CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

01 DOC-23-633937 - Bijlage 1: Verordening fysieke leefomgeving 2e tranche (aangepaste versie, incl. erratum + wijziging artikel 7.12 Vfl)

Gemeenteraad 26 januari 2023, gemeente MedemblikBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving 2e tranche en Algemene plaatselijke verordening 2023 (pfh. J. Broeders en D. Straat)21.156 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.

Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist.

3.

In het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, wordt medebepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.12

Termijnen

1.

De beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.

2.

Indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, delen burgemeester en wethouders dit aan de aanvrager mede en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel genomen kan worden.

3.

De goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen twee werkdagen.

4.

De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, met in acht name van het bepaalde in artikel 5.18, tweede lid, uiterlijk twee werkdagen nadat de melding is gedaan.

5.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.13

Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie

1.

De netbeheerder is verplicht op verzoek van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk.

2.

Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling. 32

3.

Burgemeester en wethouders en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken.

Artikel 5.14

Overleg

1.

Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd.

2.

In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening.

3.

Burgemeester en wethouders stemmen af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen.

Artikel 5.15

Niet openbaar netwerk

1.

Deze afdeling houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.

2.

Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.16 1.

Informatieplicht

De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen.

2.

De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

Artikel 5.17 1.

Toezicht en handhaving

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen.

33

2.

Indien burgemeester en wethouders vaststellen dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.

3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en hun overige wettelijke bevoegdheden zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, het instemmingsbesluit in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen indien: a.

er wordt gewerkt in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit;

b.

het instemmingsbesluit is verleend ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens;

c.

het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend;

d.

er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels;

e.

er wordt gewerkt in strijd met het geldende breekverbod.

Afdeling 5.4

Aansluiten op gemeentelijke riolering

Artikel 5.18

Doel van de regels in deze afdeling

Het doel van de regels in deze afdeling is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. Artikel 5.19

Aanleggen rioolaansluiting

1.

De gemeente legt de rioolaansluiting aan tot maximaal een halve meter voorbij de perceelgrens. Het aanleggen van de rioolaansluiting en het herstel van de openbare ruimte gebeurt op kosten van de eigenaar of een andere rechthebbende op het perceel.

2.

Als in de rioolaansluiting een gemeentelijke rioolwaterpomp op het particuliere eigendom is vereist dan wordt de plaats van het eindpunt van die rioolaansluiting in afwijking van het eerste lid bepaald door de locatie van deze rioolwaterpomp op het perceel. Die locatie wordt in overleg met de eigenaar of een andere rechthebbende bepaald.

3.

De rioolaansluiting wordt beëindigd met een ontstoppingsstuk. Doorgaans wordt als ontstoppingsstuk een kunststof controleput toegepast.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de gemeente in specifieke situaties besluiten de rioolaansluiting verder dan een halve meter voorbij de erfgrens te beëindigen.

34

Artikel 5.20

Eigendom rioolaansluiting

1.

De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting. Het ontstoppingsstuk zelf valt onder het particuliere eigendom.

2.

Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting ligt de grens in die rioolaansluiting.

3.

Als zich voor de afvoer van stedelijk afvalwater een gemeentelijke rioolwaterpomp op het particuliere eigendom bevindt en zich geen ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting bevindt ligt de grens, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter plaatse van de verbinding tussen die rioolaansluiting en de rioolwaterpomp.

Artikel 5.21

Kosten rioolaansluitingen

De aanleg van een rioolaansluiting wordt met inbegrip van hulpstukken, aansluitingsputten, rioolwaterpomp, besturingskast, putdeksels en andere benodigde onderdelen verrekend tegen werkelijke kosten. Op verzoek van de eigenaar, een andere rechthebbende of een gemachtigde wordt een kostenraming opgesteld en verstrekt, tezamen met een akkoordverklaring. In deze kostenraming zijn de eventuele kosten voor herstel van openbare verharding, plantsoen en/of andere inrichting begrepen. Artikel 5.22

Verwijderen septic tanks

De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank of zorgt dat deze septic tank wordt kortgesloten. Artikel 5.22a

Planning aanleggen rioolaansluiting

De gemeente legt de rioolaansluiting aan na ondertekening van de in artikel 5.21 genoemde akkoordverklaring door de eigenaar, een andere rechthebbende of een gemachtigde. Afdeling 5.5

Hemel- en grondwater

Artikel 5.23

Plicht tot afkoppelen

1. Bij het oprichten van een nieuw hoofdgebouw op een perceel geldt dat: a. hemelwater in beginsel op eigen terrein wordt opgevangen en vertraagd wordt afgevoerd; b. grondwater in beginsel op eigen terrein wordt verwerkt; c. indien afhandeling volgens lid 1a en/of lid 1b in redelijkheid niet mogelijk is en het betreffende perceel aan het oppervlaktewater grenst, het hemel- en/of grondwater hierop moet worden geloosd; 35

d. in afwijking van lid 1c het hemel- en/of grondwater gescheiden van het overige afvalwater moet worden aangeleverd aan de perceelgrens, als het in redelijkheid niet op eigen terrein kan worden verwerkt en niet op het oppervlaktewater mag worden geloosd.

2. Bij het veranderen van een bestaand hoofdgebouw op een perceel geldt dat het college een gebied kan aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool. Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door het college worden gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 3.

Indien het college een gebied als bedoeld in het tweede lid aanwijst geldt dat: a. het college kan de wijze bepalen waarop het afkoppelen plaatsvindt kan bepalen; b. het college bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt het college rekening houdt met het gemeentelijk rioleringsplan of programma stedelijk water en riolering; c. de gebiedsaanwijzing treedt in werking treedt met ingang van de 12e week na de dag waarop zij bekend is gemaakt; d. het college kan ontheffing kan verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedswijziging, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd; e. op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

4. Op riolering onder druk mag geen hemelwater en/of grondwater worden aangesloten. Riolering onder druk kan daarmee worden beschouwd als een aangewezen gebied als bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 5.6

Afvalstoffen

Artikel 5.24

Aanwijzing van de inzameldienst

1.

Het college wijst de inzameldienst aan die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

2.

Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

3.

Bij het aanwijzen van de inzameldienst of andere inzamelaars, betrekt het college in zijn besluitvorming in ieder geval: a.

het belang en de bescherming van het milieu;

b.

vastgesteld beleid van de gemeente Medemblik, waaronder tenminste het Recycleplan; 36

c. 4.

Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt.

Artikel 5.25 1.

2.

het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Regulering van andere inzamelaars

Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a.

daartoe is aangewezen door het college;

b.

bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of

c.

verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid van de Wet milieubeheer.

Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 5.24, tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.26

Aanwijzing van inzamelplaats

Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats (binnen de gemeente of binnen de gemeente waarmee wordt samengewerkt), waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 5.27

Algemene verboden

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a.

ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.25, eerste lid;

b.

over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid; of

c.

achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5.26.

Artikel 5.28 1.

Gescheiden afvalinzameling

Het college bepaalt: a.

via welke inzamelvoorzieningen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld;

b.

op welke dagen en tijden huishoudelijke afvalstoffen, of categorieën daarvan ter inzameling kunnen worden aangeboden;

37

2.

c.

de inzamelfrequentie van de verschillende categorieën van huishoudelijke afvalstoffen;

d.

de plaatsen waar huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden.

Het college kan regels stellen over: a.

de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden;

b.

het gebruik van een van gemeentewege verstrekte inzamelvoorziening.

3.

Bij het nemen van besluiten, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, betrekt het college ten minste het Recycleplan van de gemeente Medemblik;

4.

In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld:

5.

-

groente, fruit- en tuinafval;

-

oud papier en karton;

-

metaal;

-

glas;

-

textiel;

-

plastic, blik en drankkartonnen (pbd);

-

afgedankte elektrische of elektronische apparatuur;

-

klein chemisch afval (kca).

In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het vierde lid, of fracties daarvan achterwege laten.

Artikel 5.29 1.

2.

Gescheiden aanbieding

Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 5.28, anders dan afzonderlijk: a.

ter inzameling aan te bieden;

b.

achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 5.26.

Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

38

Artikel 5.30

Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 5.31 1.

Wijze en plaats van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met het door het college te stellen regels over het gebruik van: a.

inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

b.

inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

2.

Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 5.30, buiten een perceel te laten staan.

3.

Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

Artikel 5.32

Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

1.

Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 5.24.

2.

Op grond van artikel 5.34 van deze verordening kan de inzameldienst ook bedrijfsafval inzamelen bij (basis)scholen die vanuit educatief perspectief zijn aangesloten.

Artikel 5.33

Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 5.32 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.26, achter te laten. Artikel 5.34

Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

1.

Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 5.32 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

2.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

39

Artikel 5.35

Dumpingsverbod

1.

Het is verboden zonder ontheffing van het college buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

3.

a.

het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke- of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening;

b.

het composteren van huishoudelijke groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

c.

het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

d.

handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Warenwet of het Besluit bodemkwaliteit.

Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 5.36

Zwerfafval in de openbare ruimte

1.

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

2.

Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

3.

Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door anderszins te behandelen.

Artikel 5.36a 1.

Ongeadresseerd drukwerk

In dit artikel wordt verstaan onder: huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame;

40

ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis wordt verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde:

2.

a.

een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in de buurt van belang zijn om te weten;

b.

drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties.

Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan.

Artikel 5.37

Zwerfafval rondom inrichtingen

1.

Degene die een inrichting drijft waar eet- en drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

2.

Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van tenminste 25 meter van de inrichting.

3.

De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 5.38

Afval en verontreiniging op de weg

1.

Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

2.

Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 5.39

Geen opslag van afval in de open lucht.

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 5.24 t/m 5.31 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 5.40

Ontdoen van autowrakken 41

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit autowrakken.

Hoofdstuk 6

Omgevingshinder

Afdeling 6.1

Geurhinder (veehouderijen)

Artikel 6.1

Aanwijzing gebieden

1.

Als deelgebied A van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid van de Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv) wordt aangewezen de gebieden binnen de bebouwde kom, gesplitst in een deelgebied A1 (woongebieden met een stedelijk karakter) en een deelgebied A2 (woongebieden met een landelijk karakter), zoals weergegeven op de kaart die als bijlage bij deze verordening is gevoegd en daar deel van uitmaakt.

2.

Als deelgebied B van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Wgv wordt aangewezen het gehele gebied buiten de bebouwde kom binnen de gemeente Medemblik.

3.

Voor de aangewezen gebieden zoals aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt verwezen naar de kaart die als bijlage bij deze verordening is gevoegd en daar deel van uitmaakt.

Artikel 6.2 1.

Andere waarden voor de afstand

In afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object:

in het deelgebied A2 ten minste 50 meter, mits: a.

het rundvee ten minste 120 dagen en minimaal zes uur per dag weidegang krijgt, of het rundvee wordt gehuisvest in een emissiearm dierenverblijf, dat voldoet aan de maximale emissiewaarde als bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij;

b.

niet meer dan 200 stuks rundvee, exclusief bijbehorend jongvee, of 50 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

in het deelgebied B ten minste 25 meter, mits: a.

bij een uitbreiding van het bestaand huisvestingssysteem het aantal dierplaatsen voor melkrundvee als gevolg van de uitbreiding met niet meer dan 20 toeneemt ten opzichte van het aantal dat aanwezig was vóór 1 januari 2007;

b.

in de inrichting uitsluitend rundvee in een bestaand huisvestingssysteem wordt gehouden of ten hoogste 50 overige landbouwhuisdieren. 42

2.

Onverminderd bestaande rechten krachtens de milieuwetgeving geldt in afwijking van artikel 4.1 van de Wgv een afstand tussen een rundveehouderij met meer dan 200 stuks rundvee en een geurgevoelig object zoals weergegeven in onderstaande tabel: Aantal stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee)

201 250

251 300

301 350

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A1

125 m

150 m

175 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A2 als niet voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2 lid 1 onder a

125 m

150 m

175 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A2 indien voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2 lid 1 onder a

75 m

100 m

125 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied B als niet voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2 lid 1 onder a

75 m

100 m

125 m

Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied B indien voldaan wordt aan de eisen van art. 6.2. lid 1 onder a

50 m

75 m

100 m

Indien meer dan 350 stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee) worden gehouden, moeten de afstanden in de laatste kolom voor iedere verhoging met maximaal 50 stuks rundvee met 25 meter worden vergroot. 43

Afdeling 6.2

Geluidhinder

Artikel 6.3

Aanwijzing collectieve festiviteiten

1.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a 2.19, 2.19a 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.

Het college kan voorwaarden stellen aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

3.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

4.

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer kernen van de gemeente Medemblik.

5.

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

6.

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

7a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7b

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A)en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.

8a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

8b.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

9.

De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9a.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening, uiterlijk om 00.00 uur 44

beëindigt dan wel het tijdstip zoals opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29, lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening, te worden beëindigd. 10.

Bij het ten gehore brengen van muziekgebruik blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.4

Aanwijzing incidentele festiviteiten

1.

Het is een inrichting in de kern Medemblik toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

2.

Voor de overige kernen in de gemeente Medemblik geldt een maximum van 12 dagen of dagdelen individuele festiviteiten per kalenderjaar.

3.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan het college in kennis heeft gesteld.

4.

De directeur van de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

5.

Aan de kennisgeving wordt voldaan, wanneer het formulier, volledig en naar waarheid is ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die aangegeven staat op het formulier.

6.

Aan de kennisgeving wordt tevens geacht te zijn voldaan, wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die rederlijkwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

7a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7b.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A) gemeten binnen woningen.

8a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 75 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

45

8b.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C) gemeten binnen woningen.

9.

De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9a.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening uiterlijk om 00.00 uur dan wel het tijdstip zoals is opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29 lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening te worden beëindigd.

10.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.5

Geluidsplafond

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidshinder bij collectieve- of incidentele festiviteiten. Artikel 6.6 1.

Het ten gehore brengen van onversterkte muziek

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.

de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

b.

de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein;

c.

de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder;

d.

bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in onderstaande tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

Tabel

46

LAr,LT

7.00 - 19.00 uur

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 7.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55dB(A)

50dB(A)

45dB(A)

LCr,LT

7.00 - 19.00 uur

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 7.00 uur

LCr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

60 dB(C)

55 dB(C)

50 dB(C)

LCr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

45 dB(C)

40 dB(C)

35 dB(C)

LAcmax op de gevel van gevoelige gebouwen

80 dB(C)

75 dB(C)

70 dB(C)

LAcmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

65 dB(C)

60 dB(C)

55 dB(C)

2.

Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

3.

Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 47

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.4 van deze verordening.

Artikel 6.7

Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht

1.

Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, of machine in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

3.

Onverkort het gestelde in dit artikel of in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken.

4.

Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud of onderhoud aan spoorwegen onder de voorwaarden dat:

5.

a.

deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren;

b.

de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder; en

c.

de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19.00 uur en 07.00 uur niet meer bedraagt dan LAr,LT = 75 dB(A).

a.

Het verbod is niet van toepassing op inrichtingen, die daarvoor een vergunning hebben.

b.

Het verbod is niet van toepassing op de bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden.

c.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of bij een besluit waar specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting.

Artikel 6.7a

Geluidhinder van knalapparaten

1.

Het is verboden om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag knalapparaten te gebruiken om vogels en wild te verjagen;

2.

Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de voorwaarden die aan de melding en aan het gebruik van knalapparatuur worden gesteld;

3.

Het college kan een ontheffing verlenen indien niet aan de vereisten van een melding kan worden voldaan.

48

Artikel 6.8

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Afdeling 6.3

Lichthinder (Gereserveerd)

Afdeling 6.4

Vuur(werk)

Artikel 6.9

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden. Artikel 6.10

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

1.

Het is enkel toegestaan om consumentenvuurwerk te gebruiken binnen de in het Vuurwerkbesluit aangegeven tijdsperiode, met uitzondering van door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, hinder en overlast aangewezen vuurwerkvrije zones.

2.

Het is verboden om consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, hinder of schade kan veroorzaken.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 6.11

Verbod carbidschieten

1.

Het schieten met carbid is verboden.

2.

Het college kan, ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het eerste lid niet van toepassing is.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

4.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

49

Artikel 6.12

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1.

Ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur is het verboden om zonder omgevingsvergunning in de openlucht afvalstoffen te verbranden, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2.

Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a.

verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.

sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en vuren ten behoeve van hottubs; en/of

c.

vuur voor koken, bakken en braden, mits, geen afvalstoffen worden verbrand en er geen sprake is van gevaar, hinder en/of overlast voor de omgeving.

3.

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur.

4.

Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is (ook) niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º en 3º, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening NH2020.

Afdeling 6.5

Ontsiering en stankoverlast

Artikel 6.13

Plakken en kladden

1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanpakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; of

b.

met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3.

Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.

Het college kan plaatsen aanwijzen waar aanplakborden mogen worden geplaatst voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, mits het betreft het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen én geen handelsreclame betreft.

5.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. 50

Artikel 6.14

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Vervallen. Artikel 6.15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor er ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of waardoor het verkeer in gevaar komt.

Artikel 6.16

Gevelreiniging en -werkzaamheden

1.

In dit artikel wordt onder gevelreiniging verstaan het met behulp van schoonmaakapparatuur verwijderen van aanslag, verf, conserveerlagen of van enig andere dergelijke stof van gevels, muren, daken, puien, bruggen, viaducten, pijlers of andere vergelijkbare oppervlakten.

2.

Alle overige werkzaamheden, anders dan gevelreiniging, die in de uitoefening van een bedrijf en met behulp van apparatuur aan de gevel plaatsvinden vallen eveneens onder de reikwijdte van dit artikel.

3.

Het is verboden om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd bestuursorgaan gevels te reinigen of gevelwerkzaamheden te verrichten:

4.

a.

als daardoor de bescherming van het milieu, door stof-, nevel- of geluidsoverlast in gevaar wordt gebracht; en

b.

als niet wordt voldaan aan de hiervoor vastgestelde voorwaarden.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de voorwaarden die aan de melding en aan de werkzaamheden worden gesteld.

Artikel 6.17

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten de daarvoor bestemde plaatsen.

Hoofdstuk 7

Buitenruimte

Afdeling 7.1

Wegen

Artikel 7.1

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

51

1.

Het is verboden zonder schriftelijke melding aan burgemeester en wethouders objecten te plaatsen op of aan een openbare plaats en daarmee de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie en bescherming daarvan.

2.

De meldingsplicht geldt als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, onder j en k van de Wabo of de opvolgende regeling onder de Omgevingswet.

3.

De meldingsplicht is niet van toepassing op: a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Apv;

b.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling het gebruik van een openbare plaats is toegestaan;

c.

in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening NH2020.

4.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, reclameborden, plantenbakken, banken, terrassen en laadpalen. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen een openbare plaats aanwijzen als gebied waarin geen objecten geplaatst mogen worden.

Artikel 7.2

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat er een onveilige fysieke leefomgeving ontstaat, het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op een andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 7.3

Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard en breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2.

Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening NH2020, de Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier of de Telecommunicatiewet.

52

4.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.4 1.

2.

Maken of veranderen van een uitweg

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgmeester en wethouders: a.

een uitweg te maken naar de weg;

b.

van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c.

verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; of

d.

het gebruik van een uitweg te veranderen.

De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a.

de bruikbaarheid van de weg;

b.

het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c.

de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; of

d.

de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

3.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier en de Omgevingsverordening NH2020.

4.

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg.

Afdeling 7.2

Water

Artikel 7.5

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1.

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

53

3.

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Omgevingsverordening NH2020 of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 7.6

Ligplaats voor vaartuigen, niet zijnde woonschepen

1.

Onverminderd het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement is het de rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, verboden hiermee een ligplaats in te nemen buiten een steiger of een aanmeervoorziening.

2.

Het is verboden bij het aanmeren bij een steiger of aanmeervoorziening, zoals bedoeld in het eerste lid, overlast te veroorzaken, de verkeersvrijheid of -veiligheid, de milieuhygiëne of de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in gevaar te brengen of aan te tasten.

3.

Het is verboden een ligplaats in te nemen met een vaartuig dat in de lengte meer dan 1 meter uitsteekt buiten de steiger of aanmeervoorziening.

4.

Indien de in het voorgaande lid bedoelde aanmeervoorziening bestaat uit een meerpaal geldt het verbod op het innemen van een ligplaats voor vaartuigen die langer zijn dan 6 meter.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van een van gemeentewege gerealiseerde passantensteiger.

Artikel 7.7

Recreatie in open water

Vervallen. Artikel 7.8

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 7.9

Veiligheid op of in het water

1.

Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening NH2020. 54

Artikel 7.10

Motorboten, jetski’s en waterscooters

1.

In verband met de veiligheid van zeilers en surfers is het verboden zich met een motorboot, jetski en waterscooter te bevinden op de botenhelling, gelegen aan de Vooroever nabij het Internationaal Zeilwedstrijdcentrum in Medemblik.

2.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen van toepassing is.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 7.11

Overlast van vaartuigen

1.

Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7.3

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 7.12

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1.

2.

3.

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstanden te vellen: a.

houtopstanden die vermeld staan op de lijst met waardevolle en monumentale bomen (bijlage 3 bomenlijst);

b.

houtopstanden in de openbare ruimte van de gemeente Medemblik.

Een vergunningsplicht zoals genoemd in lid 1 a en b van dit artikel geldt niet voor: a.

houtopstand(en) buiten de bebouwde kom die beschermd zijn op grond van Hoofdstuk 4, artikel 4.1 t/m 4.9 van de Wet Natuurbescherming;

b.

houtopstanden die moeten worden geveld krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;

c.

periodiek knotten, kandelaberen of kandelaren als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen, gekandelaarde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; en

d.

dunnen van een houtopstand.

Een vergunning kan door het bevoegd gezag worden geweigerd op grond van onder andere:

55

a.

alternatieven waarbij de houtopstand kan worden gespaard;

b.

natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

c.

landschappelijke waarde van de houtopstand;

d.

waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

e.

beeldbepalende waarde van de houtopstand;

f.

cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

g.

waarde van de houtopstand voor de recreatie en leefbaarheid; en

h.

concreetheid en haalbaarheid van het project.

4.

Onder belang van verlening kan vallen een situatie waarbij naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van ernstige overlast.

5.

De vergunning tot vellen vervalt 1 jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning, tenzij het bevoegd gezag een langere termijn, tot een maximum van 3 jaar, noodzakelijk acht vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn.

Artikel 7.12a

Acuut gevaar, spoedeisend belang

Het eerste lid van artikel 7.12 is niet van toepassing als het bevoegd gezag toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met spoedeisend belang voor de openbare orde of een acuut gevaar voor personen of goederen. Artikel 7.12b

Bijzondere voorschriften

1.

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen moet worden herplant.

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3.

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden over het werken rondom de te handhaven houtopstanden.

Artikel 7.12c 1.

Herplant- en instandhoudingsplicht

Indien een, op grond van artikel 7.12 van deze verordening, beschermde houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op ernstige wijze is beschadigd waardoor deze in het voortbestaan wordt bedreigd kan het bevoegd gezag de verplichting tot herplant opleggen.

56

Deze herplant moet uitgevoerd worden overeenkomstig de door hen te geven specificaties en aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan:

2.

a.

de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan;

b.

degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.

Onder de in eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

Artikel 7.13 1.

Bestrijding van boomziekten

Indien zich op een terrein een of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals bacteriën, schimmels en insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a.

houtopstand(en) te vellen of te doen vellen;

b.

conform richtlijnen van het bevoegd gezag de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

2.

Het is verboden gevelde houtopstand(en) of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Indien er voor de betreffende boomziekte landelijke erkende protocollen zijn opgesteld moet volgens dit protocol worden gehandeld.

3.

Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid gestelde verbod.

4.

Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van de aangeschrevene, door of namens het bevoegd gezag kunnen worden verricht.

Artikel 7.13a Bescherming publieke houtopstand 1.

2.

Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn: a.

te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

b.

daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door het bevoegd gezag opgedragen boomverzorgende taken.

Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens een ontheffing van het college.

57

3.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 7.13b

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters indien het bomen, heggen en heesters betreft op of aan de openbare weg of een openbaar water, grenzende aan een ander erf.

Artikel 7.13c

Toezicht

1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 7.12a en 7.12b zijn belast de medewerkers van de afdeling Buitendienst.

2.

Voorts is het bepaalde in artikel 9.2 van deze verordening van toepassing.

Afdeling 7.4

Evenementen (Gereserveerd)

Afdeling 7.5

Markten en standplaatsen

Artikel 7.14

Inrichting van de markt en de branche-indeling

1.

2.

Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a.

het aantal standplaatsen;

b.

de afmetingen van de standplaatsen;

c.

de opstelling en indeling van de markt;

d.

welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerker plaats.

Het college kan voor de markt vaststellen: a.

een lijst met artikelengroepen of branches;

b.

een maximumaantal standplaatsen per branche.

Artikel 7.15

Nadere regels

Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over markten welke overeenkomstig de bepalingen van de Gemeentewet door het college zijn of worden vastgesteld. 58

Artikel 7.16

Standplaatsvergunning

Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Artikel 7.17

Vereisten

Voor de toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college. Artikel 7.18 1.

2.

3.

Intrekking vaste standplaatsvergunning

Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: a.

op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;

b.

bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik de vergunning wordt overgeschreven.

Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: a.

indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 7.17 genoemde vereisten.

Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

Artikel 7.19

Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 7.18 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a.

het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

b.

zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of

c.

niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de Marktgeldverordening.

Artikel 7.20

Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker 59

Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerker plaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerker plaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a.

het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;

b.

zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

c.

niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de Marktgeldverordening.

Artikel 7.21

Onmiddellijke verwijdering

Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: a.

het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

b.

zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog.

Artikel 7.22

Toezicht markt

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde van de artikelen over de markt zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. Artikel 7.23

Voorschriften en beperkingen

1.

Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan markt- en standplaatsvergunningen, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de markten standplaatsvergunning is vereist.

2.

Degene aan wie een markt- of standplaatsvergunning is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.

Artikel 7.24

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Afdeling 7.6

Standplaatsen buiten de markt

Artikel 7.25

Definitie

1.

In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op of aan de openbare weg en in de openbare ruimte gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of

60

afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruik makend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.

Onder standplaats wordt niet verstaan: a.

een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

b.

een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2022.

Artikel 7.26

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2.

Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, Beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3.4 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als: a.

de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

b.

een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

4.

Het college kan plaatsen aanwijzen en nadere regels stellen voor het innemen van een standplaats.

5.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 7.27

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 7.28

Afbakeningsbepalingen

1.

Artikel 7.26 eerste lid van deze verordening, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening NH2020.

2.

De weigeringsgrond van artikel 7.26, derde lid, onder a van deze verordening, is niet van toepassing voor bouwwerken. 61

Afdeling 7.7

Begraafplaatsen

Artikel 7.29

Grafkelder

1.

De rechthebbende op een particulier graf kan van het college vergunning krijgen tot het daarin voor eigen rekening en risico doen aanbrengen van een grafkelder.

2.

Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over begraafplaatsen.

3.

Vergunning voor een grafkelder kan worden gewijzigd, ingetrokken of geweigerd indien: a. de duurzaamheid van de gebruikte materialen onvoldoende is; b. de fundering en constructie onvoldoende veilig is; c. ter verkrijging van de vergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; d. de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen; e. van de vergunning geen gebruik gemaakt wordt binnen de daarin gestelde termijn; f.

de houder van de vergunning dit verzoekt; of

g. het college om redenen van beheer technische aard dit wenselijk of noodzakelijk acht. Artikel 7.30

Vergunning grafbedekking

1.

Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college.

2.

De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan.

3.

Het college kan de vergunning weigeren indien: a.

niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het tweede lid;

b.

de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;

c.

de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; of

d.

de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=1bd5d4bf-1ef1-4899-8b2d-09a6cef2fd16