CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

01 DOC-23-742925-VFL 3e tranche - Definitief

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente MedemblikBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Medemblik 3e tranche, Algemene plaatselijke verordening gemeente Medemblik 2024 (pfh. J. Broeders en M. Pijl)17.308 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening fysieke leefomgeving gemeente Medemblik 3e tranche Geldend van ... t/m heden Intitulé Verordening fysieke leefomgeving gemeente Medemblik 3e tranche De raad van de gemeente Medemblik; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2023; overwegende dat: de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld op 1 januari 2024; de gemeente op het moment van inwerkingtreding conform de Omgevingswet dient te werken; op grond van de Omgevingswet de regels die toezien op de fysieke leefomgeving te zijner tijd opgenomen worden in het Omgevingsplan dat gemeenten volgens de Omgevingswet op 1 januari 2032 klaar moeten hebben; in de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Medemblik 3e tranche de wettelijk noodzakelijke en redactionele wijzigingen zijn aangebracht en diverse artikelen uit de 2e tranche in zijn geheel of gedeeltelijk weer teruggeplaatst zijn in de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2024; gelet op: - artikel 108, 147 en 149 van de Gemeentewet; - artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet; - artikel5.4 van de Telecommunicatiewet; - artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging; - artikelen 4.3, 5.1, 5.3, 5.4 in samenhang met 4.4 en 16.54 en 17.9 van de omgevingswet; - artikelen 10.23, 10.24 tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer; b e s l u i t: vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving 3e

tranche.

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel 1.2 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Artikel 1.3 Doel van de verordening Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a. een gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; en b. een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

2

Hoofdstuk 2

Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel 2.1 Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te geven voor de instandhouding, het behoud en de bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Eenieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 2.3 (Specifieke) zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen 1. Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. 2.

Eenieder die schade toebrengt aan de fysieke leefomgeving is verplicht dit te melden bij het bevoegd gezag.

Artikel 2.4 (Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een object legaal heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel 2.5 (Specifieke) zorgplicht staat bestaande gebouwen Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van zijn of haar bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 2.6 (Specifieke) zorgplicht gebruik gebouwen 1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: 3

a. b. c.

het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 2.7 (Specifieke) zorgplicht bouw- en sloopwerkzaamheden 1. Degene die een bouw- of sloopactiviteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. 2.

Voorafgaand aan de start van de bouw- of sloopactiviteit wordt verplicht contact opgenomen met het bevoegd gezag. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag beschadiging of belemmering aan de openbare ruimte als bedoeld in lid 1 door de uit te voeren werkzaamheden kan ontstaan, dient er door degene die de bouw- of sloopactiviteit verricht of dienst opdrachtgever in samenspraak met het bevoegd gezag een opname van de aangrenzende openbare ruimte plaats te vinden voorafgaand aan de bouw- of sloopactiviteit. Na gereedmelding van de bouw- of sloopactiviteit vindt een eindopname plaats. Eventuele schade aan de openbare ruimte wordt op kosten van de veroorzaker hersteld.

Artikel 2.8 (Specifieke) zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan een open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud van het open erf of terrein waardoor het open erf of terrein zich niet in zindelijke staat bevindt.

4

Artikel 2.9 (Specifieke) zorgplicht erfgoed (monumenten en archeologie) Degene die aan een rijksmonument een rijksmonumenenactiviteit of een andere activiteit, die een rijksmonument of een voor- beschermd rijksmonument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 2.10 (Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed 1. Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen. 2.

De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

3.

Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.

Artikel 2.11 (Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder opleveren voor derden. Artikel 2.12

(Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel 2.13 (Specifieke) zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat: 1. brandgevaar wordt veroorzaakt; 2. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt; 3. de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd; 4. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd; 5. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd; 6. er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt. Artikel 2.14

(Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten

De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van de rechthebbenden en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen openbare plaatsen zijn verplicht de in de onderstaande tabel vernoemde planten en planten families die zich op gronden bevinden te bestrijden.

5

Tabel Nederlandse naam Akkermelkdistel Akkerdistel Krulzuring Jacobs Kruiskruid Reuzenberenklauw Japanse Duizendknoop

Latijnse naam Plantensoorten Sonchus arvensis Cirsium arvense Rumex crispus Jacobaea vulgaris Heracleum mantegazzianum Reynoutria japonica

Artikel 2.15 Meldplicht bij brand of broei Eenieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden. Artikel 2.16 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving. 1. De zakelijke of persoonlijke rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk objecten, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.

De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet de werking belemmeren en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet privaatrecht.

Artikel 2.17 Verbod op gebruik wensballonnen 1. Het is verboden zogenaamde wens- of ufo ballonnen door middel van hete lucht afkomstig van vuur te laten opstijgen. 2.

Onder wens- of ufo ballonnen wordt verstaan ballonnen zoals herdenkingsballonnen, vuurballonnen, geluksballonnen en Thaise wensballonnen.

6

Artikel 2.18 Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.

Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

5.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan/omgevingsplan.

7

Hoofdstuk 3

Proces, procedure en adviescommissie

Artikel 3.2 (Beslis)termijnen 1. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij elders in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. 2.

Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen, tenzij in deze verordening of in een andere wettelijke regeling een andere specifieke beslistermijn is gesteld. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn.

3.

Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking delen burgemeester en wethouders het besluit mee op dezelfde wijze als het heeft kennisgenomen van de aanvraag.

Artikel 3.3 Voorschriften en beperkingen Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Artikel 3.4 Algemene weigeringsgronden 1. Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval: a. indien de te vergunnen activiteit in strijd is met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regelgeving; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (verder Wet Bibob). 2.

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving of de bescherming van het milieu; b. dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; d. de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling en beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 3.5 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden 1. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;

8

e. f. g. 2.

van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; of de vergunninghouder dit verzoek.

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Artikel 3.6 Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit 1. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, verder de Adviescommissie, is de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in paragraaf 4.2 van de Erfgoedwet. 2.

De advisering over redelijke eisen van welstand en over erfgoed is opgedragen aan de stichting Mooi Noord-Holland die uit haar midden personen voordraagt als lid van de Adviescommissie.

3.

De Adviescommissie adviseert over de welstands- en erfgoedaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning.

4.

De Adviescommissie baseert haar welstandsadvies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.

5.

De bepalingen over de samenstelling, taakstelling, werkwijze en verantwoording van de Adviescommissie zijn vastgelegd in een door de raad vastgesteld Reglement van Orde.

Artikel 3.7 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een openbaar gemeentelijk erfgoedregister bij. 2.

Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en kadastergegevens ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk erfgoed.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het gemeentelijk erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

4.

Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 4.4 tot en met 4.9 van overeenkomstige toepassing, tenzij het erfgoed waarop de aanwijzing betrekking heeft al teniet is gegaan.

Artikel 3.8 Nadere regels en aanwijzingsbesluiten Het college van burgemeester en wethouders kan ter uitvoering van deze verordening aanwijzingsbesluiten en nadere regels vaststellen.

9

Hoofdstuk 4

Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht

Afdeling 4.1 Gemeentelijk erfgoed Artikel 4.1 Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed 1. Het doel van de regels in dit hoofdstuk van deze verordening is het behouden en beschermen van (onroerend) cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status. 2.

Dit artikel heeft als juridische grondslag artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.

Artikel 4.1a 1.

Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermde gemeentelijk verzameling.

3.

Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.

4.

Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op: a. beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 4.1.b 1.

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft 10

of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

3.

Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4.2 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument. 2.

Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot aanwijzing voor advies aan de Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 3.6 van deze verordening.

3.

Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijke gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet.

4.

Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een kerkelijk monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar.

5.

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet; en b. provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van de Omgevingsverordening NH2020.

Artikel 4.3 Voorbescherming 1. Artikel 2.10 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening is bekendgemaakt. 2.

De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 11

2.

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument.

Artikel 4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Kadasterwet. 2.

Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4.6 Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument voorlopig aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument. In afwijking van artikel 4.2 van deze verordening wordt in dat geval aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 3.6 van deze verordening advies gevraagd over de vastgestelde voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument. 2.

De voorlopige aanwijzing vervalt als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing.

3.

De artikelen 4.3 tot en met 4.5 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

4.

Artikel 2.10 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing.

Artikel 4.7 1.

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.6 van deze verordening wijzigen.

2.

Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot wijziging van de aanwijzing voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 3.6 van deze verordening.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan.

4.

Artikel 4.2 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

5. 6.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het (archeologisch) monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks (archeologisch) monument of provinciaal (archeologisch) monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister, zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. 12

Artikel 4.8 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan een stads- en/of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep een of meer monumenten bevinden. 2.

Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 3.6 van deze verordening.

3.

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

4.

Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

5.

De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht een wijziging van het omgevingsplan vast als bedoeld in de omgevingswet. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld.

6.

Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht wordt bepaald of het omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.

7.

Dit artikel is niet van toepassing op: a. een door het Rijk aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 2.34, vierde lid van de omgevingswet; b. een door de provincie aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikelen 5.1, 5.3, 5.4 van de omgevingswet in samenhang met 4.4 tweede lid van de omgevingswet.

Artikel 4.9 1.

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.8 wijzigen of intrekken. Artikel 4.8 tweede lid en derde lid is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en/of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan.

2.

Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop de aanwijzing betrekking heeft en wordt aangewezen als beschermd rijks stads- en/of dorpsgezicht of als beschermd provinciaal stads- en/of dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

13

Afdeling 4.2 Onroerend cultureel erfgoed Artikel 4.10 Doel en grondslag van deze afdeling 1. Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is. 2.

Deze paragraaf berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet.

Artikel 4.11 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud waarbij detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; of b. inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

3.

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager van de omgevingsvergunning nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.

5.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

6.

Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een kerkelijk monument en wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, wordt de omgevingsvergunning niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 4.12 Advies omgevingsvergunning gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument Burgemeester een wethouders zenden een volledige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een beschermd gemeentelijk, provinciaal monument of rijksmonument voor advies aan de Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 3.7 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.13 Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen voor zover in een gebied dat is aangewezen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht nog geen wijzigingsbesluit van het gemeentelijk omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.8, vijfde lid van kracht is.

14

2.

Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven dat de aanvrager nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch of een archeologisch onderzoek.

3.

Op de behandeling van aanvragen om een vergunning is artikel 5.28 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

4.

Geen vergunning is vereist voor bouwwerken waarvoor op grond van de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur geen vergunning is vereist.

Artikel 4.14 Slopen in gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een ‘omgevingsvergunning slopen in een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht’ van burgemeester en wethouders een bouwwerk te slopen in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. 3.

De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13a of 13b van de Woningwet en artikel 4.3 eerste lid Omgevingswet.

Artikel 4.15 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan of omgevingsplan niet is voldaan aan respectievelijk artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening of 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, behalve als: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de ten tijde van de verrichte activiteit geldende Beleidskaart Archeologie van de gemeente Medemblik en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de gestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen; of d. met een door burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport is aangetoond dat er geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 2.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek.

15

Hoofdstuk 5

Regels voor activiteiten

Afdeling 5.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Artikel 5.1 Op wie van toepassing Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.

Afdeling 5.2 Bodem Artikel 5.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 1. Het is verboden een bouwwerk te bouwen op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers als: a. daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. dat het bouwwerk de grond raakt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is; of c. het bestaande rechtmatige gebruik van het bouwwerk wijzigt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is. 2.

Het verbod is niet van toepassing als burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betrokken bouwwerk voorschriften en beperkingen verbinden waarmee naar hun oordeel uit het bodemonderzoeksrapport dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit, uit andere onderzoeksresultaten of uit het goedgekeurde bodemsaneringsplan, als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming blijkt dat daarmee de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 5.3 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid bestaat uit: a. de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, vigerende uitgave 2009, in overeenstemming met de van toepassing zijnde onderzoekstrategie; b. indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, vigerende uitgave. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht artikelen 2 en 3 van bijlage II. 3.

Het college van burgemeester en wethouders staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college van burgemeester en wethouders reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4.

Het college van burgemeester en wethouders kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 5.36 omgevingswet en van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, vigerende uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar 16

de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, vigerende uitgave, niet rechtvaardigen. 5.

Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan eventuele sloop van gebouwen. Indien het bodemonderzoek pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt maar voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 5.4 Aanwijsbevoegdheid Interventiegebieden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd interferentiegebieden aan te wijzen en vast te stellen. Ook is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de grenzen van een interferentiegebied te wijzigen en opnieuw vast te stellen. Dit ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

Afdeling 5.3 Ondergrondse infrastructuur Artikel 5.5 Toepasselijkheid kabels en leidingen 1. Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Medemblik. 2.

Het bepaalde in deze afdeling geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten.

Artikel 5.6 Nadere regels 1. Het college van burgemeester en wethouders kan ter uitvoering van deze afdeling nadere regels vaststellen. 2.

Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: a. openbare orde en veiligheid; b. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden; c. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; d. ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; e. nadeelcompensatie in geval van het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen; f. de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die moeten worden verstrekt; g. de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten; h. het al dan niet toestaan van de aanleg van een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.

Artikel 5.7 Instemmingsvereiste 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders genomen instemmingsbesluit. 2.

Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door burgemeester en wethouders goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. a. de werkzaamheden moeten binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden zijn voltooid; 17

b. c. d.

3.

de werkzaamheden van niet ingrijpende aard moeten binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak zijn voltooid; het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente; behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden zijn bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, burgemeester en wethouders bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders.

Tijdens de door de gemeente vergunde evenementen geldt altijd een breekverbod. De termijnen zoals bedoeld in het tweede lid worden automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zullen burgemeester en wethouders de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren.

Artikel 5.8 Aanvragen en melden 1. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit bij burgemeester en wethouders te worden aangevraagd. 2.

In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met burgemeester en wethouders om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden.

3.

Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte.

4.

Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden moeten twee werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij burgemeester en wethouders.

5.

Spoedeisende werkzaamheden moeten voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij burgemeester en wethouders of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan.

Artikel 5.9 Gegevensverstrekking 1. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit dient gebruik te worden gemaakt van daartoe door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem. 2.

Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen;

18

d. e.

f.

g. h. i. j.

3.

vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden; een digitale tekening (PDF- en/of DWG-formaat) met BGT-ondergrond legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: 1. een opgave van het gewenste tracé; 2. een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; 3. een opgave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen. overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt: 1. binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt; 2. dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; 3. dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven.

de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen; indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de instemmingstekening weergeven.

Voor een melding, als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van het door burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem. De volgende gegevens moeten daarbij in ieder geval worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; d. de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; e. de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; In geval van spoedeisende werkzaamheden moeten tevens worden verstrekt: f. de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden; g. de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd.

Artikel 5.10 Voorschriften bij instemmingsbesluit 1. Burgemeester en wethouders kunnen in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a. de openbare orde; b. veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; 19

e.

de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten.

2.

De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken.

3.

De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten schriftelijk worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.

4.

Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij burgemeester en wethouders vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen.

Artikel 5.11 (Mede)gebruik van voorzieningen 1. Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van burgemeester en wethouders aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2.

Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist.

3.

In het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, wordt medebepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.12 Termijnen 1. De beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2.

Indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, delen burgemeester en wethouders dit aan de aanvrager mede en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel genomen kan worden.

3.

De goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen twee werkdagen.

4.

De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, met in acht name van het bepaalde in artikel 5.18, tweede lid, uiterlijk twee werkdagen nadat de melding is gedaan.

5.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

20

Artikel 5.13 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie 1. De netbeheerder is verplicht op verzoek van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk. 2.

Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling.

3.

Burgemeester en wethouders en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken.

Artikel 5.14 Overleg 1. Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. 2.

In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening.

3.

Burgemeester en wethouders stemmen af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen.

Artikel 5.15 Niet openbaar netwerk 1. Deze afdeling houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk. 2.

Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.16 Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. 2.

De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

Artikel 5.17 Toezicht en handhaving 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen. 2.

Indien burgemeester en wethouders vaststellen dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de 21

uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. 3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en hun overige wettelijke bevoegdheden zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, het instemmingsbesluit in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen indien: a. er wordt gewerkt in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; b. het instemmingsbesluit is verleend ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens; c. het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend; d. er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels; e. er wordt gewerkt in strijd met het geldende breekverbod.

Afdeling 5.4 Aansluiten op gemeentelijke riolering Artikel 5.18 Doel van de regels in deze afdeling Het doel van de regels in deze afdeling is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. Artikel 5.19 Aanleggen rioolaansluiting 1. De gemeente legt de rioolaansluiting aan tot maximaal een halve meter voorbij de perceelgrens. Het aanleggen van de rioolaansluiting en het herstel van de openbare ruimte gebeurt op kosten van de eigenaar of een andere rechthebbende op het perceel. 2.

Als in de rioolaansluiting een gemeentelijke rioolwaterpomp op het particuliere eigendom is vereist dan wordt de plaats van het eindpunt van die rioolaansluiting in afwijking van het eerste lid bepaald door de locatie van deze rioolwaterpomp op het perceel. Die locatie wordt in overleg met de eigenaar of een andere rechthebbende bepaald.

3.

De rioolaansluiting wordt beëindigd met een ontstoppingsstuk. Doorgaans wordt als ontstoppingsstuk een kunststof controleput toegepast.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de gemeente in specifieke situaties besluiten de rioolaansluiting verder dan een halve meter voorbij de erfgrens te beëindigen.

Artikel 5.20 Eigendom rioolaansluiting 1. De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting. Het ontstoppingsstuk zelf valt onder het particuliere eigendom. 2.

Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting ligt de grens in die rioolaansluiting.

3.

Als zich voor de afvoer van stedelijk afvalwater een gemeentelijke rioolwaterpomp op het particuliere eigendom bevindt en zich geen ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting bevindt ligt de grens, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter plaatse van de verbinding tussen die rioolaansluiting en de rioolwaterpomp.

22

Artikel 5.21 Kosten rioolaansluitingen De aanleg van een rioolaansluiting wordt met inbegrip van hulpstukken, aansluitingsputten, rioolwaterpomp, besturingskast, putdeksels en andere benodigde onderdelen verrekend tegen werkelijke kosten. Op verzoek van de eigenaar, een andere rechthebbende of een gemachtigde wordt een kostenraming opgesteld en verstrekt, tezamen met een akkoordverklaring. In deze kostenraming zijn de eventuele kosten voor herstel van openbare verharding, plantsoen en/of andere inrichting begrepen. Artikel 5.22 Verwijderen septic tanks De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank of zorgt dat deze septic tank wordt kortgesloten. Artikel 5.22a Planning aanleggen rioolaansluiting De gemeente legt de rioolaansluiting aan na ondertekening van de in artikel 5.21 genoemde akkoordverklaring door de eigenaar, een andere rechthebbende of een gemachtigde.

Afdeling 5.5 Hemel- en grondwater Artikel 5.23 Plicht tot afkoppelen 1. Bij het oprichten van een nieuw hoofdgebouw op een perceel geldt dat: a. hemelwater in beginsel op eigen terrein wordt opgevangen en vertraagd wordt afgevoerd; b. grondwater in beginsel op eigen terrein wordt verwerkt; c. indien afhandeling volgens lid 1a en/of lid 1b in redelijkheid niet mogelijk is en het betreffende perceel aan het oppervlaktewater grenst, het hemel- en/of grondwater hierop moet worden geloosd; d. in afwijking van lid 1c het hemel- en/of grondwater gescheiden van het overige afvalwater moet worden aangeleverd aan de perceelgrens, als het in redelijkheid niet op eigen terrein kan worden verwerkt en niet op het oppervlaktewater mag worden geloosd. 2.

3.

Bij het veranderen van een bestaand hoofdgebouw op een perceel geldt dat het college een gebied kan aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool. Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door het college worden gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. Indien het college een gebied als bedoeld in het tweede lid aanwijst geldt dat: a. het college de wijze waarop het afkoppelen plaatsvindt kan bepalen; b. het college bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing rekening houdt met het gemeentelijk rioleringsplan of programma stedelijk water en riolering; c. de gebiedsaanwijzing treedt met ingang van de 12e week na de dag waarop zij bekend is gemaakt; d. het college kan ontheffing kan verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedswijziging, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd; e. op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

23

4.

Op riolering onder druk mag geen hemelwater en/of grondwater worden aangesloten. Riolering onder druk kan daarmee worden beschouwd als een aangewezen gebied als bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 5.6 Afvalstoffen Artikel 5.24 Aanwijzing van de inzameldienst 1. Het college wijst de inzameldienst aan die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.

Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

3.

Bij het aanwijzen van de inzameldienst of andere inzamelaars, betrekt het college in zijn besluitvorming in ieder geval: a. het belang en de bescherming van het milieu; b. vastgesteld beleid van de gemeente Medemblik, waaronder tenminste het Recycleplan; c. het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen.

4.

Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt.

Artikel 5.25 Regulering van andere inzamelaars 1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door het college; b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of c. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid van de Wet milieubeheer. 2.

Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 5.24, tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.26 Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats (binnen de gemeente of binnen de gemeente waarmee wordt samengewerkt), waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 5.27 Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.25, eerste lid; b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid; of c. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5.26.

24

Artikel 5.28 Gescheiden afvalinzameling 1. Het college bepaalt: a. via welke inzamelvoorzieningen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld; b. op welke dagen en tijden huishoudelijke afvalstoffen, of categorieën daarvan ter inzameling kunnen worden aangeboden; c. de inzamelfrequentie van de verschillende categorieën van huishoudelijke afvalstoffen; d. de plaatsen waar huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. 2.

Het college kan regels stellen over: a. de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden; b. het gebruik van een van gemeentewege verstrekte inzamelvoorziening.

3.

Bij het nemen van besluiten, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, betrekt het college ten minste het Recycleplan van de gemeente Medemblik;

4.

In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: groente, fruit- en tuinafval; oud papier en karton; metaal; glas; textiel; plastic, blik en drankkartonnen (pbd); afgedankte elektrische of elektronische apparatuur; klein chemisch afval (kca).

5.

In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het vierde lid, of fracties daarvan achterwege laten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=81feedc1-7d9f-4ab6-9b19-c899a04a6315