreef 12. Zowel de vier beoogde woningbouwstroken als de strook bij Dreef 12, zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De gronden zijn bestemd voor woonhuizen met bijbehorende bouwwerken, met daaraan ondergeschikte functies en voorzieningen zoals tuinen, erven, parkeer- en groenvoorzieningen. Voor de beoogde woningbouw zijn in totaal vier bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de hoofdgebouwen moeten worden opgericht. Per bouwvlak is de toegestane woningtypologie vastgelegd, het maximumaantal woningen, alsmede de maximale goot- en bouwhoogten. In de bouwregels is een separate regeling voor bijbehorende bouwwerken en voor andere bouwwerken opgenomen. Middels een bepaling in de overige regels (artikel 13) is verzekerd, dat er voldoende parkeerplaatsen voor de geplande woningbouw in het plangebied worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 5
49
6.
UITVOERBAARHEID
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Voor gebiedsontwikkeling bestaan verschillende modellen die variëren van een volledige publieke ontwikkeling tot een volledig private ontwikkeling met vele varianten daartussen. Voor de ontwikkeling van het gemeentelijk terrein gemeentewerf/ ijsbaan is gekozen voor het model van publieke gebiedsontwikkeling. De gemeente heeft hiervoor gekozen om op deze wijze regie en grip te hebben op het programma, het tempo en de fasering. De regie is van belang om de beoogde kwaliteit en diversiteit op deze locatie te borgen. De gemeente behoudt in dit project voldoende flexibiliteit om in te kunnen spelen op toekomstige ontwikkelingen. Omdat de gemeente grotendeels eigenaar is van de gronden van het terrein gemeentewerf-ijsbaan is er geen exploitatieplan opgesteld. Het kostenverhaal wordt via de gronduitgifte en enkele anterieure overeenkomsten geregeld.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie en communicatie De bewoners van Abbekerk zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van het plangebied gemeentewerf/ijsbaan. Op 18 sept. 2017 is een start gemaakt met een bewonersbijeenkomst. Met een klankbordgroep zijn stapsgewijs de conceptresultaten besproken. In deze klankbordgroep zaten direct omwonenden van Plantsoenstraat, Dreef, Kogge en Noordzicht en afgevaardigden van café/restaurant Het Nieuwe Bonte Paard, schietvereniging “De Vrijheid”, de ijsclub en de dorpsraad. Uit de bewonersavonden (2) en de vergaderingen van de klankbordroep (7) kwamen ideeën en wensen naar voren die belangrijk zijn voor het draagvlak van het plan, maar ook voor de leefbaarheid in de buurt en het dorp. Hieronder zijn de belangrijkste punten genoemd die uit het participatietraject voortvloeien.