CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

01 DOC-23-751269 - Toelichting

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Andijk - Dijkweg 163' (pfh. J. Broeders)15.631 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer.

Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

32

4. 6.2 Wa te rto e ts Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Op 23 april 2021 is de watertoets uitgevoerd (zie bijlage 5 van deze toelichting). De normale procedure moet gevolgd gaan worden. Dit betekent dat het waterschap in overleg wil om te bespreken hoe in het plan rekening kan worden gehouden met de waterhuishoudkundige belangen. Op 25 maart 2022 heeft het waterschap een reactie gegeven op de voorgenomen planontwikkeling: Gebiedsbeschrijving Het plangebied is gelegen in peilgebied 6700-10 in polder Grootslag. Het ter plaatse geldende streefpeil is NAP 2,4 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire en primaire waterlopen. Het plangebied ligt ook gedeeltelijk binnen de beschermingszones A en B van een waterkering.

Waterkwantiteit Omdat er effectief een afname is in verharding die leidt tot versnelde afvoer van hemelwater, hoeft er geen watercompensatie te worden gegraven voor dit plan. Waterveiligheid De op het schetsplan aangegeven locatie hoeft geen nadelig effect te hebben voor de stabiliteit van de waterkering en dus voor de waterveiligheid. Het bouwen van werkzaamheden binnen de beschermingszone A is wel vergunningplichtig. Zie voor de volledigheid " toetsingscriteria 5 watervergunning harde waterkering". Indien er kelders of verdiepte fundering zal worden toegepast, moet er getoetst worden wat precies mogelijk is op deze locatie. Voor de werkzaamheden is een watervergunning nodig. Deze kunt u aanvragen via het omgevingsloket. Klimaatadaptatie De verandering van het klimaat heeft gevolgen voor de veiligheid, de economie en de gezondheid van onze inwoners. Hevige buien veroorzaken schade en overlast. Langdurige droge periodes veroorzaken hittestress, met name in stedelijke gebieden. Een slim ingerichte ruimtelijke inrichting helpt deze steeds vaker voorkomende weersextremen het hoofd te bieden. Het uitgangspunt hierbij is om water lokaal op te slaan tijdens (extreme) buien, zodat het vervolgens gebruikt kan worden in droge perioden.

Voorbeelden van maatregelen die hierbij helpen zijn wadi's, waterdoorlatende verharding op bijvoorbeeld parkeervakken, waterbergende wegen en opslag in infiltratiekratten. 4. 6.3 B eo ord el in g Voorliggend plan betreft de transformatie van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie binnen de dorpskern Andijk. De bedrijfsactiviteiten zullen hiermee verdwijnen, de bedrijfsloods van 815 m2 zal gesloopt worden. De tweede loods met een oppervlakte van 232 m2 is reeds gesloopt. In het plangebied worden in totaal zeven

33

woningen gerealiseerd. In de bestaande situatie is het terrein van het plangebied volledig verhard. In de nieuwe situatie is er veel meer ruimte voor 'groen' in het plangebied. Dit heeft naast de esthetische waarde ook waarde voor de biodiversiteit, het leefklimaat en de waterdoorlatendheid. In de gewenste situatie wordt alle aanwezige bebouwing (1047 m2) en terreinverharding (1801 m2) binnen het plangebied gesloopt. Hiervoor in plaats worden 7 nieuwe woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Deze hebben een totale oppervlakte van circa 600 m2. De openbare ruimte zal worden verhard met gebakken klinkers, dit heeft een oppervlakte van circa 650 m2. In totaal zal er in de nieuwe situatie 1250 m2 aan verharding zijn in het gebied. Dit betekent een afname aan verharding van circa 1600 m2. Dit is meer dan 50%! De nieuw te bouwen rijwoningen worden op afstand van meer dan 5 meter van de watergang gesitueerd. De watergang blijft hierdoor bereikbaar voor beheer en onderhoud. Het initiatief bevat een afname van verharding, waardoor er geen nadelige effecten te verwachten zijn op de waterhuishouding. Het hemelwater wordt niet op de riolering geloosd, maar wordt geïnfiltreerd en/of afgevoerd op oppervlaktewater. Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Er wordt met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige afbreuk gedaan aan de waterkering.

Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Met het in acht nemen van de waterhuishoudkundige uitgangspunten voldoet het plan aan de eisen die het waterschap stelt aan de voorgenomen ontwikkeling. 4. 6.4 C on c lu s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.

34

4.7 Ecologie 4. 7.1 A lg e m e en De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is onder de Wnb vrijwel hetzelfde gebleven. Wel zijn de Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat als naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld moeten worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). 4. 7.2 B eo ord el in g Voorliggend plan betreft de transformatie van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie binnen de dorpskern Andijk. De bedrijfsactiviteiten zullen hiermee verdwijnen, de bedrijfsloods van 815 m2 zal gesloopt worden. In het plangebied worden in totaal zeven woningen gerealiseerd. In mei 2021 is er een ecologische quickscan uitgevoerd door onderzoeksbureau Van der Goes en Groot (zie bijlage 6 van deze toelichting). Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In het kader daarvan van de natuurwetgeving is een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek bestaat uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Soortenbescherming • •

Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’

35

•

•

•

•

•

•

soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk.

Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.

De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken

Stikstof In 2023 is er door een erkend bureau een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 9 van deze toelichting). De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Aanvullend onderzoek Op het gebied van de vleermuis en huismus heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden (zie bijlage 6 van deze toelichting). Deze onderzoeken moet uitwijzen of er ontheffing van de Wet natuurbescherming dient te worden aangevraagd voor de uit te voeren sloop- en bouwwerkzaamheden.

36

Huismus onderzoek Het onderzoeksgebied zal in zijn geheel worden geïnventariseerd op jaarrond beschermde broedvogels. Dit onderzoek vindt plaats in het broedseizoen. Er worden 2 ochtendbezoeken afgelegd aan het plangebied tussen 1 april en 15 mei waarbij wordt gelet op territoriale vogels, paartjes huismussen of invliegen van vogels in geschikt geachte holtes. Vogels worden zoveel mogelijk gekarteerd op de daadwerkelijke broedlocatie. Uiteraard worden waarnemingen van andere jaarrond beschermde vogelsoorten meegenomen in de inventarisatie. Er waren geen nestplaatsen in het plangebied aanwezig. Er zijn slechts enkele Huismussen waargenomen nabij het plangebied. De waargenomen Huismussen toonden in het geheel geen binding met de bebouwing in het plangebied. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Huismus. In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. Vleermuis onderzoek Met behulp van een batdetector zal onderzoek verricht worden naar het voorkomen van vleermuizen.

In de periode mei – oktober zullen vijf bezoeken worden afgelegd. Dit onderzoek wordt uitgevoerd conform richtlijnen uit het vleermuisprotocol 2020. Er zullen minimaal 3 nacht- of ochtendrondes worden afgelegd tussen 15 mei en 15 juli als de weersomstandigheden dat toelaten (kraamverblijven) en minimaal 2 avondnachtrondes tussen 15 augustus en eind september (paarverblijven en middernachtzwermen Gewone dwergvleermuis). Voor het onderzoek naar zomerkolonies wordt minimaal één ochtendronde afgelegd. Tijdens alle bezoeken zal worden gelet op terreingebruik, sporen en zomerverblijfplaatsen. In het plangebied zijn alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. De in vlucht baltsende Ruige dwergvleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit in het plangebied en konden waarschijnlijk aan bebouwing van de kerk worden gekoppeld. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. 4.

7.3 C on c lu s i e Het initiatief wordt niet belemmerd vanuit het aspect ecologie, nader onderzoek is niet noodzakelijk.

37

4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4. 8.1 A lg e m e en Archeologie Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische resten in de bodem kunnen aantasten moeten rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

Cultuurhistorie Cultuurhistorie kan worden gedefinieerd als 'sporen, objecten en patronen/structuren die zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie en ontwikkeling'. Cultuurhistorische waarden zijn daarom verbonden aan landschappelijke kwaliteiten, archeologie en bouwwerken, al dan niet met een status als monument. Bepaalde landschappelijke elementen als houtwallen, bosjes, bomen, waterlopen etc., kunnen een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen in verband met de ontstaans-, bewonings- en ontginningsgeschiedenis van de streek. In het bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen om deze geschiedenis te behouden cq. de waarden te beschermen. 4. 8.2 B eo ord el in g Voorliggend plan betreft de transformatie van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie binnen de dorpskern Andijk. De bedrijfsactiviteiten zullen hiermee verdwijnen, de bedrijfsloods van 815 m2 zal gesloopt worden. In het plangebied worden in totaal zeven woningen gerealiseerd. Archeologie Voor het plangebied aan de Dijkweg 163 is het bestemmingsplan ‘Dorpskernen lll’ van toepassing. Binnen het plangebied zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing.

Voor 'Waarde - Archeologie 3' geldt dat bij bodemverstorende bouwwerkzaamheden groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm onder maaiveld rekening dient te worden gehouden met het aspect archeologie. Voor 'Waarde - Archeologie 2' geldt een vrijstellingsgrens van 100 m2 met een dieptegrens van 35 cm. De geplande nieuwbouw zal de vrijstellingsgrenzen uit het bestemmingsplan overschrijden. Archeologie West-Friesland heeft een beleidskaart archeologie ontwikkeld voor de gemeente Medemblik. Op deze kaart zijn de meest recente gegevens verwerkt. Hiervoor zijn onder andere bodemkaarten gebruikt om de archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie nader te specificeren. De beleidskaart archeologie van de gemeente Medemblik is op 28 februari 2019 vastgesteld. Volgens de beleidskaart ligt het

38

plangebied deels in een zone met een hoge archeologische waarde voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd (donkeroranje op afbeelding) en deels in een zone met een hoge archeologische verwachting voor de prehistorie (lichtoranje op afbeelding). Hier zijn vrijstellingsgrenzen van respectievelijk 100 en 1.000 m2 aan verbonden. De vrijstellingsgrens voor het oostelijk deel is dus op de beleidskaart naar boven bijgesteld. Alleen de grens van 100 m2 zal worden overschreden door de geplande nieuwbouw.

Uitsnede beleidskaart Archeologie Gemeente Medemblik Cultuurhistorie Het plangebied ligt direct ten zuiden van de Westfriese Omringdijk, een provinciaal monument. Het plangebied ligt langs een stuk van de dijk (tussen het gehucht Broekoord en de Kathoek) dat de Broeker Oude Dijk werd genoemd. Ten zuidwesten van het plangebied is de gereformeerde kerk van Andijk gesitueerd. Deze kerk dateert uit 1929 en werd ontworpen door architect Egbert Reitsma. Vanwege zijn grootte wordt de kerk ook wel de 'gereformeerde kathedraal' genoemd. Sinds 1985 is de kerk een rijksmonument. Voor deze ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld (zie bijlage 1 van deze toelichting). In het stedenbouwkundig plan wordt ingegaan op de relatie van het plangebied met de omgeving en de beoogde sfeer in het plangebied (architectuur en openbare ruimte). De ontwikkeling in het plangebied vindt plaats

39

binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur van Andijk. Zoals beschreven in paragraaf 2.3 en 2.4 sluit het stedenbouwkundig plan hier goed op aan. Op deze wijze is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van de omgeving. Het voorstel is om de te ontwikkelen woningen te voorzien van baksteenarchitectuur refererend aan de gereformeerde kerk van architect Egbert Reitsma. Hierdoor ontstaat er samenhang met dit iconische bouwwerk. Archeologie West-Friesland Archeologie West-Friesland heeft op 7 januari 2022 een archeologische quickscan uitgevoerd voor het perceel Dijkweg 163 (zie bijlage 7 van de toelichting). Indien de (grondroerende) plannen ongewijzigd blijven, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen plannen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Ten behoeve van het doen van waarnemingen dient wel in de omgevingsvergunning te worden opgenomen dat Archeologie West-Friesland toekomstige graafwerkzaamheden wil monitoren. 4. 8.3 C on c lu s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie, nader onderzoek op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is daarom ook niet nodig.

40

4.9 Verkeer en parkeren 4. 9.1 A lg e m e en Om de effecten van het plan op de verkeerssituatie te beoordelen wordt gebruik gemaakt van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 317, oktober 2012)' van het CROW. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de parkeernorm wordt de gemeentelijke Nota Parkeren gehanteerd. 4. 9.2 B eo ord el in g Voorliggend plan betreft de transformatie van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie binnen de dorpskern Andijk. De bedrijfsactiviteiten zullen hiermee verdwijnen, de bedrijfsloods van 815 m2 zal gesloopt worden. In het plangebied worden in totaal zeven woningen gerealiseerd. Verkeer Ontsluiting van het perceel wordt niet gewijzigd, deze blijft gesitueerd op de Dijkweg. De verkeersgeneratie voor een woning in het centrum bedraagt 6,8 per woning per etmaal. In het plangebied worden 7 woningen gerealiseerd, in totaal zijn dit 47,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor een bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief bedraagt de verkeersgeneratie, voor een bedrijf in het centrum, 7,1 per 100 m2 bvo per etmaal. De bestaande bedrijfsloods heeft een oppervlakte van 815 m2, in totaal zijn dit 57,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Het aantal motorvoertuigbewegingen zal in de nieuwe situatie iets afnemen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid op de Dijkweg. Parkeren De ‘Nota Parkeernormen’ van de gemeente Medemblik is gevolgd bij de inrichting van dit plangebied. Voor vrijstaande woningen wordt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Voor rijwoningen (koop) wordt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Voor de 7 woningen in het plangebied zijn volgens de parkeernota 14,6 parkeerplaatsen benodigd. Het parkeren is in dit plan ruim voorzien. De twee vrijstaande woningen hebben voldoende ruimte om dit op eigen terrein (minimaal 2 parkeerplaatsen per woning) te doen. Voor de vijf starters/seniorenwoningen is in de hoek van de kavel een parkeerkoffer ingetekend met 8 parkeerplaatsen. Hierdoor worden de auto's onttrokken uit het zicht en zorgt het voor ordening in dit plan. De linker en rechter hoekwoning heeft ruimte om auto's op eigen terrein te voorzien (minimaal 2 parkeerplaatsen per woning). In totaal zijn er 16 parkeerplaatsen in het plangebied aanwezig, waarvan 8 in de openbare ruimte.

41

Overzicht parkeersituatie 4. 9.3 C on c lu s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren, nader onderzoek op het gebied van verkeer en parkeren is daarom ook niet nodig.

42

4.10 Besluit milieueffectrapportage 4. 10. 1 Al g e me en Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet: • • •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

4. 10. 2 B eoo rd eli n g Voorliggend plan betreft de transformatie van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie binnen de dorpskern Andijk. De bedrijfsactiviteiten zullen hiermee verdwijnen, de bedrijfsloods van 815 m2 zal gesloopt worden. In het plangebied worden in totaal zeven woningen gerealiseerd. Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische kaders voor nieuw te bouwen woningen en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

43

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: a. b. c.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.toets. 4. 10. 3 Con cl u s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect milieu, nader onderzoek op het gebied van milieu is daarom ook niet nodig.

44

4.11 Kabels en leidingen 4. 11. 1 Al g e me en In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4. 11. 2 B eoo rd eli n g Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De riolering (stamriool) bevindt zich aan de zuidzijde van Dijkweg, in het plangebied. De vrijstaande woningen worden zodanig gesitueerd dat er geen belemmeringen zijn voor het aanwezige vuilwaterriool. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het bestemmingsplan is een gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - radar' opgenomen. Indien een bouwaanvraag binnen dit gebied wordt ingediend op gronden die gelegen zijn boven 40 meter boven NAP, moet door TNO een verstoringstoets worden uitgevoerd. Kabels en niet-planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd.

Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. 4. 11. 3 Con cl u s i e In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.

45

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Opzet van het plan 5. 1.1 In le id i n g In de andere hoofdstukken van deze toelichting is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In de volgende paragraaf wordt de systematiek van planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. 5. 1.2 Pl an m eth od i ek Algemeen In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De benaming van de bestemmingen en de volgorde van de regels, evenals de weergave van de bestemmingen in het plan komen overeen met de SVBP 2012. In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is de wijze bepaald waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

46

Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouw- en gebruiksregels en, eventueel, ook regels voor het 'uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel van de hoofdbestemmingen kent, eveneens conform de 'ROstandaarden 2012', een vaste opzet. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens: 1.

2.

3. 4.

antidubbeltelregel: Deze bepaling regelt dat grond die reeds eerder bij een verleende bouw- of omgevingsvergunning is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro; algemene bouwregels: Hierin worden algemene bouwregels opgenomen die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. Zo wordt hierin het ondergronds bouwen geregeld en worden bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan, maar wel met een vergunning zijn gebouwd, 'positief' bestemd; algemene gebruiksregels: In dit artikel wordt een algemeen gebruiksverbod gegeven, wat geldt voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan, voor gebruik in strijd met de bestemming; algemene afwijkingsregels: In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan voor algemene en geringe afwijkingen van de bouwregels (maatvoering) voor zover al elders in de planregels in afwijkingen is voorzien. Hiermee kan in specifieke situaties maatwerk worden geboden en biedt het bestemmingsplan voldoende flexibiliteit.

Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. 1.

overgangsregels: Deze regel is wettelijk verplicht om op te nemen in een bestemmingsplan en is rechtstreeks overgenomen uit het Bro. Dit artikel bevat regels die als doel hebben bestaande situaties (gebruik of bouwwerken), welke niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, te regelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebruik en bouwen. Het overgangsrecht met betrekking tot bouwen en bouwwerken regelt dat bouwwerken die aanwezig waren ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, maar in strijd zijn met het bestemmingsplan, onder overgangsrechtelijke bescherming vallen. Dat wil zeggen dat deze bouwwerken mogen blijven bestaan. Deze bescherming geldt ook voor bouwwerken die op deze peildatum legaal kunnen worden gebouwd, maar nog niet zijn gebouwd. Bouwwerken die wel bestonden op de genoemde peildatum, maar zijn gebouwd zonder (omgevings)vergunning, zijn expliciet uitgesloten van de beschermende werking van het overgangsrecht. Het overgangsrecht voor met het nieuwe bestemmingsplan strijdig gebruik regelt dat het gebruik van gronden dat bestaat op het moment dat het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt, mag worden voortgezet. Het bestaande gebruik dat (ook) in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan, is echter van deze beschermende werking van het

47

2.

overgangsrecht uitgesloten, indien het op grond van het recht nog mogelijk is om hiertegen op te treden. slotregel: Dit artikel bevat de titel (naam) van het vast te stellen bestemmingsplan.

5. 1.3 To el ich tin g op d e b es t e m min g en In de regels is het beschreven beleid vertaald in de bestemmingsbepalingen. De volgende enkelbestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen worden in het plan onderscheiden: • • • • •

Wonen; Waarde - Archeologie 2; Waarde - Archeologie 3; Waterstaat - Waterkering; vrijwaringszone - dijk;

Wonen De gronden ten behoeve van de woningen en tuinen zijn bestemd met de bestemming 'Wonen'. De grond is verder bestemd voor: • • • • • • • • •

wegen en straten; voet- en fietspaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; nutsvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen; tuinen, erven en terreinen; andere bouwwerken.

Daarnaast wordt overal aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan om de nodige flexibiliteit in het plan te kunnen hanteren. Zo zijn er voor de flexibiliteit ook meerdere afwijkingen van de gebruiksregels toegestaan. De woningen moeten gebouwd worden binnen het bouwvlak. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 7 en 12 meter, tenzij ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)" een andere goot- en bouwhoogte is aangegeven. De dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen. De bijbehorende bouwwerken zullen ten minste 2,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw worden gebouwd. De bijbehorende bouwwerken bij de tussenrijwoningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouw'. De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken zal ten hoogste 60 m² per hoofdgebouw bedragen. Binnen de aanduiding ‘groen’ zijn geen bijgebouwen toegestaan.

48

Een uitzondering daarop is dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'groen' niet aan te merken zijn als achtererfgebied, zoals bedoeld in artikel 1 behorende bij bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Bijbehorende bouwwerken zijn hier uitgesloten vanwege de aan te houden afstand tot de watergang. Het stedenbouwkundig plan stelt nadere eisen aan de bouwregels. Nadere eisen Op basis van artikel 3.6, lid 1 onder d van Wro, kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels, nadere eisen kunnen stellen ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen. Het stellen van nadere eisen kan betrekking hebben op een heel scala van onderwerpen. Zo kan bij een bestemmingsplan bijvoorbeeld worden bepaald dat de nadere eisen betrekking hebben op de situering van gebouwen en/of bouwwerken, maar evenzeer kunnen nadere eisen betrekking hebben op het treffen van bouwkundige voorzieningen en/of aanpassingen die van belang zijn voor een goede ruimtelijke ordening. In hoofdzaak vindt een goede ruimtelijke ordening plaats door het toekennen van bestemmingen en daarbij bouwmogelijkheden aan percelen.

Hoewel daarmee op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijk inrichting van een perceel (qua functie en bebouwingsvolume) is vastgelegd, kan er echter op detailniveau aanleiding zijn of behoefte bestaan om specifieke ruimtelijke belangen op een juiste manier af te stemmen. Hiervoor is het instrument van nadere eisen in de wet gegeven. Nadere eisen dienen ervoor om binnen de toegekende bestemming en bouwmogelijkheden maatwerk te kunnen leveren op perceelsniveau. De noodzaak voor dit maatwerk is gelegen in de specifieke ruimtelijke omstandigheden van het betreffende perceel, die niet op voorhand te regelen zijn in de bestemmingsregeling. Deze specifieke ruimtelijke omstandigheden kan de volgende aspecten betreffen: -

Stedenbouwkundige aspecten; Landschappelijke en of ecologische aspecten; Milieukundige aspecten; Cultuurhistorische aspecten; Verkeersaspecten; De gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen.

In dit bestemmingsplan zal o.a. de mogelijkheid worden opgenomen om nadere eisen te stellen aan stedenbouwkundige aspecten. Het stedenbouwkundig plan (bijlage 1 van deze toelichting) is daarbij het uitgangspunt. Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Voor 'Waarde - Archeologie 2' geldt een vrijstellingsgrens van 100 m2 met een dieptegrens van 35 cm. De geplande nieuwbouw zal de vrijstellingsgrenzen uit het bestemmingsplan overschrijden. Voor 'Waarde - Archeologie 3' geldt dat bij bodemverstorende bouwwerkzaamheden groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm onder maaiveld rekening dient te worden gehouden met het aspect archeologie.

49

Waterstaat - Waterkering en vrijwaringszone - dijk De gronden die bedoeld zijn voor de waterkering zijn specifiek bestemd als 'Waterstaat - Waterkering' voor het behoud, het herstel en het beheer van de waterstaatsdoeleinden en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de dijken. In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse aangewezen bestemmingen mogen op of in deze gronden geen gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming. De gebiedsaanduiding “vrijwaringszone - dijk” geldt naast de bestemmingen en heeft de intentie om de gronden te “reserveren” die in de komende twee eeuwen mogelijk nodig zouden kunnen zijn ten behoeve van de ophoging c.q. verzwaring van de dijk. Dit in verband met de verwachte stijging van het waterpeil in het IJsselmeer. Binnen de als vrijwaringszone aangegeven gebieden mogen in beginsel geen nieuwe, onomkeerbare ingrepen plaatsvinden die de ophoging c.q. verzwaring van de dijk zouden kunnen bemoeilijken. Voor iedere bouwactiviteit in de vrijwaringszone is in principe dan ook de goedkeuring van het hoogheemraadschap vereist. 5. 1.4 V er b e e ld in g De regels moeten worden gelezen in samenhang met de verbeelding. De verbeelding geeft op een zodanige wijze informatie dat hierop kan worden afgelezen waar en hoe er gebouwd kan worden.

In de regels wordt deze informatie nader toegelicht, uitgewerkt en juridisch vastgelegd. Het laatste betekent dat de regels uiteindelijk bepalen op welke wijze de informatie op de verbeelding moet worden geïnterpreteerd. Het is dus altijd van belang om de regels te bekijken in samenhang met de verbeelding, als er daadwerkelijk gebouwd gaat worden, of als andere ontwikkelingen worden gepland. Bij het voorliggend wijzigingsplan hoort ook een verbeelding. Op deze verbeelding is het plangebied weergegeven.

50

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1 Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de overheid budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid 2 kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig plan wordt op het perceel Dijkweg 163 een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De financiële kosten worden verzekerd door het heffen van leges en het aangaan van een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is een exploitatieplan niet noodzakelijk. 6.2 Financiële haalbaarheid Het plan wordt uitgevoerd en bekostigd door initiatiefnemer. De gemeente heeft geen kosten voor de realisatie van dit plan. Initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten.

Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

51

Hoofdstuk 7 Procedure 7.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Doordat voorliggend plan geen betrekking heeft op omliggende gemeenten, is overleg met omliggende gemeenten achterwege gebleven. De gemeente Medemblik heeft het bestemmingsplan Dijkweg 163 Andijk aan de volgende instanties voor advies gelegd: Provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Veiligheidsregio Noord-Holland Noord en PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland. De reacties van de overlegpartners hebben niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan (zie bijlage 10 van deze toelichting).

7.2 Inspraak De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Gezien de geringe wijziging die met dit plan wordt bewerkstelligd wordt dit bestemmingsplan niet als voorontwerp ter inzage gelegd. Er wordt geen mogelijkheid geboden voor het indienen van inspraakreacties. Wel doorloopt het plan de wettelijke procedure voor het vooroverleg met de relevante overlegpartners. Op 16 maart 2022 heeft er een informatieavond plaatsgevonden voor omwonenden en belanghebbenden. Het merendeel van de aanwezigen heeft positief gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling. Een klein aantal omwonenden waren minder positief. Naar aanleiding hiervan heeft er met deze omwonenden nader overleg plaatsgevonden. De opmerkingen uit dit overleg hebben geleidt tot een aantal aanpassingen van het stedenbouwkundig plan. (zie bijlage 8 van deze toelichting).

52

7.3 Vaststellingsprocedure Het ontwerpwijzigingsplan Dijkweg 163 Andijk heeft vanaf 21 juli 2023 voor zes weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend. 7.4 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

53

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan Bijlage 2 Akoestisch onderzoek Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 Asbestinventarisatie Bijlage 5 Watertoets Bijlage 6 Quickscan ecologie Bijlage 7 Archeologisch advies Bijlage 8 Verslag informatieavond Bijlage 9 Stikstofberekening Bijlage 10 Nota Vooroverleg Dijkweg 163 Andijk

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=a117c76f-8541-41ac-b6c7-f4b282e38146