CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

03 DOC-21-448546 - bestemmingsplan Landgoed Zwaagdijk 212 vast te stellen (1).pdf

Gemeenteraad 25 november 2021, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Landgoed Zwaagdijk 212 (pfh. A. van Langen)22.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

Figuur 13.

Situering aan de voorzijde, met afstand tot de Kromme Leek, diagonale zichtlijnen vanaf bruggetjes

7

4

INVESTEREN IN DE KERNKWALITEITEN VAN HET CULTUURLANDSCHAP

4.1

Cultuurhistorische waarden

De Kromme Leek vormt een meanderende stroom in het Westfriese landschap. Deze oorspronkelijke veenrivier liep in oostelijke richting uit op het voormalige Flevomeer. Al vanaf meer dan 2500 jaar geleden. Rond 1300 werden dijken aangebracht om overstroming van de aangrenzende landerijen tegen te gaan. De plaatsnaam Zwaagdijk komt van oorsprong mogelijk van de aanduiding de dijk boven Zwaag. De dijken plaatsnaam komt in het Nederlands voor het eerst in 1466 als Zwaechdijck, later nog als Swaech Dyck en Swaegh Dyck. De Zwaagdijk aan de zuidzijde van het plangebied is aangelegd door het ambacht Drechterland. In 1832 was de huidige kavel al nagenoeg gelijk aan de huidige indeling. Het gebied behoorde in eerste instantie tot het grondgebied van Hauwert en de Vier Noorder Koggen. Aangrenzend aan de kavel aan de zuidzijde was geen aansluiting op de Zwaagdijk. De Kromme Leek vormde de begrenzing van de opstrekkende verkaveling vanuit Hauwert. Het bosje aan de zuidzijde van het plangebied tussen de Kromme Leek en de Zwaagdijk is relatief oud, van rond 1950. De boomgaard is relatief jong, en komt uit de periode rond 2004.

Figuur 14.

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

Kaartbeeld 1832

1880 gevarieerde opstrekkende verkaveling

1920 open ruimte tussen Kromme Leek en dijk

1950 beplanting aan de zuidzijde van plangebied en verdere ontwikkeling bebouwingslint Zwaagdijk

1971 ontwikkeling boomgaarden op naast gelegen percelen

1984 aanpassing waterstructuur aan noordzijde van het plangebied, uitbreidingsplan bij Zwaagdijk

2006 aanleg boomgaard in plangebied, verdwijnen boomgaard ten westen van plangebied, ontwikkeling schuurkasbedrijven en verdere uitbreiding Zwaagdijk

Het perceel werd in het verleden De Duinen genoemd. Daarom heeft het landgoed ook de naam De Duinen gekregen. In het verleden was op het perceel ook het nodige ‘reliëf’ aanwezig. Het perceel is echter ten tijde van de verkaveling eind jaren ’70 al geëgaliseerd. In 2006 is de moderne schuur op het terrein gebouwd.

9

4.2

Ontwikkeling Cultuurhistorische waarden

De locatie is van origine afgeschermd van de Zwaagdijk. Door de opgaande beplanting is het zicht op de locatie beperkt. Het perceel is aan de voorzijde ook niet direct aangesloten op de Zwaagdijk. Het plangebied raakt wel direct aan de Kromme Leek en de watergang aan de noordzijde. Dit gegeven vormt een belangrijke ontwerpuitgangspunt voor het ontwerp. Belangrijke zichtlijnen zijn daarom met name gerelateerd aan de bestaande watergangen en het zicht over de Kromme Leek, vanaf de bruggetjes. In het plan voor het landgoed is aangegeven dat grote delen van de voormalig boomgaard omgevormd worden tot voedselbosgebied. Door delen van de fruitbomen te vervangen door notenbomen en door de laagstambomen uit te laten groeien tot hoogstambomen en de boomgaard als bosgebied te beheren ontstaat een goede samenhang tussen delen met een landbouwfunctie en delen met een natuurfunctie.

Figuur 15.

Nieuwe zichtlijnen Landgoed De Duinen

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

5

ARCHITECTONISCHE EENHEID, RUIMTELIJKE KWALITEIT BEBOUWING

5.1

Huidige kenmerken architectonisch beeld

De huidige bebouwingstructuur is gevarieerd en bestaat uit typische Noord-Hollandse stolpen, agrarische bedrijfsbebouwing en vrijstaande woningen. De lintbebouwing heeft zich in verschillende perioden verder verdicht. Hierdoor is het tijdsbeeld en de stijl van de woningen gevarieerd. De bestaande vrij nieuwe schuur, uit 2006 is functioneel vormgegeven. De vormgeving en detaillering is modern functioneel zoals gebruikelijk is in de omgeving. Een loods met agrarische bestemming heeft vaak olijfgroene of donkergroene gevels. Dit is logisch gezien de landelijke (groene) omgeving. Daarbij is ook gekeken naar de kleurstelling van nabijgelegen loodsen. De loods is gelegen in een landelijke omgeving en komt qua kleur overeen met die van in de omgeving gelegen loodsen. Een loods met donkergroene beplating met een warm rood gekleurde overheaddeur is destijds een juiste keuze geweest.

Stolp aan de westzijde van het plangebied

Woning aan de oostzijde van het plangebied

Schuur uit 2006 op de planlocatie

11

5.2

Ambitieniveau architectuurbeeld

Het gebied valt onder het welstandsgebied landelijke linten. Langs de tweezijdig bebouwde linten staan eenvoudige huizen, agrarische bedrijven en stolpboerderijen. Veel boerderijen hebben geen agrarische functie meer. Enkele stolpboerderijen kennen een grote historische waarde en staan op de monumentenlijst. De overwegend vrijstaande gebouwen zijn wisselend gesitueerd, variërend tussen evenwijdig aan de weg en parallel aan de sloten. De rooilijn kent een verspringend verloop. Schuren en andere bijgebouwen zijn in samenhang met het hoofdgebouw geplaatst. Ze staan achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. Woningen zijn individueel en afwisselend. Ze staan soms met de lange en soms met de korte gevel naar de weg. Kenmerkend zijn de eenvoudige rechthoekige plattegronden. De gebouwen hebben een onderlaag van één soms twee lagen en zijn voorzien van een zadeldak dan wel mansarde kap. De stenen gevel heeft veelal een verdiept liggende entree en staande ramen. Dakkapellen komen overwegend bij kleine woningen voor en hebben in het algemeen een bescheiden omvang ten opzichte van het hoofdvolume. Het houtwerk van daklijsten en goten is vaak eenvoudig en verzorgd, soms rijk versierd. Doorzichten beperken zich tot smalle paadjes langs de huizen. Doordat voortuinen een laag hek of helemaal geen hek hebben is er een geleidelijke overgang van private naar publieke ruimtes.

In de basis zijn de criteria die aangegeven zijn voor de landelijke linten ook van toepassing op de vormgeving van de nieuwe woning. 5.3

Nadere uitwerking architectonische eenheid

De ontwikkeling van een landhuis op deze locatie is gericht op het ontwikkelen van woonhuis dat een architectonische eenheid met de inrichting van het terrein en zijn omgeving vormt. Op deze locatie is een hoogwaardige architectuurbeeld gewenst. Het hoofdgebouw maakt onderdeel uit van het welstandsgebied landelijke linten. Het hoofdgebouw kan aan dat lint een bijzonder gebouw zijn, een uitzondering, maar mag niet detoneren. De specifieke uitstraling is de combinatie van welvarendheid, agrarische productie en uitnodigend. De stijl, traditioneel óf modern, wordt consequent doorgevoerd in massa-opbouw, gevelopeningen, materialen en details. De detaillering en aandacht voor gevelcompositie is rondom, verfijnd en van hoge kwaliteit. Het architectuurbeeld is in dit beeldkwaliteitplan als volgt uitgewerkt: Bij de plaatsing van het pand wordt rekening gehouden met een ruime afstand tot de Kromme Leek (minimaal 15 meter), met afstand tot de bestaande bebouwing aan de zuidwestzijde (minimaal ca 35 meter) en afstand tot de bestaande schuur. (minimaal 10 meter). Er is een duidelijke hiërarchie tussen hoofdgebouw en schuur. De schuur is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Dit wordt in beeld gerealiseerd door de situering van de woning voor de voorgevel van de schuur, door een hogere goothoogte van de woning en. door het aanbrengen van afschermende beplanting bij de schuur.

Er is sprake van een ensemble of een familie; schuur en hoofdgebouw horen bij elkaar. Dit wordt gerealiseerd door de traditionele plaatsing van de woning voor de schuur. De kleurstelling van de schuur is karakteristiek voor schuren in dit gebied en vormt een vast uitgangspunt. De bestaande schuur wordt minder beeld- en sfeerbepalend door het verleggen van de weg en entree en door het aanbrengen van bessen dragende struiken in het arboretumgebied. Voor het ontwikkelen van een royaal en beeldbepalend pand is ook een royaal voorterrein nodig. Voorgesteld wordt een los gesitueerd landhuis te ontwikkelen, waarbij aan de voorzijde een accent komt, in lijn met zichtlijnen over de Kromme Leek. Door de ontwikkeling van een accent aan de voorzijde onderscheidt het pand zich, en het pand sluit op de korrel van de lintbebouwing, bijvoorbeeld de breedte van de stolpen, en is bovendien ondergeschikt aan de breedte van het landgoed. De gevelopeningen en toegang zijn gericht op De Kromme Leek. Door de diagonale zichtlijnen en afstand tot de Kromme Leek Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

zijn ze zichtbaar vanaf de bruggetjes over de Kromme Leek. Het is goed mogelijk om een losse situering te realiseren met een pand. Voor het realiseren van een accent aan de voorzijde is mogelijk een iets hogere goothoogte wenselijk. Om een voldoende hoog accent aan de voorzijde te kunnen realiseren en om een goede verhouding te verkrijgen tussen het voorste deel van het gebouw en achterste deel is het wenselijk een grotere oppervlaktemaat toe te passen en een deels hogere goot. Het formaat van een royaal landhuis zou in oppervlakte vergelijkbaar kunnen zijn met de oppervlakte van een Noord-Hollandse stolp, ca 272 m2.. De uitgangspunten ten aanzien van de hoogtemaat komen overeen met de bestaande regeling in het bestemmingsplan. Typisch voor architectuur in Noord-Holland is de vierkante (enigszins rechthoekige) plattegrond. Dit principe wordt toegepast bij het ontwerp van het landhuis. Voor de materiaalkeuze en de opmaak wordt aansluiting gezocht op de toepassing van een modern beeld met samenhangend bebouwingsbeeld van hoofdgebouw en bijgebouwen. Een royale maatvoering van overstekken en zorgvuldige detaillering is wenselijk voor het behalen van een hoogwaardig architectuurbeeld dat past bij een landhuis.

Verhouding en opmaak: • De basis voor het ontwerp van de woning vormt een (iets rechthoekig) vierkant • De woning krijgt een statige uitstraling door de toepassing van een souterrain, een hoge daklijn, en overstekken. • Horizontale belijningen en verticale accenten zijn in evenwicht. Moderne of traditionele zorgvuldige opmaak en detaillering: • gemetselde gevel met plastiek • aardetinten steenkleur: donkere en middentonen • donkere delen hout • toepassing van glas • uitgesproken vormgeving entrees • uitgesproken zorgvuldige detaillering Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt een erkend architect betrokken.

Figuur 16.

Verkenning architectuur

13

6

OPENBAAR TOEGANKELIJK

6.1

Huidige toegankelijkheid

In het bestaande plan is een groot deel van het terrein toegankelijk. De entree is aan de oostzijde gesitueerd. Hier is ook een parkeerterrein op het gras aanwezig. Dit deel is ingepast met heggen. Daarnaast is achter de schuur een tweede parkeerterrein op het gras aanwezig. De hoofdroutes zijn gesitueerd aan de randen en zijn gekoppeld aan een aantal doorsteken, de compartimentering van het terrein. De terreindelen die omgevormd worden tot natuurrijkere delen van het landgoed worden op termijn minder toegankelijk. Nu wordt er niet actief gestuurd op de geleiding van wandelaars en is het gehele gebied toegankelijk. Langs de sloten en bij boomgaarden wordt regelmatig gemaaid. Hierdoor zijn hier ook de meest toegankelijke routes aanwezig. Het entreegebied, dat wil zeggen landhuis, schuur, parkeerplaats en landschappelijke inrichting, is volkomen functioneel en logisch: de bezoeker ziet direct waar hij moet zijn voor de pluktuin en de wandelroutes. Dit wordt aangegeven met richtingbordjes. Het is ook helder waar de bezoeker níet mag komen, wat privé is. Dit is niet aangegeven met hekwerken, maar is geregeld door de vormgeving van heggen en door middel van het ontbreken van toegangspaden. Ook aan de noordzijde worden mogelijkheden gerealiseerd om nieuwe aansluitingen te maken.

Indien een pad langs de watergang gerealiseerd wordt in de toekomst dan kan er een aansluiting op het pad komen aan de noordwestkant langs het water.

6.2

Uitgangspunt na ontwikkeling van de woning

Bij ontwikkeling van het landhuis blijft het grootste deel van het terrein op dezelfde wijze toegankelijk. Het gebied rondom het landhuis wordt op een informele en natuurlijke wijze afgeschermd van het openbaar toegankelijke terrein. Voor de bewoner van het landhuis is voldoende privacy georganiseerd, zowel binnen als buiten. Dit wordt gerealiseerd door middel van afschermende heggen (ca 80cm hoog) aan de achterzijde en de zijkant van de woning. Er worden geen schuttingen geplaatst. De toegangsweg wordt iets verlegd van de beek af. Hierdoor verandert de situering met betrekking tot het parkeren. In de huidige situatie wordt op piekmomenten op het grasveld geparkeerd, dat blijft in de toekomst ook zo. Het terrein is voldoende droog hiervoor. In de toekomst wijzigt de parkeerbehoefte vrijwel niet. Nu is het aantal bezoekers op piekmomenten gerelateerd aan de oogst van fruit. Door omvorming van het gebied naar meerdere fruit- en boomsoorten zal het bezoek zich meer spreiden. In overleg met de gemeente wordt de zichtbaarheid van de entree van het landgoed vergroot waar mogelijk. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande natuurwaarden in het gebied. Dit kan bijvoorbeeld door het verwijderen van onderbeplanting of het uitdunnen van boombeplanting. De initiatiefnemer heeft echter geen zeggenschap over gemeentelijke grond.

En kan hiervoor geen verantwoordelijkheid nemen in het plan. De initiatiefnemer legt afspraken met betrekking tot het beheer van het terrein op langere termijn vast in een notariële akte met kettingbeding. Daarin worden afspraken vastgelegd over de openstelling van het terrein voor recreanten en de beschikbaarheid van het terrein voor wildbeheer en schouw van aanliggende watergangen. In het inrichtingsplan zijn uitgangspunten aangegeven voor de toe te passen beplanting en maaipaden. Bij onderhoud van naast gelegen watergangen wordt rekening gehouden met belangen van naastgelegen kwekerij. Vroegtijdig ingrijpen bij verschijnen van exotische ongewenste planten, beheer door vroegtijdige maaien en verwijderen van wortelopslag is gewenst. Geen aanplant van exotische ongewenste planten. Voor soorten in het kruidenrijke grasland worden kruiden en grassen toegepast die niet giftig zijn voor paarden. Boomsoorten zoals appels en peren mogen alleen aan de westelijke voorzijde van het terrein komen zoals aangegeven op kaart. Het wildbeheer betreft: het afvangen van ongewenste insecten en

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

introduceren van gewenste soorten en tegengaan van ongedierte zoals ratten. Het wildbeheer vindt plaats na sluitingstijden van het landgoed. Indien gewenst kan op aanvraag van de dorpsraad van Zwaagdijk-Oost een gezamenlijk bezoek plaats vinden op het terrein. Naar aanleiding van een inspectie van het terrein worden indien nodig afspraken gemaakt over de bijstelling van het beheer.

15

7

REALISEREN VAN RECREATIEVE FUNCTIES

7.1

Bestaande recreatieve functies

De belangrijkste recreatieve functie van het gebied vormt de pluktuin, het voedselbos en het wandelgebied. Aan de voorzijde bij het entreegebied zijn ook een aantal bijzondere bomen geplant. Bij de bomen is informatie aangegeven. In het gebied worden ook elk jaar een aantal picknicktafels geplaatst. Deze worden in de winter binnen gezet. Het entreegebied is uitnodigend, aangenaam, met verblijfskwaliteit, bv door zitgelegenheid uit de wind en in de zon. Het decor van landschap en gebouwen is aantrekkelijk. In de huidige situatie is de bestaande schuur zeer beeldbepalend voor het gebied. De beleving van het entreegebied wordt veranderd door het verleggen van de toegangsweg parallel aan de Kromme Leek. Hierdoor is de toegang niet meer gericht op de voorkant van de schuur. De zijkanten van de schuur worden afgeschermd met beplanting.

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

7.2

Aanvullende recreatieve voorzieningen

De huidige recreatieve voorzieningen worden meer vormgegeven als recreatief aantrekkelijke elementen. Hiervoor worden de bestaande lichtmasten deels verplaats en vervangen door elementen die beter passen bij de sfeer van een landgoed met een voedselbos. Hiervoor worden enkele hogere luxere klassieke lantaarnpalen toegepast om de klassieke sfeer van het terrein te benadrukken. De belangrijkste aanvullende voorziening vormt de steiger aan de noordzijde van het plan. Daarnaast worden in het landgoed op een aantal plaatsen spelaanleidingen aangebracht. Bij de bestaande schuur kan aan de achterzijde ruimte gebruikt worden voor bijzondere voorziening zoals een theetuin. In het gebied komt een lage onbegroeide grondwal met een zuidelijke helling, deze wordt gemaakt van grond die vrij komt bij de bouw van de woning. Onderstaand is aangegeven welke ideeën er zijn voor spelaanleidingen. Daarnaast zou op een enkele plek een houtkunstwerk kunnen komen. Mogelijk als resultaat van een workshop op het terrein. In het voorjaar worden enkele houten banken en picknicksetjes in het gebied geplaatst. Deze worden in de winter weer binnen gezet.

Klassieke palen bij het landhuis

17

Routebordjes

Picknick banken

Vissteiger

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

Waterspeelplek

Rekstok en klauterpad

Nieuwe naambordjes bomen

19

Speelheuveltje

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

8

BIJDRAGE AAN BIODIVERSITEIT EN ECOLOGIE

8.1

Huidige omvorming boomgaard tot landgoed met voedselbos

De gronden zijn al generaties in de familie Wiering en in 2004 is de huidige eigenaar op deze plek gestart met een fruitboomgaard. Het eerste deel bestaat geheel uit kersenbomen. Het tweede deel bestaat uit pruimen met aan de randen walnoten. Het laatste deel bestaat ook uit fruitbomen met aan de randen walnoten. De bedoeling van de eigenaar is om het gehele landgoed te gebruiken als een voedselbos waar ieder zijn eigen fruit kan plukken. Om te kunnen voldoen aan de inrichtingseisen voor landgoederen moet de omvorming van de beplanting tot voedselbos voor 30-04-2020 uitgevoerd worden volgens het beplantingsplan. Het totale landgoed zal straks minimaal voor 37% uit bomen bestaan die kwalificeren als hoogstamboomgaard c.q. houtoopstanden voor de NSW.

De te verrichten werkzaamheden bestaan uit het aanplanten van de onderstaande beplanting: A 0.21.29 Bestaande rij wordt niet meer gesnoeid 25 hoogstam B 0.22.33 Bestaande rij wordt niet meer gesnoeid 28 hoogstam C 0.32.79 2 extra rijen (plantverband max 10*10) 37 walnoten D 0.05.43 1 extra rij walnoten 7 walnoten E 0.25.41 2 extra rijen (plantverband max 10*10) 31 Walnoten F 0.11.37 Hoogstamboomgaard 10*10 9 walnoten G 0.00.92 Moerascipres (1), rode moerbei (4) 5 Totaal: 1.19.54 A. De reeds aanwezige kersenbomen (prunus avium burlat) worden niet meer gesnoeid en kunnen uitgroeien tot grote bomen. Alleen de eerste rij. B. De reeds aanwezige kersenbomen (prunus avium burlat) worden niet meer gesnoeid en kunnen uitgroeien tot grote bomen. Alleen de eerste rij. De overige rijen worden gewoon periodiek gesnoeid (halfstam boomgaard) C. De aanwezige walnoten staan in de buitenste rij op een afstand van 12 meter. De 2e en 3e rij worden op een maximale afstand van 8 meter van de eerste rij gezet, zodat de bomen onderling voldoen aan een plantverband van max. 10*10 meter. In het terrein met nummer 5 staan al meerdere walnoten tussen de 21

pruimenbomen. In het vak met nummer 5 worden bovendien diverse extra bomen aangeplant waarbij de nadruk ligt op voedselbos • Castanea sativa (tamme kastanje) • Pinus korainsis Silveray (koreaanse den) • Toona sinensis (Chinese mahonieboom) • Hazelaars • Bovendien een paar moerascypres D. Naast de bestaande walnoten komt een extra rij walnoten E. De aanwezige walnoten staan in de buitenste rij op een afstand van 12 meter. De 2e en 3e rij worden op een maximale afstand van 8 meter van de eerste rij gezet, zodat de bomen onderling voldoen aan een plantverband van max. 10*10 meter. In het terrein met nummer 6 staan al meerdere walnoten tussen de pruimenbomen. In het vak met nummer 6 worden bovendien diverse extra bomen aangeplant waarbij de nadruk ligt op voedselbos • Castanea sativa (tamme kastanje) • Pinus korainsis Silveray (koreaanse den) • Toona sinensis (Chinese mahonieboom) • Hazelaars F. Het achterste deel van terrein 6 wordt met een hoogstamboomgaard van walnoten opgevuld. De bomen van vak 6 voldoen na aanplant aan plantverband van 10*10 (hoogstamboomgaard). G. Naast de Sequoiadnedron giganteum komt een Moerascipres. Daarnaast worden er nog 4 rode moerbei (morus rubra aangeplant) 8.2

Aanvulling ecologische waarden landgoed De Duinen

De aanvulling voor de realisatie van ecologische waarden op het landgoed heeft met name betrekking op de zuidzijde bij de entree en het nieuwe landhuis. Voorgesteld wordt om een royale respectzone te realiseren aan de Kromme Leek. Deze zone wordt zo natuurlijk mogelijk met oevermengsel en een grasveld met kruiden ingericht. De afstand tussen het water en het gebouw bedraagt ongeveer 15 meter. Op die wijze is er meer dan voldoende ruimte voor passeren van materieel voor onderhoud van de Kromme Leek. De voorzijde wordt vrijgehouden van verharding. De toegang tot de woning komt aan de noordzijde. Rondom de tuin bij het landhuis wordt een gemengde heg aangebracht. Deze bestaat uit inheemse bloeiende soorten en kan regelmatig teruggezet worden om een beperkte hoogte te behouden. De randen van de tuin rondom het landhuis worden bijen en vlindervriendelijk vormgegeven. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: Wilde bijen hebben zowel ‘bed’ als ‘breakfast’ nodig: zowel een nestelplek voor hun larven, als bloemen die als voedselbron dienen via stuifmeel en nectar. Maar veel wilde bijensoorten (de solitaire bijen) kunnen niet zo ver vliegen tussen hun nestelplek en de plek waar ze voedsel vinden. Vaak is dat maar 300-500 meter, soms zelfs maar 100 meter! Het grasgebied aan de Kromme Leek wordt met een bloemrijk gevarieerd grasmengsel ingezaaid.

Bij het beheer van het gras worden de volgende uitgangspunten toegepast: • Er wordt extensief gemaaid. • Paardenvriendelijke mengsel van kruiden en grassen • Grassen: kamgras, beemdlangbloem, reukgras, grote vossenstaart, kropaar en rood zwenkgras • Kruiden: smalle weegbree, rode klaver, duizendblad, echte koekoeksbloem, rietorchis, kleine klaver, margriet, ratelaar, walstro, knoopkruid, grasklokje, blauw glidkruid, moerasspirea, wilde tijm, brunel, rolklaver, zandblauwtje en muizenoor. • Het gras wordt in verschillende fasen gemaaid. Een groot deel van de bloemen blijft staan. • De houtwallen, losse boom en struiken groeien op sommige plekken door en tegen elkaar aan. • Takken blijven bij het snoeien op enkele locaties liggen op een takkenhoop. Op een aantal plekken in het landgoed wordt ruimte gereserveerd voor dode takken en snoeiafval. Verspreid in het gebied wordt een aantal soorten en struiken aan het landgoed toegevoegd om de ecologische samenstelling van het voedselbos te vergroten.

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

• Cornus mas Gele kornoelje • Cornus sanguinea Rode kornoelje • Tilia europaea Hollandse linde De heggen rondom het landhuis bestaan uit: • Rosa rubiginosa Egelantier • Rosa Rugosa • Rosa Canina • Amelanchier lamarckii krenteboom • Carpinus betulus haagbeuk De heg kan op een aantal plekken uitgroeien en wordt gefaseerd, maximaal om de 2 à 3 jaar, gesnoeid eind herfst of in de winter. De soorten worden noch afgestemd met de fruit telende buurman. Naast de aangegeven soorten zijn er plannen om de samenstelling van het bos en het arboretum nog verder aan te vullen met ander bomen en struiken.

Grasoever met oevermengsel en bloemrijk grasmengsel

Extensief beheerd bloemrijk grasland

Deels natuurlijk uitgroeiende heg als scheiding tuin

Aanvulling bestaande boomgaard met gevarieerde bloeiende struiken en bomen

23

9

TOETSINGSKADER

Aan de volgende uitgangspunten zou invulling gegeven moeten worden om te kunnen voldoen aan het uitwerkingskader. Voorwaarde 1: Cultuurlandschap, Investeren in de kernkwaliteiten van het cultuurlandschap Met een nieuw landgoed wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de gebouwde omgeving. Aanknopingspunten daarvoor zijn te vinden in de Provinciale Leidraad landschap en Cultuurhistorie. - Het landgoed moet enerzijds ruimtelijke kwaliteit toevoegen en anderzijds aansluiten op de bestaande identiteit en kwaliteit van het omliggende cultuurlandschap. Het betrekken van een erkende landschapsarchitect bij de plannen is daarom een voorwaarde. Bij aanvraag van de landgoedstatus is een plan gemaakt voor de herinrichting van het gebied als landgoed. Die aanvraag vormt de basis voor het inrichting van het landgoedgebied. Aan de zuidzijde waar het zoekgebied ligt voor de realisatie van het landhuis wordt het plan aangevuld om een mooie landschappelijke aansluiting van de woning en het privéterrein van de woning op de omgeving te maken. Dit plan is uitgewerkt door een erkend landschapsarchitecte. Voorwaarde 2: Architectonische eenheid, Ruimtelijke kwaliteit bebouwing De ruimtelijke en architectonische kwaliteit van de bebouwing op het landgoed geeft een meerwaarde aan de beleving en het karakter van het gebied.

Het woonhuis vormt een architectonische eenheid met de inrichting van het terrein en zijn omgeving. Het betrekken van een erkende architect bij de plannen is daarom een voorwaarde. Toetsingscriteria zijn: - Er wordt maximaal één woonhuis gerealiseerd (een gebouw, dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden); - De beeldkwaliteit van de bebouwing dient de uniciteit van een landgoedwoning te hebben. De bebouwing heeft een architectonische kwaliteit, welke in overleg met de gemeentelijke welstandscommissie in een beeldkwaliteitsplan is uitgewerkt; - Bestaande (niet bij het architectonisch concept passende) gebouwen op het perceel worden gesloopt, zodat de verdichting per saldo zoveel mogelijk wordt beperkt en ter plaatse de beoogde ruimtelijke kwaliteit wordt behaald. Voor de uitwerking van de architectuur wordt een architect ingeschakeld. In deze notitie is hieraan voorafgaand het beeldkwaliteitkader uitgewerkt om voldoende houvast te krijgen in deze fase van de planvorming. In het beeldkwaliteitkader wordt ingegaan op de kenmerken van de bebouwing in de streek en specifiek kenmerken van de architectuur van landhuizen en aanknopingspunten in de omgeving. Een essentieel deel van het landgoed wordt vervuld door de landbouwfunctie. De bestaande vrij recente schuur speelt heeft daarbij een wezenlijke rol.

Bij de ontwikkeling van het architectuurbeeld wordt daarom de weg meer door het arboretumgebied geleid. Hier worden heester en struiken aangebracht zodat de schuur minder beeld- en sfeerbepalend is in het entreegebied. Als basis wordt een vierkante of rechthoekige plattegrond toegepast. Dit is typisch voor Noord-Hollandse architectuur. Daardoor ontstaat verbinding met het architectuurbeeld in de omgeving en kan een nieuw architectuurbeeld ontstaan. Door de hoogte van het pand en het souterrain ontstaat een statige woning.

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

Voorwaarde 3 Openbaar toegankelijk Het landgoed wordt voor publiek toegankelijk gemaakt (90%). De te realiseren recreatieve routes worden vanaf het landgoed via meerdere belendende percelen op bestaande routes in de omgeving aangetakt. Op deze wijze wordt het landgoed onderdeel van een aantrekkelijk recreatief netwerk en wordt voorkomen dat het bij een rondje op het landgoed blijft. Toetsingscriteria zijn: - op het landgoedterrein worden altijd openbare recreatieve wandelpaden aangelegd. Bij voorkeur sluiten deze paden aan op reeds bestaande, omliggende routes, zodat ‘slechts’ een rondje op eigen erf wordt voorkomen. In het geval er (nog) geen bestaande, omliggende routes zijn, worden de wandelpaden op het landgoed zó aangelegd dat eventueel toekomstige wandelroutes buiten het landgoed hierop aan kunnen sluiten. - ook zijn fiets-, ruiter- en MTB paden toegestaan, mits ze bij voorkeur aansluiten op bestaande recreatieve routes. - indien de mogelijkheden van een recreatieve padenstelsel zijn gemaximaliseerd, maar dit door de gemeente onvoldoende wordt geacht, kunnen nadere afspraken worden gemaakt (toekomstige aansluiting op paden of compensatie in de vorm van recreatief medegebruik, zoals picknickplaatsen, steigers); - eigenaren van het landgoed dragen zorg voor de openbare toegankelijkheid, onderhoud en instandhouding.

Het inrichtingsplan bevat een paragraaf over de uitvoering en beheer waarin de continuïteit wordt gegarandeerd. Bij vaststelling van de landgoedstatus zijn afspraken voor de toegankelijkheid in het gebied vastgelegd. In aanvulling hierop zijn enkele voorzieningen nader uitgewerkt en aangevuld. En er is gezocht naar aansluiting op de omgeving op lange termijn. Voorwaarde 4 Realiseren van recreatieve functies In het Kromme Leekgebied liggen kansen voor de combinatie van cultureel erfgoed en de verbreding van de primaire agrarische doelen met natuur en recreatie (Structuurvisie Medemblik). Het landgoed bevat een combinatie met een recreatieve functie die past in het overwegend rustige karakter van het Kromme Leekgebied en een attractieve waarde binnen de wandel- en fietsroutes krijgt, zoals bijvoorbeeld een kano-opstapplaats, een theetuin, een kunstatelier, een thematuin etc. Toetsingscriterium is: - Recreatieve functies hebben een extensief karakter; In aanvulling op de huidige situatie is een aantal aanvullende recreatieve voorzieningen voorgesteld. Deze zijn nader toegelicht. Voorwaarde 5 Bijdrage aan biodiversiteit en ecologie Vanuit het oogpunt van natuur en landschap is het een meerwaarde wanneer de inrichting van het landgoed een bijdrage aan de biodiversiteit levert.

Toetsingscriterium is: - In het kader van de inrichting van het gebied worden onder begeleiding van een erkende ecologisch adviseur de ecologische kansen van het terrein geïnventariseerd. In het plan wordt onderbouwd hoe deze kansen worden benut en in hoeverre dit een bijdrage levert aan de biodiversiteit ter plaatse. In de aanvraag voor de landgoedstatus is ecologisch advies gegeven over de omvorming van het terrein tot een cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol gebied, een voedselbos. In aanvulling hierop zijn nog aanvullende voorstellen gedaan voor de omgeving van het landhuis en enkele recreatieve voorzieningen. Ecologisch beheer en

25

verrijking van de biodiversiteit met aanvullende en bloeiende soorten vormen hierbij belangrijke uitgangspunten. Hierbij zijn ook belangen van aangrenzende landeigenaren in acht genomen. Voorwaarde 6 Financiële en maatschappelijke haalbaarheid Alvorens de procedure wordt opgestart, wordt met de initiatiefnemer eerst een anterieure overeenkomst afgesloten. In de overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd het inrichtingsplan, de borging van de blijvende openbare toegankelijkheid, de exploitatie en het beheer van het landschap en de recreatieve routes, de beeldkwaliteit van de bebouwing en afspraken over de continuïteit van het landgoed, de voorbereidings-/plankosten en de eisen voor de realisatie. Dit laatste kan gaan om de volgorde van de realisatie (eerst landschappelijke inrichting, daarna woning) en de termijn waarbinnen het landgoed gereed moet zijn). Initiatiefnemer zorgt zelf voor draagvlak en informeren van de omgeving/buurt. Inmiddels is een groot deel van de landschappelijke inrichting al aangelegd. Het openbaar toegankelijk stellen van het gebied maakt onderdeel uit van de landgoedstatus. Het erfinrichtingsplan rondom de woning maakt onderdeel uit van de planologische vergunning. Voorwaarde 7 Planologische procedure en indieningsvereisten Medewerking kan slechts worden verleend door middel van een herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

De gemeenteraad stelt het herziene bestemmingsplan vast. - Een bouwplan voor het woongebouw met beeldkwaliteitbeschrijving; - Een inrichtingsplan voor de landgoedtuin, inclusief landschappelijke, ecologische en recreatieve functies; - Een beeldkwaliteitplan voor het landgoed; - Juridische vormgeving en exploitatieopzet voor onderhoud en beheer van het gehele landgoed (herziening bestemmingsplan na akkoord plannen). Alle stukken worden door de initiatiefnemer opgesteld en aangeleverd. Alle kosten zijn voor rekening van de aanvrager (benodigde documenten, onderzoeken vergunningen, bestemmingsplan, leges etc). De gemeente is bevoegd eisen te stellen aan de kwaliteit van de stukken. Voor het kunnen realiseren van een landhuis in het gebied is een aanpassing nodig van het bestemmingsplan. In de huidige situatie is alleen ter plaatse van de schuur een bouwblok aanwezig. In dit document is het beeldkwaliteitsplan en het inrichtingsplan uitgewerkt voor het landgoed. Daarnaast is een onderbouwing gegeven van de wenselijke situering van het bouwblok en de bouwregels. Deze documenten vormen onderdeel van de nieuwe planologische regeling, aangepaste bestemmingsplan of wijzigingsplan, het planologisch kader.

Beeldkwaliteitsplan en inrichtingsplan landgoed De Duinen

Figuur 17. Verzoek rangschikking als landgoed NSW 1928, landgoed “De Duinen” (Mommers Rentmeesters en adviseurs).

27

68/328

Bijlage 2 Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaardbespuitingen

69/328

Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaardbespuitingen Situatie Zwaagdijk 212 te Zwaagdijk-Oost in de gemeente Medemblik

J.C. van de Zande & M. Wenneker

Rapport 571

Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaardbespuitingen Situatie Zwaagdijk 212 te Zwaagdijk-Oost in de gemeente Medemblik

J.C. van de Zande1 & M. Wenneker2

1 2

Plant Research International Praktijkonderzoek Plant en Omgeving – sector Fruit

Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR Business Unit Agrosysteemkunde juni 2014

Rapport 571

© 2014 Wageningen, Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) onderzoeksinstituut Plant Research International. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van DLO. Voor nadere informatie gelieve contact op te nemen met: DLO in het bijzonder onderzoeksinstituut Plant Research International, Agrosysteemkunde. DLO is niet aansprakelijk voor eventuele schadelijke gevolgen die kunnen ontstaan bij gebruik van gegevens uit deze uitgave.

Exemplaren van dit rapport kunnen bij de (eerste) auteur worden besteld.

Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR Business Unit Agrosysteemkunde Adres Tel. Fax E-mail Internet

: : : : : :

Postbus 616, 6700 AP Wageningen Wageningen Campus, Droevendaalsesteeg 1, Wageningen 0317 – 48 06 88 0317 – 41 80 94 info.pri@wur.nl www.wageningenUR.nl/pri

Inhoudsopgave pagina Voorwoord

1

1.

Inleiding

3

2.

Materiaal en Methoden

5

2.1

5

3.

Veldmetingen drift

Resultaten

7

3.1

7

Veldmetingen drift

4.

Drift en blootstelling

13

5.

Discussie

21

6.

Conclusie

29

Samenvatting

31

Literatuur

33

Bijlage I.

Dermale blootstelling

14 pp.

Bijlage II.

Inhalatoire blootstelling

13 pp.

1

Voorwoord Momenteel vindt in de gemeente Medemblik een discussie plaats over de veiligheidszones rond fruitteeltbedrijven als gevolg van bespuitingen en de blootstelling van een te bouwen woning dichtbij een boomgaard; situatie Zwaagdijk 212 te Zwaagdijk-Oost. In deze rapportage wordt voor de blootstelling vanuit fruitteelt bespuitingen een overzicht gegeven van de drift bij standaard en drift beperkende op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken en maatregelen die in de fruitteelt gebruikt kunnen worden om tot een beperking van de veiligheidszones te komen. Naast de optredende drift vanuit de boomgaard tijdens de bespuitingen is ook de toxiciteit van de middelen en de blootstelling van personen belangrijk. Dank aan Dr. H.E. Falke (College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden, Ctgb) voor de discussies over de werkwijze en bespreking van de resultaten op dit gebied. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de heer A. Wiering te Zwaagdijk.

Wageningen, juni 2014

2

3

1.

Inleiding

Binnen de gemeente Medemblik doet zich een discussie voor over de nieuwbouwplannen van woningen naast percelen met landbouwkundige activiteiten. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een risicozone voor bebouwing aangehouden van 50 m vanaf de gewasgrens. Naar aanleiding van geplande woningbouw in de nabijheid van een boomgaard in de situatie Zwaagdijk 212 te Zwaagdijk-Oost is er de vraag of het mogelijk is de woning te bouwen binnen 50m van de perceelgrens van het naastgelegen fruitteeltperceel. De vraag is gerezen op welke afstand woningbouw en bijbehorend erf en tuin nog verantwoord zijn in verband met plaatselijke bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen en als gevolg daarvan de blootstelling van omstanders en omwonenden aan het wegwaaien van de gewasbeschermingsmiddelen. Omdat langs de te bebouwen terreinen fruitteelt aanwezig is, is er voor gekozen de verantwoorde afstand te evalueren op basis van een bespuiting met de hoogste drift zoals in de fruitteelt (Huijsmans et al., 1997).

Vraag hierbij is of de standaard driftbeperkende maatregelen die bij bespuitingen langs oppervlaktewater volgens het Activiteitenbesluit Milieubeheer genomen moeten worden (voorheen Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (LOTV); VW et al., 2000, 2007, I&M, 2012) en de aanwezigheid van windhagen of andere begroeiing de drift dusdanig reduceert dat een aanvaardbaar risico ontstaat voor verblijf binnen de huidige veiligheidsafstand van 50 m vanaf een perceelrand. Met drift wordt hierbij bedoeld de hoeveelheid spuitvloeistof die tijdens de bespuiting tot buiten het behandelde perceel komt als gevolg van wind- en luchtstromingen. Op basis van eerder veldonderzoek naar de drift bij toepassing van standaard en driftarme spuittechnieken in de fruitteelt kan aangegeven worden wat de driftdepositie op de grond (tot 50 m) en naar de lucht is. De berekende waarden zijn getoetst aan de criteria die in beleid opgesteld zijn (Ctgb, 2013).

Tevens is beschikbare kennis over de blootstellingrisico’s (acceptabele kortdurende systemische blootstelling door direct contact met de huid (dermaal), door inademing (inhalatoir) en secundair huidcontact (dermaal) door contact met eerder tot depositie gekomen drift op bijvoorbeeld grond of gras) bij op- en zijwaarts gerichte bespuitingen gebruikt om voor te bouwen woningen naast boomgaarden te bepalen wat de risico’s zijn bij de geldende (50 m) en aangepaste breedtes van de beschermzone tussen een boomgaard en de woningen. Tevens is bepaald wat het effect is van driftbeperkende technieken en maatregelen. Een uitleg hoe drift gemeten wordt en met welke spuittechnieken drift beperkt kan worden staan in Hoofdstuk 2 en 3. Hoe de drift van invloed is op de blootstelling van omstanders en bewoners staat in Hoofdstuk 4, waarna in Hoofdstuk 5 aangegeven wordt hoe de risico’s voor omstanders en bewoners verkleind kunnen worden door aanvullende maatregelen.

4

5

2.

Materiaal en Methoden

Beschikbare resultaten van optredende drift bij standaard en driftarme spuittechnieken zoals venturi spuitdop, enkelzijdig spuiten buitenste bomenrij, zoals gebruikt in de fruitteelt, zijn geïnventariseerd (Zande et al., 2001; Michielsen et al., 2007; Wenneker et al., 2007, 2008). Op basis van de driftmetingen met standaard (Southcombe et al., 1997) en driftarme spuitdoppen (VW & LNV, 2001; Zande et al., 2007) wordt aangegeven wat de reductie in driftdepositie is op 5, 10, 15 en 25 m vanaf de gewasrand en de reductie in drift naar de lucht op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij in de boomgaard. De driftreductie wordt aangegeven ten opzichte van een standaardbespuiting (9 m teeltvrije zone) en een standaard driftarme bespuiting (venturi spuitdop met 3 m teeltvrije zone) zoals verplicht volgens het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (LOTV; VW et al., 2007) wanneer een watervoerende sloot op de perceelgrens aanwezig is. Op grond van driftmetingen uitgevoerd om de driftbelasting van enkelrij bespuitingen te kwantificeren (Michielsen et al., 2007) kan voor de standaard en driftbeperkende spuittechniek berekend worden wat de drift naar de lucht is op 20, 30 en 40 m vanaf de perceelgrens en op verschillende hoogten.

Aan de hand van het criterium een veilige leefomgeving zoals gedefinieerd voor de bepaling van de 50 m grens tot bebouwing, zoals nu in de regelgeving genoemd wordt, is bepaald waar deze grens ligt op grond van overschrijding van blootstellingrisico’s voor personen en enkele veelgebruikte middelen in de fruitteelt bij genoemde standaard en driftbeperkende technieken.

2.1

Veldmetingen drift

Bij driftveldmetingen werd in overeenstemming met een meetprotocol (CIW, 2003) ter certificering van driftarme spuittechnieken (TCT-CIW, 2009) een boomgaard over een strook van 20 m breed en een lengte van minimaal 50 m bespoten. In Figuur 1 is schematisch de indeling van een proefveld weergegeven. De metingen vonden plaats aan de benedenwindse zijde van de bespoten strook appelbomen op een strook kale grond. De bespuitingen werden uitgevoerd met water waaraan de fluorescerende tracer Brilliant Sulfo Flavine (BSF, 3 g/l) en een niet-ionische uitvloeier (Agral® , 1 ml/l) was toegevoegd. De drift naar de grond naast het perceel werd bepaald door naast het perceel 2 rijen collectoren (=1 meetopstelling) met een onderlinge afstand van 2 m haaks op de rijrichting te leggen. De collectoren bestonden uit houten latten of plastic platen waarop met klittenband filterdoek (Camfil CM360 of Technofil TF-290; 50x10 cm en 100x10 cm) was bevestigd. De collectoren werden op 2,5 - 3,5 m; 4,5 - 5,5 m; 6,5 - 7,5 m; 9,5 - 10,5 m en 12,5 - 13,5 m gelegd (in enkele metingen ook om de 5 m tot 25 m), gemeten vanaf de positie van de laatste bomenrij. Voor de metingen van de drift naar de lucht werd op 7,5 m van de laatste gewasrij een driftmast opgesteld met aan twee lijnen driftcollectoren op 0, 1, 2, tot 10 m hoogte.

Deze driftcollectoren waren bolvormige sponsjes met een diameter van 7,5 cm (Siebauer Abtrifftkollektoren art. nr. 00140). Na een bespuiting werden de collectoren verzameld en gecodeerd voor verdere analyse op de hoeveelheid opgevangen BSF. Elke meetdag werd bemonsterd aan de dop (tankmonsters) om de BSF-concentratie van de spuitvloeistof te meten. Ter vergelijking werden ook onbehandelde (blanco) collectoren geanalyseerd. In het laboratorium werden de collectoren met water gespoeld, zodanig dat de BSF in oplossing kwam. Van deze oplossing werd de concentratie aan BSF gemeten met behulp van een fluorimeter (Perkin Elmer LS 45). Op dezelfde wijze werden de blanco collectoren geanalyseerd. Ook de concentratie BSF in de tankmonsters werd fluorimetrisch bepaald. De concentratie werd omgerekend naar volume spuitvloeistof per oppervlakte-eenheid. Het percentage drift is berekend door de driftdepositie per oppervlakte-eenheid uit te drukken in procenten van de in het perceel verspoten hoeveelheid vloeistof per oppervlakte-eenheid.

6 Voor de vergelijking van de driftdepositie zijn de driftwaarden over de stroken 4½-5½, 9½-10½ en 14½-15½ berekend, alsmede de gemiddelde drift naar de lucht op 7,5 m afstand vanaf de laatste bomenrij, uitgedrukt in percentages van de dosering.

drift mast en

4 3

drift collectoren meteo

ISO

drift collectoren 2

meteo 1

drift mast

en

3M

5M

7M

10M

13M

P1 P2-2/1

Figuur 1.

Schematische weergave meetopstelling veldmeting drift in de fruitteelt; links de boomgaard waarvan minimaal de buitenste 8 boomrijen (20 m) bespoten worden, rechts de benedenwindse meetstrook; wind waait van links naar rechts.

7

3.

Resultaten

3.1

Veldmetingen drift

Voor zij- en opwaarts gerichte spuittechnieken zoals gebruikt in de fruitteelt kunnen verschillende driftbeperkende maatregelen geïmplementeerd worden. Uitgaande van wat uit de fruitteelt bekend is kan de drift aanzienlijk gereduceerd worden. In Tabel 1 is aangegeven wat de driftreductie op verschillende afstanden vanaf de rand van het gewas kan zijn wanneer gebruik gemaakt wordt van verschillende driftbeperkende technieken (TCT-CIW, 2013). De volgende technieken zijn opgenomen: • Dwarsstroomspuit met reflectiescherm (Huijsmans et al., 1997), • dwarsstroomspuit met venturi spuitdoppen en enkelzijdig spuiten van de buitenste bomenrij (Wenneker et al., 2004), • Wanner dwarsstroomspuit met reflectie scherm en venturi spuitdoppen (Wenneker et al., 2006), • Tunnelspuit (Porskamp et al., 1994a,b), • Aaneengesloten elzen windhaag (Porskamp et al., 1994c). De driftreductie is hierbij uitgedrukt ten opzichte van de depositie op verschillende afstanden van een standaard boomgaardspuit uitgerust met Albuz ATR lila werveldoppen en een spuitdruk van 7 bar bij bespuitingen in de volblad (na 1 mei) en in de kale boom (voor 1 mei) situatie (Figuur 2) (Zande et al., 2014). Voor de referentiebespuiting geldt; hoe meer driftmetingen uitgevoerd worden hoe stabieler de driftcurve wordt, en daarmee de variatie in omstandigheden beter meegenomen wordt.

Hierdoor ontstaat een normalisatie van de driftdepositie naar de algemene weers- en boomgaardomstandigheden waaronder de metingen van de standaard techniek uitgevoerd zijn (Figuur 1). Voor de metingen tot 2011 geldt dat voor de volblad situatie de windsnelheid gemiddeld 2.5 m/s was (+/- 0.8 m/s, op 1 m boven boomhoogte) en de gemiddelde windhoek 14o (+/- 9o) ten opzichte van loodrecht op de bomenrij. Voor de kale boom situatie was dit gemiddeld 3,2 m/s (+/- 0,7 m/s) en 10o (+/- 8o). Met toenemende afstand vanaf de rand van het gewas neemt de driftdepositie op grondoppervlak af. Voor de standaard spuittechniek zal in de volblad situatie (na 1 mei) de driftdepositie op 5 m afstand van de rand van het gewas ongeveer 12% zijn van de spuitvloeistofdosering in het perceel. Op 15 m en 25 m afstand zal de driftdepositie ongeveer 3% en 1% zijn. In de kale boom situatie (voor 1 mei) is de driftdepositie op 5 m afstand van de rand van het gewas ongeveer 22%, en op 15 m en 25 m afstand ongeveer 8% en 3%. Bij bespuiting van een fruitteeltboomgaard is van verschillende driftreducerende technieken het effect op de drift bepaald in vergelijking met de standaard referentie bespuiting. De standaard bespuitingstechniek is een Munkhof dwarsstroom spuit uitgerust met Albuz ATR lila spuitdoppen (spuitdruk 7 bar, spuitvolume 200 l/ha).

Uit deze metingen kan afgeleid worden wat de driftreductie van deze driftreducerende technieken op verschillende afstanden is. Er ontstaat zo een driftreductie curve. Door gebruik te maken van deze driftreductiecurven kan de driftdepositie van de driftreducerende techniek uitgerekend worden in vergelijking met de standaard referentiecurve (Zande et al., 2014). De driftreducerende spuittechnieken kunnen zo gegroepeerd worden in driftreductieklassen van 50%, 75%, 90% en 95% (ISO22369, 2006). Hierbij is voor iedere klasse een representatieve driftreducerende techniek gekozen die dicht bij de grens van de driftreductieklasse ligt. Voor iedere Drift Reducerende Techniek (DRT) is de driftreductie op wateroppervlak voor de standaard sloot (4,5-5,5 m van de laatste bomenrij) bij een bespuiting in de volblad situatie als maatgevend genomen. Vervolgens werden de technieken ingedeeld in een klasse (Tabel 1).

8 Tabel 1.

Driftreducerende spuittechnieken voor boomgaardbespuitingen ingedeeld in Drift Reducerende Techniek (DRT) klassen.

Klasse

Drift reducerende technieken in drift reductie klasse *) referentie voor klasse

50%

50% drift reducerende spuitdoppen + eenzijdig spuiten buitenste bomenrij sensor spuit + standaard doptypen *); reflectie scherm spuit + standaard doptypen; Wanner dwarsstroom spuit +reflectie scherm + standaard doptypen; 75% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij *) tunnel spuit + standaard doptypen; KWH 3-rijer + standaard doptypen

75%

90%

90% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij *) Dwarsstroom spuit + venturi spuitdoppen + eenzijdig spuiten buitenste bomenrij; axiaal spuit+ venturi spuitdoppen + eenzijdig spuiten buitenste bomenrij;

95%

95% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij (4,5 m tvz) 90% drift reducerende spuitdoppen+ eenzijdig spuiten buitenste bomenrij + lage lucht *) Wanner dwarsstroom spuit +reflectie scherm + venturi spuitdoppen; KWH 3-rijer + 90% drift reducerende spuitdoppen; KWH 3-rijer + 90% drift reducerende spuitdoppen + variabele luchtondersteuning; KWH 3-rijer + 90% drift reducerende spuitdoppen + gereduceerde variabele luchtonderst.

drift voor en na 1 mei (kaal en volblad) - appel 40.0

drift depositie [% verspoten volume]

35.0 30.0 25.0

kaal volblad

20.0 15.0 10.0 5.0 0.0 0

Figuur 2.

5

10 15 20 afstand van laatste bomenrij [m]

25

30

Driftdepositie (% van de dosering) op grondoppervlak naast het perceel voor een standaard boomgaardspuit in de volblad (na 1 mei) en de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar Zande et al., 2014).

Uitgaande van de driftcurve voor de standaard techniek (Figuur 2) en de verschillende driftreducerende technieken (Tabel 1) kan de driftdepositie op de afstanden 5, 10, 15, 20, 25 en 30 m vanaf de gewasrand voor zowel de volblad als de kale boom situatie berekend worden (Tabel 2). Door het gebruik van driftreducerencde technieken (DRT) kan de drift aanzienlijk beperkt worden. Door het gebruik van een venturi spuitdop en het enkelzijdig spuiten van de buitenste bomenrij (DRT90) is de driftdepositie op grondoppervlak in de volblad situatie op 15 m van de rand van het gewas ongeveer 0,3% en op 30 m van de gewasrand 0,02%. In de kale boom situatie is de driftdepositie op 15 m voor een bespuiting met een DRT90 ongeveer 0,6% en op 30 m afstand ongeveer 0,05%.

9 Tabel 2.

Driftdepositie (% van dosering) voor op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken op verschillende afstanden vanaf de laatste bomenrij in de volblad en de kale boom situatie (naar: Zande et al., 2014). Spuittechniek Afstand (m)

Standaard dwarsstroom

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

Volblad

5 10 15 20 25 30

11,9 6,5 3,5 1,9 1,1 0,6

5,8 3,0 1,6 0,8 0,4 0,24

2,8 1,3 0,6 0,3 0,13 0,06

1,5 0,6 0,3 0,13 0,06 0,02

0,6 0,3 0,16 0,08 0,04 0,02

Kaal

5 10 15 20 25 30

22,9 13,3 7,7 4,5 2,6 1,5

17,5 9,5 5,1 2,8 1,5 0,8

12,0 6,6 3,6 2,0 1,1 0,6

3,2 1,4 0,6 0,25 0,11 0,05

1,7 0,8 0,3 0,15 0,07 0,03

p

j

12 10

hoogte [m]

8 6 4 2 0 0.0

10.0

20.0

30.0

40.0

50.0

60.0

lucht drift [% verspoten volume]

Figuur 3.

Drift naar de lucht (% van de dosering) op 7,5 m naast het perceel tot 10 m hoog voor een standaard boomgaardspuit in de volblad (na 1 mei) en de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar: Zande et al., 2014).

Voor de beoordeling van middelen naar de effecten op waterorganismen wordt voor veldspuiten standaard de driftdepositie op wateroppervlak beoordeeld met een driftdepositie waarde van 1% (Ctgb, 2013). Op grond van de veldmetingen wordt voor de fruitteelt aan dit criterium voldaan op ongeveer 25 m vanaf de perceelgrens voor de standaard spuittechniek en binnen 10 m voor DRT90 en DRT95 driftreducerende spuittechnieken. In de driftmetingen is niet alleen gekeken naar de driftdepositie op de grond naast het perceel maar ook naar de hoeveelheid drift die in de lucht passeert op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij. Gemiddeld over de gemeten hoogte (10 m) was voor de standaard techniek in de volblad situatie de drift op de mast op 7,5 m afstand van delaatste bomenrij ongeveer 11% van de dosering per oppervlakte-eenheid in de boomgaard (Zande et al., 2014). In de kale boom situatie was dit ongeveer 18% (Figuur 3). De hoogste depositie treedt hierbij in de kale boom situatie op 1 m hoogte op (bijna 50%) en in de volblad situatie op 2 m hoogte (ongeveer 20%). De verschillende drift-

10 reducerende spuittechnieken zoals ingedeeld in de driftreductieklassen (Tabel 1) reduceren de drift naar de lucht op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij. De driftreductie van de drift naar de lucht op 7,5 m afstand van de laatste bomenrij is voor de verschillende DRT klassen bepaald (Zande et al., 2014) voor de kale boom situatie (Figuur 4) en de volblad situatie (Figuur 5).

DRT luchtdrift kale boom situatie op 7.5 m van de laatste bomenrij 12 10

referentie DRT50

hoogte [m]

8

DRT75 DRT90

6

DRT95

4 2 0 0.0

Figuur 4.

10.0

20.0 30.0 40.0 drift naar de lucht [% gespoten volume]

50.0

60.0

Drift naar de lucht (% van de dosering) op 7,5 m naast het perceel tot 10 m hoog voor een standaard boomgaardspuit in de volblad (na 1 mei) en de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar: Zande et al., 2014).

DRT luchtdrift volblad situatie op 7.5 m van de laatste bomenrij 12 10 referentie DRT50

hoogte [m]

8

DRT75 DRT90

6

DRT95

4 2 0 0.0

Figuur 5.

10.0

20.0 30.0 40.0 drift naar de lucht [% gespoten volume]

50.0

60.0

Drift naar de lucht (% van de dosering) op 7,5 m naast het perceel tot 10 m hoog voor een standaard boomgaardspuit en Drift Reducerende Technieken uit verschillende driftreductieklassen (DRT50, DRT75, DRT90, DRT95) in de kale boom (voor 1 mei) situatie (naar: Zande et al., 2014).

De drift naar de lucht is niet homogeen verdeeld over de hoogte maar heeft hogere waarden net boven boomhoogte doordat de driftwolk over de top van de bomen naar buiten de boomgaard waait (Figuur 4, Figuur 5). Ook de afname van de drift in de lucht met de afstand vanaf de boomgaard (Michielsen et al., 2007) verloopt voor de kale boom

11 situatie anders dan voor de volblad situatie. Bij de kale boom situatie is de afname met de afstand meer vanuit een centraal punt, de spuit. Bij de volblad situatie is er een sterke afname direct naast de boomgaard door de filterende werking van het bladerdek en daarna een meer diffuse langzamere afname van de drifthoeveelheid met de afstand. Zo wordt een driftpercentage van 1% op 2 m hoogte in de volblad situatie (na 1 mei) bereikt op ongeveer 32 m en in de kale boom situatie (voor 1 mei) op meer dan 35 m van de laatste bomenrij. meet hoogte [m] 6

19.00-20.00 18.00-19.00

5

17.00-18.00 16.00-17.00 15.00-16.00

4

14.00-15.00 13.00-14.00 12.00-13.00

3

11.00-12.00 10.00-11.00

2

9.00-10.00 8.00-9.00 7.00-8.00

1

6.00-7.00 5.00-6.00 4.00-5.00

10.5

13.5

16.5

19.5

22.5

25.5

28.5

31.5

34.5

0 37.5

afstand van laatste bomenrij [m]

Figuur 6.

3.00-4.00 2.00-3.00 1.00-2.00 0.00-1.00

Drift naar de lucht (% van de dosering) naast het perceel voor een standaard dwarsstroom boomgaardspuit in de volblad situatie.

meet hoogte [m] 6 5

38.00-40.00 36.00-38.00 34.00-36.00 32.00-34.00 30.00-32.00 28.00-30.00

4 3

26.00-28.00 24.00-26.00 22.00-24.00 20.00-22.00 18.00-20.00

2 1

16.00-18.00 14.00-16.00 12.00-14.00 10.00-12.00 8.00-10.00

10.5

13.5

16.5

19.5

22.5

25.5

28.5

31.5

34.5

0 37.5

afstand van laatste bomenrij [m]

Figuur 7.

6.00-8.00 4.00-6.00 2.00-4.00 0.00-2.00

Drift naar de lucht (% van de dosering) naast het perceel voor een standaard dwarsstroom boomgaardspuit in de kale boom situatie.

12 Met behulp van de gevonden afname in drift naar de lucht met de afstand zoals gepresenteerd in Figuur 6 en Figuur 7 voor de standaard spuittechniek kan ook voor de DRT-klassen de afname van de drift naar de lucht gemiddeld over de meethoogte 0-10 m met de afstand vanaf de laatste bomenrij berekend worden (Tabel 3).

Tabel 3.

Gemiddelde drift (% van dosering) naar de lucht (0-10 m hoogte) voor op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken op verschillende afstanden vanaf de laatste bomenrij in de volblad en de kale boom situatie (naar: Zande et al., 2014). Spuittechniek Afstand (m)

Standaard dwarsstroom

DRT50

DRT75

DRT90

DRT95

Volblad

5 10 15 20 25 30

17,4 9,5 5,2 2,9 1,6 0,9

4,9 2,6 1,4 0,7 0,4 0,2

3,5 1,9 1,0 0,5 0,3 0,2

2,6 1,4 0,7 0,4 0,2 0,1

1,3 0,7 0,4 0,2 0,1 0,1

Kaal

5 10 15 20 25 30

31,7 17,4 9,5 5,2 2,9 1,6

13,8 7,4 4,0 2,1 1,2 0,6

12,6 6,8 3,6 1,9 1,0 0,6

5,9 3,1 1,6 0,9 0,4 0,2

3,5 1,8 1,0 0,5 0,3 0,1

13

4.

Drift en blootstelling

Voor een aantal gewasbeschermingsmiddelen die in de fruitteelt gebruikt worden kan geëvalueerd worden wat de driftdepositie naast het perceel is in relatie met de toxiciteit van dat middel. In de fruitteelt worden zowel chemische gewasbeschermingsmiddelen als biologische middelen gebruikt. Voor de blootstelling maakt het hierbij niet uit of het middel van chemische of biologische oorsprong is. De gebruikte middelen kunnen onderscheiden worden in onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden), schimmelbestrijdingsmiddelen (fungiciden) als insectenbestrijdingsmiddelen (insecticiden, acariciden) gebruikt. Herbiciden worden niet met een dwarsstroom of axiaal boomgaardspuit uitgebracht maar met een onkruidspuit (Stallinga et al., 2012) met een neerwaarts gerichte spuitboom of spuitdop. Fungiciden en insecticiden worden met op- en zijwaarts gerichte spuittechnieken zoals dwarsstroom en axiaal boomgaardspuit. Een aantal in de fruitteelt veel gebruikte fungiciden en insecticiden zijn in Tabel 4 met hun (maximaal) toegelaten dosering per oppervlakte-eenheid opgesomd.

Tabel 4.

Veel gebruikte gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt met hun gehalte werkzame stof, de (maximaal) toegelaten dosering per oppervlakte-eenheid en de uitgebrachte hoeveelheid werkzame stof (mg/m2).

Soort gewasbeschermingsmiddel

Naam middel

Fungicide

Captan 80WG/ Captan Malvin WG Insegar Fenoxycarb Teppeki Flonicamid Runner Methoxyfenozide Pirimor Pirimicarb Apollo 500SC Clofentezin CHORUS 50 WG Cyprodinil Delan DF Dithianon DIMILIN Diflubenzuron Switch Fludioxonil Switch Cyprodinil Syllit Dodine

Insecticide Insecticide Insecticide Insecticide Acaracide Fungicide Fungicide Insecticide Fungicide Fungicide

Werkzame stof

Gehalte werkzame stof

Dosering middel

Toegediende hoeveelheid werkzame stof mg/m2

800

g/kg

3,75

kg/ha

300

267 500 250 500 500 500 700 480 250 375 450

g/kg g/kg g/l g/kg g/l g/l g/l g/l g/kg g/kg g/kg

0,6 0,14 0,6 0,75 0,45 0,6 0,795 0,6 1,2 1,2 1,95

kg/ha kg/ha l/ha kg/ha l/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha kg/ha

16 7 15 38 23 30 56 29 30 45 88

Per oppervlakte eenheid verschilt de toegediende hoeveelheid werkzame stof aanzienlijk. Voor het insecticide flonicamid is de dosering 7 mg/m2, terwijl voor het fungicide captan de dosering maximaal 300 mg/m2 is. De toxiciteit van de middelen kan echter ook sterk verschillen. Voor de risicobeoordeling van toevallige passanten, omwonenden of mensen die werkzaamheden verrichten nabij plaatsen waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt (omstanders of by-standers) zijn er nog geen vastgestelde dossiervereisten, beoordelingsmethodieken, normen en criteria voor het beoordelen van het gezondheidsrisico van deze mensen. Ten aanzien van de risicobeoordeling voor de volksgezondheid door blootstelling via de lucht stelt het Ctgb dat over het algemeen de afstand tot de plaats waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt voor omwonenden aanmerkelijk groter is dan voor de toepasser en omstander. De blootstelling zal voor omwonenden derhalve lager zijn dan voor de toepasser en de omstander. Daarom wordt voor de omwonenden bij toepassingen in de open lucht geen hoger risico voor de gezondheid ingeschat dan voor omstanders (Ctgb, 2013).

14 Om voor de situatie fruitteelt het risico in te schatten is er vanuit gegaan dat de in Tabel 4 genoemde stoffen gebruikt worden met de verschillende toedieningstechnieken, waarvoor de drift buiten het perceel is berekend. De berekende drift geeft aan hoeveel middel er op de verschillende afstanden naast het perceel op de grond terecht kan komen of wat op verschillende hoogtes passeert. Voor het risico voor opname door voedsel, inademen (inhalatoir) en huidcontact (dermaal) gelden verschillende drempelwaarden (Ctgb, 2013; Fytostat, 2013) die veelal verkregen zijn door experimenteel dieronderzoek. Wordt het risico voor blootstelling van de mens beoordeeld door opname door de huid of door inademing dan gelden daar voor de in Tabel 4 genoemde stoffen drempelwaarden voor (Tabel 5).

Tabel 5.

Referentiewaarden kortdurende blootstelling (Acceptable Exposure Level; AEL-systemisch) de dermale absorptie (%) en de maximaal toelaatbare blootstelling op een persoon (mg/m2) voor een aantal toegepaste werkzame stoffen in de fruitteelt (bron: Ctgb, 2013).

Middel

Toepassing

AEL (mg/kg lich.gew./dag)

Dermale absorptie (%)

Captan Fenoxycarb Flonicamid Methoxyfenozide Pirimicarb Clofentezin Cyprodinil Diflubenzuron Fludioxonil Dodine

Fungicide Insecticide Insecticide Insecticide Insecticide Acaracide Fungicide Insecticide Fungicide Fungicide

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=ab618916-3df0-4635-8a2a-7f9ebd91f656