03 DOC-22-586541 - Bijlage 3: Toelichting Verordening fysieke leefomgeving 2e tranche
Tekst van het document
Toelichting Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2de tranche. Voorbereiding implementatie Omgevingswet De gemeente Medemblik bereidt zich voor op de Omgevingswet. Daartoe worden de regels over de fysieke leefomgeving uit diverse Medemblikse verordeningen samengebracht in de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik. Dit gebeurt stapsgewijs (in tranches). Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de samengebrachte regels in de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik (gefaseerd) ondergebracht worden in het definitieve Omgevingsplan. Opnieuw uitstel Omgevingswet De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat nu gepland op 1 juli 2023. Verordening fysieke leefomgeving 1e tranche In de 1e tranche hebben wij de volgende verordeningen volledig laten opgaan in de Verordening fysieke leefomgeving: • • • • • •
een geüpdatete versie van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2014; een geüpdatete versie van de Erfgoedverordening; Bouwverordening gemeente Medemblik 2011; Marktverordening gemeente Medemblik 2012; Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014 en Brandbeveiligingsverordening Medemblik.
Twee verordeningen zijn deels opgegaan in de Verordening fysieke leefomgeving: • •
Algemene plaatselijke verordening Medemblik en Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Medemblik 2015.
Verordening fysieke leefomgeving 2e tranche In de tweede tranche van deze verordening is de Afvalstoffenverordening 2022 gemeente Medemblik volledig overgenomen. Verder is een aantal artikelen over het aansluiten op de gemeentelijke riolering in deze verordening opgenomen. Toelichting De toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e tranche is deels overgenomen uit de toelichting bij de Vfl 1e tranche. Bij de artikelen die in de 2e tranche zijn gewijzigd (of nieuw zijn) is een toelichting opgenomen. Aan het eind van de toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e tranche is een transponeringstabel (was-wordt tabel) opgenomen.
1
De belangrijkste wijzigingen zijn: Toevoeging van de artikelen 6.16 en 6.17 aan de Verordening fysieke leefomgeving, afkomstig uit de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2021. (artikelen 4:7a gevelreiniging en werkzaamheden en 4:8 natuurlijke behoefte doen). Toevoeging van de afdeling 7.6 Standplaatsen buiten de markt aan de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik (artikelen 7.25 tot en met 7.28 VFL) en afkomstig uit de Apv Medemblik 2021 (artikelen 5:17 tot en met 5:20). Toevoeging van de afdeling 4.2 Onroerend cultureel erfgoed, afkomstig uit de model Erfgoedverordening 2016 artikelen 4.10 tot en met 4.15 van de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik Toevoeging van de afdeling 5.4 Aansluiten op de gemeentelijke riolering, afgeleid van de Aansluitverordening riolering gemeente Medemblik 2007 (geldend van 21-01-2007 tot en met 31-122012). Toevoeging van afdeling 5.6 Afvalstoffen, volledig overgenomen van de Afvalstoffenverordening 2022 gemeente Medemblik. Toelichting per hoofdstuk Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Het eerste hoofdstuk bevat inleidende algemene bepalingen. De meeste verordeningen beginnen met een opsomming van begripsbepalingen. In de Verordening fysieke leefomgeving is er voor gekozen om in het eerste artikel te verwijzen naar een bijlage, waarin de begrippen zijn opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de structuur van de Omgevingswet.
De artikelen 1.4 tot en met 1.9 zijn verplaatst naar Hoofdstuk 3 Proces, procedure en adviescommissie. Hoofdstuk 2
Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer van de fysieke leefomgeving
Zorgplicht in de Omgevingswet Een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht maken deel uit van de Omgevingswet. Samen zorgen ze ervoor dat overheid, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat zowel overheden, bedrijven als burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet als er geen specifieke decentrale regels of rijksregels van toepassing zijn. Als deze specifieke decentrale- en rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Specifieke zorgplicht Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. 2
Hoofdstuk 3
Proces, procedure en adviescommissie
In hoofdstuk 3 wordt het proces, procedure en adviescommissie verder uitgewerkt. Daarom zijn de artikelen 1.4 tot en met 1.9 uit Hoofdstuk 1 naar Hoofdstuk 3 verplaatst. Hoofdstuk 4
Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- en dorpsgezicht
De model Erfgoedverordening 2016 van de VNG is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Hierbij zijn de bepalingen herschikt en logisch geordend. Dit hoofdstuk geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. De bevoegdheid omvat ook het aanpassen en intrekken van deze aanwijzingen. In dit hoofdstuk zijn ook de procedures geregeld die van toepassing zijn op de aanwijzingsbevoegdheden. De Erfgoedverordening bevatte hier nog veel termijnen voor advisering. Het is echter wenselijk om het regelen van termijnen in de verordening te beperken tot beslistermijnen en andere belangrijke termijnen. Vervolgens worden in dit hoofdstuk de regels voor het omgaan met gemeentelijke (archeologische) monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten geregeld. Het verbod op het vernielen en beschadigen van gemeentelijke monumenten is uitgebreid met een verbod op het onthouden van het onderhoud dat voor de instandhouding van het monument nodig is. Dit is een absoluut verbod; het is niet mogelijk om hier een vergunning of ontheffing voor te verlenen. Voor wijzigen van gemeentelijke monumenten is een vergunningstelsel opgenomen. De regels hiervan zijn aangepast aan de meest recente modelverordening van de VNG.
Concreet betekent dit dat een uitzondering voor vergunningplicht is ingevoerd in gevallen waarin het gewoon onderhoud betreft of activiteiten die het monument niet wijzigen. Tot slot is afdeling 4.2 Onroerend cultureel erfgoed aan hoofdstuk 4 toegevoegd. Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten In hoofdstuk 5 zijn de regels voor bodembescherming en de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, samengevoegd onder de titel “Regels voor activiteiten”. Verder is de beleidsnotitie “Bodemtoets bij aanvraag Omgevingsvergunning bouwen” van de voormalige Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord van belang. Deze nota is als bijlage bij deze verordening gevoegd. Deze regels zijn ongewijzigd overgenomen, met uitzondering van een verduidelijking van de term 'recent onderzoek'. In de begripsbepalingen in Bijlage 1 is opgenomen dat met 'recent' wordt bedoeld 'niet ouder dan vijf jaar'. Deze wijziging is aangebracht omdat er in de praktijk regelmatig discussie is over de vraag of een onderzoek nog voldoende recent is.
3
Aanvullend geldt nog de eis dat een onderzoek actueel is. Het moet derhalve een goed beeld van de bodemgesteldheid geven. De regels omtrent ondergrondse infrastructuur zijn tot op heden neergelegd in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2014. Een uitzondering op de integratie is het volgende. De Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2014 bevat de mogelijkheid voor de burgemeester om spoedwerkzaamheden te verbieden in verband met de openbare orde (zie ook artikel 5.6, derde lid, van de Telecommunicatiewet). Deze bevoegdheid is in strijd met de uitgangspunten van de Verordening fysieke leefomgeving. Deze laatste bevat immers geen burgemeestersbevoegdheden en heeft geen betrekking op openbare orde en veiligheid. In de VFL is een geüpdatete versie van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur geïmplementeerd. In deze tweede tranche van de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik zijn de rioolaansluitingen in afdeling 5.4 opgenomen. Deze behoeven geen nadere toelichting. Ook nieuw in de tweede tranche is afdeling 5.6 Afvalstoffen, die volledig is gebaseerd op de vastgestelde Afvalstoffenverordening 2022 gemeente Medemblik. Hoofdstuk 6 Omgevingshinder Waar de andere inhoudelijke hoofdstukken een bepaald onderwerp in positieve zin beogen te regelen, is Hoofdstuk 6 er juist op gericht onwenselijke effecten tegen te gaan.
De bepalingen in dit hoofdstuk zijn ongewijzigd overgenomen uit de Algemene plaatselijke verordening. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Hoofdstuk 7 Buitenruimte In hoofdstuk 7 zijn deels de Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Medemblik 2015 opgenomen en de Marktverordening gemeente Medemblik 2012. Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Hoofdstuk 8 zal in de volgende tranches van de Verordening fysieke leefomgeving gebruikt worden om de overige nog niet met name te noemen bepalingen onder te brengen. Een gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Met andere woorden (juridische) regels die voor iedereen gelden. De belangrijkste en meest omvattende gemeentelijke verordening is de Algemene plaatselijke verordening. Daar komt nu de Verordening fysieke leefomgeving bij, maar doordat er artikelen uit de Algemene plaatselijke verordening en de Beheersverordening begraafplaatsen worden gehaald en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving en daarnaast 6 verordeningen in zijn geheel worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving, wordt deze verordening de meest omvattende verordening van de gemeente.
Dit komt de leesbaarheid niet ten goede en daarom is er een uitgebreide toelichting toegevoegd ter verduidelijking van de vele artikelen die in de Verordening fysieke leefomgeving zijn opgenomen en nog worden opgenomen.
4
Hoofdstuk 9 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Hoofdstuk 9 bevat regels over strafbaarheid, toezicht en handhaving. In artikel 9.1 worden straffen gesteld op overtreding van de regels van de verordening. In de Verordening fysieke leefomgeving is de strafbaarheid van overtreding van de regels ongewijzigd overgenomen uit de geïntegreerde verordeningen. Dit betekent dat op overtreding van de regels de hoogst mogelijke straf staat die in een gemeentelijke verordening kan worden opgenomen. In de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2014 is slechts op overtreding van enkele bepalingen een straf gesteld, lager dan het maximaal toegestane. Dit lagere maximum is overgenomen in artikel 9.1, tweede lid van de Verordening fysieke leefomgeving. De Wet op de economische delicten stelt straf op grond van de artikelen 7.1, 7.3, 7.4 en 7.12 van de Verordening fysieke leefomgeving. Om dubbele strafbaarstelling te voorkomen is een regel toegevoegd die strafbaarstelling op grond van artikel 9.1, eerste lid, uitsluit, als de Wet op de economische delicten van toepassing is. In dit hoofdstuk worden verder het toezicht, binnentreden woningen, intrekken en vervallenverklaring van de oude verordening en de overgangs- en slotbepalingen geregeld. Het laatste artikel regelt de citeertitel. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1
Algemene Bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel wordt verwezen naar bijlage l waar een aantal begrippen dat in de verordening wordt gebruikt, wordt gedefinieerd. De volgende begrippen vereisen een extra toelichting: Bouwwerk. Dit is de definitie uit de voormalige Bouwverordening. Deze definitie is gebaseerd op jurisprudentie. De bestuursrechter heeft uitgemaakt dat het begrip bouwwerk in de Woningwet én in de Wabo zo moet worden uitgelegd. Deze wetten kennen zelf geen definitie van het begrip bouwwerk. Fysieke leefomgeving. Het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk nieuw begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van de “fysieke leefomgeving” is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Inrichting. De Omgevingswet kent het begrip inrichting niet. In deze verordening werken wij vooralsnog met het begrip inrichting. Immers in de huidige wet- en regelgeving wordt hiermee gewerkt. De Verordening fysieke leefomgeving 2de tranche is gebaseerd op de nieuwe wet- en regelgeving en wordt het begrip inrichting niet meer gebruikt. Openbare plaats. Plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek.
Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties.
5
Artikel 1.2 Toepassingsbereik Deze verordening wordt in tranches aangevuld met regels over andere onderwerpen, die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Dit ter voorbereiding op de Omgevingswet. Regels over de ruimtelijke ordening worden niet opgenomen in deze verordening, omdat deze verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening samen met regels van de bestemmingsplannen opgenomen in het toekomstige definitieve Omgevingsplan. Artikel 1.3 Doel van de verordening Het eerste lid geeft het doel van deze verordening weer. Het tweede lid is gebaseerd op de (algemene) doelen uit de Omgevingswet en geeft zodoende het overkoepelende doel van de regels deze verordening aan. Hoofdstuk 2
Algemene regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving
Artikel 2.1 Doel van de regels Doel van de regels is om algemene regels te geven voor de instandhouding, het behoud en de bescherming van de fysieke leefomgeving. Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Dit artikel komt voort uit de artikel 1.6 van de Omgevingswet. De algemene zorgplicht houdt in dat eenieder die activiteiten uitvoert in de fysieke leefomgeving, ongeacht de aard, omvang en duur van de activiteiten voldoende zorg in acht neemt voor de fysieke leefomgeving. De functies van de zorgplicht zijn: 1.
bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen,
2.
bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken,
3.
bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie).
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze artikelen de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en ook de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon met gebruikmaking van het privaatrecht de naleving van rechtsregels te bevorderen, onverlet laten. Artikel 2.3 (Specifieke) zorgplicht bij nadelige gevolgen Dit artikel is (gedeeltelijk) nieuw en is gebaseerd op artikel 1.7 van de Omgevingswet. Zie ook toelichting bij artikel 2.2. Artikel 2.4 (Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Zie toelichting bij artikel 2.2 6
Artikel 2.5 (Specifieke) zorgplicht staat bestaande gebouwen In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting artikel 2.2) geeft dit artikel een specifieke leidraad voor handelingen ten aanzien van de staat van bebouwde bouwwerken. Artikel 2.6 (Specifieke) zorgplicht gebruik gebouwen In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het gebruik van bouwwerken. Artikel 2.7 (Specifieke) zorgplicht bouw- en sloopwerkzaamheden In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Aan de specifieke zorgplicht is een tweede lid toegevoegd zodat het mogelijk wordt – daar waar dit noodzakelijk wordt geacht- een opname van de openbare ruimte te laten maken voorafgaand aan de werkzaamheden. Na gereedmelding wordt een eindopname gemaakt. Als er schade is geconstateerd worden de kosten op de veroorzaker verhaald (vergunninghouder, melder, aannemer). Artikel 2.8 (Specifieke) zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het gebruik van open erven en terreinen.
Artikel 2.9 (Specifieke) zorgplicht erfgoed (monumenten en archeologie) In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met erfgoed (monumenten en archeologie). Artikel 2.10 (Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met onroerend cultureel erfgoed. Artikel 2.11 (Specifieke) zorgplicht toestand van sloten en wateren In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met sloten en wateren. Artikel 2.12
(Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifieke leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met sloten en wateren. Artikel 2.13 (Specifieke) zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken. Denk bijvoorbeeld aan de zorgplicht van het veilig plaatsen van (innovatieve) technologische systemen met het oog op de zelfredzaamheid van inwoner. Artikel 2.14
(Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met (de verspreiding van) moeilijk te bestrijden planten. Artikel 2.15
Meldplicht bij brand of broei 7
In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de meldplicht bij brand en broei. Artikel 2.16
Gedoogplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor handelingen ten aanzien van de omgang met het gedogen van voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 2.17 Verbod op gebruik wensballonnen Het is wenselijk het oplaten van wensballonnen te verbieden. Het artikel is aangepast. In de Verordening fysieke leefomgeving 1e tranche was een algeheel verbod op het oplaten van ballonnen opgenomen. Dit is nu gewijzigd in wensballonnen die opstijgen door middel van vuur of hete lucht. Artikel 2.18 Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn Voor de aanleg van een hoogspanningslijn wordt veelal in het bestemmingsplan een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen. Dit artikel is een vangnet voor het geval dat een bestemmingsplan ontbreekt.
Het biedt een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Hoofdstuk 3
Proces, procedure en adviescommissie
Artikel 3.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Deze verordening kent een aantal onderwerpen die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden behandeld. Hiervoor gelden dan de regels uit de Wabo en daaruit voortvloeiende regelgeving. Eén van de regels is dat burgemeester en wethouders niet altijd het bevoegd gezag zijn dat beslist over de aanvraag. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om in plaats van bevoegd gezag altijd burgemeester en wethouders op te nemen. Als er sprake is van een ander bevoegd gezag voor burgemeester en wethouders wordt gelezen het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Als hiervan bij een vergunningplicht sprake kan zijn, dan is dit in de toelichting bij het artikel vermeld. Aanvragen kunnen worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Zij zenden de aanvraag door aan het bevoegd gezag en stellen de aanvrager daarvan op de hoogte. Deze doorzendplicht is geregeld in artikel 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.1 Wabo. Artikel 3.2 (Beslis)termijn(en) Deze termijn is genoemd in diverse verordeningen en staat eveneens in artikel 16.64 van de Omgevingswet.
8
Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager wordt verzocht de aanvraag te complementeren binnen een bepaalde termijn. Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing wordt verklaard, nemen burgemeester en wethouders binnen 6 maanden een besluit. Artikel 3.3 Voorschriften Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur. Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen. Artikel 3.4 Algemene weigeringsgronden Naast deze algemene weigeringsgronden kennen de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden. Artikel 3.5 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Naast de algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kennen de onderliggende wet en deze verordening ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden. Zo geeft artikel 5.19 van de Wabo een vergelijkbare regeling voor het intrekken van omgevingsvergunningen. Bij de omgevingsvergunning wordt het besluit om te wijzigen of deels of geheel in te trekken van de vergunning of ontheffing op artikel 5.19 van de Wabo gebaseerd.
Artikel 3.6 Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit ontleend aan de Omgevingswet. De Verordening op de gemeentelijke Adviescommissie voor de Ruimtelijke Kwaliteit Medemblik treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. Artikel 3.7 Gemeentelijk erfgoedregister Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 2 en 12 van de model Erfgoedverordening 2016. Vierde lid Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Artikel 3.8 Nadere regels en aanwijzingsbesluiten Het college kan net als bij de Apv nadere regels vaststellen en aanwijzingsbesluiten nemen op basis van deze verordening. Hoofdstuk 4
Erfgoed (Monumenten en Archeologie)
Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed. Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed (verzamelen, boeken e.d.) heeft geen betrekking op de fysieke leefomgeving.
9
Artikel 4.2 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument. Een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve concreet worden onderzocht. Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw).
Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Vierde lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet).
Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.
10
Artikel 4.3 Voorbescherming Dit artikel is gebaseerd op artikel 7 van de model Erfgoedverordening 2016. Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijke monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Artikel 4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Met de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 4.5 Eerste lid
Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 3.6 van deze verordening pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van artikel 4.3 geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing.
Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Artikel 4.7 Wijzigingen, intrekken en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk document Geen toelichting noodzakelijk. Artikel 4.8 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stadsen dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd.
11
Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Artikel 4.9
Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.
Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Afdeling 4.2
Onroerend cultureel erfgoed
Artikel 4.10 Doel en grondslag van deze afdeling Het doel en de grondslag van deze afdeling is het behouden en beschermen van cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is.
Artikel 4.11 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook verder toelichting bij artikel 3.1. Zesde lid Voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. In artikel 3.2a Wabo wordt een onderscheid gemaakt tussen overleg en overeenstemming afhankelijk van de gevolgen van de ingreep voor de geloofsbelijdenis. Artikel 4.12
Advies gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan voor deze vergunning een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn. Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste bij verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure voor deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over 12
omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988). Artikel 4.13 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht Dit artikel borgt dat het stads- of dorpsgezicht ook al beschermd is in de periode dat bestemmingsplan voorbereid wordt. Eerste lid Zodra het bestemmingsplan als bedoel in artikel 4.8, vijfde lid van kracht is, vindt handhaving plaats op basis van het bestemmingsplan. Artikel 4.14 Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting bij artikel 3.1. Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven.
Artikel 4.15 Vangnet archeologie Deze bepaling is een vangnet voor die bestemmingsplannen waarin nog niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze oudere bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.
Tweede lid Bij nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. Hoofdstuk 5
Regels voor activiteiten
Afdeling 5.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Artikel 5.1 Op wie van toepassing Deze afdeling is niet van toepassing op waterbodems, omdat waterbodems niet onder de Wet bodembescherming vallen, maar onder de Waterwet. De Waterwet is van toepassing op het beheer 13
van de bodem en oevers van oppervlaktewaterlichamen (de waterbodem). De Wet bodembescherming is van toepassing op de overige bodem. Bij de uitvoering op basis van de Waterwet is het Waterschap of het Hoogheemraadschap het bevoegd gezag. Afdeling 5.2
Bodemonderzoek
Artikel 5.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. In artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht is de verplichting opgenomen dat de aanvrager bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit een onderzoeksrapport verstrekt betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Wat verstaan moet worden onder "bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven" werd in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij "enige tijd" moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. Artikel 5.3 Bodemonderzoek Het artikel over het onderzoek heeft tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
14
Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. Artikel 5.4 Aanwijsbevoegdheid interferentiegebieden Het risico dat thermische invloed gebieden elkaar overlappen neemt met de stijging van het plaatsen van bodem energiesystemen in toenemende mate toe. Het is derhalve belangrijk dat de gemeente hierover de regie voert om de vraag naar en de beschikbaarheid van de ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. Afdeling 5.3
Ondergrondse infrastructuur
Artikel 5.5 Toepasselijkheid kabels en leidingen Deze afdeling geeft invulling aan de wettelijke plicht van de gemeente om een verordening op te stellen voor werkzaamheden aan kabels en leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Het bepaalde in deze verordening geldt voor netbeheerders en hun eventuele rechtsopvolger(s). Eventuele bepalingen in deze afdeling, gelden niet voor deze kabels en leidingen indien en voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten. Vooralsnog is er geen vergelijkbare wettelijke regeling voor andere kabels en leidingen, zoals elektriciteitskabels en waterleidingen. Met deze afdeling wordt voorzien in, zoveel mogelijk uniforme, regelgeving voor alle netbeheerders die binnen de gemeente werken. Artikel 5.6 Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van deze afdeling vaststellen. Denk hierbij aan een Nadeelcompensatieregeling, een Schaderegeling ingravingen, tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten en een Handboek kabels en leidingen. Artikel 5.7 Instemmingsvereisten Uitgangspunt is dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij men beschikt over een instemmingsbesluit.
De in de Telecommunicatiewet neergelegde verplichting dat instemming van burgemeester en wethouders is vereist, is opgenomen in deze afdeling en is van toepassing op de werkzaamheden van alle netbeheerders. Daarmee wordt ook voorzien in de toestemming of vergunning die andere kabel- en leidingeigenaren voorheen dienden te hebben voor voorgenomen werkzaamheden in gemeentegrond. Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. 15
In dit artikel wordt voor de instemmingsprocedure onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden, werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden. Niet ingrijpende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerkwerkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een in deze afdeling bepaalde lengte van de kabels en/of leidingen gehanteerd en daarbij mogen geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist. Bij spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat, juist vanwege de urgentie, digitaal melden vooraf onmogelijk is. De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt niet als werkzaamheden moeten worden verricht in gebieden die door de raad op een vooraf bekendgemaakte kaart zijn aangegeven. Dit betekent dat in gebieden die op deze kaart staan geen spoedeisende werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder voorafgaand instemmingsbesluit.
Voorbeelden van dergelijke gebieden die op de kaart kunnen staan zijn: risicogebieden als industriegebieden met buisleidingen voor transport met gevaarlijke stoffen; historische stadskernen of historische straten of natuurgebieden; toegangswegen van en naar gebouwen van hulpdiensten, brandweerkazernes, politie en gemeentelijke gebouwen; de gemeente kan voor toegangswegen naar zulke gebouwen de doorgang altijd opeisen. In bovenstaande gevallen is het niet aanvaardbaar dat zonder specifiek toezicht van de gemeente wordt gegraven. Voor werkzaamheden rond de kabels en/of leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering, netten voor openbare verlichting, is om praktische redenen deze afdeling niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit is het wel zeer wenselijk dat waar mogelijk binnen de gemeente afspraken en procedures worden gemaakt om de doelen van deze afdeling ook intern zoveel mogelijk na te leven. Ondanks het feit dat er een instemmingsbesluit of een goedkeuring op een melding voor de werkzaamheden is verstrekt, zijn burgemeester en wethouders bevoegd een breekverbod in te stellen tijdens door de gemeente vergunde evenementen of als er naar haar oordeel sprake is van weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden.
Een afweging die hierbij gemaakt wordt is de kans op schade en de omvang hiervan aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat dit ingaat, gecommuniceerd naar de betrokken uitvoerende partijen. In ieder geval een dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit meegedeeld aan de betrokken uitvoerende partijen. Gedurende het breekverbod mogen er op geen enkele wijze werkzaamheden plaatsvinden in de openbare grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het breekverbod niet van toepassing. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek kabels en leidingen. De geldigheidsduur van het instemmingsbesluit en/of goedgekeurde melding wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Artikel 5.8
Aanvragen en melden 16
In het artikel wordt aangegeven dat de aanvraag van de voorgenomen werkzaamheden bij burgemeester en wethouders moet worden gedaan. Dat kan bij burgemeester en wethouders of bij de daarvoor gemandateerde ambtenaren. Voor spoedeisende werkzaamheden, zoals ingeval van storingen, wordt een uitzondering gemaakt. Deze moeten zoveel mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden gemeld worden, als dit niet mogelijk is moet dit in ieder geval binnen een werkdag na uitvoering van de werkzaamheden zijn gedaan. Spoedeisende werkzaamheden moeten bij burgemeester en wethouders worden gemeld dan wel bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. In de praktijk kan buiten kantooruren de melding veelal plaatsvinden bij de calamiteiten- of piketdienst. De burgemeester kan besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden als de openbare orde zich verzet tegen de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden. Dit geldt ook als er gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar is. In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op openbare gronden van andere gedoogplichtigen of grondeigenaren dan de gemeente.
Omdat de gemeente een coördinerende rol heeft over alle openbare gronden binnen de gemeentelijke grenzen moet voor alle voorgenomen werkzaamheden in openbare grond een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden gedaan. Dit geldt dus ook in het geval dat voorgenomen werkzaamheden zich beperken tot bijvoorbeeld openbare gronden van de Provincie of het Waterschap. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat naast het instemmingsbesluit mogelijk ook andere vergunningen aangevraagd moeten worden voor de voorgenomen werkzaamheden. In het geval dat naast een instemmingsbesluit een vergunning van een al dan niet ander bestuursorgaan dan de gemeente nodig is, heeft de gemeente hierin een coördinerende rol om afstemming te bevorderen. Als de aanvrager daar om verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven. De aanvrager blijft echter zelf verantwoordelijk voor de afstemming en toestemming van alle betrokken gedoogplichtigen of grondeigenaren en het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen. Het is belangrijk dat aanvragers zelf bij het aanvragen van een instemmingsbesluit rekening houden met een eventueel vergunning traject waarop de aanvraag voor het instemmingsbesluit betrekking heeft.
Dit kan onnodige vertraging voorkomen bij het afgeven van het instemmingsbesluit omdat het verlenen van een benodigde vergunning eerst afgewacht moet worden voordat er instemming kan worden verleend. Artikel 5.9 Gegevensverstrekking In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag moet worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Zo moeten in het geval dat een netbeheerder opdracht geeft om de werkzaamheden te laten verrichten en daartoe een externe uitvoerder machtigt, behalve de gegevens van de externe partij ook die van de netbeheerder worden verstrekt.
17
De aanvraag moet digitaal gebeuren door middel van het door burgemeester en wethouders gehanteerde registratiesysteem. Voor aanvragen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard behoeft slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen moeten meer gegevens verstrekt worden. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht. Bij de aard van de kabels en/of leidingen gaat het erom of deze deel uitmaken van een openbaar netwerk. Is dit niet het geval dan hoeft de gemeente de aanleg van die kabels en/of leidingen niet toe te staan. Het waarborgen van de blijvende bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een opgave van de doorsnede van de kabel- en/of leidingsleuf of -goot waarin het ruimtebeslag van de aanwezige en de aan te brengen kabels en/of leidingen gezamenlijk is aangegeven. Indien de aanleg van kabels en/of leidingen (mogelijk) hinderlijke ligging teweeg zal brengen moet aan de gemeente overlegd worden wat de uitkomst is van overleg met andere netbeheerders en welke afspraken inzake de hinderlijke ligging er zijn gemaakt tussen netbeheerders. Indien het beoogde tracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels en/of leidingen moet een alternatief tracé worden gekozen.
Op grond van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON) is er een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen beheerders enerzijds en opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen anderzijds wordt uitgewisseld. De netbeheerders zijn verplicht, conform WIBON, om hun kabels en/of leidingen zodanig te registreren, dat steeds inzicht daarin kan worden verkregen. Er is samenhang tussen de WIBON en deze afdeling. De WIBON heeft betrekking op het voorkomen van graafschade via een plicht tot zorgvuldig graven én een plicht tot zorgvuldige en tijdige informatie-uitwisseling. De WIBON bepaalt in artikel 44 dat het onverlet laat dat de gemeente in het belang van openbare orde en veiligheid bij verordening voorschriften kan geven over werkzaamheden, waaronder het binden van graafwerkzaamheden aan het hebben van een vergunning (in de zin van deze afdeling een instemmingsbesluit). Artikel 5.10 Voorschriften bij instemmingsbesluit Op grond van deze afdeling gelden een aantal verplichtingen voor degene die werkzaamheden gaan verrichten. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders aan het instemmingsbesluit aanvullende voorschriften verbinden. In deze afdeling is geregeld onder welke voorwaarden dit kan en welke soort voorschriften dit zijn.
De voorschriften hebben vooral te maken met de wijze van uitvoering en zijn gericht op de (deels wettelijk vastgelegde) belangen die de gemeente geacht wordt te behartigen. Daarnaast kunnen door burgemeester en wethouders lokaal geldende regels van toepassing worden verklaard als die er ten aanzien van de aanleg van kabels en/of leidingen zijn. In het kader van de ondergrondse ordening kan gedacht worden aan bescherming van reeds in de grond aanwezige netwerken van bijvoorbeeld de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water, elektriciteit of vaste stoffen.
18
Bescherming van deze netwerken betekent onder meer het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze netwerken. Voorts kan dit (indirect) met zich meebrengen dat deze netwerken zo min mogelijk worden gehinderd in hun ligging. Dit artikel benadrukt dat alle belanghebbenden worden geïnformeerd. Hieronder vallen onder andere bewoners van percelen langs het tracé, maar ook de bedrijfsmatige gebruikers, winkeliers en gebruikers van kantoorpanden. Als burgemeester en wethouders vooraf hebben aangegeven zelf zorg te dragen voor het in oude staat terugbrengen van verhardingen en beplanting moet de netbeheerder de marktconforme kosten daarvan aan de gemeente vergoeden. Artikel 5.11 (Mede)gebruik van voorzieningen Dit artikel heeft als doel om medegebruik zoveel als mogelijk te bevorderen. Op verzoek van burgemeester en wethouders moet zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van reeds aanwezige voorzieningen, mits deze tegen een marktconforme prijs worden aangeboden. Het doel hiervan is te voorkomen dat onnodig gegraven wordt in gemeentegrond en dat er zo effectief mogelijk gebruik wordt gemaakt van de openbare ruimte bijvoorbeeld door middel van het delen van voorzieningen. Voorzieningen zijn bijvoorbeeld kabelgoten en geleidingen.
Artikel 5.12 Termijnen De beslistermijn van burgemeester en wethouders is maximaal acht weken en is afgeleid uit de Telecommunicatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van de Telecommunicatiewet en de Awb delen burgemeester en wethouders indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, dit aan de aanvrager mee en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel kan worden genomen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb is niet van toepassing, waardoor een instemmingsbesluit niet van rechtswege kan worden verleend. Artikel 5.13 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie Op het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden gelden de geformuleerde bepalingen, in samenhang met de Telecommunicatiewet of eventuele geldende privaatrechtelijke overeenkomsten met de netbeheerder(s). Een netbeheerder is verplicht maatregelen te nemen, waaronder het verplaatsen, als dat noodzakelijk is voor werken door of vanwege de gemeente. De gemeente zal dus de noodzaak moeten aantonen.
De eventuele compensatie van kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, worden berekend aan de hand van de gemeentelijke publiekrechtelijke Nadeelcompensatieregeling, de tussen partijen van toepassing zijnde privaatrechtelijke afspraken of de Telecommunicatiewet. Alle hierboven bedoelde kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen, op verzoek van de gemeente zijn onvermijdelijke maatschappelijke kosten die zo laag mogelijk gehouden moeten worden. Dat is een van de redenen waarom op initiatief van de gemeente proactieve regie wordt gevoerd. Hierbij worden de plannen van de gemeente én van de netbeheerders vanuit een lange 19
termijnplanning (tot vijf jaar vooruit) zoveel als mogelijk inzichtelijk gemaakt en gemonitord teneinde werkzaamheden zoveel als mogelijk op elkaar af te stemmen en/of te combineren. Artikel 5.14 Overleg Ter afstemming van allerlei zaken en het voeren van proactieve regie wordt er regelmatig een periodiek (lange termijn) overleg gepland tussen de gemeente en netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen. Dit gebeurt op initiatief van de gemeente. Het kan ook in samenwerking met andere gemeenten of overheden gebeuren. De gemeente overlegt met de netbeheerders indien de gemeente plannen heeft tot verkoop van gronden waarin (mogelijk) kabels en leidingen liggen. In overleg tussen de gemeente en de netbeheerder wordt mogelijk een zakelijk recht van opstal gevestigd of wordt tot verplaatsing van de kabels en leidingen overgegaan. Artikel 5.15 Niet openbare netwerken Met een niet openbaar netwerk worden kabels en/of leidingen bedoeld die niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden. Voorbeelden hiervan zijn warmtenetten of een point-to-point (glasvezel)verbinding tussen twee gebouwen als deze (gedeeltelijk) in openbare grond is aangelegd door de gebouweneigenaar zelf. De gemeente gedoogt (onder voorwaarden) kabels en/of leidingen met een publieke of openbare functie in de openbare ruimte.
De gemeente kan echter ook aanvragen krijgen van partijen die kabels en/of leidingen wensen aan te leggen die niet onder het begrip openbaar netwerk vallen. Vanwege het intensieve gebruik van de ondergrondse ruimte en de veiligheidsrisico’s gaat de gemeente terughoudend om met het verlenen van toestemming voor de aanleg van niet openbare netwerken van particulieren en/of bedrijven. Particulieren die een eigen verbinding wensen, moeten bij voorkeur gebruik maken van openbare netstructuren. Toch zijn er uitzonderingssituaties en indien de beschikbare (ondergrondse) ruimte het toestaat kan de gemeente onder strikte voorwaarden daarvoor toestemming geven. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet openbare netwerken in openbare wegen en wateren is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar wordt bedoeld openbare netwerken daar moet worden gelezen niet openbaar netwerk. Dat betekent echter niet dat de gemeente daarmee een gedoogplicht voor deze kabels en/of leidingen heeft.
20
Artikel 5.16 Informatieplicht Ten aanzien van kabels (en bijbehorende voorzieningen) ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken is wettelijk voorzien in regels voor de duur van de gedoogplicht. Het is mede daarom van belang om inzichtelijk te hebben of kabels en/of leidingen nog deel uitmaken van een netwerk. Ook gezien de mogelijkheden tot medegebruik van al bestaande voorzieningen. Netbeheerders moeten burgemeester en wethouders informeren over het al dan niet in gebruik zijn van bepaalde voorzieningen. Op verzoek van burgemeester en wethouders moeten zij gegevens kunnen overleggen van alle al dan niet in gebruik zijnde kabels en/of leidingen.
Het gaat daarbij om gegevens over de status van de kabels en/of leidingen, bijvoorbeeld dat deze (tijdelijk) niet in gebruik zijn, maar op enig moment wel weer in gebruik kunnen worden genomen, of dat deze verlaten worden en op een geschikt moment kunnen worden opgeruimd. De bewijslast van ingebruikname en het in gebruik hebben, ligt bij de netbeheerder. Wijzigingen kunnen ook optreden door het vervallen van het openbare karakter van gronden. Dit heeft ook gevolgen voor het al dan niet mogen hebben en houden van kabels en/of leidingen in deze gronden. Burgemeester en wethouders moeten op de hoogte gesteld worden van het feit dat het eigendom wordt overgedragen. Indien eigendom, exploitatie of beheer van de kabel en/of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze afdeling van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder. Op het eigendom van kabels en leidingen zijn de wettelijke bepalingen van toepassing. Artikel 5.17 Toezicht en handhaving De gemeente is belast met de handhaving van hetgeen in deze afdeling is opgenomen en ten aanzien van het instemmingsbesluit. Dit artikel geeft aan dat burgemeester en wethouders ambtenaren kunnen aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens deze afdeling.
Als een of meer partijen zich niet houden aan de voorschriften van deze afdeling behouden burgemeester en wethouders zich nadrukkelijk het recht voor gebruik te maken van de hen toekomende bevoegdheden en mogelijkheden zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk en eventueel strafrechtelijk. Bestuursrechtelijk zijn met name de Awb en de Gemeentewet van belang met de huidige bepalingen inzake bestuursdwang, last onder dwangsom en bestuurlijke boete. Civielrechtelijk blijven de opties van onrechtmatige daad van toepassing. Strafrechtelijk is naast het wetboek van Strafrecht in algemene zin ook de Wet op de economische delicten relevant, omdat daarin rechtstreeks bepalingen uit de Telecommunicatiewet van toepassing zijn verklaard. Afgezien van voornoemde preventieve en vooral correctieve of repressieve acties kunnen burgemeester en wethouders in voorkomende gevallen ook ingrijpen in het lopende proces en werkzaamheden (onder bepaalde voorwaarden) ook tijdelijk stil leggen. In dit artikel staat beschreven in welke gevallen dit kan. Bijvoorbeeld bij overtreding van het breekverbod. Normaliter zullen burgemeester en wethouders handhavend optreden, maar onder bijzondere omstandigheden kan worden verlangd dat achteraf een situatie wordt gelegaliseerd. Bijvoorbeeld 21
indien voor reeds uitgevoerde werkzaamheden een melding is gedaan terwijl een instemmingsbesluit had moeten worden aangevraagd. Het laten verwijderen of verplaatsen van de kabels en/of leidingen kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot het openbaar belang dat de vereiste instemmingsprocedure alsnog moet worden gevolgd. Daarbij is het belangrijk dat er voldaan moet worden aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de instemmingsprocedure.
Te denken valt onder andere aan een aantal (praktische) zaken, zoals het verstrekken van relevante gegevens. De kosten die de gemeente maakt voor het alsnog volgen van de vereiste procedure, is ook te beschouwen als een dienst van de gemeente waarvoor alsnog (verhoogde) leges verschuldigd kunnen zijn. Ook eventuele herstraat kosten en dergelijke kunnen in rekening worden gebracht. Burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid de verleende instemming in te trekken als er niet voldaan is aan de voorschriften wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden. Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking van het instemmingsbesluit voordat burgemeester en wethouders de houder van het instemmingsbesluit hebben gehoord. Aan het besluit tot intrekking van het instemmingsbesluit kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels en/of leidingen te verplaatsen of deze te verwijderen, zodat weer de oorspronkelijke situatie ontstaat. Afdeling 5.4