CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

01 DOC-23-742925-VFL 3e tranche - Definitief

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente MedemblikBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Medemblik 3e tranche, Algemene plaatselijke verordening gemeente Medemblik 2024 (pfh. J. Broeders en M. Pijl)17.308 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 5.29 Gescheiden aanbieding 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 5.28, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 5.26. 2.

Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.30 Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

25

Artikel 5.31 Wijze en plaats van aanbieding 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met het door het college te stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; a. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2.

Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 5.30, buiten een perceel te laten staan.

3.

Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

Artikel 5.32 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst 1. Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 5.24. 2.

Op grond van artikel 5.34 van deze verordening kan de inzameldienst ook bedrijfsafval inzamelen bij (basis)scholen die vanuit educatief perspectief zijn aangesloten.

Artikel 5.33 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 5.32 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.26, achter te laten. Artikel 5.34 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 5.32 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

Artikel 5.35 Dumpingsverbod 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke- of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijke groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Warenwet of het Besluit bodemkwaliteit.

26

3.

Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 5.36 Zwerfafval in de openbare ruimte 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.

Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde of heeft laten verspreiden.

3.

Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door anderszins te behandelen.

Artikel 5.36a Ongeadresseerd drukwerk 1. In dit artikel wordt verstaan onder: huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis wordt verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: a. een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in de buurt van belang zijn om te weten; b. drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties. 2.

Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan.

Artikel 5.37 Zwerfafval rondom inrichtingen 1. Degene die een inrichting drijft waar eet- en drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.

Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van tenminste 25 meter van de inrichting.

3.

De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 5.38 Afval en verontreiniging op de weg 1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 27

2.

Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 5.39 Geen opslag van afval in de open lucht. Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in afdeling 1.3 van de omgevingswet te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 5.24 t/m 5.31 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 5.40 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit autowrakken.

28

Hoofdstuk 6

Omgevingshinder

Afdeling 6.1 Geurhinder (veehouderijen) Artikel 6.1 Aanwijzing gebieden 1. Als deelgebied A van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid van de Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv) wordt aangewezen de gebieden binnen de bebouwde kom, gesplitst in een deelgebied A1 (woongebieden met een stedelijk karakter) en een deelgebied A2 (woongebieden met een landelijk karakter), zoals weergegeven op de kaart die als bijlage bij deze verordening is gevoegd en daar deel van uitmaakt. 2.

Als deelgebied B van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Wgv wordt aangewezen het gehele gebied buiten de bebouwde kom binnen de gemeente Medemblik.

3.

Voor de aangewezen gebieden zoals aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt verwezen naar de kaart die als bijlage bij deze verordening is gevoegd en daar deel van uitmaakt.

Artikel 6.2 Andere waarden voor de afstand 1. In afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object: in het deelgebied A2 ten minste 50 meter, mits: a. het rundvee ten minste 120 dagen en minimaal zes uur per dag weidegang krijgt, of het rundvee wordt gehuisvest in een emissiearm dierenverblijf, dat voldoet aan de maximale emissiewaarde als bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij; b. niet meer dan 200 stuks rundvee, exclusief bijbehorend jongvee, of 50 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. in het deelgebied B ten minste 25 meter, mits: a. bij een uitbreiding van het bestaand huisvestingssysteem het aantal dierplaatsen voor melkrundvee als gevolg van de uitbreiding met niet meer dan 20 toeneemt ten opzichte van het aantal dat aanwezig was vóór 1 januari 2007; b. in de inrichting uitsluitend rundvee in een bestaand huisvestingssysteem wordt gehouden of ten hoogste 50 overige landbouwhuisdieren.

29

2.

Onverminderd bestaande rechten krachtens de milieuwetgeving geldt in afwijking van artikel 4.1 van de Wgv een afstand tussen een rundveehouderij met meer dan 200 stuks rundvee en een geurgevoelig object zoals weergegeven in onderstaande tabel: Aantal stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee)

201 250

251 300

301 350

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A1

125 m

150 m

175 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A2 als niet voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2 lid 1 onder a

125 m

150 m

175 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A2 indien voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2 lid 1 onder a

75 m

100 m

125 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied B als niet voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2 lid 1 onder a

75 m

100 m

125 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied B indien voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2. lid 1 onder a

50 m

75 m

100 m

Indien meer dan 350 stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee) worden gehouden, moeten de afstanden in de laatste kolom voor iedere verhoging met maximaal 50 stuks rundvee met 25 meter worden vergroot.

30

Afdeling 6.2 Geluidhinder Artikel 6.3 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a 2.19, 2.19a 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 22.73 van het omgevingsplan gemeente Medemblik en artikel 6.6 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.

Het college kan voorwaarden stellen aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

3.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

4.

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer kernen van de gemeente Medemblik.

5.

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

6.

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

7

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7a

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A)en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.

8.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

8a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

9.

De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9a.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel artikel 22.63 tot en met 22.71 van het omgevingsplan gemeente Medemblik en artikel 6.6 van deze verordening, uiterlijk om 00.00 uur dan wel het tijdstip zoals opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29, lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening, te worden beëindigd.

31

10.

Bij het ten gehore brengen van muziekgebruik blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.4 Aanwijzing incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting in de kern Medemblik toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 en artikel 22.63 tot en met artikel 22.71 omgevingsplan gemeente Medemblik en artikel 6.6 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.

Voor de overige kernen in de gemeente Medemblik geldt een maximum van 12 dagen of dagdelen individuele festiviteiten per kalenderjaar.

3.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan het college in kennis heeft gesteld.

4.

De directeur van de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

5.

Aan de kennisgeving wordt voldaan, wanneer het formulier, volledig en naar waarheid is ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die aangegeven staat op het formulier.

6.

Aan de kennisgeving wordt tevens geacht te zijn voldaan, wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die rederlijkwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

7.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A) gemeten binnen woningen. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 75 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

8.

8a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C) gemeten binnen woningen.

9.

De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

32

9a.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de bovengenoemde artikelen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het omgevingsplan gemeente Medemblik en artikel 6.6 van deze verordening uiterlijk om 00.00 uur dan wel het tijdstip zoals is opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29 lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening te worden beëindigd.

10.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.5 Geluidsplafond Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidshinder bij collectieve- of incidentele festiviteiten. Artikel 6.6 Het ten gehore brengen van onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 en artikel 22.70 lid onder i van het omgevingsplan Medemblik. Binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in onderstaande tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

33

Tabel LAr,LT LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

7.00 - 19.00 uur 50 dB(A)

19.00 - 23.00 uur 45 dB(A)

23.00 - 7.00 uur 40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55dB(A)

50dB(A)

45dB(A)

LCr,LT LCr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

7.00 - 19.00 uur 60 dB(C)

19.00 - 23.00 uur 55 dB(C)

23.00 - 7.00 uur 50 dB(C)

LCr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

45 dB(C)

40 dB(C)

35 dB(C)

LAcmax op de gevel van gevoelige gebouwen

80 dB(C)

75 dB(C)

70 dB(C)

LAcmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

65 dB(C)

60 dB(C)

55 dB(C)

2.

Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

3.

Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.4 van deze verordening.

Afdeling 6.3 Lichthinder (Gereserveerd) Afdeling 6.4 Verbranding van afvalstoffen Artikel 6.7 1.

2.

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Ter bescherming van de gezondheid en natuur is het verboden om zonder omgevingsvergunning in de openlucht afvalstoffen te verbranden, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en vuren ten behoeve van hottubs; en/of 34

c. 3.

vuur voor koken, bakken en braden, mits, geen afvalstoffen worden verbrand en er geen sprake is van milieubelastende emissies.

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren ter bescherming van de gezondheid en natuur.

Afdeling 6.5 Ontsiering en stankoverlast Artikel 6.8 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor er ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of waardoor het verkeer in gevaar komt. Artikel 6.9 Gevelreiniging en -werkzaamheden 1. In dit artikel wordt onder gevelreiniging verstaan het met behulp van schoonmaakapparatuur verwijderen van aanslag, verf, conserveerlagen of van enig andere dergelijke stof van gevels, muren, daken, puien, bruggen, viaducten, pijlers of andere vergelijkbare oppervlakten. 2.

Alle overige werkzaamheden, anders dan gevelreiniging, die in de uitoefening van een bedrijf en met behulp van apparatuur aan de gevel plaatsvinden vallen eveneens onder de reikwijdte van dit artikel.

3.

Het is verboden om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd bestuursorgaan gevels te reinigen of gevelwerkzaamheden te verrichten: a. als daardoor de bescherming van het milieu, door stof-, nevel- of geluidsoverlast in gevaar wordt gebracht; en b. als niet wordt voldaan aan de hiervoor vastgestelde voorwaarden.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de voorwaarden die aan de melding en aan de werkzaamheden worden gesteld.

35

Hoofdstuk 7

Buitenruimte

Afdeling 7.1 Wegen Artikel 7.1 Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1. Het is verboden zonder schriftelijke melding aan burgemeester en wethouders objecten te plaatsen op of aan een openbare plaats en daarmee de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie en bescherming daarvan. 2. De meldingsplicht geldt als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, onder j en k van de Wabo of de opvolgende regeling onder de Omgevingswet. 3.

De meldingsplicht is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Apv; b. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling het gebruik van een openbare plaats is toegestaan; c. in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening NH2020.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, reclameborden, plantenbakken, banken, terrassen en laadpalen. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen een openbare plaats aanwijzen als gebied waarin geen objecten geplaatst mogen worden.

Artikel 7.2 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat er een onveilige fysieke leefomgeving ontstaat, het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op een andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 7.3 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard en breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.

Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland, de Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier of de Telecommunicatiewet.

4.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.4 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgmeester en wethouders: 36

a. b. c. d.

een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; of het gebruik van een uitweg te veranderen.

2.

De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; of d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

3.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier en de provinciale omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland.

4.

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg.

Afdeling 7.2 Water Artikel 7.5 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

3.

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 7.6 Ligplaats voor vaartuigen, niet zijnde woonschepen 1. Onverminderd het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement is het de rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, verboden hiermee een ligplaats in te nemen buiten een steiger of een aanmeervoorziening. 2.

Het is verboden bij het aanmeren bij een steiger of aanmeervoorziening, zoals bedoeld in het eerste lid, overlast te veroorzaken, de verkeersvrijheid of -veiligheid, de milieuhygiëne of de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in gevaar te brengen of aan te tasten.

3.

Het is verboden een ligplaats in te nemen met een vaartuig dat in de lengte meer dan 1 meter uitsteekt buiten de steiger of aanmeervoorziening. 37

4.

Indien de in het voorgaande lid bedoelde aanmeervoorziening bestaat uit een meerpaal geldt het verbod op het innemen van een ligplaats voor vaartuigen die langer zijn dan 6 meter.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van een van gemeentewege gerealiseerde passantensteiger.

Afdeling 7.3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 7.7 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstanden te vellen: a. houtopstanden die vermeld staan op de lijst met waardevolle en monumentale bomen (bijlage 3 bomenlijst); b. houtopstanden in de openbare ruimte van de gemeente Medemblik vanaf een dikte van 20 centimeter gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld; c. bomen die geplant zijn in het kader van een herplantplicht. 2.

Een vergunningsplicht zoals genoemd in lid 1 a en b van dit artikel geldt niet voor: a. houtopstand(en) buiten de bebouwde kom die beschermd zijn op grond van Hoofdstuk 4, artikel 4.1 t/m 4.9 van de Wet Natuurbescherming; b. houtopstanden die moeten worden geveld krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag; c. periodiek knotten, kandelaberen of kandelaren als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen, gekandelaarde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; en d. dunnen van een houtopstand.

3.

Een vergunning kan door het bevoegd gezag worden geweigerd op grond van onder andere: a. alternatieven waarbij de houtopstand kan worden gespaard; b. natuur- en milieuwaarde van de houtopstand; c. landschappelijke waarde van de houtopstand; d. waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; e. beeldbepalende waarde van de houtopstand; f. cultuurhistorische waarde van de houtopstand; g. waarde van de houtopstand voor de recreatie en leefbaarheid; en h. concreetheid en haalbaarheid van het project in verband waarmee de houtopstanden geveld moeten worden.

4.

De vergunning tot vellen vervalt 1 jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning, tenzij het bevoegd gezag een langere termijn, tot een maximum van 3 jaar, noodzakelijk acht vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn.

Artikel 7.7a Bijzondere voorschriften 1. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen moet worden herplant.

38

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3.

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden over het werken rondom de te handhaven houtopstanden.

Artikel 7.7b Herplant- en instandhoudingsplicht 1. Indien een, op grond van artikel 7.12 van deze verordening, beschermde houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op ernstige wijze is beschadigd waardoor deze in het voortbestaan wordt bedreigd kan het bevoegd gezag de verplichting tot herplant opleggen. Deze herplant moet uitgevoerd worden overeenkomstig de door hen te geven specificaties en aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan: a. de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan; b. degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is. 2.

Onder de in eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

Artikel 7.8 Bestrijding van boomziekten 1. Indien zich op een terrein een of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals bacteriën, schimmels en insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. houtopstand(en) te vellen of te doen vellen; b. conform richtlijnen van het bevoegd gezag de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.

Het is verboden gevelde houtopstand(en) of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Indien er voor de betreffende boomziekte landelijke erkende protocollen zijn opgesteld moet volgens dit protocol worden gehandeld.

3.

Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid gestelde verbod.

4.

Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van de aangeschrevene, door of namens het bevoegd gezag kunnen worden verricht.

Artikel 7.8a Bescherming publieke houtopstand 1. Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn: a. te beschadigen, te bekladden of te beplakken; b. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door het bevoegd gezag opgedragen boomverzorgende taken. 2.

Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens een ontheffing van het college. 39

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.8b Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters indien het bomen, heggen en heesters betreft op of aan de openbare weg of een openbaar water, grenzende aan een ander erf. Artikel 7.8c Toezicht 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 7.12a en 7.12b zijn belast de medewerkers van de afdeling Buitendienst. 2.

Voorts is het bepaalde in artikel 9.2 van deze verordening van toepassing.

Afdeling 7.4 Evenementen (Gereserveerd) Afdeling 7.5 Markten en standplaatsen Artikel 7.9 Inrichting van de markt en de branche-indeling 1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a. het aantal standplaatsen; b. de afmetingen van de standplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt; d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerker plaats. 2.

Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches; b. een maximumaantal standplaatsen per branche.

Artikel 7.10 Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over markten welke overeenkomstig de bepalingen van de Gemeentewet door het college zijn of worden vastgesteld. Artikel 7.11 Standplaatsvergunning Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Artikel 7.12 Vereisten Voor de toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college. Artikel 7.13 Intrekking vaste standplaatsvergunning 1. Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik de vergunning wordt overgeschreven. 2.

Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: 40

a. b. 3.

indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 7.17 genoemde vereisten.

Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

Artikel 7.14 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 7.18 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de Marktgeldverordening. Artikel 7.15 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerker plaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerker plaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de Marktgeldverordening. Artikel 7.16 Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b.

zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog. Artikel 7.17 Toezicht markt Met het toezicht op de naleving van het bepaalde van de artikelen over de markt zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. Artikel 7.18 Voorschriften en beperkingen 1. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan markt- en standplaatsvergunningen, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de markten standplaatsvergunning is vereist. 2.

Degene aan wie een markt- of standplaatsvergunning is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.

Artikel 7.19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. 41

Afdeling 7.6 Standplaatsen buiten de markt Artikel 7.20 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op of aan de openbare weg en in de openbare ruimte gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruik makend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.

Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Medemblik.

Artikel 7.21 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.

Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, omgevingsplan of voorbereidingsbesluit.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3.4 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

4.

Het college kan plaatsen aanwijzen en nadere regels stellen voor het innemen van een standplaats.

5.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 7.22 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 7.23 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 7.26 eerste lid van deze verordening, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening NH2020. 2.

De weigeringsgrond van artikel 7.26, derde lid, onder a van deze verordening, is niet van toepassing voor bouwwerken.

Afdeling 7.7 Begraafplaatsen Artikel 7.24 Grafkelder 1. De rechthebbende op een particulier graf kan van het college vergunning krijgen tot het daarin voor eigen rekening en risico doen aanbrengen van een grafkelder. 42

2.

Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over begraafplaatsen.

3.

Vergunning voor een grafkelder kan worden gewijzigd, ingetrokken of geweigerd indien: a. de duurzaamheid van de gebruikte materialen onvoldoende is; b. de fundering en constructie onvoldoende veilig is; c. ter verkrijging van de vergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; d. de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen; e. van de vergunning geen gebruik gemaakt wordt binnen de daarin gestelde termijn; f. de houder van de vergunning dit verzoekt; of g. het college om redenen van beheer technische aard dit wenselijk of noodzakelijk acht.

Artikel 7.25 Vergunning grafbedekking 1. Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college. 2.

De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan.

3.

Het college kan de vergunning weigeren indien: a. niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het tweede lid; b. de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; c. de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; of d. de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.

Artikel 7.26 Grafbeplanting 1. Niet-blijvende beplanting op een graf die, naar het oordeel van de beheerder, in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder van de begraafplaats worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. 2.

Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer deze het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende.

Artikel 7.27 Onderhoud door rechthebbende 1. Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende. 2.

De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen.

3.

Indien de rechthebbende nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.

43

4.

De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.

5.

Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden.

6.

Schade als gevolg van brand, vandalisme, vorst, storm, bliksem, wateroverlast en andere van buiten komende oorzaken, is voor rekening van de rechthebbende.

Afdeling 7.8 Kamperen Artikel 7.28 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan of omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor: a. het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein; b. het plaatsen van een camper of kampeerauto op een door het college aangewezen camper overnachtingsplaats voor maximaal 72 uur, mits het op die plaats aangegeven aantal niet wordt overschreden. 3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3.4 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een dorps- en/of stadsgezicht; C. een goede omgevingskwaliteit.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 7.29 Slapen op openbare plaatsen Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats in een voertuig te overnachten tenzij artikel 7.28 lid 2 onder b van toepassing is. Artikel 7.30 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Het verbod van artikel 7.29 eerste lid is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen. 2.

Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 7.29, vierde lid van deze verordening.

Afdeling 7.9 Crossen

44

Artikel 7.31 Crossterreinen Het in artikel 4:18 APV genoemde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast en ter bescherming van een goed woon- en leefklimaat; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, in het belang van een goede omgevingskwaliteit en ter bescherming van milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Artikel 7.32 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het in artikel 4:19 APV genoemde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast en ter b; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. Artikel 7.33 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven; of b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

3.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement en/of op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding noodzakelijk is om het laag in- en uitvliegen van de bijen te voorkomen.

4.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.34 Opslag mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op openbare plaatsen of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 7.28 van deze verordening of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel of; b. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.

Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen, deze aanwijzing moet geschieden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de veiligheid en openbare gezondheid. 45

Hoofdstuk 8

Overige bepalingen

Artikel 8.1

Herziening en vervanging van aangewezen normen, andere voorschriften en wet- en regelgeving Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de Nennormen, voornormen, praktijkrichtlijnen, andere voorschriften en wet- en regelgeving waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen worden verwezen, indien de bevoegde instantie en/of orgaan de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn, het voorschrift of de wet- en regelgeving heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

46

Hoofdstuk 9

Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9.1 Sanctiebepaling 1. Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten worden overtredingen van de artikelen van deze verordening en de op grond van artikel 3.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7.1, 7.3, 7.4 en 7.7 van deze verordening.

3.

In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 9.2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast (buitengewone) opsporingsambtenaren aangesteld voor de politieregio waaronder de gemeente Medemblik valt. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. Artikel 9.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner, mits zij beschikken over een machtiging tot binnentreden van de burgemeester of voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden. Artikel 9.4 Grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten 1. De “Nadere regels uitwegen Medemblik 2021” berusten op artikel 7.4 lid 4 van deze verordening. 2. De “Nadere regels voor het plaatsen van tijdelijke reclame-uitingen Medemblik” berusten op artikel 7.1 lid 2 van deze verordening. 3. De “Nadere regels oplaadinfrastructuur Medemblik” berusten op artikel 7.1 lid a van deze verordening. 4. De “Nadere regels uitstallingen Medemblik” berusten op artikel 7.1 lid 2 van deze verordening. 5.

De “Nadere regels opslag Medemblik” berusten op de artikelen artikel 7.1 lid 2 en 7.34 lid 2 van deze verordening. 6. De “Nadere regels voor het organiseren van evenementen op passagiersschepen gemeente Medemblik 2023” berusten op artikel 3.8 van deze verordening. 7. De “Nadere regels voor het plaatsen van een terras” berusten op artikel 7.1 lid 2 van deze verordening. 8. Het “Aanwijzingsbesluit opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en stankoverlast” berust op artikel 7.34 van deze verordening. 9. Het “Aanwijzingsbesluit camperplaatsen” berust op artikel 7.27 lid 2 van deze verordening.

47

10.

Het “Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening gemeente Medemblik 2022” berust op de artikelen 5.24 lid 4, 5.28, 5.29 lid 2, 5.31 lid 3 en 5.34 lid 2 van deze verordening.

Artikel 9.5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e tranche en andere verordeningen die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 9.6 Inwerkingtreding nieuwe verordening 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking. 2. De Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 2e tranche vervalt als de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Medemblik 3e tranche in werking is getreden. Artikel 9.7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 3e tranche. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik, gehouden op DAG MAAND JAAR. Datum vaststelling door de raad: DAG MAAND JAAR De griffier,

De voorzitter,

Bekend gemaakt op : DAG MAAND JAAR

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=81feedc1-7d9f-4ab6-9b19-c899a04a6315