CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

01 DOC-21-388624 - Bijlage 1 - Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststellen beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers (pfh. H. Nederpelt)13.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen ‘Beleidsregels huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik’

Inleiding Het ontwerpbeleid ‘huisvesting buitenlandse werknemers’ heeft acht weken lang voor eenieder ter inzage gelegen in de periode vanaf 10 december 2020 tot 4 februari 2021. Deze nota behandelt de zienswijzen die zijn ingediend op het ontwerpbeleid. Allereerst worden in een algemene reactie zaken besproken die in meerdere zienswijzen ter sprake komen en/of waarvoor de behoefte bestaat om meer duidelijkheid te scheppen. Vervolgens worden de 17 ingekomen zienswijzen beantwoord. Daarbij wordt in sommige gevallen verwezen naar de algemene reactie en/of naar eerdere beantwoording van afzonderlijke zienswijzen. Tenslotte geven we aan waar sprake is van ambtshalve wijzigingen in het beleid.

Algemene reactie 1. Tijdelijke of permanente vergunningen voor huisvesting van buitenlandse werknemers In het beleid is de voorwaarde opgenomen dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend, waarna de huisvesting definitief moet zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing moet zijn verwijderd. Diverse zienswijzen gaan in op de tijdelijkheid die in het ontwerpbeleid is opgenomen. Men ziet liever geen termijn of een veel langere termijn. Ondertussen krijgen we ook aanvragen juist voor tijdelijke units, omdat deze niet aan de BENG-eisen (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen) en redelijke eisen van welstand hoeven te voldoen, of omdat het gaat om het invullen van een tijdelijke arbeidsbehoefte bij een bedrijf. Het merendeel van de kernraden gaf tijdens de bijeenkomst voorafgaand aan het opstellen van het ontwerpbeleid aan dat zij de bebouwing graag zien verdwijnen na afloop van de instandhoudingstermijn van de vergunning. Kwantitatief onderzoek van Decisio laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is (bron: Actualisatie cijfers arbeidsmigranten Noord-Holland Noord, 21 april 2021). De laatste prognoses voor Westfriesland laten een jaarlijkse groei van het aantal buitenlandse werknemers zien tussen de 3% en de 5% tot 2030. In absolute aantallen betekent dit een groei van tussen de 5510 en 9880 werknemers tussen 2019 en 2030.

Ook de provincie ziet de vraag naar de huisvesting niet als een tijdelijke maar als een permanente vraag, maar geeft ons tevens aan dat de gemeente de vrijheid heeft om tijdelijke vergunningen te verlenen. Conclusie/aanpassing: Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en onderbouwd door het kwantitatief onderzoek van Decisio, schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Door dit te doen scheppen wij de mogelijkheid om zowel permanente, als tijdelijke vergunningen te verlenen. Zo kunnen wij aan de voorkant, in overleg met initiatiefnemers bezien of een tijdelijke of permanente vergunning het meest passend is bij het initiatief dat voorligt. Hiermee kunnen wij maatwerk leveren. Wij hechten veel waarde aan kwalitatief goede huisvesting. Wij benadrukken dat de in het beleid opgenomen algemene voorwaarden, zoals een goede landschappelijke inpassing en het voldoen aan het SNF keurmerk, op zowel tijdelijke als permanente vergunningaanvragen van toepassing zijn. Daarnaast maken wij in het geval van tijdelijke vergunningen duidelijke afspraken met initiatiefnemers over de instandhoudingstermijn en het beëindigen van de 1

huisvesting en de daartoe opgerichte bebouwing na afloop van de termijn. Het vastleggen van duidelijke afspraken over de bouw en het gebruik van de huisvesting is opgenomen in de algemene voorwaarden onder punt 5. 2. Bouwen buiten agrarische bouwvlakken In het ontwerpbeleid is opgenomen dat we ook mogelijkheden willen bieden voor het bouwen van werknemersverblijven direct aansluitend aan het agrarisch bouwvlak. De gedachte daarachter is het kunnen bieden van flexibiliteit en maatwerkoplossingen voor agrarische ondernemers. Hiervoor zijn drie redenen te noemen: a. Geen ruimte meer binnen het bestaande bouwperceel, en verdere vergroting van het bouwperceel niet (meer) mogelijk; b. Bedrijfstechnische redenen. Bijvoorbeeld als plaatsing binnen het bouwvlak de lichtinval in een kas belemmert; c. Waarborgen voldoende woon- en leefklimaat voor buitenlandse werknemers. Soms kan door plaatsing van het werknemersverblijf direct aansluitend aan een bouwvlak een beter woon- en leefklimaat voor de werknemers gerealiseerd worden. Zowel de provincie als LTO hebben een zienswijze ingediend tegen het bouwen buiten bouwvlakken. LTO is bang dat de huisvesting daardoor apart kan worden verkocht en daarmee de naastgelegen agrarische bedrijfsvoering kan belemmeren. LTO droeg dit punt ook aan tijdens de bijeenkomst voorafgaand aan het vaststellen van het ontwerpbeleid.

Op dat moment is toegelicht dat de huisvesting gekoppeld is aan de agrarische hoofdactiviteit ter plaatse. Stopt een agrarisch bedrijf, dan ontstaat er strijdig gebruik en kan de vergunning worden ingetrokken. Als het agrarisch bedrijf wordt overgenomen door een ander agrarisch bedrijf, dan is er geen sprake van strijdig gebruik. De vergunning kan dan aan de nieuwe eigenaar overgedragen worden (2.25 Wabo), mits het agrarische bedrijf ter plaatse ook wordt voortgezet. De provincie houdt vast aan de Omgevingsverordening, waarin staat dat huisvesting alleen mag plaatsvinden binnen agrarische bouwvlakken. Het opnemen van de mogelijkheid om buiten bouwvlakken huisvesting te realiseren is strijdig met provinciaal beleid. Conclusie/aanpassing: Op basis van de ingediende zienswijzen van zowel LTO al de provincie, schrappen wij de mogelijkheid dat ook buiten het bouwvlak huisvesting mag plaatsvinden.

3. Huisvesten op bedrijventerreinen In het ontwerpbeleid bieden we beperkt mogelijkheden voor huisvesting op bedrijventerreinen tot 50 personen. Door een in november 2020 aangenomen amendement is dit nog verder beperkt door dit alleen mogelijk te maken voor personeel dat werkzaam is bij de onderneming die de huisvesting aanvraagt en op het terrein van de hoofdvestiging van het betreffende bedrijf. De huisvesting bij agrarische bedrijven loopt in beginsel goed. Huisvestingsoplossingen voor niet-agrarische bedrijven zijn op dit moment onvoldoende voorhanden. Hierdoor vindt vaak huisvesting plaats op minder gewenste plaatsen, zoals in reguliere woningen of op 2

recreatieparken. De huisvesting op bedrijventerreinen is niet onmogelijk, maar is milieutechnisch gezien lastiger in te passen. Mogelijkheden liggen hier in de short-stay huisvesting op bedrijventerreinen met minder zware milieu categorieën. De meningen over huisvesting op bedrijventerreinen zijn verdeeld. Er zijn voorstanders, maar ook (felle) tegenstanders. De provincie is geen voorstander van huisvesting op bedrijventerreinen, omdat bedrijventerreinen zijn bedoeld voor het vestigen van bedrijven. De provincie ziet graag dat gemeenten eerst kijken naar andere oplossingen. Zo lang bedrijventerreinen niet verouderd, of overbodig zijn, zijn ze nodig voor bedrijven. Dit wordt onderschreven door de “Behoefteraming Werklocaties Noord-Holland Noord” (Stec Groep, 14 januari 2021): In Westfriesland is het aanbod aan bedrijventerreinen kleiner dan de vraag. De komende jaren is er behoefte aan extra bedrijventerreinen. Toch zijn er in het land diverse voorbeelden van huisvesting op bedrijventerreinen, zoals in Waalwijk waar aan de rand van een bedrijventerrein een campus wordt ontwikkeld voor huisvesting van 400 werknemers. Uitgangspunt in dit beleid is het bieden van mogelijkheden voor short-stay huisvesting op het terrein van het bedrijf dat de huisvesting aanvraagt.

Wij vinden huisvesting op bedrijventerreinen altijd maatwerk, vanwege de beperkte ruimtelijke en milieutechnische regels die er al zijn. Bovendien blijkt uit de recente behoeftenraming dat het aanbod aan bedrijventerreinen kleiner is dan de vraag. Wij passen daarom het aantal te huisvesten personen niet aan. Conclusie/aanpassing: Omdat de regel “alleen huisvesten voor personeel dat werkzaam is bij de onderneming die de huisvesting aanvraagt en op het terrein van de hoofdvestiging van het betreffende bedrijf” in het ontwerpbeleid onduidelijk is geformuleerd, passen wij deze regel aan in: “Alleen voor personeel dat werkzaam is bij het bedrijf waar de huisvesting plaatsvindt, waarbij huisvesting een nevenactiviteit is”. Ook de toelichting passen wij op dit punt aan. Voor achtergrond en nadere motivering van deze wijziging verwijzen wij u naar de ambtshalve wijzigingen in het beleid onder punt 1.

4. Integraal stuk: ook zaken met een andere (wettelijke) grondslag opgenomen in dit beleid Dit beleid gaat over het mogelijk maken van huisvesting voor buitenlandse werknemers. Wij constateerden bij de evaluatie van het huidige beleid (rapport ‘Huisvesting van buitenlandse werknemers in Medemblik, een evaluatie van het gemeentelijk beleid, Rigo, 10 september 2019) dat de informatievoorziening richting initiatiefnemers en omwonenden beter kan. Dat is de reden dat wij in dit beleid ook aandacht besteden aan andere zaken, die spelen rondom de huisvesting van buitenlandse werknemers. Initiatiefnemers weten dan dat er meer komt kijken bij het huisvesten van buitenlandse werknemers dan alleen het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het huisvesten van werknemers. Hiermee voorkomen we dat initiatiefnemers achteraf voor verrassingen komen te staan. Conclusie/aanpassingen: In november 2020 bracht de Raad van State een advies uit over de mogelijkheden die het huidige Europese Unierecht biedt om op nationaal niveau aanvullende regels te stellen op het terrein van arbeidsmigratie binnen de Europese Unie. Wij hebben op grond van dit 3

advies enkele aanpassingen gedaan in het beleid en de toelichting op het beleid, namelijk het nader duiden van de relatie met de Unierechtelijke regels, en een uitgebreider onderbouwing van de ruimtelijke aspecten die een rol spelen bij de inpassing van huisvesting van buitenlandse werknemers. Hierbij motiveren we ook de in het beleid opgenomen aantallen huisvestingsplekken. Daarnaast geven we in het beleid en de toelichting van het beleid aan, welke grondslag van toepassing is als deze niet in dit beleid ligt. De Verblijfsrichtlijn beperkt de mogelijkheid om, gedurende de eerste drie maanden, de registratie van werknemers die uit andere lidstaten afkomstig zijn, verplicht te stellen. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat registratie in de RNI verplicht is. Overigens is registratie in de RNI wel nodig om een Burgerservicenummer te kunnen krijgen, wat een werkgever nodig heeft voor de loonadministratie en de loonheffingen van de belastingdienst. We gaan er dus van uit dat registratie in de RNI ook voor personen die minder dan drie maanden komen werken, zal plaatsvinden. Anders werken die personen illegaal. Wij verduidelijken de toelichting op dit punt. Dit beleid biedt geen grondslag voor inschrijving in de gemeentelijke Basisregistratie Personen (hierna BRP). De wettelijke grondslag is gelegd in de Wet BRP (artikel 2.38).

Wij nemen deze grondslag op in de beleidsregels en in de toelichting op de beleidsregels. Het beleid regelt niet dat er een verblijfsregister (ook wel nachtregister genoemd) moet worden bijgehouden. Artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat een verblijfsbieder verplicht is om een register bij te houden van personen aan wie nachtverblijf wordt geboden. Wij nemen deze grondslag op in de beleidsregels en in de toelichting op de beleidsregels. Het heffen van verblijfsbelasting heeft geen grondslag in dit beleid. Dit is opgenomen in de gemeentelijke “Verordening op de heffing en invordering van verblijfsbelasting gemeente Medemblik 2020”. Wij nemen deze grondslag op in de toelichting op de beleidsregels.

5. Dossier huisvesting buitenlandse werknemers op Rijksniveau: aanbevelingen Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten De huisvesting van buitenlandse werknemers is een buitengewoon complexe opgave. Het vraagstuk kent vele verschillende facetten en speelt op verschillende schaalniveaus: van lokaal tot rijksniveau. Kijk hiervoor alleen al naar de twee rapporten met aanbevelingen die door het landelijke Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten zijn opgesteld. Naast de complexiteit van het vraagstuk is het ook actueel en urgent. De Coronacrisis maakt ons eens te meer duidelijk dat buitenlandse werknemers een kwetsbare groep vormen in onze samenleving, waarbij dubbele afhankelijkheid, uitbuiting en slechte huisvesting op de loer liggen. Wij hebben kennis genomen van de rapporten van het ‘Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten’ en de kabinetsreactie op deze rapporten. Duidelijk is dat de thematiek zich niet beperkt tot alleen de vraag naar meer kwalitatief goede huisvesting. Ook is duidelijk dat dit vraagstuk niet morgen opgelost is. Daarnaast zijn veel zaken vooruitgeschoven naar het volgende kabinet. Minister Koolmees gaf in het algemeen overleg over arbeidsmigratie op 3 februari 2021 aan: “De komende formatie is dus eigenlijk het ideale moment om al die dingen bij elkaar te pakken; zowel de commissie van de heer Roemer, de commissie-Borstlap, 4

het advies van de WRR en hopelijk ook een SER-middellangetermijnadvies van de sociale partners. Dan kun je zeggen: over de hele arbeidsmarkt gaan we die kant op. Ik voorspel u ook dat we dan nog wel tien jaar bezig zijn. Dus mijn opvolger, diens opvolger en die opvolger daarna hebben hier nog een hele kluif aan, omdat er veel fundamentele vraagstukken voorliggen die om een antwoord vragen.” Gezien de urgentie en het huidige tekort aan goede huisvestingsplekken is het onverantwoord om dit beleidsvormingsproces nu stil te leggen. Daarbij is beleid nooit in beton gegoten. Wij volgen de ontwikkelingen in Den Haag op de voet. We bouwen een evaluatiemoment in als het nieuwe beleid twee jaar in werking is.

5

Beantwoording zienswijzen Bij de beantwoording van de zienswijzen geven we eerst een samenvatting van de ingediende zienswijze. Daarna volgt de gemeentelijke reactie op de zienswijze. Tenslotte geven we onder het kopje ‘voorstel’ aan in hoeverre de zienswijze aanleiding geeft tot een aanpassing van het beleid.

1. Zienswijze reclamant 1 (DOC-20-333472) Zienswijze: 1. Inschrijven en registreren lijkt niet nodig, omdat medewerkers (zeer) kort aan het werk zijn op de bedrijven. Laten we geen onnodige administratieve lasten en kosten toevoegen. Reclamant verzoekt dit punt te laten vallen, en de beheerder zelf de administratie te laten doen. 2. Reclamant verzoekt de termijn van vergunnen tot maximaal 20 jaar los te laten. 3. Riolering is in de polderomgeving niet gebruikelijk. Dit zal opgelost moeten worden met bestaande alternatieven, zoals sceptic tanks. Reactie: 1. a. De verplichting tot het inschrijven vindt zijn grondslag in de Wet BRP en niet in dit beleid. Dit beleid wijst initiatiefnemers er alleen op dat deze plicht bestaat: Verplichting tot inschrijven in de BRP is wanneer buitenlandse werknemers in een periode van 6 maanden, langer dan 4 maanden in Nederland verblijven (artikel 2.38 wet BRP). b. De verplichting tot het bijhouden van een verblijfsregister vindt zijn grondslag in het Wetboek van Strafrecht (artikel 438). c. Registratie vindt plaats in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) en kan op basis van de Verblijfsrichtlijn niet afgedwongen worden bij verblijf korter dan drie maanden. Registratie is echter wel noodzakelijk voor het verkrijgen van een Burgerservicenummer. Zie ook de algemene reactie onder punt 4. 2.

Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 3. Riolering is in het buitengebied inderdaad niet gebruikelijk. De wijze van omgaan met (huishoudelijk) afvalwater hangt in het buitengebied af van de omvang van de lozing én de afstand tot de dichtstbijzijnde (buis)riolering. In de toelichting van het beleid is daarom aangegeven dat dit een aspect is waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Wij verduidelijken de tekst in de toelichting. Voorstel: 1. a. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels. In paragraaf 4.3 van de toelichting van het beleid verduidelijken we dat de verplichting tot inschrijven al bestaat en zijn grondslag heeft in andere regelgeving. b. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels en in paragraaf 4.3 van de toelichting. c. Wij schrappen de verplichting tot registratie in de RNI uit de beleidsregels. Wij verduidelijken de tekst over registreren in paragraaf 4.3 van de toelichting.

6

2. Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”. 3. Wij verduidelijken de tekst onder het kopje ‘Omgaan met afvalwater’ in paragraaf 4.1 van de toelichting.

2. Zienswijze reclamant 2 (DOC-20-333700) Zienswijze: Reclamant denkt dat het beleid er aardig op begint te lijken, en geeft de volgende punten mee: 1. Inschrijven en registreren is niet nodig. Dit leidt tot onnodige administratieve lasten voor beide partijen en kosten voor de werknemer. 2. Verzoekt de termijn van vergunnen tot maximaal 20 jaar los te laten. 3. a. Riolering is in de polderomgeving niet gebruikelijk. De kosten komen waarschijnlijk voor de aanvrager en dat vindt reclamant niet terecht. b. Riool hoort een nutsvoorziening te zijn en dus door de gemeente aangelegd. Reactie: 1. a. De verplichting tot het inschrijven vindt zijn grondslag in de Wet BRP en niet in dit beleid. Dit beleid wijst initiatiefnemers er alleen op dat deze plicht bestaat: Verplichting tot inschrijven in de BRP is wanneer buitenlandse werknemers in een periode van 6 maanden, langer dan 4 maanden in Nederland verblijven (artikel 2.38 wet BRP). b. De verplichting tot het bijhouden van een verblijfsregister vindt zijn grondslag in het Wetboek van Strafrecht (artikel 438). c. Registratie vindt plaats in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) en kan op basis van de Verblijfsrichtlijn niet afgedwongen worden bij verblijf korter dan drie maanden. Registratie is echter wel noodzakelijk voor het verkrijgen van een Burgerservicenummer. Zie ook de algemene reactie onder punt 4. 2.

Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 3. a. Riolering is in het buitengebied inderdaad niet gebruikelijk. De wijze van omgaan met (huishoudelijk) afvalwater hangt in het buitengebied af van de omvang van de lozing én de afstand tot de dichtstbijzijnde (buis)riolering. In de toelichting van het beleid is daarom aangegeven dat dit een aspect is waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Wij verduidelijken de tekst in de toelichting. b. De kosten voor de eerste aanleg van riolering komen in beginsel altijd voor rekening van de aanvrager. Overigens rekenen NUTS-bedrijven ook eenmalige kosten voor een nieuwe aansluiting, terwijl zij die aansluiting aanleggen. Voorstel: 1. a. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels. In paragraaf 4.3 van de toelichting van het beleid verduidelijken we dat de verplichting tot inschrijven al bestaat en zijn grondslag heeft in andere regelgeving. b. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels en in paragraaf 4.3 van de toelichting. 7

c. Wij schrappen de verplichting tot registratie in de RNI uit de beleidsregels. Wij verduidelijken de tekst over registreren in paragraaf 4.3 van de toelichting. 2. Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”. 3. a. Wij verduidelijken de tekst onder het kopje ‘Omgaan met afvalwater’ in paragraaf 4.1 van de toelichting. b. Geen aanpassingen noodzakelijk.

3. Zienswijze reclamant 3 (DOC-20-334837) Zienswijze: 1. Inschrijven en registreren is niet nodig. Dit leidt tot onnodige administratieve lasten omdat er vaak veel wisseling van personeel is. 2. Verzoek om de termijn van vergunnen tot maximaal 20 jaar los te laten. 3. a. Riolering is in de polderomgeving geen gemeengoed. b. De kosten komen waarschijnlijk voor de aanvrager en dat vindt reclamant niet terecht. Riool hoort een nutsvoorziening te zijn en dus door de gemeente aangelegd. Reactie: 1. a. De verplichting tot het inschrijven vindt zijn grondslag in de Wet BRP en niet in dit beleid. Dit beleid wijst initiatiefnemers er alleen op dat deze plicht bestaat: Verplichting tot inschrijven in de BRP is wanneer buitenlandse werknemers in een periode van 6 maanden, langer dan 4 maanden in Nederland verblijven (artikel 2.38 wet BRP). b. De verplichting tot het bijhouden van een verblijfsregister vindt zijn grondslag in het Wetboek van Strafrecht (artikel 438). c. Registratie vindt plaats in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) en kan op basis van de Verblijfsrichtlijn niet afgedwongen worden bij verblijf korter dan drie maanden. Registratie is echter wel noodzakelijk voor het verkrijgen van een Burgerservicenummer. Zie ook de algemene reactie onder punt 4. 2. Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is.

Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 3. a. Riolering is in het buitengebied inderdaad niet gebruikelijk. De wijze van omgaan met (huishoudelijk) afvalwater hangt in het buitengebied af van de omvang van de lozing én de afstand tot de dichtstbijzijnde (buis)riolering. In de toelichting van het beleid is daarom aangegeven dat dit een aspect is waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Wij verduidelijken de tekst in de toelichting. b. De kosten voor de eerste aanleg van riolering komen in beginsel altijd voor rekening van de aanvrager. Overigens rekenen NUTS-bedrijven ook eenmalige kosten voor een nieuwe aansluiting, terwijl zij die aansluiting aanleggen. Voorstel: 1. a. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels. In paragraaf 4.3 van de toelichting van het beleid verduidelijken we dat de verplichting tot inschrijven al bestaat en zijn grondslag heeft in andere 8

regelgeving. b. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels en in paragraaf 4.3 van de toelichting. c. Wij schrappen de verplichting tot registratie in de RNI uit de beleidsregels. Wij verduidelijken de tekst over registreren in paragraaf 4.3 van de toelichting. 2. Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”. 3. a. Wij verduidelijken de tekst onder het kopje ‘Omgaan met afvalwater’ in paragraaf 4.1 van de toelichting. b. Geen aanpassingen noodzakelijk

4. Zienswijze reclamant 4 (DOC-20-333362) Zienswijze: Reclamant heeft een groot agrarisch bedrijf in Het Grootslag en heeft een behoorlijk aantal tijdelijke medewerkers nodig. Reclamant is blij dat de gemeente met het beleid bezig is en denkt dat het beleid een stap in de goede richting is. Reclamant geeft de volgende punten mee: 1. Verzoekt de termijn van vergunnen tot maximaal 20 jaar los te laten of de periode te verlengen tot 30 jaar met optie tot verlenging. Goede huisvesting vraagt enorme investeringen. Als die binnen 20 jaar terugverdiend moeten worden gaat dat ten koste van de kwaliteit. 2. a. In de toelichting van het beleid staat dat alle inwoners zich moeten registreren bij de gemeente, waarop de gemeente belasting gaat heffen. Dit is ongewenst en kostenverhogend, ook voor de tijdelijke medewerkers. b. Verzoekt de verplichting tot inschrijven alleen in te voeren voor long stay bewoners en voor short- en mid-stay alleen een registratie in het verblijfsregister. Reactie: 1. Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 2. a. Alleen als werknemers niet staan ingeschreven, wordt de verblijfbieder aangeslagen voor verblijfbelasting.

Hiervoor is ook een vorm van registratie nodig, via een verblijfsregister. Daar is de verblijfbieder verantwoordelijk voor. De verplichting tot het bijhouden van een verblijfsregister vindt zijn grondslag in het Wetboek van Strafrecht (artikel 438). b. De verplichting tot het inschrijven vindt zijn grondslag in de Wet BRP en niet in dit beleid. Dit beleid wijst initiatiefnemers er alleen op dat deze plicht bestaat: Verplichting tot inschrijven in de BRP is wanneer buitenlandse werknemers in een periode van 6 maanden, langer dan 4 maanden in Nederland verblijven (Art. 2.38 wet BRP). Zie ook de algemene reactie onder punt 4. Voorstel: 1. Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”. 2. a. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels en in paragraaf 4.3

9

van de toelichting. b. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels. In paragraaf 4.3 van de toelichting van het beleid verduidelijken we dat de verplichting tot inschrijven al bestaat en zijn grondslag heeft in andere regelgeving.

5. Zienswijze reclamant 5 (DOC-21-339619) Zienswijze: 1. In het beleid staat dat 50% van de huisvestingsplekken ingericht moet worden als 1 persoonsslaapkamer. Reclamant heeft een vergunning voor huisvesting van 30 personen. Dit zou dan terug moeten naar 20 personen, terwijl er volgens het flex keurmerk 40 personen gehuisvest mogen worden. Reclamant verzoekt de bestaande vergunningen in overleg aan te passen. 2. Reclamant verzoekt nog eens goed te kijken naar de termijn van vergunnen tot maximaal 20 jaar, want bebouwing neerzetten voor 20 jaar is kapitaalvernietiging. Unitbouw/portacabins hebben een andere levensduur dan een appartementencomplex van steen. SNF keurmerk of flexkeurmerk geven duidelijk aan waar huisvesting aan moet voldoen en de huisvesting kan ook na 20 jaar voldoen aan deze keurmerken. Reactie: 1. Het nieuwe beleid geldt voor nieuwe verzoeken en aanvragen en niet voor reeds verleende vergunningen. 2. Huisvesting moet altijd aan de SNF normen voldoen. Dit staat los van de termijn van vergunnen. Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. Voorstel: 1. Geen aanpassingen noodzakelijk. 2.

Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”.

6. Zienswijze reclamant 6 (DOC-21-345662) Zienswijze: 1. Reclamant geeft aan dat het goed is dat er nu ook mogelijkheden zijn voor grotere locaties met als limiet 300 mensen. Groter dan 300 is volgens reclamant lastig te behappen en reclamant geeft de gemeente daarom gelijk in het maximum van 300. 2. Maximaal 50 personen huisvesten op bedrijventerreinen is te weinig. Voor een goed beheer is 80 per locatie absoluut wenselijk. De echte ondergrens is 60. Reclamant verzoekt om de maximale limiet op bedrijventerreinen in ieder geval op 60 te zetten. 3. Het beleid geeft externe veiligheid als argument om niet meer dan 50 personen te huisvesten op een bedrijventerrein. Reclamant geeft aan dat er wel degelijk meer dan 50 mensen op een bedrijventerrein gehuisvest kunnen worden. Een uitspraak van de Raad van State bevestigt dit. 10

4. Reclamant is het niet eens dat het op bedrijventerreinen alleen mogelijk is om bij de bedrijven zelf te huisvesten en verzoekt de koppeling met een bedrijfslocatie los te laten. Er zijn heel veel bedrijventerreinen waar het juist prima solitair in leegstaande kantoor/bedrijfsgebouwen kan. Hier zijn diverse voorbeelden van (Wieringerwerf, Heerhugowaard, Noordwijkerhout, Alkmaar). 5. Reclamant onderstreept de SNF-norm, maar geeft aan dat 50% 1-persoonskamers zodanig duur is dat het voor bedrijven niet realiseerbaar is. Er is zeker behoefte aan 1-persoonskamers, maar het verzoek is om het percentage aan te passen naar 20% 1-persoonskamers. 6. Verzoekt de termijn van 20 jaar voor een vergunning uit het beleid te schrappen. 7. Reclamant is het er mee eens dat er in het beleid staat, dat er naar de buren geluisterd moet worden. Maar eerst met de buren bespreken en daarna een principeverzoek indienen werkt niet. Reclamant stelt dat er eerst akkoord met de gemeente moet zijn op een principeverzoek, voordat er met de buurt gepraat wordt. Reactie: 1. Wij nemen deze opmerking voor kennisgeving aan. 2. Voor de huisvesting op bedrijventerreinen is advies ingewonnen bij de Omgevingsdienst. Het klopt dat er soms ook meer mensen gehuisvest kunnen worden op een bedrijventerrein.

De eisen rondom de milieutechnische inpassing voor het huisvesten zijn bij meer dan 50 personen echter strenger, waardoor dit in veel gevallen moeilijk in te passen is. Daarom hebben wij de grens op 50 personen gelegd. Daarnaast zoeken we met dit beleid mogelijkheden voor huisvesting waar zoveel mogelijk groepen zich in kunnen vinden. Uitzonderingen (maatwerk) daarop sluiten we niet uit, maar wegen we afzonderlijk af. Hiervoor is een algemene afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het beleid. Zie verder de algemene reactie onder punt 3. 3. Zie het antwoord bij 2. 4. Dit punt is door een amendement van de raad opgenomen in het beleid. De formulering van deze regel is echter onduidelijk. 5. Wij zijn het niet met u eens dat dit niet realiseerbaar is. Wij sluiten met deze norm zoveel mogelijk aan bij de wensen van de buitenlandse werknemers zelf, en bij de adviezen van het Aanjaagteam Arbeidsmigranten onder leiding van Emile Roemer. 6. Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 7. In de toelichting van het beleid hebben wij informatie opgenomen voor initiatiefnemers.

Gelet op de impact van huisvesting van buitenlandse werknemers is het van belang participatie aan de voorkant (in de oriëntatiefase en/of principefase) in te zetten. Hoe dit precies moet gebeuren, kunnen wij niet voorschrijven. De initiatiefnemer moet aantonen hoe hij participatie heeft vormgegeven en wat hij met het resultaat heeft gedaan. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Voorstel: 1. Geen aanpassingen noodzakelijk. 2. Geen aanpassingen noodzakelijk. 3. Geen aanpassingen noodzakelijk. 4. Wij passen de regel “alleen huisvesten voor personeel dat werkzaam is bij de onderneming die de huisvesting aanvraagt en op het terrein van de hoofdvestiging 11

van het betreffende bedrijf” aan in: “Alleen voor personeel dat werkzaam is bij het bedrijf waar de huisvesting plaatsvindt, waarbij huisvesting een nevenactiviteit is”. Ook de toelichting passen wij op dit punt aan. 5. Geen aanpassingen noodzakelijk. 6. Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”. 7. Geen aanpassingen noodzakelijk.

7. Zienswijze reclamant 7 (DOC-21-345630) Zienswijze: 1. Een periode van 20 jaar voor de vergunning is te kort om een duurzaam gebouw neer te zetten. Dan is de enige mogelijkheid om met units te werken. 2. Als 50% van de slaapkamers 1-persoons moet zijn, dan zal dat van de andere leefruimte afgehaald moeten worden. Het is beter om te rekenen met een minimum aantal m² totale leefruimte. 3. Reclamant begrijpt de wens van de gemeente dat bewoners zich moeten inschrijven. Dit geeft bij de werkgevers echter een nog grotere administratielast, nog afgezien van het uitschrijven. Als het simpeler kan, wellicht met een online melding voor aan- en afmelden, geeft dit minder handelingen en zal er eerder aan meegedaan worden. 4. Een heffing van €1,60 per persoon per overnachting is een zeer grote financiële last die niet in verhouding staat aangezien we al betalen voor WOZ. Afvalstoffenheffing en afvoer van afval etc. Er wordt geen gebruik gemaakt van parkeerplaatsen in woonwijken, en er wordt minimaal tot geen gebruik gemaakt van voorzieningen in onze gemeente. De werknemers zorgen dat de winkels in kleine kernen nog bestaansrecht houden. Reclamant stelt voor dat als er dan toch een heffing moet zijn, dat via bestaande forfaitaire wijze te doen per gebouw en niet per huisnummer. Reactie: 1.

Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 2. Het nieuwe beleid geldt voor nieuwe verzoeken en aanvragen en niet voor reeds verleende vergunningen. In het beleid is opgenomen dat voldaan moet worden aan de SNF normen. In deze normen staan minimale oppervlaktes benoemd. Het is daarom niet nodig om deze oppervlaktes nogmaals in het beleid op te nemen. 3. De verplichting tot het inschrijven vindt zijn grondslag in de Wet BRP en niet in dit beleid. Dit beleid wijst initiatiefnemers er alleen op dat deze plicht bestaat: Verplichting tot inschrijven in de BRP is wanneer buitenlandse werknemers in een periode van 6 maanden, langer dan 4 maanden in Nederland verblijven (artikel 2.38 wet BRP). Voor het inschrijven streven we er naar om nauwe contacten met de werkgever/huisvester te onderhouden, zodat we gezamenlijk het administratieve proces rondom de in- en uitschrijving zo vlot mogelijk kunnen laten verlopen. Werkgevers melden de buitenlandse werknemers aan via de mail, de buitenlandse werknemers moeten echter wel op afspraak in persoon aan de balie verschijnen voor de inschrijving. Emigraties kunnen per mail doorgegeven worden.

Zie ook de algemene reactie onder punt 4. 12

4. De verblijfbelasting is feitelijk nu ook al geldig, en is voor rekening van de verblijver. De verblijfbieder brengt het in rekening en zorgt voor afdracht. De wijze van heffen is niet relevant voor dit beleid. Voorstel: 1. Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”. 2. Geen aanpassingen noodzakelijk. Wij vermelden de wettelijke grondslag in de beleidsregels. In paragraaf 4.3 van de toelichting van het beleid verduidelijken we dat de verplichting tot inschrijven al bestaat en zijn grondslag heeft in andere regelgeving. 3. Geen aanpassingen noodzakelijk. 4. Geen aanpassingen noodzakelijk.

8. Zienswijze reclamant 8 (DOC-21-346177) Zienswijze: 1. Het beleid houdt te weinig rekening met grote ondernemingen in Medemblik die buitenlandse werknemers (in)direct willen huisvesten. Deze ondernemingen zijn van grote waarde en moeten goed gefaciliteerd worden om dit belangrijke onderwerp goed tot uitvoering te brengen. Denk bijvoorbeeld aan bedrijven als Action die op hun eigen terrein simpelweg geen ruimte hebben om huisvesting te realiseren op het eigen terrein. Het beleid geeft weliswaar de mogelijkheid om uitzonderingen/maatwerk te faciliteren, maar dit stuit in de praktijk vaak op weerstand waardoor het realisatie in de weg staat. 2. Reclamant verzoekt in het beleid ruimte te bieden voor duidelijke en haalbare mogelijkheden voor (kleinschalige tot middelgrote) huisvesting op bijvoorbeeld een bedrijventerrein en/of in een straal van X km van de vestigingslocatie van het betreffende bedrijf. Zonder dat dit via de ‘maatwerk route’ moet. Reactie: 1. De belangen van grote werkgevers in onze gemeente zijn zo specifiek, dat algemeen beleid niet past. We kiezen ervoor maatwerk te bieden voor deze categorie bedrijven. Met dit beleid zoeken we mogelijkheden voor huisvesting waar zoveel mogelijk groepen zich in kunnen vinden. Uitzonderingen (maatwerk) daarop sluiten we niet uit, maar wegen we afzonderlijk af.

Hiervoor is een algemene afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het beleid. 2. We kunnen geen algemene regel maken zoals u vraagt. Er zijn te veel ruimtelijke regels die dit in de weg zitten. Ook de provincie geeft niet de voorkeur aan het huisvesten op bedrijventerreinen. Het zou een puur symbolische handreiking zijn in het beleid om dit te doen. We zijn liever eerlijk over de mogelijkheden en geven de ruimte andere opties te onderzoeken. Zie ook de algemene reactie onder 3. Voorstel: 1. Geen aanpassingen noodzakelijk. 2. Geen aanpassingen mogelijk die recht doen aan reclamant.

13

9. Zienswijze reclamant 9 (DOC-21-346254) Zienswijze: Reclamant ervaart overlast van de naastgelegen huisvesting in een woning in ZwaagdijkOost. Doordat er steeds wisselende bewoners zijn en er een taalbarrière is, is het moeilijk communiceren. Er is geen controle op de bewoning. 1. Reclamant vraagt zich af of in de beleidsnota is opgenomen hoe de handhaving wel gaat plaatsvinden. 2. Reclamant verzoekt terug te gaan naar de normale bewoning door een particulier huishouden. Reactie: 1. Hoe de handhaving gaat plaatsvinden is geen onderdeel van de beleidsnota zelf. De gemeente verwerkt dit in het jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma. 2. Dit beleid is niet van toepassing op vergunningen die al verleend zijn. Verleende vergunningen voor huisvesting in reguliere woningen blijven van kracht. Wel kunnen wij controleren op de voorschriften die verbonden zijn aan deze vergunningen. Voorstel: 1. Geen aanpassingen noodzakelijk. 2. Geen aanpassingen noodzakelijk.

10. Zienswijze reclamant 10 (DOC-21-349433) Zienswijze: Reclamant verzoekt het beleid huisvesting buitenlandse werknemers te staken en in plaats daarvan tijd en geld te besteden aan het bouwen van huizen voor de huidige inwoners van de gemeente. Dit kan door het landelijke beleid op te volgen en met spoed nieuwe starterswoningen te bouwen (in Wognum). Reactie: Wij staan voor voldoende woningen en passende huisvesting voor (nieuwe) inwoners van de gemeente Medemblik. Om deze doelen te bereiken geven we prioriteit aan nieuwbouw voor kleine huishoudens (starters en senioren) en ontwikkelen we nieuwe beleidskaders voor de huisvesting van buitenlandse werknemers. Met deze nieuwe beleidskaders geven wij invulling aan het bieden van alternatieven voor huisvesting in reguliere woningen. Zie ook de algemene reactie onder punt 5. Voorstel: Geen aanpassingen noodzakelijk. 11. Zienswijze reclamant 11 (DOC-21-351331) Zienswijze: Reclamant geeft aan dat het onderzoek van Decisiso laat zien dat het huidige tekort aan huisvesting groot is en naar verwachting zal toenemen. Daarnaast verwijst reclamant naar de twee adviezen van het ‘Aanjaagteam bescherming Arbeidsmigranten’ onder leiding van Emile Roemer. Reclamant geeft de volgende reflectie op het ontwerpbeleid:

14

Hieruit trekt reclamant de volgende conclusies voor het beleid: 15

1. Grootschalige huisvesting en huisvesting bij (agrarische) bedrijven moet toegestaan worden omdat beheer en goede voorzieningen alleen op die manier goed realiseerbaar zijn. 2. Om aan de groeiende vraag naar huisvesting te kunnen voldoen zijn alleen grootschalige projecten realistisch. Alleen toestaan van 8 bedden hier en 20 daar werkt versnippering in de hand en bemoeilijkt toezicht en registratie en het realiseren van een acceptabel woon- en leefklimaat. 3. Tijdelijke huisvesting met een hoog voorzieningenniveau is bij 15 jaar financieel niet haalbaar en zelfs bij 20 jaar heel lastig te financieren. Bovendien is de provincie op zoek naar locaties waar voor onbepaalde tijd vergunningen afgegeven kunnen worden. 4. Zet de capaciteit bij grootschalige huisvesting ook in voor andere doelgroepen zoals starters en spoedzoekers. 5. Er zijn de laatste jaren vele rapporten gemaakt en overleggen hierover zijn druk gaande. Reclamant vraagt van het college en de gemeenteraad om nu daadkracht te tonen om hierin beleid en voldoende capaciteit te faciliteren. Tenslotte verwijst reclamant naar het debat ‘Arbeidsmigratie’ dat op 3 februari in de kamer is gevoerd. Dit debat onderschrijft de aanbevelingen in deze zienswijze. Reactie: 1. Grootschalige huisvesting wordt in dit beleid niet uitgesloten.

Op basis van een motie van de gemeenteraad is dit bij agrarische bedrijven gemaximeerd op 60 huisvestingsplekken. Het klopt dat er soms ook meer mensen gehuisvest kunnen worden op een bedrijventerrein. De eisen rondom de milieutechnische inpassing voor het huisvesten zijn bij meer dan 50 personen echter strenger, waardoor dit in veel gevallen moeilijk in te passen is. Daarom hebben wij de grens op 50 personen gelegd. Zie verder de algemene reactie onder punt 3. 2. Wij zijn van mening dat er niet één oplossing is voor dit huisvestingsvraagstuk. Bovendien is de groep buitenlandse werknemers zeer divers. De behoeften van buitenlandse werknemers hangen sterk af van de verblijfsduur. Daarom biedt dit beleid ruimte voor zowel grootschalige als kleinschalige huisvesting. 3. Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 4. Dit beleid gaat over het huisvesten van buitenlandse werknemers. Het zoeken naar combinaties met andere doelgroepen is met dit beleid niet onmogelijk gemaakt. Dit vraagt echter om andere afwegingen. 5. Het zoeken naar oplossingen voor het huisvestingsvraagstuk is complex en vraagt om een lange adem.

Wij hopen dat we met de vaststelling van dit beleid een stap in de richting van meer kwalitatief goede huisvesting hebben gezet. Ook wij hebben kennis genomen van het debat. Zie verder de algemene reactie onder punt 5. Voorstel: 1. Geen aanpassingen noodzakelijk. 2. Geen aanpassingen noodzakelijk. 3. Wij schrappen de regel “Een vergunning wordt voor maximaal 20 jaar verleend, daarna moet de huisvesting definitief zijn beëindigd en de daartoe opgerichte bebouwing zijn verwijderd”. 4. Geen aanpassingen noodzakelijk. 5. Geen aanpassingen noodzakelijk.

16

12. Zienswijze reclamant 12 (DOC-21-351357) Schenkeveld Advocaten N.V. Zienswijze: Reclamant dient een zienswijze in namens een vijftal cliënten. 1. Het beleid gaat ten onrechte uit van de huisvesting van arbeidsmigranten. In de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland wordt ook gesproken over de huisvesting van tijdelijke werknemers. Reclamant verzoekt aan te sluiten bij de terminologie uit het provinciale beleid. 2. Het onderscheid tussen short-stay, mid-stay en long-stay is niet juist. Door vast te houden aan harde grenzen is er geen ruimte voor flexibiliteit. 3. De manier waarop onderscheid wordt gemaakt naar verblijfsduur bij tijdelijke werknemers is opmerkelijk. Bij controles op huisvestingslocaties ervaren cliënten en hun tijdelijke werknemers dat vaak sprake is van (groot) machtsvertoon. Daarbij wordt de privacy van de werknemers geschonden en worden hun rechten met voeten getreden. Reclamant vraagt het college uitdrukkelijk om de handhaving, de wijze van controleren en het houden van toezicht op de huisvesting goed te onderzoeken. 4. De Raad van State bracht op 18 november 2020 een advies uit over het reguleren van vrij verkeer van personen en diensten. Reclamant verzoekt dit advies te betrekken bij de vaststelling van het beleid, omdat daarin eisen staan die op grond van het Unierecht niet gesteld mogen worden. 5.

De eisen ten aanzien van de registratie in de RNI en het bijhouden van een verblijfsregister zijn niet in overeenstemming met de Verblijfsrichtlijn en moeten daarom geschrapt worden. 6. Er moet beoordeeld worden of de regels uit het ontwerpbeleid voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en evenredigheid. Die beoordeling blijkt niet dan wel onvoldoende uit het beleid en de toelichting daarop. 7. Het college stelt dat slechts beperkte tijdelijke vergunningen kunnen worden verleend in woningen onder expliciete voorwaarden. Deze eisen zijn niet in overeenstemming met de eisen die het (Europese) recht (Dienstenrichtlijn) daaraan stelt en daardoor niet in overeenstemming met de rechtszekerheid. 8. Verplichtingen zoals het opstellen, het bijhouden en het bewaren van sociale en arbeidsdocumenten, waaronder een arbeidsreglement, een speciaal personeelsregister brengen extra administratieve en economische kosten en lasten met zich mee. Dit is een belemmering van het vrije verkeer. 9. Het beperken van de maximale looptijd van een vergunning van 20 jaar is niet duurzaam, nodigt niet uit tot het doen van investeringen in passende huisvesting, en beperkt de realisatie van langdurige huisvesting. 10. Volgens het tweede advies van het Aanjaagteam huisvesting arbeidsmigranten moeten huisvesting op een bedrijventerrein en huisvesting in groepen in voldoende mate aanwezig zijn.

Het ontwerpbeleid leidt tot een beperkter aanbod van vormen van huisvesting en staat haaks op dit advies. 11. Het Aanjaagteam adviseert om te voorzien in de mogelijkheden voor grootschalige huisvesting en om ondernemers daarin te ondersteunen. Ook adviseert het aanjaagteam om vanuit de Rijksoverheid een Handreiking te laten opstellen, die door gemeenten kan worden gebruikt om te voorzien in duurzame en goede huisvesting. Reclamant vraagt zich af waarom het college dat niet afwacht en op eigen initiatief zonder kenbaar overleg met andere gemeentes/bedrijven dit Ontwerp heeft opgesteld. Het ontwerp geeft geen blijk van de landelijke aanbevelingen die zijn gedaan in de twee adviezen van het Aanjaagteam. Dat is een gemiste kans. 17

12. Uit de beleidsregels is niet duidelijk welke SNF-norm gehanteerd wordt. Uit de toelichting volgt dat het gaat om de reguliere norm. Reclamant verzoekt de beleidsregel te verduidelijken. 13. Door de statische verwijzing naar de SNF-normen is niet bekend welke versie wordt toegepast indien de norm zou wijzigen. Dit moet aangepast worden. 14. Het beleid stelt dat minimaal 50% van de huisvestingsplekken ingericht moet zijn als eenpersoons slaapkamers. Dit is strenger dan in omliggende gemeentes en leidt tot een aanzienlijke lastenverzwaring. Het is niet bekend hoe vastgesteld wordt of aan dit minimale percentage is voldaan. Ook blijkt niet hoe daarmee wordt gewaarborgd dat de gewenste kwaliteit van huisvesting wordt bereikt en hoe een goede ruimtelijke ordening daarbij is gewaarborgd. 15. Het beleid maakt onderscheid in categorieën van huisvesting. Het is onduidelijk of een agrarisch bedrijf met een bedrijfsbestemming 60 of 50 huisvestingsplekken mag realiseren. Niet duidelijk is hoe wordt beoordeeld binnen welke categorie van bedrijven een bedrijf valt. 16. In de Verordening verblijfsbelasting wordt niet alleen van degene die nachtverblijf aanbiedt aan toeristenbelasting geheven, maar ook van degenen die huisvesting aan tijdelijke werknemers aanbieden.

Deze tijdelijke werknemers zijn allen burgers van de Europese Unie, zij betalen zelf de sociale premies en betalen inkomstenbelasting. Tijdelijke werknemers zijn niet gelijk te stellen met toeristen die tijdelijk ter recreatie ergens verblijven, en dienen ook niet als zodanig te worden belast. 17. Het heffen van verblijfsbelasting is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er wordt een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen werknemers die elders hun hoofdverblijf hebben en die hier tijdelijk werken, en Nederlandse ingezetenen. 18. Onduidelijk is of met dit Ontwerp wordt getracht bovenwettelijk kostenverhaal toe te passen. Dit speelt vooral omdat bij de verlening van een (tijdelijke) vergunning het kostenverhaal plaatsvindt via legesheffing. 19. Het beleid is niet volledig en geeft geen blijkt van alle recente ontwikkelingen op het gebied van huisvesting van tijdelijke werknemers. Bovenregionale afstemming lijkt niet te hebben plaatsgevonden, waardoor het verschil in beleid vergroot wordt, als dit ontwerpbeleid zonder wijzigingen zou worden vastgesteld. Reactie: 1. Het staat de gemeente vrij om eigen terminologie te kiezen. De provincie gebruikt in andere stukken ook de term buitenlandse werknemers. Het Rijk gebruikt de term arbeidsmigranten. Wij ontvingen van de provincie geen zienswijze op dit punt.

In de begripsbepalingen is omschreven wat wij onder een ‘tijdelijke buitenlandse werknemer’ verstaan. Om duidelijker te maken dat we hiermee doelen op arbeidsmigranten, vullen wij de begripsbepaling aan. 2. In de categorieën wonen, agrarische bedrijven, bedrijventerreinen en nietgrootschalige huisvesting gelden verschillende regels voor short-stay en mid-stay huisvesting. Dit heeft onder andere te maken met de toets aan milieuaspecten. Het onderscheid in short-stay en mid-stay sluit aan bij de verplichting tot inschrijven dan wel het bijhouden van een verblijfsregister. 3. Het actualiseren en door ontwikkelen van de handhavingsstrategie pakken wij op na vaststelling van dit beleid. 4. Wij hebben het advies van de Raad van State betrokken bij het beleid. Uit het advies van de Raad van State volgt dat er geen specifieke Unierechtelijke regels zijn op het terrein van huisvesting van buitenlandse werknemers. Het is daarom mogelijk om maatregelen te nemen. Daarbij geldt dat vanwege het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit er bij de uitwerking van het 18

huisvestingsbeleid geen ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit kan worden gemaakt. In het beleid voor de huisvesting van buitenlandse werknemers wordt geen onderscheid in nationaliteit gemaakt. Verder geldt dat een beperking op Unierechtelijke regels, zoals de Dienstenrichtlijn, mogelijk is zolang voldaan wordt aan de voorwaarden dat deze niet discrimineren, noodzakelijk en proportioneel zijn. Het beleid is, zoals genoemd, non-discriminatoir. Verder geldt dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening regels gemaakt dienen te worden om een goed woon- en leefklimaat te borgen. Dit belang wordt – in de jurisprudentie en ook blijkens de Dienstenrichtlijn (onderdeel 40 van de considerans) - als een dwingende reden van algemeen belang beschouwd. Het is daarom gerechtvaardigd om beleid voor de huisvesting van buitenlandse werknemers op te stellen dat ziet op de waarborging van een goed woon- en leefklimaat. Wij hebben het beleid vanuit een goede ruimtelijke ordening opgesteld en de maatregelen strekken dan ook niet verder dan nodig, namelijk ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat en ter waarborging van een veilige omgeving voor de buitenlandse werknemers. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt dan ook gekeken naar de ruimtelijke relevante aspecten die zien op de inpasbaarheid in de leefomgeving.

Uit de jurisprudentie volgt ook dat beleid gemaakt kan worden om, gelet op de woon- en leefomgeving, het aantal huisvestingsplekken te beperken: zie bijvoorbeeld ABRvS d.d. 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2175. We passen de toelichting op het beleid aan door daarin een nadere (ruimtelijke) onderbouwing te geven. 5. Wij stellen voorop dat een RNI-registratie nodig is om een BSN te verkrijgen, wat een werkgever ook nodig heeft voor de loonadministratie en de loonheffingen van de belastingendienst. Wij gaan er daarom vanuit dat een RNI-registratie ook voor personen die minder dan drie maanden komen werken al om die reden wordt gevolgd. Anders werken die personen illegaal. Wij wijzen er verder op dat in het advies van de Raad van State van 18 november 2020 over arbeidsmigratie binnen de EU, wordt verwezen naar het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. Dit Aanjaagteam wijst op een verplicht te stellen registratie RNI. Die constructie is nog niet volledig uitgekristalliseerd. We zien ook dat de verblijfsregistratie tot nu toe beperkingen stelt aan de registratie van buitenlandse werknemers die minder dan drie maanden in Nederland verblijven en passen het beleid daarop aan. Daarnaast geldt dat een verblijfbieder op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht een verblijfsregister moet bijhouden als werknemers niet staan ingeschreven.

Voor buitenlandse werknemers die hier langer dan drie maanden verblijven blijft gelden dat volgens de Verblijfsrichtlijn een verplichting kan worden opgelegd om zich te laten registreren en, daarmee samenhangend, geldt dat voor een verblijf van meer dan vier maanden een inschrijving in de BRP verplicht is. Zie ook de algemene reactie onder punt 4. 6. Wij verwijzen bij de beantwoording hiervan naar de beantwoording van onderdeel 4 van de zienswijze. Naar aanleiding van deze zienswijze passen we de toelichting van het beleid aan en geven we een nadere (ruimtelijke) onderbouwing van de noodzaak – een goede ruimtelijke ordening – en de aspecten die een rol spelen bij het nemen van deze proportionele maatregelen om een goed woon- en leefklimaat en deugdelijke huisvesting te waarborgen. Het doel van het beleid is om meer deugdelijke huisvestingsplaatsen voor buitenlandse werknemers mogelijk te maken. Het advies van de Raad van State

19

van 18 november 2020 is bij het opstellen van het beleid meegenomen en aan de voorwaarden die de Unierechtelijke regels stellen, wordt voldaan. 7. Wij menen dat bij dit onderdeel van uw zienswijze twee punten van het concept beleid door elkaar worden gehaald. Alleen ten aanzien van het terugdringen van bewoning in woningen die gelegen zijn in een woongebied – niet zijnde plattelandswoningen – is opgenomen dat er een overgangsregeling geldt en binnen twee maanden een vergunning kan worden aangevraagd om nog tijdelijk bewoning mogelijk te maken. Hierbij is niet opgenomen dat aan een beperkte groep – maximaal aantal gegadigden – een vergunning verleend kan worden. Naar ons oordeel is dus slechts sprake van een overgangsperiode. De tijdsduur van 20 jaar voor een tijdelijke vergunning maakt ook niet dat sprake is van een schaarse vergunning. Het aantal gegadigden wordt hierdoor niet beperkt. Een andere uitleg zou betekenen dat de tijdelijke vergunningen die in het kader van het Bor voor tien jaar worden verleend standaard als een schaarse vergunning moet worden beschouwd. Dat is niet het geval. Dit volgt niet uit de wet en niet uit de jurisprudentie. Overigens geldt dat er tot op heden nog geen jurisprudentie bekend is waarbij de Raad van State heeft geoordeeld dat via een planologisch besluit (omgevingsvergunning) een schaars recht wordt verleend.

Tot slot merken wij op dat wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend, schrappen. Zie verder de onderdeel 9 van de zienswijze en de algemene reactie onder punt 1. 8. In uw zienswijze verwijst u naar een passage uit het advies van de Raad van State van 18 november 2020 waar in het kader van aanvullende voorwaarden over detachering en terbeschikkingstelling een en ander is vermeld (zie pagina 8 van het advies). Het gaat daarbij echter om verplichtingen en lasten die maken dat ondernemingen uit het oogpunt van de mededinging niet op gelijke voet staan met de in Nederland gevestigde werkgevers. U maakt echter een vergelijking met andere in Nederland gevestigde ondernemers, zodat wij om die reden uw redenering niet kunnen volgen. Bovendien geldt dat het beleid ziet op maatregelen ten behoeve van huisvesting en niet op detachering of terbeschikkingstelling. Wij menen dat daarom de zienswijze niet tot aanpassing van het beleid leidt. 9. Recent kwantitatief onderzoek laat zien dat de behoefte aan huisvesting nu en in de toekomst groot is. Er is sprake van een permanente vraag. Daarom schrappen wij de voorwaarde dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Zie verder de algemene reactie onder punt 1. 10. Wij hebben kennis genomen van het tweede advies van het Aanjaagteam.

De passage die u in uw zienswijze citeert is een alinea waarin gereflecteerd wordt op de huisvesting van buitenlandse werknemers: het type huisvesting verandert naarmate buitenlandse werknemers langer in Nederland verblijven. De alinea bevat geen aanbeveling die terugkomt in het overzicht van alle aanbevelingen op pagina 19 van het rapport. Bovendien staat het de gemeenten vrij om eigen beleid te maken. Het ontwerpbeleid sluit huisvesting in groepen en huisvesting op bedrijventerreinen niet uit. Zie verder de algemene reactie onder 3. 11. Wij herkennen ons niet in uw kritiek. Het vraagstuk rondom de huisvesting van buitenlandse werknemers is een urgent en actueel thema. De beleidsevaluatie die wij in 2019 hebben uitgevoerd gaf ons een aantal duidelijke aanbevelingen, waaronder ‘Maak één helder beleidskader’. Onderzoek van Decisio wijst uit dat de behoefte aan huisvesting groot is en groot blijft. Het is ongewenst om nog langer te wachten. Toen wij het ontwerpbeleid in de gemeenteraad brachten, voegden wij daaraan het eerste rapport van het Aanjaagteam toe. Ook spraken 20

wij voorafgaand met buitenlandse werknemers zelf, met kernraden en met bedrijven. Een concept van het beleid is gedeeld in de regionale werkgroep huisvesting buitenlandse werknemers. Dit ontwerpbeleid is ook gedeeld in de regio en met de provincie. Zie verder de algemene reactie onder punt 5. 12. Wij bedoelen inderdaad de reguliere norm. Wij passen het ontwerpbeleid op dit punt aan. 13. Dit moet een dynamische verwijzing zijn, zodat getoetst wordt aan de normen ten tijde van de aanvraag. Wij passen het ontwerpbeleid op dit punt aan. 14. In onze gesprekken met buitenlandse werknemers werd heel duidelijk aangegeven dat er behoefte was een meer privacy. De nu in het beleid opgenomen regel komt hieraan tegemoet. Overigens is deze regel minder streng dan het voorstel uit het eerste rapport van het Aanjaagteam, waarin gesteld is dat alle slaapkamers eenpersoons moeten zijn. Wij hebben 50% in plaats van 100% eenpersoonskamers opgenomen, nadat we de ondernemers hadden gesproken over het conceptbeleid. De 50% norm geldt per huisvestingslocatie en toetsen wij op het moment dat een aanvraag wordt ingediend. Overigens is in de toelichting als voorbeeld genoemd: “een locatie met 200 huisvestingsplekken bevat dan minimaal 100 eenpersoons slaapkamers en maximaal 50 tweepersoons slaapkamers.” 15.

Agrarische bedrijven met een agrarische bestemming mogen, onder voorwaarden, maximaal 60 huisvestingsplekken realiseren. Bedrijven die gelegen zijn binnen de in het beleid aangewezen gebieden ‘bedrijventerrein’ mogen, onder voorwaarden, maximaal 50 huisvestingsplekken realiseren. Bedrijfsbestemmingen buiten de bedrijventerreinen vallen onder de categorie niet-grootschalige huisvesting < 60 personen, dan wel de categorie grootschalig > 60 personen. 16. Wij stellen voorop dat het voorliggende beleid ziet op de huisvesting van buitenlandse werknemers en niet de verblijfsbelasting vaststelt voor buitenlandse werknemers. Die belasting is vastgelegd in de onlangs door ons vastgestelde Verordening inzake de verblijfsbelasting. Wij merken volledigheidshalve op dat ingevolge artikel 224 Gemeentewet de gemeentelijke toeristenbelasting mag worden opgelegd aan degene die gelegenheid biedt tot een verblijf voor buitenlandse werknemers die niet-ingezeten zijn en dus niet zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Voor niet-ingezeten buitenlandse werknemers kan dus verblijfsbelasting worden geheven. Volgens vaste rechtspraak is doorslaggevend wie het verblijf feitelijk biedt (zie bijvoorbeeld Gerechtshof ’sHertogenbosch 24 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4053). 17. De beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze hangt samen het voorgaande onder 16.

Blijkens de Gemeentewet en vaste rechtspraak is het mogelijk om verblijfsbelasting te heffen van degene die gelegenheid biedt tot een verblijf voor buitenlandse werknemers die niet-ingezeten zijn (niet zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen). Van een strijd met het gelijkheidsbeginsel met Nederlandse ingezetene is geen sprake. Nederlandse ingezetenen zijn namelijk wel ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente en dragen zodoende via de (andere) gemeentelijke belastingen bij. 18. Met deze nota trachten we geen bovenwettelijk kostenverhaal toe te passen. Kostenverhaal vindt plaats via de leges of via een anterieure overeenkomst bij grootschalige ontwikkelingen. Bij het in rekening brengen van kosten via een anterieure overeenkomst passen wij de ‘Regeling plankosten exploitatieplan’ toe. Wij bekijken dit van geval tot geval.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=c735f78b-8c3e-4e54-ad3d-cdf433e30229