CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

02 DOC-20-311589 - Bijlage: Toelichting Verordening fysieke leefomgeving 1ste tranche

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche (pfh. F. Streng/A. van Langen)13.551 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TOELICHTING Verordening Fysieke Leefomgeving Medemblik 1ste tranche Algemene toelichting Omgevingswet Op 17 december 2020 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, mevrouw drs. K.H. Ollongren, het ontwerpbesluit tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet naar de Eerste – en Tweede Kamer der Staten-Generaal gestuurd. In het ontwerpbesluit is de inwerkingtreding van de Omgevingswet bepaald op 1 januari 2022. Dit betekent dat op 1 januari 2022 de gemeente Medemblik een tijdelijk omgevingsplan heeft, bestaande uit Bruidsschat (regels die van het rijk overkomen) en de opgeschoonde ruimtelijke plannen. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in tranches gebundeld in het Omgevingsplan. Op dit moment staan deze regels nog verspreid in de diverse verordeningen, beleidsregels en nadere regels. Door de regelgeving te bundelen wordt het voor inwoners, ondernemers en organisaties overzichtelijker en zijn regels makkelijker te vinden.

Om overzicht te houden in de immense hoeveelheid regels is het wenselijk deze in tranches op te nemen in een verordening. Inhoud verordening Deze verordening bevat beleid, dat al is vastgesteld door de gemeenteraad. Verder hebben er updates, redactionele en technische wijzigingen plaatsgevonden. 1ste tranche In deze eerste tranche van de Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: VFL) worden de regels uit 8 verordeningen gebundeld. Hiervan gaan 6 verordeningen volledig op in de VFL en worden daarom ingetrokken. Dit betreffen:      

Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2014; Erfgoedverordening Medemblik 2012; Bouwverordening gemeente Medemblik 2011; Marktverordening gemeente Medemblik 2012; Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014 en Brandbeveiligingsverordening Medemblik.

Twee verordeningen gaan deels op in VFL. Dit betreffen:  

Algemene plaatselijke verordening Medemblik; Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Medemblik.

1

Afwegingskader De meeste gemeentelijke verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving komen niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De gemeente bepaalt zelf welke van die regels zij wil voortzetten onder de Omgevingswet. Het afwegingskader van welke verordeningen opgenomen moeten, mogen of niet mogen worden opgenomen in het (definitieve) omgevingsplan is als volgt: •

Onderwerpen over de fysieke leefomgeving die plaatsgebonden activiteiten betreffen, moeten in het omgevingsplan worden opgenomen.

•

Regels over onderwerpen die de fysieke leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief hebben, kunnen in het omgevingsplan worden opgenomen, maar dat is niet verplicht en waar dit inbreuk zou maken op de taken en bevoegdheden van de burgemeester is dat zelfs niet toegestaan. Andere regels over de fysieke leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben of regels met een persoonsgebonden karakter worden evenmin verplicht geregeld in het omgevingsplan.

•

Onderwerpen die niet de fysieke leefomgeving als motief hebben of onderwerpen waarbij de regelgevende bevoegdheid exclusief aan een ander bestuursorgaan toekomt dan het gemeentebestuur, zoals de noodverordeningbevoegdheid van de burgemeester, mogen niet in het omgevingsplan worden opgenomen.

Deze driedeling ziet er in een schema als volgt uit:

Regels omgevingsplan Regels m.b.t. de fysieke leefomgeving en plaatsgebonden activiteiten betreffen

Moet in het omgevingsplan

Regels m.b.t. de fysieke leefomgeving die ook een ander motief hebben

Mag in het omgevingsplan

Regels m.b.t. de fysieke leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben

Mag in het omgevingsplan

Regels m.b.t. fysieke leefomgeving die een persoonsgebonden karakter hebben

Mag in het omgevingsplan

Regels die geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving

Mag niet in het omgevingsplan

Regels waarbij de burgemeester de exclusieve bevoegdheid toekomt

Mag niet in het omgevingsplan

Verordening fysieke leefomgeving Tot de vaststelling van het definitieve omgevingsplan van de gemeente Medemblik zullen de gemeentelijke regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen worden in de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik.

2

De onderstaande verordeningen zullen in de 1ste tranche van de Verordening fysieke leefomgeving gedeeltelijk danwel in z’n geheel worden opgenomen. Verordeningen: Verordening

Uitleg

Algemene plaatselijke verordening

De verordening heeft gedeeltelijk betrekking op de fysieke leefomgeving. Ook heeft het gedeeltelijk als motief de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Het andere gedeelte heeft betrekking op de openbare orde en heeft dit ook als motief. Over dit gedeelte heeft de burgemeester het bevoegde gezag. Dit gedeelte mag dus niet opgenomen worden. Het andere gedeelte mag wel opgenomen worden in het omgevingsplan.

Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen

De verordening heeft gedeeltelijk betrekking op de fysieke leefomgeving. Ook heeft het gedeeltelijk als motief de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Bouwverordening

Heeft betrekking op bouwen en dus op de fysieke leefomgeving. Het bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Algemene verordening ondergrondse infrastructuur

Heeft betrekking op werkzaamheden in en op openbare gronden. Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Brandbeveiligingsverordening

Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Erfgoedverordening

Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving

Marktverordening

Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Verordening geurhinder en veehouderij

Dit heeft betrekking op de fysieke leefomgeving, bindt burgers en het hoofdmotief is de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

3

Juridische regels worden toepasbaar gemaakt In 2de tranche van de Verordening fysieke leefomgeving worden deze juridische regels vereenvoudigd en toepasbaar gemaakt om de vragenbomen in de DSO te vullen. Het toepasbaar maken van juridische regels zijn begrijpelijke vertalingen van juridische regels voor zowel de gebruiker als voor de software. Het toepasbaar maken van juridische regels lijkt op het spel Wie is het? Daarbij komt men aan de hand van een aantal vragen – Moet ik een vergunning aanvragen als ik een boom ga kappen? Welke informatie moet ik aanleveren als ik een vergunning wil vragen? Welke maatregelen moet ik treffen?_ aan de juiste relevante informatie van de initiatiefnemer om een vergunningscheck te doen, het juiste aanvraagformulier af te geven en de te nemen maatregelen te benoemen. Dereguleringsslag In de tweede tranche en volgende van de VFL worden, zoals hierboven al is vermeld, de regels zoveel mogelijk vereenvoudigd en toepasbaar gemaakt voor de vragenbomen in het DSO. Van de VNG verschijnen er tot eind 2023 modelverordeningen die zijn opgenomen in de VFL en waarvan de regels vereenvoudigd en toepaspaar zijn gemaakt en die de huidige juridische regels in de VFL gaan vervangen.

Vanaf de tweede tranche van de verordening kan er een dereguleringsslag worden gemaakt door regels te schrappen en te laten vallen onder de algemene zorgplicht of onder de specifieke zorgplichten in de Verordening fysieke leefomgeving. Door dit in de 1ste tranche niet te doen blijft de Verordening fysieke leefomgeving herkenbaar, leesbaar en behapbaar. Wat nemen we niet mee De Afvalstoffenverordening Medemblik 2020 is een verordening met een zeer specifiek onderwerp, die zowel regels over de fysieke leefomgeving bevat, als andere regels (financiële regels en regels omtrent het aanwijzen van de vuilophaaldienst). Het is niet wenselijk deze regels uit elkaar te halen. Dat betekent ook dat deze regels niet meegenomen worden in het definitieve Omgevingsplan en dat de Afvalstoffenverordening naast het Omgevingsplan blijft bestaan. De verkeerswetgeving valt niet onder de Omgevingswet, daarom zijn de Parkeerverordening Medemblik en de Wegsleepverordening Medemblik niet opgenomen in de VFL. De meeste verordeningen en afzonderlijke regels zijn nog goed herkenbaar in de Verordening fysieke leefomgeving. Een belangrijke uitzondering is de Bouwverordening. Als gevolg van wetswijzigingen de afgelopen jaren bevatte de Bouwverordening alleen nog regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond.

Deze regels lenen zich bij uitstek voor samenvoeging met de regels voor bodembescherming in een hoofdstuk met regels over de bodem. Om deze reden bevat de Verordening fysieke leefomgeving geen hoofdstuk over “Bouwen”. Structuur VFL De Structuur van de verordening (opbouw en inhoud) is zoveel mogelijk regionaal afgestemd met de omliggende West-Friese gemeenten, te weten: Hoorn, Koggenland, Opmeer, Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland. Er is ruimte gereserveerd voor regels uit andere verordeningen.

4

Aan het eind van de toelichting staat een transponeringstabel waarin is opgenomen waarop een artikel in deze verordening is gebaseerd. Toelichting per hoofdstuk Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Het eerste hoofdstuk bevat inleidende algemene bepalingen. De meeste verordeningen beginnen met een opsomming van begripsbepalingen. In de Verordening fysieke leefomgeving is er voor gekozen om in het eerste artikel te verwijzen naar een bijlage, waarin de begrippen zijn opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de structuur van de Omgevingswet, waarin de begrippen ook in een bijlage zijn ondergebracht. De gebruikte begrippen zijn over het algemeen niet gewijzigd ten opzichte van eerdere verordeningen. Het aantal dubbele of overlappende begripsbepalingen is beperkt. Hoofdstuk 2

Regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Zorgplicht in de Omgevingswet Een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht maken deel uit van de Omgevingswet. Samen zorgen ze ervoor dat overheid, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat zowel overheden, bedrijven als burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet als er geen specifieke decentrale regels of rijksregels van toepassing zijn. Als deze specifieke decentrale- en rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Algemeen verbod Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Bijvoorbeeld een milieuverontreiniging die aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water veroorzaakt. Het gaat niet om het verrichten of nalaten van activiteiten met beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In het Omgevingsbesluit (artikel 1.3) staat wanneer sprake is van een aanzienlijk gevolg.

En op welke gevallen het verbod van toepassing is. Dit verbod is ook een vangnet. Voor het geval er geen specifieke decentrale regels of rijksregels van toepassing zijn. Als deze specifieke decentrale- of rijksregels er wel zijn, geldt het algemeen verbod niet meer. Bijvoorbeeld als een specifieke zorgplicht of andere algemene regel of een vergunningvoorschrift van toepassing is. Specifieke zorgplicht Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter.

5

Een specifieke zorgplicht is toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Zowel in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan specifieke zorgplichten. Deze specifieke zorgplichten maken duidelijk wat er wel en niet moet gebeuren. Bijvoorbeeld dat degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, de beste beschikbare technieken (BBT) gebruikt. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels. Deze regels gelden direct voor burgers en bedrijven. Naast het Rijk kunnen andere overheden specifieke zorgplichten opnemen in hun verordeningen of omgevingsplannen. Specifieke zorgplichten per activiteit In het Bal1 en het Bbl2 staan specifieke zorgplichten voor activiteiten, waaronder:           

Milieubelastende en lozingsactiviteiten. Beperkingengebiedactiviteit in een waterstaatswerk. Ontgrondingsactiviteit. Stortingsactiviteit op zee. Wateronttrekkingsactiviteit. Beperkingengebied installatie waterstaatswerk op zee. Gebruik en onderhoud van bouwwerkinstallaties. Brandveilig gebruik van bouwwerken. Uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Rijksmonumentenactiviteit. Activiteit werelderfgoed.

De strekking van de specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten is een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk (artikel 6.6 Bal) is gelijk die voor milieubelastende activiteiten. Verschil algemene zorgplicht, specifieke zorgplicht en specifieke regels Er is geen algemene zorgplicht als er een specifieke zorgplicht of gedetailleerde specifieke regels gelden. Dat is een belangrijk verschil met specifieke zorgplichten, die ook gelden als gedetailleerde specifieke regels. Dat kunnen zowel algemene regels als vergunningvoorschriften zijn. Als voorbeeld het Bal van toepassing is, gelden specifieke zorgplichten van het Bal én andere algemene regels. Toegespitst en inzichtelijk Eerdere wetgeving bevatte veel vanzelfsprekende maatregelen die helemaal waren uitgeschreven. Als een bedrijf bijvoorbeeld een filter moest hebben, stond er dat het bedrijf dat filter ook moest onderhouden. En als lekbak voor olie verplicht was, moest het bedrijf de lekbak regelmatig legen. Dit soort maatregelen horen bij “good housekeeping”. Het ligt voor de hand, dat de wet dit niet precies hoeft uit te spellen. Onder de Omgevingswet vallen al dit soort gevallen onder de specifieke zorgplichten van het Bal. Zowel de algemene rijksregels als de voorschriften in de vergunning zijn toegespitst op de essentie.

De regels zijn inzichtelijk, zonder overbodige details, maar ze doen wel een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijf.

1 Besluit activiteiten leefomgeving

2 Besluit bouwwerken leefomgeving

6

Onvoorziene situaties De specifieke zorgplicht is er ook omdat er altijd onvoorziene situaties kunnen ontstaan. Ontwikkelingen waarmee de wetgever vooraf geen rekening kon houden. Zo kan na nieuw onderzoek blijken dat bepaalde stoffen schadelijker zijn dan eerder bekend was. Of kan er een nieuwe techniek ontstaan om nadelige effecten tegen te gaan. Burgers en bedrijfseigenaren moeten blijven nadenken over de gevolgen van hun activiteiten. Met name als situaties of omstandigheden veranderen. Zij zijn verplicht goed op nieuwe ontwikkelingen in te spelen. De specifieke zorgplicht biedt dus ook in toekomstige situaties bescherming van de leefomgeving. Maatwerkvoorschrift als mogelijkheid Bedrijven hebben wel keuze in de manier waarop ze de specifieke zorgplicht invullen. Een eigenaar van een wasstraat moet bijvoorbeeld voorkomen dat de nevel verspreid raakt in de omgeving. Dat mag op verschillende manieren, zolang het maar gebeurt. Vaak is duidelijk wat onder de specifieke zorgplicht het doel is. Maar soms is niet duidelijk wat precies de bedoeling is. Dan ligt het voor de hand en geheel in de sfeer van de Omgevingswet, dat de ondernemer en het bevoegd gezag samen overleggen. Zo kan het bevoegd gezag tot een maatwerkvoorschrift komen. Dit biedt duidelijkheid voor beide partijen.

Ook decentrale overheden Niet het Rijk, maar gemeenten, waterschappen en provincies stellen de meeste regels voor activiteiten op. Ook deze decentrale overheden kunnen in hun regels specifieke zorgplichten opnemen. Dat kon al onder eerdere wetgeving en kan onder de Omgevingswet nog steeds. Zo kan ook een omgevingsplan, omgevingsverordening, waterschapsverordening of decentrale vergunning beperkt blijven tot de essentie en is er tegelijk de waarborg dat het milieu beschermd blijft. Ook bij nieuwe, onvoorziene situaties. De zorgplicht zorgt (er) voor:   

dat mensen bewust worden gemaakt van de eigen verantwoordelijk die zij hebben bij hun handelen in de fysieke leefomgeving. een leidraad voor gedrag, wanneer er geen concrete bepalingen aanwezig zijn en/of toereikend blijken. een maatstaf voor de beoordeling van gedrag en bieden een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnet).

De verwachting is dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Tot slot laat de zorgplicht onverlet, dat de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid alsmede de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon, met gebruikmaking van het privaatrecht, de naleving van rechtsregels te bevorderen. Hoofdstuk 3 (Gereserveerd) Hoofdstuk 3 is gereserveerd voor regelgeving, die in de volgende tranches van de Verordening fysieke leefomgeving worden geïmplementeerd.

7

Hoofdstuk 4

Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- en dorpsgezicht

De model Erfgoedverordening van de VNG is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Hierbij zijn de bepalingen herschikt en logisch geordend. Dit hoofdstuk geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. De bevoegdheid omvat ook het aanpassen en intrekken van deze aanwijzingen. In de formulering van deze bevoegdheden is de zinsnede "al dan niet op aanvraag van een belanghebbende" geschrapt. Hier is geen inhoudelijk wijziging mee beoogd; de tekst is geschrapt omdat deze overbodig is. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt al dat een belanghebbende (inclusief rechtspersonen die bepaalde algemene belangen behartigen) een verzoek kan indienen om een besluit te nemen. Het is niet nodig dit apart in een verordening te vermelden. In dit hoofdstuk zijn ook de procedures geregeld die van toepassing zijn op de aanwijzingsbevoegdheden. De Erfgoedverordening bevatte hier nog veel termijnen voor advisering. Het is echter wenselijk om het regelen van termijnen in de verordening te beperken tot beslistermijnen en andere belangrijke termijnen. Termijnen voor advisering kunnen geregeld worden in werkafspraken en hoeven geen plaats te hebben in de Verordening fysieke leefomgeving.

Bovendien zijn al veel van deze termijnen voor advisering opgenomen in de verordening die de betreffende adviescommissies regelt. Vervolgens worden in dit hoofdstuk de regels voor het omgaan met gemeentelijke (archeologische) monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten geregeld. Het verbod op het vernielen en beschadigen van gemeentelijke monumenten is uitgebreid met een verbod op het onthouden van het onderhoud dat voor de instandhouding van het monument nodig is. Dit is een absoluut verbod; het is niet mogelijk om hier een vergunning of ontheffing voor te verlenen. Voor wijzigen van gemeentelijke monumenten geldt wel een vergunningstelsel. De regels hiervan zijn aangepast aan de meest recente modelverordening van de VNG. Concreet betekent dit dat een uitzondering voor vergunningplicht is ingevoerd in gevallen waarin het gewoon onderhoud betreft of activiteiten die het monument niet wijzigen. Tot slot regelt dit hoofdstuk specifiek de instandhouding van gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische terreinen. De regels over dit onderwerp zijn afgeslankt ten opzichte van de Erfgoedverordening, onder andere door het schrappen van zich niet meer voordoende uitzonderingen. Hoofdstuk 5

Regels voor activiteiten

In hoofdstuk 5 zijn de regels voor bodembescherming en de regels uit de Bouwverordening over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, samengevoegd onder de titel “Regels voor activiteiten”. Verder is de beleidsnotitie “Bodemtoets bij aanvraag Omgevingsvergunning bouwen” van de voormalige Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord van belang. 8

Deze regels zijn ongewijzigd overgenomen, met uitzondering van een verduidelijking van de term 'recent onderzoek'. In de begripsbepalingen in Bijlage 1 is opgenomen dat met 'recent' wordt bedoeld 'niet ouder dan vijf jaar'. Deze wijziging is aangebracht omdat er in de praktijk regelmatig discussie is over de vraag of een onderzoek nog voldoende recent is. Aanvullend geldt nog de eis dat een onderzoek actueel is. Het moet derhalve een goed beeld van de bodemgesteldheid geven. De regels omtrent ondergrondse infrastructuur zijn tot op heden neergelegd in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2014. Een uitzondering op de integratie is het volgende. De Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2014 bevat de mogelijkheid voor de burgemeester om spoedwerkzaamheden te verbieden in verband met de openbare orde (zie ook artikel 5.6, derde lid, van de Telecommunicatiewet). Deze bevoegdheid is in strijd met de uitgangspunten van de Verordening fysieke leefomgeving. Deze laatste bevat immers geen burgemeestersbevoegdheden en heeft geen betrekking op openbare orde en veiligheid. In de VFL is een geüpdatete versie van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur geïmplementeerd. Hoofdstuk 6

Omgevingshinder

Waar de andere inhoudelijke hoofdstukken een bepaald onderwerp in positieve zin beogen te regelen, is Hoofdstuk 6 er juist op gericht onwenselijke effecten tegen te gaan. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn ongewijzigd overgenomen uit de Algemene plaatselijke verordening. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Hoofdstuk 7

Buitenruimte

In hoofdstuk 7 zijn deels de Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Medemblik 2015 opgenomen en de Marktverordening gemeente Medemblik 2012. Verder zijn de regels uit de Algemene plaatselijke verordening over wegen, water, houtopstanden, kamperen, crossen, de beperking van verkeer in de natuur, honden en bijen in de Verordening fysieke leefomgeving geïmplementeerd. Hoofdstuk 8

Overige bepalingen

Hoofdstuk 8 zal in de volgende tranches van de Verordening fysieke leefomgeving gebruikt worden om de overige nog niet met name te noemen bepalingen onder te brengen. Een gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Met andere woorden (juridische) regels die voor iedereen gelden. De belangrijkste en meest omvattende gemeentelijke verordening is de Algemene plaatselijke verordening. Daar komt nu de Verordening fysieke leefomgeving bij, maar doordat er artikelen uit de Algemene plaatselijke verordening en de Beheersverordening begraafplaatsen worden gehaald en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving en daarnaast 6 verordeningen in zijn geheel worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving, wordt deze verordening de meest omvattende verordening van de gemeente. Dit komt de leesbaarheid niet ten goede en daarom is er een uitgebreide toelichting toegevoegd ter verduidelijking van de vele artikelen die in de Verordening fysieke leefomgeving zijn opgenomen en nog worden opgenomen. 9

Hoofdstuk 9

Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 9 bevat regels over strafbaarheid, toezicht en handhaving. In artikel 9.1 worden straffen gesteld op overtreding van de regels van de verordening. In de Verordening fysieke leefomgeving is de strafbaarheid van overtreding van de regels ongewijzigd overgenomen uit de geïntegreerde verordeningen. Dit betekent dat op overtreding van de regels de hoogst mogelijke straf staat die in een gemeentelijke verordening kan worden opgenomen. Uitzonderingen zijn de inhoudelijke regels uit de Bouwverordening en de regels voor bodembescherming. Op overtreding van deze regels was geen straf gesteld. Dit blijft ongewijzigd. In de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2014 is slechts op overtreding van enkele bepalingen een straf gesteld, lager dan het maximaal toegestane. Dit lagere maximum is overgenomen in artikel 9.1, tweede lid van de Verordening fysieke leefomgeving. De Wet op de economische delicten stelt straf op grond van de artikelen 7.1, 7.3, 7.4 en 7.12 van de Verordening fysieke leefomgeving. Om dubbele strafbaarstelling te voorkomen is een regel toegevoegd die strafbaarstelling op grond van artikel 9.1, eerste lid, uitsluit, als de Wet op de economische delicten van toepassing is. In dit hoofdstuk worden verder het toezicht, binnentreden woningen, intrekken en vervallenverklaring oude verordening en de overgangs- en slotbepalingen geregeld.

Het laatste artikel regelt de citeertitel. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1

Algemene Bepalingen

Artikel 1.1

Begripsbepalingen

In dit artikel wordt verwezen naar bijlage l waar een aantal begrippen dat in de verordening wordt gebruikt, wordt gedefinieerd. De volgende begrippen vereisen een extra toelichting: Bouwwerk. Dit is de definitie uit de voormalige Bouwverordening. Deze definitie is gebaseerd op jurisprudentie. De bestuursrechter heeft uitgemaakt dat het begrip bouwwerk in de Woningwet én in de Wabo zo moet worden uitgelegd. Deze wetten kennen zelf geen definitie van het begrip bouwwerk. Fysieke leefomgeving. Het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk nieuw begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van de “fysieke leefomgeving” is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Inrichting. De Omgevingswet kent het begrip inrichting niet. In deze verordening werken wij vooralsnog met het begrip inrichting. Immers in de huidige wet- en regelgeving wordt hiermee gewerkt. De Verordening fysieke leefomgeving 2de tranche is gebaseerd op de nieuwe wet- en regelgeving en wordt het begrip inrichting niet meer gebruikt. 10

Openbare plaats. Plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties. Artikel 1.2

Toepassingsbereik

Dit artikel is nieuw. Deze eerste tranche van de VFL bevat (een deel van de) regels die voorheen waren opgenomen in de Bouwverordening Medemblik 2011, Erfgoedverordening Medemblik 2012, Brandbeveiligingsverordening Medemblik en een deel van de regels uit de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2020 (Apv) en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Medemblik 2015. Deze verordening wordt in tranches aangevuld met regels over andere onderwerpen, die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Dit ter voorbereiding op de Omgevingswet. Regels over de ruimtelijke ordening worden niet opgenomen in deze verordening, omdat deze verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening samen met de bestemmingsplannen opgenomen in het toekomstige omgevingsplan. Artikel 1.3

Doel van de verordening

Het eerste lid geeft het doel van deze verordening weer. Het tweede lid is gebaseerd op de (algemene) doelen uit de Omgevingswet en geeft zodoende het overkoepelende doel van de regels deze verordening aan. Artikel 1.4

(Beslis)termijn(en)

Deze termijn is genoemd in diverse verordeningen en staat eveneens in artikel 16.64 van de Omgevingswet. Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager wordt verzocht de aanvraag te complementeren binnen een bepaalde termijn. Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing wordt verklaard, nemen burgemeester en wethouders binnen 6 maanden een besluit. Artikel 1.5

Voorschriften

Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur. Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen. Artikel 1.6

Algemene weigeringsgronden

Naast deze algemene weigeringsgronden kennen de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden.

11

Artikel 1.7

Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 1:6 Apv, artikel 5.40 Omgevingswet en artikel 15 model Erfgoedverordening. Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kennen de onderliggende wet en deze verordening ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden. Zo geeft artikel 5.19 van de Wabo een vergelijkbare regeling voor het intrekken van omgevingsvergunningen. Bij de omgevingsvergunning wordt het besluit om te wijzigen of deels of geheel in te trekken van de vergunning of ontheffing op artikel 5.19 van de Wabo gebaseerd. Artikel 1.8

Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit

Dit artikel is gebaseerd op de Woningwet en de Erfgoedwet. De overige bepalingen over de samenstelling, taakstelling en werkwijze van de adviescommissie zijn vastgelegd in het door de raad op 19 april 2012 vastgestelde Reglement van Orde. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit ontleend aan de Omgevingswet. De Verordening op de gemeentelijke Adviescommissie voor de Ruimtelijke Kwaliteit Medemblik 2022 wordt tegelijkertijd met deze verordening aan de raad ter vaststelling aangeboden. De Verordening op de gemeentelijke Adviescommissie voor de Ruimtelijke Kwaliteit Medemblik 2022 treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. Artikel 1.9

Nadere regels en aanwijzingsbesluiten

Het college kan net als bij de Apv nadere regels vaststellen en aanwijzingsbesluiten nemen op basis van deze verordening. Hoofdstuk 2

Algemene regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel 2.2

Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving

Dit artikel komt voort uit de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. De algemene zorgplicht houdt in dat eenieder die activiteiten uitvoert in de fysieke leefomgeving, ongeacht de aard, omvang en duur van de activiteiten voldoende zorg in acht neemt voor de fysieke leefomgeving. Artikel 2.3

(Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats

Zie toelichting bij artikel 2.2 Artikel 2.4

(Specifieke) zorgplicht staat bestaande gebouwen

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting artikel 2.2) geeft dit artikel een specifieke leidraad voor handelingen ten aanzien van de staat van bebouwde bouwwerken. Artikel 2.5

(Specifieke) zorgplicht gebruik gebouwen

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het gebruik van bouwwerken. 12

Artikel 2.6

(Specifieke) zorgplicht bouw- en sloopwerkzaamheden

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Artikel 2.7

(Specifieke) zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het gebruik van open erven en terreinen. Artikel 2.8

(Specifieke) zorgplicht erfgoed (monumenten en archeologie)

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met erfgoed (monumenten en archeologie). Artikel 2.9

(Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met onroerend cultureel erfgoed. Artikel 2.10

(Specifieke) zorgplicht toestand van sloten en wateren

Dit artikel is gebaseerd op, en ter vervanging van het model artikel 4:9 Apv. In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met sloten en wateren. Artikel 2.11

(Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Dit artikel is eveneens gebaseerd op, en ter vervanging van het model artikel 4.9 Apv. In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifieke leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met sloten en wateren. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is het model artikel 4:9 Apv gesplitst in artikel 2.10 en 2.11. Artikel 2.12

(Specifieke) zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken. Denk bijvoorbeeld aan de zorgplicht van het veilig plaatsen van (innovatieve) technologische systemen met het oog op de zelfredzaamheid van inwoner. Artikel 2.13

(Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten

Dit artikel is gebaseerd op, en ter vervanging van artikel 4:21 Apv. In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met (de verspreiding van) moeilijk te bestrijden planten. Artikel 2.14

Meldplicht bij brand of broei

In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de meldplicht bij brand en broei. 13

Artikel 2.15

Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting

Dit artikel is gebaseerd op, en ter vervanging van artikel 2:21 Apv. In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor handelingen ten aanzien van de omgang met het gedogen van voorzieningen voor verkeer en verlichting. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 2.16

Algeheel verbod oplaten ballonen

Dit artikel is gebaseerd op, en ter vervanging van artikel 5:34b Apv. In aanvulling op artikel 2.2 (zie ook toelichting bij artikel 2.2) geeft het artikel een specifiekere leidraad voor gedrag ten aanzien van de omgang met ballonnen. Het is wenselijk om het oplaten van ballonnen te verbieden. Het ongecontroleerd oplaten van ballonnen kan na het neerkomen schade veroorzaken op de bodem en in het water aan het milieu. Ook kunnen neergekomen ballonnen door dieren worden aangezien als voedsel en ballonnen kunnen zodoende sterfte onder dieren veroorzaken. Ook leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, een risico voor schade en brand op. Om te voorkomen dat ook weerballonnen en heteluchtballonnen onder het verbod vallen is expliciet opgenomen dat het verbod alleen toeziet op ballonnen die zonder sturing wegdrijven. Artikel 2.17

Verbod plaatsen objecten onder hoogspanningslijn

Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:22 van de Apv. Voor de aanleg van een hoogspanningslijn wordt veelal in het bestemmingsplan een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen. Dit artikel is een vangnet voor het geval dat een bestemmingsplan ontbreekt. Het biedt een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Hoofdstuk 3

(Gereserveerd)

Hoofdstuk 4

Erfgoed (Monumenten en Archeologie)

Artikel 4.1

Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed

Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed. Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed (verzamelen, boeken e.d.) heeft geen betrekking op de fysieke leefomgeving. 14

Artikel 4.2

(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 5 en 6 van de model Erfgoedverordening van de VNG. Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument. Een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve concreet worden onderzocht. Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw).

Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Vierde lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

15

Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 4.3

Voorbescherming

Dit artikel is gebaseerd op artikel 7 van de model Erfgoedverordening. Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijke monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Artikel 4.4

Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Dit artikel is gebaseerd op artikel 9 van de model Erfgoedverordening. Met de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 4.5

Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister

Dit artikel is gebaseerd op artikel 10 van de model Erfgoedverordening. Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 4.6

Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel is gebaseerd op artikel 11 van de model Erfgoedverordening. Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 1.8 van de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing.

16

De bescherming van artikel 4.3 geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Artikel 4.7

Wijzigingen, intrekken en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk document

Dit artikel is gebaseerd op artikel 12 van de model Erfgoedverordening en spreekt verder voor zich. Artikel 4.8

Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

Dit artikel is gebaseerd op artikel 18 van de model Erfgoedverordening. Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Artikel 4.9

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van de model Erfgoedverordening. Het derde lid is gewijzigd. Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Hoofdstuk 5

Regels voor activiteiten

Afdeling 5.2 Deze afdeling bevat regels, die voorheen waren opgenomen in de Bouwverordening. Artikel 5.1

Op wie van toepassing

Deze afdeling is niet van toepassing op waterbodems, omdat waterbodems niet onder de Wet bodembescherming vallen, maar onder de Waterwet. De Waterwet is van toepassing op het beheer van de bodem en oevers van oppervlaktewaterlichamen (de waterbodem). De Wet bodembescherming is van toepassing op de overige bodem. 17

Bij de uitvoering op basis van de Waterwet is het Waterschap het bevoegd gezag. Artikel 5.2

Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.4.1 en 2.4.2 van de Bouwverordening. In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. In artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht is de verplichting opgenomen dat de aanvrager bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit een onderzoeksrapport verstrekt betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Wat verstaan moet worden onder "bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven" werd in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij "enige tijd" moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. Artikel 5.3

Onderzoek

Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2.1.5 van de Bouwverordening. Het artikel over het onderzoek heeft tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond.

18

Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. Artikel 5.4

Vangnet archeologie

Dit artikel is gebaseerd op artikel 23 van de model Erfgoedverordening. Deze bepaling is een vangnet voor die bestemmingsplannen waarin nog niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze oudere bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Artikel 5.5

Aanwijsbevoegdheid interferentiegebieden

Het risico dat thermische invloed gebieden elkaar overlappen neemt met de stijging van het plaatsen van bodemenergiestystemen in toenemende mate toe. Het is derhalve belangrijk dat de gemeente hierover de regie voert om de vraag naar en de beschikbaarheid van de ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen.

19

Afdeling 5.3

Ondergrondse infrastructuur

Artikel 5.6

Toepasselijkheid kabels en leidingen

Deze afdeling geeft invulling aan de wettelijke plicht van de gemeente om een verordening op te stellen voor werkzaamheden aan kabels en leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Het bepaalde in deze verordening geldt voor netbeheerders en hun eventuele rechtsopvolger(s). Eventuele bepalingen in deze afdeling, gelden niet voor deze kabels en leidingen indien en voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten. Vooralsnog is er geen vergelijkbare wettelijke regeling voor andere kabels en leidingen, zoals elektriciteitskabels en waterleidingen. Regels en afspraken met betrekking tot deze netbeheerders werden steeds opgenomen in de Apv en/of privaatrechtelijke overeenkomsten. Met deze afdeling wordt voorzien in, zoveel mogelijk uniforme, regelgeving voor alle netbeheerders die binnen de gemeente werken. Artikel 5.7

Nadere regels

Burgemeester en wethouders kunnen in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van deze afdeling vaststellen. Denk hierbij aan een Nadeelcompensatieregeling, een Schaderegeling ingravingen, tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten en een Handboek kabels en leidingen. Artikel 5.8

Instemmingsvereisten

Uitgangspunt is dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij men beschikt over een instemmingsbesluit. De in de Telecommunicatiewet neergelegde verplichting dat instemming van burgemeester en wethouders is vereist, is opgenomen in deze afdeling en is van toepassing op de werkzaamheden van alle netbeheerders. Daarmee wordt ook voorzien in de toestemming of vergunning die andere kabel- en leidingeigenaren voorheen dienden te hebben voor voorgenomen werkzaamheden in gemeentegrond. Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. In dit artikel wordt voor de instemmingsprocedure onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden, werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden. Niet ingrijpende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een in deze afdeling bepaalde lengte van de kabels en/of leidingen gehanteerd en daarbij mogen geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist. Bij spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat, juist vanwege de urgentie, digitaal melden vooraf onmogelijk is.

De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt niet als werkzaamheden moeten worden verricht in gebieden die door de raad op een vooraf bekend gemaakte kaart zijn aangegeven. 20

Dit betekent dat in gebieden die op deze kaart staan geen spoedeisende werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder voorafgaand instemmingsbesluit. Voorbeelden van dergelijke gebieden die op de kaart kunnen staan zijn: Risicogebieden als industriegebieden met buisleidingen voor transport met gevaarlijke stoffen; Historische stadskernen of historische straten of natuurgebieden; Toegangswegen van en naar gebouwen van hulpdiensten, brandweerkazernes, politie en gemeentelijke gebouwen. De gemeente kan voor toegangswegen naar zulke gebouwen de doorgang altijd opeisen. In bovenstaande gevallen is het niet aanvaardbaar dat zonder specifiek toezicht van de gemeente wordt gegraven. Voor werkzaamheden rond de kabels en/of leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering, netten voor openbare verlichting, is om praktische redenen deze afdeling niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit is het wel zeer wenselijk dat waar mogelijk binnen de gemeente afspraken en procedures worden gemaakt om de doelen van deze afdeling ook intern zoveel mogelijk na te leven.

Ondanks het feit dat er een instemmingsbesluit of een goedkeuring op een melding voor de werkzaamheden is verstrekt, zijn burgemeester en wethouders bevoegd een breekverbod in te stellen tijdens door de gemeente vergunde evenementen of als er naar haar oordeel sprake is van weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden. Een afweging die hierbij gemaakt wordt is de kans op schade en de omvang hiervan aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat dit ingaat, gecommuniceerd naar de betrokken uitvoerende partijen. In ieder geval een dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit meegedeeld aan de betrokken uitvoerende partijen. Gedurende het breekverbod mogen er op geen enkele wijze werkzaamheden plaatsvinden in de openbare grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het breekverbod niet van toepassing. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek kabels en leidingen. De geldigheidsduur van het instemmingsbesluit en/of goedgekeurde melding wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Artikel 5.9

Aanvragen en melden

In het artikel wordt aangegeven dat de aanvraag van de voorgenomen werkzaamheden bij burgemeester en wethouders moet worden gedaan. Dat kan bij burgemeester en wethouders of bij de daarvoor gemandateerde ambtenaren. Voor spoedeisende werkzaamheden, zoals ingeval van storingen, wordt een uitzondering gemaakt. Deze moeten zoveel mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden gemeld worden, als dit niet mogelijk is moet dit in ieder geval binnen een werkdag na uitvoering van de werkzaamheden zijn gedaan. Spoedeisende werkzaamheden moeten bij burgemeester en wethouders worden gemeld dan wel bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. In de praktijk kan buiten kantooruren de melding veelal plaatsvinden bij de calamiteiten- of piketdienst. 21

De burgemeester kan besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden als de openbare orde zich verzet tegen de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden. Dit geldt ook als er gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar is. In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op openbare gronden van andere gedoogplichtigen of grondeigenaren dan de gemeente. Omdat de gemeente een coördinerende rol heeft over alle openbare gronden binnen de gemeentelijke grenzen moet voor alle voorgenomen werkzaamheden in openbare grond een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden gedaan. Dit geldt dus ook in het geval dat voorgenomen werkzaamheden zich beperken tot bijvoorbeeld openbare gronden van de Provincie of het Waterschap. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat naast het instemmingsbesluit mogelijk ook andere vergunningen aangevraagd moeten worden voor de voorgenomen werkzaamheden. In het geval dat naast een instemmingsbesluit een vergunning van een al dan niet ander bestuursorgaan dan de gemeente nodig is, heeft de gemeente hierin een coördinerende rol om afstemming te bevorderen. Als de aanvrager daar om verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven.

De aanvrager blijft echter zelf verantwoordelijk voor de afstemming en toestemming van alle betrokken gedoogplichtigen of grondeigenaren en het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen. Het is belangrijk dat aanvragers zelf bij het aanvragen van een instemmingsbesluit rekening houden met een eventueel vergunning traject waarop de aanvraag voor het instemmingsbesluit betrekking heeft. Dit kan onnodige vertraging voorkomen bij het afgeven van het instemmingsbesluit omdat het verlenen van een benodigde vergunning eerst afgewacht moet worden voordat er instemming kan worden verleend. Artikel 5.10

Gegevensverstrekking

In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag moet worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Zo moeten in het geval dat een netbeheerder opdracht geeft om de werkzaamheden te laten verrichten en daartoe een externe uitvoerder machtigt, behalve de gegevens van de externe partij ook die van de netbeheerder worden verstrekt. De aanvraag moet digitaal gebeuren door middel van het door burgemeester en wethouders gehanteerde registratiesysteem. Voor aanvragen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard behoeft slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen moeten meer gegevens verstrekt worden. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht. Bij de aard van de kabels en/of leidingen gaat het erom of deze deel uitmaken van een openbaar netwerk. Is dit niet het geval dan hoeft de gemeente de aanleg van die kabels en/of leidingen niet toe te staan.

22

Het waarborgen van de blijvende bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een opgave van de doorsnede van de kabel- en/of leidingsleuf of -goot waarin het ruimtebeslag van de aanwezige en de aan te brengen kabels en/of leidingen gezamenlijk is aangegeven. Indien de aanleg van kabels en/of leidingen (mogelijk) hinderlijke ligging teweeg zal brengen moet aan de gemeente overlegd worden wat de uitkomst is van overleg met andere netbeheerders en welke afspraken inzake de hinderlijke ligging er zijn gemaakt tussen netbeheerders. Indien het beoogde tracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels en/of leidingen moet een alternatief tracé worden gekozen. Op grond van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON) is er een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen beheerders enerzijds en opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen anderzijds wordt uitgewisseld. De netbeheerders zijn verplicht, conform WIBON, om hun kabels en/of leidingen zodanig te registreren, dat steeds inzicht daarin kan worden verkregen. Er is samenhang tussen de WIBON en deze afdeling. De WIBON heeft betrekking op het voorkomen van graafschade via een plicht tot zorgvuldig graven én een plicht tot zorgvuldige en tijdige informatie-uitwisseling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=604ac7ed-4660-409d-8b85-b3a8b2ba0350