CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

03 DOC-21-448546 - bestemmingsplan Landgoed Zwaagdijk 212 vast te stellen (1).pdf

Gemeenteraad 25 november 2021, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Landgoed Zwaagdijk 212 (pfh. A. van Langen)22.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

0,10 0,1 0,025 0,1 0,035 0,01 0,03 0,0066 0,59 0,1

10 37 50 8 13 6 6 6 1,7 2,75

Max. toelaatbare blootstelling (mg/m2) 31,5 8,5 1,6 39,4 8,5 5,5 16 3,5 1093 115

Bij de blootstelling van deze stoffen, die bepalend is voor het risico voor de mens, is het ook van belang wat de mate is waarin de stof door de huid opgenomen wordt. Dit verschilt voor de individuele stoffen zeer sterk en is aangegeven met de dermale absorptie (Tabel 5). Voor het bepalen van het inhalatie risico wordt met een 100% opname van de in de lucht aanwezige stof gerekend. Voor omwonenden kan het ook van belang zijn wat de blootstelling is door secundaire blootstelling via contact met oppervlakken waarop de stof is neergeslagen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan kleine kinderen die op het gras in de tuin spelen. Omdat blootstelling gedurende meerdere dagen per teeltseizoen voorkomt wordt er uitgegaan van de semichronische blootstelling (Tabel 5) en niet gewerkt met toxicologische eindpunten met als enig eindpunt dood (LD50). In de berekening van de dermale en inhalatoire blootstelling is uitgegaan van een volwassen persoon met een gemiddeld gewicht van 63 kg (Ctgb, 2008). Hiermee kan uit Tabel 5 de maximaal toegestane hoeveelheid (Acceptable Exposure Level; AEL) bepaald worden waarbij de toepassing kritisch wordt door een te hoge hoeveelheid werkzame stof op de huid.

Overeenkomstig de rekenwijze voor blootstelling binnen EUROPOEM II (EUROPOEM, 2002) voor blootstelling voor omstanders wordt er voor omwonenden en omstanders vanuit gegaan dat zij onbedekt rondlopen waarbij hun vangoppervlak 2 m2 is (voor + achterzijde, 0,50 m breed + 2 m hoog). Met deze beide aannames kan uitgerekend worden wat de hoeveelheid werkzame stof is die op de persoon terecht komt en in welke mate dit de drempelwaarden voor dermale toxiciteit over- of onderschrijdt. Voor de verschillende gewasbeschermingsmiddelen is in Tabel 6 uitgerekend wat de maximale dosering is per persoon (63 kg) voor de verschillende stoffen. Hierbij is rekening houdend met de vangefficiency van de gebruikte collectoren (40%) , de meetnauwkeurigheid (50%), de variatie in de metingen en een gemiddelde windsnelheid tijdens de driftmetingen van 3 m/s waar bespuitingen bij

15 maximaal 5 m/s toegestaan zijn (factor 2 meer drift) de driftdepositie met een factor 10 verhoogd (Stallinga et al., 2008). In Tabel 7 staat wat bij driftpercentages tussen 0,1% en 25% op deze persoon van 2 m2 oppervlak aan druppeldrift terecht komt (mg/m2).

Tabel 6.

Depositie aan actieve stof op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak (mg) bij verschillende drift percentages (0,1%-25%).

Middel

Werkzame stof

Captan 80WG/ Malvin WG Insegar Teppeki Runner Pirimor Apollo 500SC CHORUS 50 WG DIMILIN Switch Switch Syllit

Tabel 7.

Middel

Depositie (mg) bij verschillende drift percentages 0,1%

0,5%

1%

5%

10%

15%

20%

25%

6

30

60

300

600

900

1200

1500

0,3 0,1 0,3 0,8 0,5 0,6 0,6 0,6 0,9 1,8

1,6 0,7 1,4 3,8 2,3 3,0 2,9 3,0 4,5 9

3,2 1,4 2,9 8 4,5 6 6 6 9 18

16 7 14 38 23 30 29 30 45 88

32 14 29 75 45 60 58 60 90 176

48 21 43 113 68 90 86 90 135 263

64 28 58 150 90 120 115 120 180 351

80 35 72 188 113 150 144 150 225 439

Captan Fenoxycarb Flonicamid Methoxyfenozide Pirimicarb Clofentezin Cyprodinil Diflubenzuron Fludioxonil Cyprodinil Dodine

Maximale toelaatbare dosering op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak (mg/m2) en de depositie aan actieve stof op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak (mg/m2) bij verschillende drift percentages (0,1-25). Werkzame stof

Captan 80WG/ Captan Malvin WG Insegar Fenoxycarb Teppeki Flonicamid Runner Methoxyfenozide Pirimor Pirimicarb Apollo 500SC Clofentezin CHORUS 50 WG Cyprodinil DIMILIN Diflubenzuron Switch Fludioxonil Switch Cyprodinil Syllit Dodine

Max. Blootstelling (mg/m2) bij verschillende drift percentages toelaatbare 0,1% 0,5% 1% 5% 10% 15% 20% dermale blootstelling (mg/m2) 31,5 8,5 1,6 39,4 8,5 5,5 16 3,5 1093 16 115

25%

3,0

15

30

150

300

450

600

750

0,2 0,1 0,1 0,4 0,2 0,3 0,3 0,3 0,5 0,9

0,8 0,4 0,7 1,9 1,1 1,5 1,4 1,5 2,3 4,4

1,6 0,7 1,4 3,8 2,3 3,0 2,9 3,0 4,5 9

8 3,5 7 19 11 15 14 15 23 44

16 7 14 38 23 30 29 30 45 88

24 11 22 56 34 45 43 45 68 132

32 14 29 75 45 60 58 60 90 176

40 18 36 94 56 75 72 75 113 219

16

Tabel 8.

Invulling van AEL dermaal (%) op een onbedekte persoon van 2 m2 oppervlak en voor verschillende actieve stoffen bij verschillende drift percentages (0,1%-25%).

Middel

Captan 80WG/ Malvin WG Insegar Teppeki Runner Pirimor Apollo 500SC CHORUS 50 WG DIMILIN Switch Switch Syllit

Werkzame stof

Blootstelling (mg/m2) bij verschillende drift percentages 0,1%

0,5%

1%

5%

10%

15%

20%

25%

Captan

10

48

95

476

952

1429

1905

2381

Fenoxycarb Flonicamid Methoxyfenozide Pirimicarb Clofentezin Cyprodinil Diflubenzuron Fludioxonil Cyprodinil Dodine

2 4 0,4 4 4,3 1,9 8,3 0,0 2,9 0,8

9 22 2 22 21 10 42 0,1 14 4

19 94 44 222 4 18 44 221 43 214 19 95 83 416 0,3 1 29 143 8 38

188 444 37 442 429 190 831 3 286 77

282 667 55 663 643 286 1247 4 429 115

376 889 73 884 857 381 1662 5 571 153

470 1111 91 1105 1071 476 2078 7 714 192

Huidblootstelling Door de hoeveelheid werkzame stof die bij de verschillende driftpercentages op de mens terecht komt (Tabel 6,Tabel 7) te toetsen aan de maximale hoeveelheid die op grond van de dermale interne blootstelling tot effect leidt (0) wordt de onderschrijding van deze norm aangegeven (Tabel 8). Uit Tabel 8 volgt dat bij een driftpercentage van 5% de dermale eindwaarde bij captan, flonicamid, pirimicarb, clofentezin, diflubenzuron en cyprodonil overschreden wordt (>100) en dat dit bij 10% voor fenoxycarb en cyprodynil (in Chorus) gebeurt en bij 15% voor dodine. Voor methoxyfenozide en fludioxonil is er geen overschrijding van het dermale eindpunt (AEL) tot 25% drift. Voor de stof met het hoogste risico, de werkzame stof captan, is het effect van de verschillende spuittechnieken, afstanden tot de rand van het perceel en de hoogte in de lucht (Tabel 3) nader bekeken voor de druppeldrift naar de lucht. Hierbij wordt verondersteld dat de hoogte 0-3 m representatief is voor blootstelling van personen die zich buiten bevinden (Tabel 9) en dat de hoogte 3-6 m representatief is voor de blootstelling van de gevel als een persoon in een open raam staat of de hoeveelheid die de woning binnen kan komen door een open (slaapkamer)raam. Voor de overige in Tabel 4 genoemde stoffen staan de resultaten van de berekeningen in Bijlage I.

Volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift in appels en peren mag zowel voor als na 1 mei (respectievelijk in de kale boom situatie en de volblad situatie) captan voor schurftbestrijding gebruikt worden (Ctgb, 2013). Bespuitingen tegen schurft vinden veelvuldig plaats, soms zelfs wekelijks. Gezien de hoge frequentie van gebruik van fungiciden ten opzichte van insecticiden is het risico voor blootstelling van captan dus hoger als van flonicamid en diflubenzuron. Voor captan staat de invulling van het dermale blootstellingseindpunt voor de standaard en een driftbeperkende spuittechniek in Tabel 9 weergegeven voor de volblad en de kale boom situatie. Op 0-3 m hoogte is er voor de standaard spuittechniek en de DRT50 techniek in de volblad situatie (Tabel 10) geen overschrijding van de AEL-dermaal (>100) van captan vanaf 30 m en voor de driftbeperkende spuittechnieken DRT75, DRT90 en DRT95 vanaf 20 m. In de kale boom situatie (Tabel 9) is er voor captan geen overschrijding vanaf 40 m voor de standaard spuittechniek en vanaf 30 m voor de driftbeperkende spuittechnieken DRT50, DRT75, DRT90 en DRT95. Op 3-6 m hoogte is er door belasting met druppeldrift van de standaard spuittechniek in de volblad (Tabel 10) en de kale boom situatie (Tabel 9) geen overschrijding van de AEL dermaal van captan vanaf 40 m vanaf de laatste bomenrij.

Voor de driftbeperkende technieken DRT50 en DRT75 is dit vanaf 30 m vanaf de laatste bomenrij in de kale

17 boomsituatie, vanaf 20 m voor de DRT90 en DRT95 techniek in de kale boom situatie en de DRT50, DRT75 en DRT90 in de volblad situatie en vanaf 10 m voor de DRT95 in de volblad situatie.

Tabel 9.

Onderste 0-3 m

3-6 m hoogte

Tabel 10.

Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit en Verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom situatie. Druppeldrift [%]

Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]

Afstand [m]

Stand

DRT50

DRT75 DRT90 DRT95

Stand

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

10 20 30 40 50

34,1 8,7 2,2 0,6 0,14

15,8 4,0 1,0 0,3 0,06

14,7 3,7 0,9 0,23 0,06

7,2 1,8 0,4 0,11 0,03

4,3 1,1 0,3 0,07 0,02

3247 825 210 53 14

1501 378 95 24 6

1404 353 89 22 6

688 170 42 10 3

410 102 25 6 2

10 20 30 40 50

18,3 6,3 2,2 0,7 0,3

6,7 2,3 0,8 0,3 0,09

5,6 1,9 0,6 0,21 0,07

2,0 0,7 0,22 0,07 0,02

1,2 0,4 0,13 0,04 0,01

1743 598 205 70 24

639 217 74 25 8

530 178 60 20 7

187 62 21 7 2

112 37 12 4 1

Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de volblad situatie. Druppeldrift [%] Afstand Stand DRT50 [m]

Onderste 0-3 m

3-6 m hoogte

Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]

DRT75

DRT90 DRT95

Stand

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

10 20 30 40 50

15,0 3,8 0,9 0,24 0,06

4,9 1,2 0,3 0,07 0,02

3,5 0,9 0,21 0,05 0,01

2,7 0,7 0,16 0,04 0,01

1,2 0,3 0,07 0,02 0,005

1426 359 90 23 6

465 115 28 7 2

331 82 20 5 1

261 63 15 4 1

116 29 7 2 0

10 20 30 40 50

12,3 4,0 1,3 0,41 0,13

2,8 0,9 0,3 0,09 0,03

2,1 0,7 0,21 0,07 0,02

1,2 0,4 0,12 0,04 0,01

0,7 0,24 0,08 0,02 0,008

1170 378 122 39 13

265 84 27 8 3

196 63 20 6 2

110 35 11 4 1

70 23 7 2 1

18

Tabel 11.

Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het inhalatoire blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op de hoogte 0-3 m op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit en Verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom situatie. Druppeldrift [%]

Onderste 0-3 m

Invulling inhalatoire blootstellingseindpunt [%]

Afstand [m]

Stand

DRT50

DRT75 DRT90 DRT95

Stand

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

10 20 30 40 50

34,1 8,7 2,2 0,6 0,14

15,8 4,0 1,0 0,3 0,06

14,7 3,7 0,9 0,23 0,06

0,1879 0,0478 0,0121 0,0031 0,0008

0,0868 0,0218 0,0055 0,0014 0,0003

0,0812 0,0204 0,0051 0,0013 0,0003

0,0398 0,0098 0,0024 0,0006 0,0001

0,0237 0,0059 0,0015 0,0004 0,0001

7,2 1,8 0,4 0,11 0,03

4,3 1,1 0,3 0,07 0,02

Inhalatie blootstelling Voor het inhalatierisico wordt in de risicobeoordeling uitgegaan van een bepaalde belasting die ontstaat door een concentratie van de actieve stof in de lucht en een bepaalde inname hiervan door inademen. Doorgaans wordt ervan uitgegaan dat een persoon bij rustige belasting 1,25 m3/uur lucht inademt. Bij bespuitingen passeert de druppeldrift in een relatief korte tijd de persoon, in minder dan 1 minuut tijd. Bij een doorstroomoppervlak van 1 m2 en een gemiddelde windsnelheid van 3 m/s zit de totale driftdepositie dan in 180 m3 lucht waarvan slechts 1/60 deel ingeademd kan worden (1 minuut van 1,25 m3 per uur). De belasting van de persoon kan op deze wijze uitgerekend worden en getoetst aan de AEL-systemisch met een 100% absorptie voor bespuiting met captan in de kale boom situatie (Tabel 11) en de volblad situatie (Tabel 12).

Tabel 12.

Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het inhalatoire blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op de hoogte 0-3 m op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de volblad situatie. Druppeldrift [%] Afstand Stand DRT50 [m]

Onderste 0-3 m

10 20 30 40 50

15,0 3,8 0,9 0,24 0,06

4,9 1,2 0,3 0,07 0,02

Invulling inhalatoire blootstellingseindpunt [%]

DRT75

DRT90 DRT95

Stand

3,5 0,9 0,21 0,05 0,01

2,7 0,7 0,16 0,04 0,01

0,08255 0,02693 0,01913 0,01508 0,00672 0,02077 0,00664 0,00472 0,00365 0,00166 0,00522 0,00164 0,00116 0,00088 0,00041 0,00131 0,00040 0,00029 0,00021 0,00010 0,00033 0,00010 0,00007 0,00005 0,00002

1,2 0,3 0,07 0,02 0,005

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

Voor captan is er op grond van de aannames geen blootstellingrisico voor inademing bij de standaard en de verschillende driftreducerende spuittechnieken (DRT50, DRT75, DRT90 en DRT95), blad situaties en afstanden naast het perceel. Op grond van dit voorbeeld voor captan en de berekeningen gedaan voor de andere stoffen (zie

19 Bijlage II) is er voor de genoemde stoffen en technieken in de fruitteelt geen risico voor normoverschrijding door inademing op 10 m afstand van het behandelde perceel. Indirect contact Indirect contact met depositie van drift kan optreden wanneer bijvoorbeeld een gazon betreden wordt, men op het grasveldje sport, er ligt te zonnen of als er kinderen buiten spelen of baby’s rondkruipen. Voor deze situaties is bij Ctgb een model wat het herbetredingsrisco van gazon voor deze situaties berekent (Falke, 2006) wanneer gazon bespoten wordt. Dit model is aangepast om het risico van de driftdepositie op genoemde situaties te bepalen. Bij de blootstelling van kleine kinderen is nog geen rekening gehouden met aanvullende blootstelling via hand mondcontact. Hierdoor kan de blootstelling van kleine kinderen enigermate zijn onderschat. Voor de meest kritische stof captan (hoogste invulling met 24,1%) werd ook de herbetredingsnorm voor geen van de situaties overschreden (<100%). De resultaten van de modeluitkomsten voor de verschillende stoffen en de meest kritische situatie, rondkruipende baby, staan in Tabel 13 voor de hoogste driftdepositie; de standaard spuittechniek in de kale boom situatie op 10 m afstand van het perceel (13.3% driftdepositie).

Tabel 13.

Herbetredingsrisico van een gazon voor een kruipende baby uitgedrukt als invulling van de norm (%) bij een driftdepositie van 13,3%.

Middel

Toepassing

Invulling herbetredingsrisico (%)

Captan 80WG/Malvin WG Insegar Teppeki Runner Pirimor

Fungicide Insecticide Insecticide Insecticide Insecticide

24,1 4,7 11,3 0,9 11,2

Op 10 m afstand van het perceel treden er bij toepassing van de verschillende middelen zoals gebruikt in de fruitteelt geen blootstellingsrisico’s op als gevolg van indirect contact bij herbetreding. Samenvattend kan gesteld worden dat van de in deze studie opgenomen middelen alleen de dermale blootstelling van captan, flonicamid, pirimicarb, clofentezin, diflubenzuron en cyprodinil kritisch zijn. Op grond van de blootstellingsrisico’s voor captan in de kale boom situatie wordt gesteld dat voor de genoemde werkzame stoffen in de fruitteelt bij een standaard spuittechniek 40 m vanaf de laatste bomenrij een veilige afstand is voor blootstelling aan druppeldrift. Vanaf 2016 moet in de fruitteelt op alle percelen minimaal een DRT75 spuittechniek gebruikt worden waardoor de afstand verkleind kan worden tot 30 m vanaf de laatste bomenrij. Worden zoals verplicht langs oppervlaktewater DRT90 spuittechnieken gebruikt dan kan deze afstand ook verkleind worden tot 30 m vanaf de laatste bomenrij.

20

21

5.

Discussie

Driftreducerende spuittechnieken In de fruitteelt worden driftreducerende spuittechnieken gebruikt om de emissie naar oppervlaktewater te beperken (Ctgb, 2013; TCT-CIW, 2013). Deze technieken zijn ingedeeld in driftreductieklassen op basis van de driftreductie op wateroppervlak in de sloot naast een boomgaard. Op grotere afstanden vanaf de laatste bomenrij hebben deze driftreducerende spuittechnieken andere driftreductiepercentages dan op wateroppervlak afstand. Zo is de combinatie van dwarsstroomspuit met reflectiescherm én venturi spleetdoppen (Wenneker et al., 2006) ingedeeld in de driftreductieklassen 90 en 95 (op wateroppervlak 4,5-5,5 m van de laatste bomenrij) maar is op 10-15 m afstand de driftreductie vergelijkbaar met die van de dwarsstroomspuit met venturidoppen. Er zijn echter maar een beperkt aantal meetresultaten beschikbaar waaruit blijkt wat de driftreductie op grotere afstand is. Op grotere afstanden is dus niet met zekerheid te zeggen hoe de driftreductie voor veel gecertificeerde driftreducerende spuittechnieken zal zijn. Alleen van de dwarsstroomspuit met venturidop is recent tot 25 m afstand van de laatste bomenrij de driftreductie bepaald (Wenneker et al., 2008; Stallinga et al., 2012). De resultaten daarvan zijn opgenomen in deze studie.

Kale boom en volblad situatie Duidelijk is dat de emissie vanuit een boomgaard tijdens bespuitingen in de kale boom situatie (voor 1 mei) hoger is dan tijdens bespuitingen in de volblad situatie (na 1 mei). Uit de analyse van de blootstellingrisico’s van de geëvalueerde gewasbeschermingsmiddelen in deze studie blijkt dat van de middelen met de hoogste risico’s, captan, flonicamid, pirimicarb en clofentezin zowel in de kale boom situatie als in de volblad situatie gebruikt mogen worden. Bespuitingen met captan tegen schurft beginnen al vroeg in het seizoen als de bomen nog kaal zijn (februari - maart; maar al wel eerste groene delen zichtbaar zijn) en lopen door tot na de pluk van de vruchten (oktober vruchtboomkankerbespuitingen). Voor middelen die het gehele jaar gebruikt kunnen worden moet de kale boom situatie (voor 1 mei) dus als maatgevend gehouden worden voor het bepalen van een afstandcriterium tussen boomgaard en bebouwing. Windhaag op de perceelgrens Uit onderzoek van Porskamp et al. (1994c) en Wenneker et al. (2005) is gebleken dat windhagen (4 m hoge elzen) op de rand van het perceel de emissie uit de boomgaard aanzienlijk kunnen beperken, 70% reductie in de kale boom situatie en 90% in de volblad situatie. De hoogte van de windhaag was hierbij ongeveer 1 m hoger dan de fruitbomen (2,5 m).

Duidelijk is ook dat de driftreductie door een windhaag afhankelijk is van de boomsoort en de bladontwikkeling gedurende het jaar. Een coniferen haag is dichter en zal meer reductie geven dan de open elzenhaag zoals gebruikt in deze studie, vooral in de periode voor 1 mei (kaal). Het onderzoek naar driftbeperking door een windhaag richtte zich vooral op de driftbeperking naar oppervlaktewater naast de boomgaard. De metingen zijn dan ook vooral gedaan direct naast het perceel op grondoppervlak. Porskamp et al. (1994) heeft echter ook de driftbeperking naar de lucht gemeten door zonder windhaag te meten en direct achter de elzen windhaag (3 m hoog) te meten tot 4 m hoogte. Hieruit bleek dat de driftreductie door een windhaag naar de lucht (gemiddeld 0-4 m hoogte) in de kale boom situatie (windhaag ook kaal) gemiddeld 83% was en in de volblad situatie 97% (Tabel 14). Voor de onderste 3 m was de driftreductie naar de lucht ongeveer 85% voor de kale boom situatie en ongeveer 95% voor de volblad situatie. Deze reductiegetallen zijn representatief voor veel situaties in de praktijk met een loofbomen windhaag.

22 Tabel 14.

Driftreductie naar de lucht door een windhaag op verschillende hoogten in de lucht in de kale boom (voor 1 mei) en de volblad (na 1 mei) situatie (naar Porskamp et al., 1994c).

Hoogte [m[

Kaal

Volblad

0 1 2 3 4 Gem. (0-4 m)

80 87 86 90 71 83

96 99 99 98 94 97

Onderste 3 m

86

98

Op de hoogte 3-6 m (aanname van meetpunt op 4 m hoogte), was de driftreductie naar de lucht door een windhaag 90% in de volblad situatie en 70% in de kale boom situatie. Voor het gewasbeschermingsmiddel captan is het dermale blootstellingsrisico’s uitgerekend door gebruik te maken van de driftreductie voor een windhaag naast de boomgaard. De berekende drift in de lucht en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt voor de stof captan staat voor de situatie met een windhaag op de perceelrand in Tabel 15 voor de kale boom situatie en Tabel 16 voor de volblad situatie.

Tabel 15.

Onderste 0-3 m

3-6 m hoogte

Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit en Verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom situatie en een windhaag op de perceelrand. Druppeldrift [%]

Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]

Afstand [m]

Stand

DRT50

DRT75 DRT90 DRT95

Stand

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

10 20 30 40 50

8,5 2,2 0,6 0,1 0,04

3,9 1,0 0,2 0,1 0,02

3,7 0,9 0,2 0,1 0,01

1,8 0,4 0,1 0,03 0,01

1,1 0,3 0,1 0,02 0,00

812 206 52 13 3

375 94 24 6 2

351 88 22 6 1

172 42 10 3 1

102 26 6 2 0

10 20 30 40 50

5,5 1,9 0,6 0,2 0,1

2,0 0,7 0,2 0,1 0,03

1,7 0,6 0,2 0,1 0,02

0,6 0,2 0,1 0,02 0,01

0,4 0,1 0,0 0,01 0,00

523 179 62 21 7

192 65 22 8 3

159 54 18 6 2

56 19 6 2 1

34 11 4 1 0

23 Tabel 16.

Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de volblad situatie en een windhaag op de perceelrand. Druppeldrift [%] Afstand Stand DRT50 [m]

Onderste 0-3 m

3-6 m hoogte

Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]

DRT75

DRT90 DRT95

Stand

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

10 20 30 40 50

0,7 0,2 0,05 0,01 0,00

0,2 0,1 0,01 0,00 0,00

0,2 0,04 0,01 0,00 0,00

0,1 0,03 0,01 0,00 0,00

0,1 0,02 0,00 0,00 0,00

71 18 5 1 0

23 6 1 0 0

17 4 1 0 0

13 3 1 0 0

6 1 0 0 0

10 20 30 40 50

1,2 0,4 0,1 0,04 0,01

0,3 0,1 0,03 0,01 0,00

0,2 0,1 0,02 0,01 0,00

0,1 0,04 0,01 0,00 0,00

0,1 0,02 0,01 0,00 0,00

117 38 12 4 1

27 8 3 1 0

20 6 2 1 0

11 4 1 0 0

7 2 1 0 0

Door het gebruik van een windhaag is er voor captan in de volblad situatie (Tabel 16) voor de hoogte 0-3 m geen overschrijding van de AEL dermaal. In de kale boom situatie (Tabel 15) is er voor de hoogte 0-3 m geen overschrijding van de AEL-dermaal (>100) op een afstand groter dan 30 m vanaf de laatste bomenrij voor de standaard spuittechniek en op een afstand groter dan 20 m voor de driftbeperkende spuittechnieken DRT50, DRT75, DRT90 en DRT95. Voor de hoogte 3-6 m is er voor captan in de volblad situatie bij gebruik van een standaard spuittechniek geen overschrijding van de AEL-dermaal vanaf 20 m vanaf de laatste bomenrij en in de kale boom situatie vanaf 30 m. Voor de driftreducerende technieken DRT50 en DRT75 is op 3-6 m hoogte geen overschrijding vanaf 20 m van de laatste bomenrij in de kale boom situatie, terwijl er in de volblad situatie geen overschrijding is voor deze technieken. Voor de DRT90 en DRT95 technieken is er in beide bladsituaties op 3-6 m geen overschrijding. Kale boom situatie met volblad windhaag Wil men in de kale boom situatie het blootstellingsrisico verder beperken dan zou een in de winter bladhoudende vegetatie (Wenneker & Van de Zande, 2008) of een constructie die een vergelijkbare filterende werking geeft een optie kunnen zijn.

Voor de kale boom situatie bij een bespuiting met captan is daarom uitgerekend wat het effect is op het blootstellingrisico wanneer er een volblad windhaag (3 m hoog) in de kale boom situatie aanwezig zou zijn (Tabel 17). Wanneer er in de kale boom situatie een volblad windhaag (haag die in de winter blad houdt, bijvoorbeeld coniferen of haagbeuk) op de rand van het perceel zou staan, of een constructie met een vergelijkbare filterende werking, dan is er bij gebruik van een standaard spuittechniek vanaf 20 m vanaf de laatste bomenrij en bij gebruik van een driftreducerende techniek vanaf 10 m geen overschrijding van de dermale blootstelling voor captan.

24

Tabel 17.

Druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom situatie en een volblad windhaag op de perceelrand. Druppeldrift [%] Afstand Stand DRT50 [m]

Onderste 0-3 m

3-6 m hoogte

Tabel 18.

Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]

DRT75

DRT90 DRT95

Stand

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

10 20 30 40 50

1,7 0,8 0,4 0,20 0,1 0,050 0,03 0,013 0,007 0,003

0,7 0,2 0,0 0,01 0,00

0,4 0,09 0,02 0,005 0,001

0,2 0,05 0,01 0,003 0,001

162 41 10 3 1

75 19 5 1 0

70 18 4 1 0

34 8 2 1 0

20 5 1 0 0

10 20 30 40 50

1,8 0,7 0,6 0,23 0,22 0,077 0,07 0,026 0,025 0,009

0,6 0,2 0,1 0,02 0,007

0,2 0,07 0,02 0,007 0,002

0,1 0,04 0,01 0,004 0,001

174 60 21 7 2

64 22 7 3 1

53 18 6 2 1

19 6 2 1 0

11 4 1 0 0

Berekende druppeldrift naar de lucht (% van afgifte) en de invulling van het dermale blootstellingseindpunt (AEL) voor de stof captan op twee hoogten op verschillende afstanden van de laatste bomenrij van de boomgaard voor de standaard dwarsstroomspuit en verschillende Drift Reducerende Technieken (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom situatie en een (kale) windhaag op de perceelrand en een tweede (kale) windhaag (75% driftreductie) op 4 m vanaf de eerste windhaag. Druppeldrift [%] Afstand Stand DRT50 [m]

Onderste 0-3 m

3-6 m hoogte

Invulling dermale blootstellingseindpunt [%]

DRT75

DRT90 DRT95

Stand

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

10 20 30 40 50

2,1 0,5 0,1 0,03 0,01

1,0 0,2 0,1 0,02 0,004

0,9 0,2 0,06 0,01 0,004

0,5 0,11 0,03 0,007 0,002

0,3 0,07 0,02 0,004 0,001

203 52 13 3 1

94 24 6 1 0

88 22 6 1 0

43 11 3 1 0

26 6 2 0 0

10 20 30 40 50

1,6 0,6 0,2 0,1 0,02

0,6 0,2 0,1 0,02 0,01

0,5 0,2 0,06 0,02 0,01

0,18 0,06 0,02 0,007 0,002

0,11 0,04 0,01 0,004 0,001

157 54 18 6 2

57 20 7 2 1

48 16 5 2 1

17 6 2 1 0

10 3 1 0 0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=ab618916-3df0-4635-8a2a-7f9ebd91f656