CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

02 DOC-21-454575 - Bestemmingsplan Wognum - Grote Zomerdijk 43, vaststelling door de gemeenteraad.

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Wognum - Grote Zomerdijk 43 (pfh. A. van Langen)15.905 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

afbeelding bij dit plan

Bestemmingsplan Wognum - Grote Zomerdijk 43 Gemeente Medemblik Bijlagen bij toelichting

Bestemmingsplan Wognum - Grote Zomerdijk 43 Gemeente Medemblik Bijlagen bij toelichting

Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:

Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:

Projectleider: Auteur:

NL.IMRO.0420.WOGGrZomerdijk43-VA01 Wognum - Grote Zomerdijk 43 Datum

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

4

Bijlage 1

Beeldkwaliteitplan Wognum - Grote Zomerdijk 43

4

Bijlage 2

Quickscan Wet natuurbescherming

24

Bijlage 3

Nader onderzoek huismus, kleine marterachtigen en vleermuizen

61

Bijlage 4 Zomerdijk 43

Begeleidende rapportage stikstofdepositieberekening Wognum - Grote

Bijlage 5

Bodemonderzoek 1998

96

Bijlage 6

Gebruikersfase stikstofdepositieberekening Wognum - Grote Zomerdijk 43

146

Bijlage 7

Akoestisch onderzoek Wognum - Grote Zomerdijk 43

152

Bijlage 8

Quickscan archeologie Wognum - Grote Zomerdijk 43

180

Bijlage 9

Watertoets Wognum - Grote Zomerdijk 43

194

86

Wognum - Grote Zomerdijk 43

3

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Beeldkwaliteitplan Wognum - Grote Zomerdijk 43

Wognum - Grote Zomerdijk 43

4

GEGEVENS VAN DE AANVRAGER

PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer:

K18238

Status

Datum

Versie

Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:

Kerkewijk 117 3904 JB Veenendaal T. 0318 – 50 56 37

Projectleider: D. van Lienden Ontwerper: S.A. Blommestein Msc

I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

Inhoud 1

Inleiding .......................................................................... 6 1.1

2

Aanleiding......................................................................... 6

Analyse ........................................................................... 7 2.1 2.2

Ontstaan ........................................................................... 7 de landschappelijke karakteristiek ................................... 7

2.3 2.4

openheid en ruimtebeleving ............................................. 8 de ruimtelijke dragers ....................................................... 8

2.5

Ambities en Ontwikkelprincipes provincie Noord-Holland10

3

Stedenbouwkundig plan .............................................. 12

4

Beeldkwaliteit ............................................................... 13 4.1 4.2

Welstandsnota................................................................ 13 Beeldkwaliteitcriteria ...................................................... 15 4.2.1 4.2.2

Gebiedsbeschrijving ................................................. 15 Inspiratiekader drie vrijstaande woningen ................ 15

4.2.3

Referentiebeelden .................................................... 16

4.2.4

Beplanting ................................................................ 19

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Aan de Grote Zomerdijk 43 te Wognum, bevindt zich een glastuinbouwbedrijf. Op de locatie bevindt zich circa 9.000 m2 aan glasopstand, een warmtebuffer en een waterbassin. Tevens staat er een bedrijfswoning. Er staat geen beplanting rondom de glasopstand. Met de huidige vraag om het gebied te saneren en her in te richten, ontstaan er mogelijkheden om beter aan te laten sluiten bij de landelijke omgeving om zo een betere beeldkwaliteit te realiseren.

Ligging plangebied

6

6

2

Analyse

2.1

Ontstaan

West-Friesland Midden is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment die zijn afgezet via het zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing met zand en klei uit zee. Hierop vestigde zich al vroeg een groot aantal mensen in een relatief hoge dichtheid. Nederzettingen vormden zich als lange linten door het landschap. Rond de 10e eeuw vernatte het gebied en ontstond er veen. Vanaf de middeleeuwen werd het gebied geleidelijk omgezet naar cultuurland en ingepolderd. Veelal haaks op de veenrivieren werden sloten gegraven. Om het land geschikt te maken voor bewoning, veeteelt en akkerbouw werd het gebied bemalen. Hierdoor oxideerde het veenpakket en keerde het landschap om. 2.2

de landschappelijke karakteristiek

Overzichtskaart (bron: leidraad landschap en cultuurhistorie Noord-Holland

De Grote Zomerdijk ligt middenin het zeekleilandschap van West-Friesland, dat is gevormd door afzettingen van de zee. Verspreid in het gebied liggen droogmakerijen, ontstaan door het droogmalen van meren, andere wateren en drasland. De voormalige getijdegeulen zijn herkenbaar als relatief hooggelegen kreekruggen. De voormalige wadvlakten vormen laaggelegen en overwegend open kommen. Door het inklinken van de klei en het oxideren van het veen zijn de geulen, waar zand werd afgezet, tegenwoordig hoger gelegen. De grote Zomerdijk ligt ter plaatse van het plangebied op de overgang tussen beide en vormde de grens tussen het bedijkte en buitendijkse gebied, zoals op naaststaande kaart te zien is. Het oude zeekleilandschap heeft de karakteristiek van een veenontginningslandschap met bebouwingslinten en haaks hierop langgerekte kavels. Aan de Grote Zomerdijk is dit landschap nog goed te ervaren.

Hoogtekaart (bron: AHN), planlocatie aangegeven met rode stip

7

7

2.3

openheid en ruimtebeleving

De linten met bebouwing en/of beplanting en de houtsingels vormen begrenzingen van kleinere en grotere open ruimten. Zoals goed te zien op de kaart rechtsonder op de pagina, is het weidse landschap optimaal beleefbaar tussen de linten van de Grote Zomerdijk en de Westeinderweg. De linten vormen daarbij de begrenzing van de openheid. Vanaf deze lange gebogen linten zijn er ook lange zichtlijnen over het landschap. De Grote Zomerdijk is een zeer karakteristiek lint met aan beide zijden een watergang en voor een groot deel wegbeplanting, zoals hiernaast verbeeld. De agrarische percelen liggen dwars op de weg, zijn relatief smal en begrensd door watergangen. De erven liggen direct aan de weg en zijn met name in de diepte ontwikkeld, zodat er zichten blijven over het landschap. 2.4

Structurenkaart Grote Zomerdijk met bebouwing, water, groen en doorzichten

de ruimtelijke dragers

Het Westfriese landschap is een cultuurlandschap met oude ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen als structuurlijnen. De lint(dorp)en met de vele stolpen volgen vaak de oude kreekruggen. Ze zijn beeldbepalend en zijn van oudsher de dragers van verstedelijking. Het profiel van de weg met bebouwing en de mate van bebouwingsdichtheid is per dorpslint verschillend. De Grote Zomerdijk wordt gekenmerkt door de smalle weg met aan weerszijden watergangen en veelal begeleid door een bomenrij aan één zijde. Het groene beeld wordt bepaald door erfbeplanting en tuinen met onder meer Knotwilgen en Elzen. Langs het lint staan veel stolpboerderijen maar ook andere type bebouwing (zie volgende pagina). De dwarswegen, die de lengterichting van de lange kavels volgen, vormen de verbinding tussen de linten. Deze hebben veelal geen bebouwing.

Bron: webviewer provincie Noord-Holland

8

8

Diversiteit aan woningtypen aan de Grote Zomerdijk

9

9

2.5

Ambities en Ontwikkelprincipes provincie Noord-Holland

De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: 

bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek

bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en

helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.

Onderstaande ambities en de bijbehorende ontwikkelprincipes zijn vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit:

1. De verschillende lintbebouwings- en verkavelingsstructuren blijven herkenbaar en beleefbaar Uitgangspunten: 

Het landschap met herkenbare historische structuren is vertrekpunt. Pas nieuwe ontwikkelingen, zoals nieuwe bebouwing in met respect voor de landschappelijke karakteristiek en de cultuurhistorie.

Versterk het eigen karakter van het lint. Neem de onderlinge karakterverschillen tussen de linten als uitgangspunt bij de inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen. Denk aan beplanting, profiel, stolpenstructuren, bebouwingstypologie, etc.

Behoud de doorzichten vanaf de linten op het open landschap.

Versterk waar mogelijk de landschappelijke structuren in dit gebied en ontwikkel de watergangen, voormalige waterkeringen en historische wegen, als recreatieve structuren (kans).

10

10

2. De openheid tussen de linten is uitgangspunt  Houd de ruimte tussen de linten vrij van bebouwing en opgaande beplanting,

3. De Westfriese Omringdijk is de omlijsting van het open Westfriese landschap

zodat de linten als afzonderlijke structuren herkenbaar blijven. Houd de rechte dwarswegen bij voorkeur vrij van bebouwing. 

Behoud de zachte, verspringende lintbebouwing en het open landschap.

overgangen

tussen

de

linten/

N.v.t. voor dit initiatief 4.

Overige ontwikkelprincipes N.v.t. voor dit initiatief

11

11

3

Stedenbouwkundig plan

In het stedenbouwkundig plan wordt de bestaande woning en grote kas vervangen

In het ontwerp worden drie dammen gerealiseerd, zodat de watergang

door drie nieuwe woningen. In het plan is ingespeeld op de omgevingskarakteristieken door de keuze voor 3 smalle kavels met lintwoningen met

langs de Grote Zomerdijk ook ruimtelijk blijft doorlopen.

daartussen doorzichten. De kavels staan haaks op de weg en hebben een bouwvlak van beperkte grootte (en breedte). Door de clustering van de drie kavels aan de oostzijde van het perceel, wordt het bestaande doorzicht aan de westzijde van de kas sterk verbreed. De

De woningen maken onderdeel uit van een bestaand bebouwingslint langs de Grote Zomerdijk en zullen daarom allemaal verschillend zijn om goed in de omgeving te kunnen passen. Dit beeldkwaliteitplan geeft hier kaders en richtlijnen voor.

oostelijke kavel houdt enige afstand tot de naastgelegen watergang, zodat hier het doorzicht geoptimaliseerd wordt en de watergang goed beleefbaar blijft.

Schetsontwerp (bron: Ervenconsulenten)

12

12

4

Beeldkwaliteit

4.1

Welstandsnota

Waardebepaling en ontwikkeling De gesloten lintbebouwing vormt een waardevol geheel met het open

Het plangebied is gelegen aan een landelijk lint. Hierbij gelden onderstaande beschrijving en criteria:

landschap. De historische samenhang tussen gebouw en ruimtelijke structuur met smalle weg en vaak een sloot is kenmerkend voor het gebied. Het beleid voor het gebied is gericht op versterking van de cultuurhistorische waarde. Het behoud van de kleinschaligheid en de

Gebiedsbeschrijving Langs de tweezijdig bebouwde linten staan eenvoudige huizen, agrarische bedrijven en stolpboerderijen. Veel boerderijen hebben geen agrarische functie meer. Enkele stolpboerderijen kennen een grote historische waarde en staan op de monumentenlijst. De overwegend vrijstaande gebouwen zijn wisselend gesitueerd, variërend tussen evenwijdig aan de weg en parallel aan de sloten. De rooilijn kent een verspringend verloop. Schuren en andere bijgebouwen zijn in samenhang met het hoofdgebouw geplaatst. Ze staan achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. Woningen zijn individueel en afwisselend. Ze staan soms met de lange en soms met de korte gevel naar de weg. Kenmerkend zijn de eenvoudige rechthoekige plattegronden. De gebouwen hebben een onderlaag van één soms twee lagen en zijn voorzien van een zadeldak dan wel mansarde kap. De stenen gevel heeft veelal een verdiept liggende entree en staande ramen. Dakkapellen komen overwegend bij kleine woningen voor en hebben in het algemeen een bescheiden omvang ten opzichte van het hoofdvolume. Het houtwerk van daklijsten en goten is vaak eenvoudig en verzorgd, soms rijk versierd. Doorzichten beperken zich tot smalle paadjes langs de huizen. Doordat voortuinen een laag hek of helemaal geen hek hebben is er een geleidelijke overgang van private naar publieke ruimtes.

13

13

zorgvuldige architectuur staan voorop bij het beoordelen van plannen. Daarbij is de stolpboerderij met de hoge piramide daken dominerend en is het wenselijk dat de

 

geen aan- of uitbouwen aan aan- of uitbouwen zijgevels hebben vensters

andere bebouwing daar in goot- en nokhoogte ondergeschikt aan blijft. Gezien de steeds verder voortschrijdende schaalvergroting van het agrarisch bedrijf zullen er

voorkom schaalvergroting door bijvoorbeeld samenvoeging of grote aanbouwen

zowel aanvragen komen voor de uitbreiding van bestaande gebouwen als voor de plaatsing van nieuwe. De dynamiek voor de overige gebouwen zal zich beperken tot kleine wijzigingen aan of bij bestaande bebouwing, die goed ingepast moeten

Architectonische uitwerking

worden in het bestaande beeld.

 

de architectonische uitwerking varieert van eenvoudig tot rijk er is ontwerpaandacht voor alle details

 

kozijnen, dakgoten, daklijsten en dergelijke zijn fijn gedetailleerd bijgebouwen waaronder schuren eenvoudiger maar net zo

Bijzonder welstandsgebied De landelijke linten zijn bijzonder welstandsgebied, waarin met name wordt beoordeeld op de samenhang tussen landschap en bebouwing. Ligging  gebouwen richten op de belangrijkste weg 

gebouwen passen in het verkavelingspatroon en bij de landschappelijke

lijnen gebouwen staan vrij met behoud van doorzichten op het landschap

 

rooilijnen van hoofdmassa's verspringen ten opzichte van elkaar bijgebouwen liggen zoveel mogelijk achter het hoofdgebouw

groene erfafscheidingen zoals hagen verdienen de voorkeur boven gebouwde

zorgvuldig detailleren als de hoofdmassa  

gevelopeningen zijn staand traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen zijn ook

bij toepassing van kunststof uitgangspunt wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume

Materiaal en kleur  materiaal- en kleurgebruik is traditioneel en terughoudend 

gevels in hoofdzaak uitvoeren in rood-bruine baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen (geen witte steen toepassen)

Bouwmassa  

gebouwen zijn in beginsel individueel en afwisselend gebouwen bestaan uit een eenvoudige gevormde onderbouw van één laag met zadeldak, mansardekap of piramidedak

donkere of oranje-rode (terracotta) keramische pannen zijn uitgangspunt voor hellende daken van woningen en bijbehorende bijgebouwen (glanzend glazuur niet toepassen) houtwerk schilderen: grote vlakken in donkere groentinten,

 

gevels geleden in de maat en schaal van het lint bijgebouwen hebben een eenvoudige vorm

donkerblauw of grijzen, kleinere elementen in traditionele contrasterende lichte tinten zoals gebroken wit dan-wel

op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa

lichtgroen of lichtgeel

14

14

4.2

Beeldkwaliteitcriteria

4.2.1

Gebiedsbeschrijving

Het lint langs de Grote Zomerdijk heeft een open structuur met veel doorzichten naar het landschap, zowel over de velden tussen de kavels als over de bebouwde percelen zelf. Er staat relatief weinig bebouwing. Veelal staat de bebouwing in kleine clusters van individueel ontworpen woningen en boerderijen. Er komen woningen voor met zadeldaken, mansardekappen, schilddaken, samengestelde kappen en

Om aan te sluiten bij de omgeving is het doorzicht naar het landschap versterkt door de keuze voor drie compacte kavels, waar het landschap tussendoor loopt. Door deze te clusteren richting het oostelijk deel van de kavel, het doorzicht ten westen van de kas verbreed en versterkt. Ook tussen de woningen zijn doorzichten gemaakt zoals je ook in de directe omgeving ziet door de weide tussen de kavels door te trekken. Woningen

puntdaken (stolpboerderij). De bebouwing staat met name evenwijdig aan de verkavelingsrichting. Een enkele woning staat evenwijdig aan de weg. De woningen hebben in het algemeen een massaopbouw van één laag met een kap.

Aangezien er drie woningen (incl. de bestaande woning) naast elkaar Grote Zomerdijk 43

komen in het lint in een klein cluster, is het nodig dat: 

de drie woningen een landelijke uitstraling hebben en voldoende verschillend te zijn. Denk hierbij aan verschillen in bv. grootte (footprint), kapvorm en architectuur/materialisatie;

 Open lint 4.2.2

Inspiratiekader drie vrijstaande woningen

de nieuwe woningen een dam krijgen zodat het watervlak niet doorsneden wordt en aangesloten wordt op het karakteristieke omgevingsbeeld.

De voorgevel van elke woning verspringt t.o.v. de woning ernaast.

bestaande diversiteit aan bebouwing aan dit karakteristieke lint met het straatprofiel

incl. sloten, de grote verscheidenheid aan woningen met kap en de doorkijkjes en uitzichten op en over het landschap.

de woningen georiënteerd zijn op de weg en de richting volgen van de kavel.

er maximaal 1 woning wordt gerealiseerd met een symmetrische voorgevel;

Bijgebouwen achter de woning worden gerealiseerd.

Het inspiratiekader voor de drie vrijstaande woningen aan de Grote Zomerdijk is de

15

15

Kenmerken

4.2.3

De

Er is afwisseling van woningtypes en tegelijkertijd eenheid door streekeigen, landelijke architectuur;

De compositie van de gevels is rustig en samenhangend;

Diversiteit aan gevelmaterialen en kleuren;

Subtiel maar waarneembaar reliëf in de gevel door middel van neggen, kozijnhout, onderdorpels, gootlijst etc.;

Er worden verticale ramen toegepast;

Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels is afwisselend, van authentiek rode baksteen tot gepleisterde en (deels) houten geveldelen,

Referentiebeelden

referentiebeelden

zijn

voorbeelden.

Per

referentiebeeld

is

aangegeven welk aspect op de foto bedoeld wordt als referentie

passend in het landelijk karakter van de omgeving; 

Het materiaal- en kleurgebruik van de dakbedekking is afwisselend, van klassieke toepassingen met keramische dakpannen en rieten kappen tot moderne toepassing van zink passend in het landelijk karakter van de omgeving;

Geen glanzend geglazuurde pannen toepassen;

Bijgebouw(en) zijn enkelvoudig met een kap en ondergeschikt vormgegeven (o.a. kleur-, materialisatie, detaillering) en wijken af van de woning;

Karakteristieke lintstructuur aan de Grote Zomerdijk: weg, sloot met brug, tuin en voorgevel bepalen in grote mate de beleving van het lint

Woningtypes Qua bebouwing kan gedacht worden aan verschillende type woningen die in de omgeving voorkomen:

Eventuele dakkapellen worden ondergeschikt vormgegeven.

Omvang en positie 

De afstand van een hoofdgebouw ten opzichte van de weg is afgestemd met de bestaande woning aan het lint;

De dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 40 graden en ten hoogste 46 graden bedragen;

De goothoogte van een hoofdgebouw is max. 7 meter;

De bouwhoogte van een hoofdgebouw is max. 12 meter;

De bijgebouwen staan achter het hoofdgebouw;

de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw bedraagt 4 meter. Een eigentijds vormgegeven stolpboerderij is op deze locatie voorstelbaar.

16

16

Klassiek vormgegeven woning met stevig schilddak, rustig kleurengebruik, symmetrische gevel, dieptewerking in de gestucte gevel

Een voorbeeld van een eenvoudige woning met stevig zadeldak, ondergeschikte haakse aanbouw en karakteristieke details (o.a. gootlijst, schoorstenen, luiken en muurankers. Daarnaast is er een duidelijk onderscheid tussen de grootte van de ramen op de begane grond en de 1e verdieping. Dakkapellen zijn ondergeschikt vormgegeven.

Modern vormgegeven woning die past in het buitengebied door o.m. karakteristieke elementen (groter dakvlak dan gevelvlak, verticale vensters).

17

17

Lage onderbouw incl. stevige kap met topgevel die voorgevel een kwalitatieve

Een woning met een samengestelde kap is ook mogelijk als er sprake is van een integraal en gebiedseigen ontwerp

uitstraling geeft; ritmiek, stevige goot. Karakteristiek voor het buitengebied is ook het ondergeschikt vormgegeven bijgebouw met een meer sobere architectuur.

Elementen

Asymmetrische voorgevel met klassieke elementen w.o. een hoog dakvlak, kleurstelling en boeiboord.

Stenen onderbouw met stevig, geknikt zadeldak. De dakkapel is ondergeschikt en mee ontworpen met het geheel en specifiek de voorgevel. Het bijgebouw is enkelvoudig en ondergeschikt.

18

18

4.2.4

Beplanting

Voor het aansluiten op de omgeving is het belangrijk dat er voldoende erfbeplanting wordt aangeplant, met name aan de randen van de kavels. Denk hierbij aan soorten als de (knot)wilg, de els en de hazelaar. In het erfinrichtingsplan is nader ingegaan op de beplanting, waarbij er groene erfafscheidingen worden opgenomen in de vorm van hagen.

Gewone els

knotwilgen (salix alba)

Corylus avellana

19

19

Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming

Wognum - Grote Zomerdijk 43

24

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening NH2020 Plangebied: Grote Zomerdijk 43, Wognum Opsteller(s): B. Verhoeven

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening NH2020 Ondertitel

Plangebied: Grote Zomerdijk 43, Wognum

Opsteller(s)

B. Verhoeven

Datum

04-12-2020

Versienummer

01

Rapportkenmerk

ER20201106v01

Aantal pagina's

40

Opdrachtgever

D. van Lienden

Contactpersoon

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Kwaliteitscontrole

L. Boon / F.A. van Meurs

Wijze van citeren

Verhoeven, B., 2020. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening NH2020. Plangebied: Grote Zomerdijk 43, Wognum. Rapportkenmerk: ER20201106v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.

Ecoresult B.V. Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl

© copyright Ecoresult B.V. 2020 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding........................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding............................................................................................................................... 5 1.2 Doel........................................................................................................................................ 5 1.3 Onderzoeksmethodiek............................................................................................................ 5 1.4 Leeswijzer............................................................................................................................... 6 2 Toelichting onderzoekskader........................................................................................................9 2.1 Wet natuurbescherming.........................................................................................................

9 2.1.1 Bescherming van gebieden..............................................................................................9 2.1.2 Bescherming van soorten.................................................................................................9 2.1.3 Bescherming van houtopstanden...................................................................................10 2.2 Omgevingsverordening NH2020..........................................................................................11 3 Omschrijving plangebied........................................................................................................... 13 3.1 Algemeen............................................................................................................................. 13 3.2 Beschrijving.......................................................................................................................... 13 3.3 Geplande ingrepen...............................................................................................................

15 3.3.1 Omschrijving werkzaamheden........................................................................................15 3.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode................................................................15 3.3.3 Methode uitvoering: materieel en werkwijze...................................................................15 3.3.4 (ontwerp-)tekening..........................................................................................................15 4 Onderzoeksresultaten beschermde gebieden...........................................................................17 4.1 Wet natuurbescherming.......................................................................................................17 4.1.1 Natura 2000....................................................................................................................

17 4.2 Omgevingsverordening NH2020..........................................................................................18 4.2.1 Natuurnetwerk Nederland...............................................................................................18 5 Beschermde houtopstanden......................................................................................................19 6 Onderzoeksresultaten beschermde soorten..............................................................................21 6.1 Soorten Vogelrichtlijn............................................................................................................

21 6.1.1 Bronnenonderzoek..........................................................................................................21 6.1.2 Verkennend veldonderzoek............................................................................................21 6.1.3 Effectbeoordeling en toetsing.........................................................................................23 6.2 Soorten Habitatrichtlijn..........................................................................................................25 6.2.1 Bronnenonderzoek..........................................................................................................25 6.2.2 Verkennend veldonderzoek............................................................................................25 6.2.3 Effectbeoordeling en toetsing.........................................................................................26 6.3 Nationaal beschermde soorten............................................................................................28 6.3.1 Bronnenonderzoek..........................................................................................................28 6.3.2 Verkennend veldonderzoek............................................................................................28 6.3.3 Effectbeoordeling en

toetsing.........................................................................................30 7 Conclusies en aanbevelingen....................................................................................................31 7.1 Algemeen............................................................................................................................. 31 7.2 Beschermde gebieden.........................................................................................................31 7.2.1 Wet natuurbescherming..................................................................................................31 7.2.2 Omgevingsverordening NH2020....................................................................................31 7.3 Beschermde houtopstanden................................................................................................31 7.4 Beschermde soorten............................................................................................................

32 7.4.1 Soorten Vogelrichtlijn......................................................................................................32 7.4.2 Soorten Habitatrichtlijn....................................................................................................32 7.4.3 Nationaal beschermde soorten.......................................................................................33 7.5 Aanbevelingen...................................................................................................................... 33 8 Geraadpleegde bronnen............................................................................................................ 35 8.1 Literatuur.............................................................................................................................. 35 8.2 Internet................................................................................................................................. 35 Bijlage 1 Foto-impressie plangebied.............................................................................................37

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Grote Zomerdijk 43, Wognum. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen sanering van het kassencomplex en bijbehorende woning en de bouw van drie vrijstaande woningen (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2

Doel

Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen). In het kader van de Omgevingsverordening NH2020.

1.3

Onderzoeksmethodiek

De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. • Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 05-11-2020 door B. Verhoeven, 5

•

•

ecologisch deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is – daar waar nodig met hulp van een verrekijker en een zaklamp– onderzocht. Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van 5 kilometer tot het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 6 zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Afbeelding 1). Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie en gemeente ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd aan actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

Afbeelding 1: Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode cirkel geeft het plangebied weer. Bron: NDFF.

1.4

Leeswijzer

In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en 1

6

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar https://mijn.rvo.nl/ecologischdeskundige?inheritRedirect=true

beschermde soorten en houtopstanden beschreven en beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samen gevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk nader onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek.

7

2

Toelichting onderzoekskader

2.1

Wet natuurbescherming

De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en regelt de soortbescherming. De provincies zijn voor de Wet Natuurbescherming het bevoegd gezag en regelt tevens de vergunning en ontheffingen. De bescherming van de Wet Natuurbescherming is grofweg op te delen in 3 categorieën.

2.1.1

Bescherming van gebieden

De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op de Natura 2000gebieden. De verschillende Natura 2000 gebieden zijn deels aangewezen voor specifieke Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en/of habitattypen. Invloeden (ook van buiten het Natura 2000 gebied) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Daarnaast mag het oppervlakte van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast.

2.1.2

Bescherming van soorten

De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Voor de soorten binnen dit beschermingsregime geldt een onderzoeksplicht, en bij negatieve effecten een ontheffingsplicht. De provincies kunnen aangeven of zij soorten uit deze lijst willen vrijstellen van ontheffingsplicht. Naar deze soorten is nader onderzoek of een ontheffing niet nodig, wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen2. 2

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

9

Be sc he rm ingsre gim e soort e n V oge lric ht lijn § 3 .1 Wnb Art 3.1lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Be sc he rm ingsre gim e Be sc he rm ingsre gim e soort e n H a bit a t ric ht lijn § N a t iona a l be sc he rm de 3 .2 Wnb soort e n (a nde re soort e n) § 3 .3 Wnb Art 3.5 lid 1 Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten in hun Het is verboden soorten natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1lid 3 Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren te rapen Het is verboden eieren van en deze onder zich te hebben. dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 3.1lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb

2.1.3

Bescherming van houtopstanden

De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het onderdeel beschermde houtopstanden heeft geen betrekking op: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; 10

• houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: • wegbeplantingen; • beplantingen langs waterwegen, en • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: • ten minste eens per tien jaar worden geoogst; • bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.2

Omgevingsverordening NH2020

In de provinciale Omgevingsverordening NH20203 is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd in de provincie Noord-Holland. Onderdeel van de beschermd gebieden in de Omgevingsverordening NH2020 is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening NH2020 zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoud dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN. Elke provincie heeft zelf de regie over de invulling van deze kenmerken en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Noord-Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen.

3

https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Projecten/Omgevingswet/ Omgevingsverordening

11

3

Omschrijving plangebied

3.1

Algemeen

Het plangebied voor deze quickscan omvat een kavel met daarop een kassencomplex en een bedrijfswoning aan de westzijde van Wognum, gemeente Medemblik, provincie NoordHolland. Het plangebied is gelegen in het buitengebied (Afbeelding 2).

Afbeelding 2: Ligging plangebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven (Bron: PDOK)

Beschrijving

3.2 •

• 4

Het plangebied bestaat uit een kavel met daarop een kassencomplex (ca. 9000 m2) en een vrijstaande bedrijfswoning. Daarnaast staan er op het terrein een watersilo, een waterbassin en een warmtebuffertank. De bedrijfswoning stamt uit 19204, het kassencomplex is gebouwd in 1990.

https://bagviewer.kadaster.nl/

13

•

•

De buitengevels van de bedrijfswoning zijn opgetrokken uit baksteen en hebben (vermoedelijk) geen luchtspouw, enkel de aanbouw heeft een luchtspouw welke toegankelijk is via open stootvoegen. Het heeft een zadeldak met een dakbedekking van dakpannen. Langs de voorgevel is een dakoverstek aanwezig die op enkele plekken wijkt van de gevel. Het kassencomplex heeft een metalen constructie met een glazen buitenschil zonder tussenruimtes. Tegen het kassencomplex staan enkele enkelwandige afdakjes/ aanbouwtjes.

Afbeelding 3: Overzicht plangebied vanaf de Grote Zomerdijk. Foto: B. Verhoeven | Ecoresult B.V •

• •

• 14

Hoog opgaand groen is aanwezig in de vorm van een aantal coniferen en sparren, in het waterbassin is wat wilgenopslag aanwezig. Verder staan rond de bedrijfswoningen een aantal (sier)heesters en enkele buxushagen. Het nietbebouwde deel van het perceel bestaat voornamelijk uit grassen (o.a. Engels raaigras) die een voedselrijke bodem indiceren. In het leegstaande waterbassin bestaat de begroeiing naast enkele wilgen voornamelijk uit riet. Langs de randen van het kassencomplex zijn voornamelijk ruigtekruiden aanwezig. verhardingen Op ruimere afstand zijn groen tuinen aanwezig. De oprit is verhard en op het terrein worden meerdere materialen opgeslagen. Open water (watergangen, poelen etc.) en vochtige tot natte terreinen met natuurvriendelijke oevers etc. zijn in het plangebied afwezig. Wel loopt er op de kavel een (afwaterings)sloot met vrij steile oevers. Langs de Zomerdijk is deze watergang ca. 5 meter breed, het overige deel is ca. 3,5 meter breed. Langs de Grote Zomerdijk is straatverlichting aanwezig.

•

Voor vleermuizen geschikte ondergrondse ruimten zijn niet aanwezig.

Zie Afbeelding 3 en Bijlage 1 voor een algehele foto-impressie van het plangebied.

Geplande ingrepen

3.3 3.3.1 • • •

3.3.2

Omschrijving werkzaamheden De planontwikkeling betreft een Ruimte voor Ruimte ontwikkeling. Agrarische bebouwing wordt vervangen door woningen. Het kassencomplex en de bijbehorende bedrijfswoning in het plangebied zullen worden gesaneerd. Daarnaast zal (een deel van) het groen worden gerooid. De herinrichting bestaat uit 2 nieuwe woonkavels voor vrijstaande woningen + de bestaande woonkavel. Alle 3 de kavels worden circa 1000 m2 groot (25 x40 meter). De woningen worden in het lint, met een verspringende rooilijn gesitueerd.

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode

Een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar. De planning is deels afhankelijk van de conclusies uit de vooronderzoeken.

3.3.3

Methode uitvoering: materieel en werkwijze

De exacte invulling is nog niet bekend.

3.3.4 •

• •

(ontwerp-)tekening De omgeving heeft een sterke agrarische en landelijke uitstraling. De nieuwe bebouwing heeft een eigentijdse duurzame architectuur, met de karakteristieken van landelijke bebouwing in het buitengebied. Materialen en kleuren zijn afgestemd op de omgeving/ omringende bebouwing. Zowel met beplanting als verhardingsmateriaal wordt aangesloten op het landelijke karakter. Zie Afbeelding 4 voor een situatieschets van de nieuwe situatie (de bestaande woning zal ook worden gesloopt). Bron: Studio Groenburg.

15

Afbeelding 4: Schets van de nieuwe situatie. Bron: Studio Groenburg.

16

4

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

4.1

Wet natuurbescherming

4.1.1

Natura 2000

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Het Markermeer en IJmeer op ruim 5,6 km ten zuidoosten van het plangebied (zie Afbeelding 6) en heeft stikstofgevoelige habitats. Invloeden (ook van buitenaf) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen. Negatief effect (door geluid, trilling, emissies of verlichting) op bovengenoemde gebieden valt uit te sluiten op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de activiteiten (sanering kassencomplex en de bouw van twee vrijstaande woningen) die hier zullen plaatsvinden.

Afbeelding 5: Plangebied (rood omlijnd) en het meest nabijgelegen Natura 2000gebied (blauw). Bron: AERIUS 17

4.2

Omgevingsverordening NH2020

4.2.1

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie Afbeelding 6. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft een graslandperceel bij Noordermeer. Dit perceel ligt op ca. 860 meter ten zuidwesten van het plangebied5. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemde gebieden. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening NH2020 Noord-Holland wordt niet overtreden.

Afbeelding 6: Natuurnetwerk Nederland rondom het plangebied. Bron: https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp

5

18

https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp

5

Beschermde houtopstanden

Het plangebied bevindt zich niet binnen de bebouwde kom van Wognum, echter worden er geen bomen gekapt. In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden.

Afbeelding 7: Het plangebied niet niet in de bebouwde kom gelegen. Kaartbron: PDOK

19

6

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

6.1

Soorten Vogelrichtlijn

6.1.1

Bronnenonderzoek

6.1.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Steenuil Gierzwaluw Huismus Roek Grote gele kwikstaart Boomvalk Buizerd Havik Ransuil Sperwer

Be sc he rm ingsCa t e gorie Soort groe p 1 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 2 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 2 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 2 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 3 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats 4 Vogels met een vaste rust- of verblijfplaats

Tabel 2: Vogels met jaarrond beschermde nesten tot een afstand van 5 km tot het plangebied. Bron: NDFF – 05/11/2020

6.1.2

Verkennend veldonderzoek

6.1.2.1

Jaarrond beschermde nesten

Alleen het woonhuis geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Ruimten on der het pannendak zijn geschikt als nestplaats voor huismuis en er werden tijdens het veldbezoek ook meerdere (oude) nesten aangetroffen, zie Afbeelding 8. Voor gierzwaluw ontbreken geschikt vrije invliegopeningen en daarmee is het woonhuis voor deze soort ongeschikt. Het kassencomplex is ongeschikt voor alle soorten met jaarrond beschermde nesten. De buitenschil is volledig van glas zonder tussenruimtes waar vogels tot broeden kunnen komen. Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het volledige plangebied geen geschikte 21

broedplaatsen (geen steenuil- en kerkuilnestkasten aanwezig), ook worden enkele overkappingen als roestplaats. Er werden tijdens het veldbezoek geen sporen (braakballen, mestsporen) aangetroffen. Voor ooievaar ontbreken geschikte nestpalen of andere nestmogelijkheden. Voor slechtvalk is het plangebied ongeschikt. De bebouwing is voor deze soort te laag en er bevinden zich in het plangebied geen nestkasten gericht op deze soort.

Afbeelding 8: Onder het pannendak werder meerde (oude) nesten aangetroffen. Foto: B. Verhoeven | Ecoresult B.V. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn enkele sparren en coniferen aanwezig. Hierin werden geen (grote) boomnesten aangetroffen en kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen uitgesloten worden. Tevens werden tijdens het veldbezoek geen braakballen of mestsporen aangetroffen wat kan duiden op een roestplaats van ransuil. Op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als ransuil, boomvalk, buizerd, havik, sperwer en roek worden uitgesloten. Essentieel functioneel leefgebied voor huismus is aanwezig binnen het plangebied in de vorm van struwelen en heesters. Voor roofvogels (met name buizerd) en uilen is het perceel geschikt als foerageergebied.

6.1.2.2

Niet jaarrond beschermde nesten

Het woonhuis is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten (zogenaamde categorie 5-soorten). Geschikte nestruimten voor spreeuw zijn aanwezig onder het pannendak. Het kassencomplex is ongeschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten. De buitenschil is volledig van glas zonder tussenruimtes waar vogels tot broeden kunnen komen. Nestkasten geschikt voor soorten als koolmees en pimpelmees ontbreken aan de bebouwing. Wel zouden soorten als ekster en zwarte kraai in het groen in het plangebied tot broeden kunnen komen. 22

6.1.2.3

Algemene broedvogels

Het groen in het plangebied (en direct grenzend aan het kassencomplex) is geschikt als voortplantingsplaats voor andere algemene broedvogels als Houtduif (oud nest aangetroffen) merel, zanglijster en heggenmus.

6.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

6.1.3.1

Jaarrond beschermde nesten

Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing zijn in het plangebied aanwezig. Huismus zou in het woonhuis tot broeden kunnen komen. Door de voorgenomen sloop van het woonhuis en kap van de beplanting kunnen permanente schadelijke effecten optreden op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus. Verbodsbepalingen Art. 3.1 lid 2 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Aanvullend veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of: • Of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei (2 veldonderzoeken) of 4 bezoeken tussen 20 maart en 20 juni. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen6 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen.

Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). • Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). • Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

6

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf

23

6.1.3.2

Niet jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met nietjaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. • Schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord.

Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

6.1.3.3

Algemene vogels

Het groen in het plangebied (en direct grenzend aan het kassencomplex) is geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch deskundige.

24

6.2

Soorten Habitatrichtlijn

6.2.1

Bronnenonderzoek

6.2.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Baardvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis Tweekleurige vleermuis Rugstreeppad

Soort groe p Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën

Tabel 3: Habitatrichtlijnsoorten tot een afstand van 5 km tot het plangebied. Bron: NDFF – 05/11/2020

6.2.2

Verkennend veldonderzoek

6.2.2.1

Vleermuizen

Alleen het woonhuis binnen het plangebied biedt potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Het gaat echter om slechts enkele kleine openingen met tussen de gevel en het dakoverstek en enkele open stootvoegen in de aanbouw. De verwachte soorten zijn gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis Het plangebied kan voor deze soorten derhalve een functie hebben als zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen. Voor grotere soorten als laatvlieger en meervleermuis zijn de spaarzame invliegopeningen te klein. Het kassencomplex bestaat uit een metalen constructie met een buitenschil volledig bestaand uit glas en is daarmee ongeschikt voor vleermuizen. De bomen grenzend aan het plangebied ongeschikt voor boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. De bomen hebben geen vrije stam met holten of scheuren welke door deze soorten gebruikt kunnen worden als vaste rust- of verblijfplaats. Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied bestaande uit foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast is diffuus gebruik als vliegroute niet uit te 25

Essentieel foerageergebied Essentielevliegroute

Massawinter-verblijfplaats

Winterverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Soort

Zomerverblijfplaats

sluiten als maakt het plangebied geen deel uit van een lijnvormig element in het landschap. Van essentieel functioneel leefgebied is geen sprake, in de omgeving van het plangebied zijn alternatieve mogelijkheden van een vergelijkbare kwaliteit aanwezig.

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis

Tabel 4: Soorten welke verwacht worden en bijbehorende verblijfplaatsen en functioneel leefgebied..

6.2.2.2

Amfibieën en reptielen

Het plangebied is ongeschikt voor voortplantingsplaatsen van rugstreeppad. Geschikte poelen, plassen of watergangen ontbreken in het plangebied. De omliggende watergang heeft geen flauwe natuurlijke oevers, is vrij breed en diep en daarmee ongeschikt. Als terrestrisch habitat is het plangebied eveneens ongeschikt. Hoewel er wel wat overhoekjes aanwezig zijn kent het terrein kent geen droge, zandige, vergraafbare bodems die geschikt zijn voor rugstreeppad.

6.2.2.3

Overige Habitatrichtlijn soorten

Overige soorten worden naast het ontbreken van geschikt habitat ook op basis van landelijke verspreiding niet verwacht.

6.2.3

Effectbeoordeling en toetsing

Aanwezigheid van vleermuizen in het woonhuis (gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis) binnen het plangebied is niet uit te sluiten. De werkzaamheden (sloop van de woning) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn in de spouwmuur en in ruimtes tussen dakoverstek en gevel: Nader onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot 15 juli middels 2 bezoeken en tussen 15 augustus en 15 september middels 2 bezoeken om te bepalen of: • voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone 26

dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis aanwezig zijn binnen en grenzend aan het plangebied. Hierbij dient niet alleen het plangebied te worden beoordeeld. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen7 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Per vleermuissoort en per functie functie kunnen andere gewenningsperioden gelden. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • • •

Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

Aanwezigheid van verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van overige habitatrichtlijnsoorten zijn in het plangebied uit te sluiten, geschikt habitat ontbreekt. Aanvullend (veld)onderzoek t.a.v. deze soorten is niet nodig. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig.

7

Vleermuisprotocol 2020

27

6.3

Nationaal beschermde soorten

6.3.1

Bronnenonderzoek

6.3.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Bosmuis Dwergmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Veldmuis Vos Wezel Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Grote vos

Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Dagvlinders

Provinciale vrijstelling Noord-Holland Ja Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee

Tabel 5: beschermde soorten tot een afstand van 5 km tot het plangebied. Bron: NDFF – 05/11/2020

6.3.2

Verkennend veldonderzoek

6.3.2.1

Vaatplanten

Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast zijn geen oude (kalk-)muren – geschikt voor muurbloem of andere muurvegetatie – aanwezig in het plangebied. Door de ligging van het plangebied zonder ecologisch beheerde terreinen, met sterk gecultiveerde vegetatie zijn geschikte groeiplaatsen voor beschermde soorten uit te sluiten. Deze worden tevens niet verwacht op basis van landelijke verspreiding.

6.3.2.2

Zoogdieren

Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen en voor (essentieel) functioneel leefgebied voor wezel, hermelijn en 28

bunzing. Geschikt habitat is onder andere aanwezig in de vorm van een aantal overhoekjes, bosschages en opslag van materialen, zie Afbeelding 9. Op het terrein werden tijdens het verkennend veldonderzoek sporen van woelmuizen – vermoedelijk veldmuizen – aangetroffen, stapelvoedsel voor kleine marters. Het plangebied is daarnaast potentieel geschikt voor algemene soorten waarvoor in NoordHolland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de haas, egel en verschillende soorten (spits-) muizen.

Afbeelding 9: Op het terrein zijn meerdere overhoekjes en ruigtes aanwezig, potentieel geschikt voor kleine marterachtigen. Foto: B. Verhoeven | Ecoresult B.V. 6.3.2.3

Amfibieën

Het plangebied is potentieel geschikt als voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Noord-Holland een vrijstelling geldt, De omliggende watergang is geschikt als voortplantingswater voor soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander, Het terrein is geschikt als terrestrisch habitat. Niet-vrijgestelde amfibieën worden op basis van landelijke verspreiding niet verwacht.

6.3.2.4

Overige soorten

Waarnemingen van grote vos in Nederland betreffen voornamelijk zwervende dieren, daarnaast ontbreken waardbomen (met name iep) van de soort in het plangebied. Overige soort(groep)en worden naast het ontbreken van geschikt habitat ook op basis van landelijke verspreiding niet verwacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=43a33217-c086-4f26-8527-f9d20f2f84eb