01 DOC-20-311587 - Bijlage: Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche
Tekst van het document
het rundvee ten minste 120 dagen en minimaal zes uur per dag weidegang krijgt, of het rundvee wordt gehuisvest in een emissiearm dierenverblijf, dat voldoet aan de maximale emissiewaarde als bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij;
30
b.
niet meer dan 200 stuks rundvee, exclusief bijbehorend jongvee, of 50 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.
in het deelgebied B ten minste 25 meter, mits:
2.
a.
bij een uitbreiding van het bestaand huisvestingssysteem het aantal dierplaatsen voor melkrundvee als gevolg van de uitbreiding met niet meer dan 20 toeneemt ten opzichte van het aantal dat aanwezig was vóór 1 januari 2007;
b.
in de inrichting uitsluitend rundvee in een bestaand huisvestingssysteem wordt gehouden of ten hoogste 50 overige landbouwhuisdieren.
Onverminderd bestaande rechten krachtens de milieuwetgeving geldt in afwijking van artikel 4.1 van de Wgv een afstand tussen een rundveehouderij met meer dan 200 stuks rundvee en een geurgevoelig object zoals weergegeven in onderstaande tabel: Aantal stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee)
201 250
251 300
301 350
Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A1
125 m
150 m
175 m
Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied A2 indien voldaan wordt aan de eisen van artikel 6.2, lid 1 onder a van deze verordening
75 m
100 m
125 m
Minimaal vereiste afstand tot geurgevoelig object in deelgebied B als niet voldaan wordt aan de eisen van artikel 6.2, lid 1 onder a van deze verordening
75 m
100 m
125 m
Indien meer dan 350 stuks rundvee (exclusief bijbehorend jongvee) worden gehouden, moeten de afstanden in de laatste kolom voor iedere verhoging met maximaal 50 stuks rundvee met 25 meter worden vergroot. Afdeling 6.2
Geluidhinder
Artikel 6.3
Aanwijzing collectieve festiviteiten
1.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.
Het college kan voorwaarden stellen aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
3.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
31
4.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer kernen van de gemeente Medemblik.
5.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
6.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
7a.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
7b
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A)en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen.
8a.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
8b.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.
9.
De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
9a.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening, uiterlijk om 00.00 uur beëindigt dan wel het tijdstip zoals opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29, lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening, te worden beëindigd.
10.
Bij het ten gehore brengen van muziekgebruik blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.
Artikel 6.4
Aanwijzing incidentele festiviteiten
1.
Het is een inrichting in de kern Medemblik toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 6.6 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2.
Voor de overige kernen in de gemeente Medemblik geldt een maximum van 12 dagen of dagdelen individuele festiviteiten per kalenderjaar.
32
3.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan het college in kennis heeft gesteld.
4.
De directeur van de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord stelt een formulier vast voor het doen van de melding.
5.
Aan de kennisgeving wordt voldaan, wanneer het formulier, volledig en naar waarheid is ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die aangegeven staat op het formulier.
6.
Aan de kennisgeving wordt tevens geacht te zijn voldaan, wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die rederlijkwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
7a.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
7b.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A) gemeten binnen woningen.
8a.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.
8b.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, LC veroorzaakt door de inrichting bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C).
9.
De geluidswaarde als bedoeld in lid 7a, 7b, 8a en 8b is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
9a.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:19 en 2:20 van het Besluit en artikel 6.6 van deze verordening uiterlijk om 00.00 uur dan wel het tijdstip zoals is opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:29 lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening te worden beëindigd.
10.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.
Artikel 6.5
Geluidsplafond
Het college van burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidshinder bij collectieve- of incidentele festiviteiten.
33
Artikel 6.6 1.
Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.
de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;
b.
de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein;
c.
de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder;
d.
bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in onderstaande tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.
e.
Tabellen
Lar LT 7.00 - 19.00 uur 50 dB(A)
19.00 - 23.00 uur 45 dB(A)
23.00 - 7.00 uur 40 dB(A)
LAr, LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
7.00 - 19.00 uur 60 dB(C)
19.00 - 23.00 uur 55 dB(C)
23.00 - 7.00 uur 50 dB(C)
LCr, LC in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
45 dB(C)
40 dB(C)
35 dB(C)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
80 dB(C)
75 dB(C)
70 dB(C)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
65 dB(C)
60 dB(C)
55 dB(C)
LAr, LT op de gevel van gevoelige gebouwen
LCr LC
LCr, LC op de gevel van gevoelige gebouwen
34
2.
Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.
3.
Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.4 van deze verordening.
Artikel 6.7
Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht.
1.
Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, of machine in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken.
2.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.
3.
Onverkort het gestelde in dit artikel of in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken.
4.
Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud of onderhoud aan spoorwegen onder de voorwaarden dat: a.
deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren;
b.
de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder en
c.
de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19.00 uur en 07.00 uur niet meer bedraagt dan 75 Lar, LT in dB(A).
5.
Het verbod is niet van toepassing op inrichtingen, die daarvoor een vergunning hebben.
6.
Het verbod is niet van toepassing op de bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden.
7.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of bij een besluit waar specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting.
Artikel 6.7a
Geluidhinder van knalapparaten
1.
Het is verboden om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag knalapparaten te gebruiken om vogels en wild te verjagen;
2.
Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de melding;
3.
Het college kan een ontheffing verlenen indien niet aan de vereisten van een melding kan worden voldaan. 35
Artikel 6.8
Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 6.9
Overige geluidhinder
1.
Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3.
Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
4.
De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:
5.
a
het maximale geluidsniveau;
b.
de situering van geluidsbronnen en
c.
de frequentie en tijden van gebruik.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening NH2020.
Afdeling 6.3
Lichthinder (Gereserveerd)
Afdeling 6.4
Vuur(werk)
Artikel 6.10
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden. Artikel 6.11
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1.
Het is enkel toegestaan om consumentenvuurwerk te gebruiken tussen 31 december 18:00 uur en 1 januari 02:00 uur van het daarop volgende jaar, tenzij het op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, hinder en overlast aangewezen vuurwerkvrijezone plaatsvindt.
2.
Het is verboden om consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, hinder of schade kan veroorzaken. 36
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 6.12
Verbod carbidschieten
1.
Het schieten met carbid is verboden.
2.
Het college kan, ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het eerste lid niet van toepassing is.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
4.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.
Artikel 6.13
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1.
Ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur is het verboden om zonder omgevingsvergunning in de openlucht afvalstoffen te verbranden, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2.
Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a.
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b.
sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en vuren ten behoeve van hottubs en/of
c.
vuur voor koken, bakken en braden,
mits, geen afvalstoffen worden verbrand en er geen sprake is van gevaar, hinder en/of overlast voor de omgeving. 3.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur.
4.
Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is (ook) niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º en 3º, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening NH2020.
Afdeling 6.5
Ontsiering en stankoverlast
Artikel 6.14
Plakken en kladden
1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
37
2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanpakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen of
b.
met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar aanplakborden mogen worden geplaatst voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, mits het betreft het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen én geen handelsreclame betreft.
5.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 6.15 1.
2.
Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels en/of
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden in het eerste lid.
Artikel 6.16
Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor er ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of waardoor het verkeer in gevaar komt.
Hoofdstuk 7
Buitenruimte
Afdeling 7.1
Wegen
Artikel 7.1
Voorwerpen op of aan een openbare plaats
1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders objecten te plaatsen op of aan een openbare plaats en daarmee de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie en bescherming daarvan. 38
2.
De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, onder j en k van de Wabo.
3.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Apv;
b.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling het gebruik van een openbare plaats is toegestaan;
c.
in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening NH2020.
4.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, reclameborden, plantenbanken, banken en laadpalen. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels.
5.
Burgemeester en wethouders kunnen een openbare plaats aanwijzen als gebied waarin geen objecten geplaatst mogen worden.
6.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 7.2
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat er een onveilige fysieke leefomgeving ontstaat, het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op een andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 7.3
Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard en breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening NH2020, de Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier of de Telecommunicatiewet.
4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
39
Artikel 7.4 1.
2.
Maken of veranderen van een uitweg
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgmeester en wethouders: a.
een uitweg te maken naar de weg;
b.
van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c.
verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg of
d.
het gebruik van een uitweg te veranderen.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a.
de bruikbaarheid van de weg;
b.
het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving of
d.
de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, Wegenverordening Hoogheemraadschap Noorder Kwartier en de Omgevingsverordening NH2020.
4.
Het college van burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg.
Afdeling 7.2
Water
Artikel 7.5
Voorwerpen op, in of boven openbaar water
1.
Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
2.
Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.
3.
De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
40
4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Omgevingsverordening NH2020 of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 7.6
Ligplaats voor vaartuigen, niet zijnde woonschepen
1.
Onverminderd het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement is het de rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, verboden hiermee een ligplaats in te nemen buiten een steiger of een aanmeervoorziening.
2.
Het is verboden bij het aanmeren bij een steiger of aanmeervoorziening, zoals bedoeld in het eerste lid, overlast te veroorzaken, de verkeersvrijheid of -veiligheid, de milieuhygiëne of de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in gevaar te brengen of aan te tasten.
3.
Het is verboden een ligplaats in te nemen met een vaartuig dat in de lengte meer dan 1 meter uitsteekt buiten de steiger of aanmeervoorziening.
4.
Indien de in het voorgaande lid bedoelde aanmeervoorziening bestaat uit een meerpaal geldt het verbod op het innemen van een ligplaats voor vaartuigen die langer zijn dan 6 meter. Het college van burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het gebruik van een door gemeentewege gerealiseerde passantensteiger.
5.
Artikel 7.7
Recreatie in open water
1.
Het is verboden zich in openbare wateren in recreatiegebieden te bevinden met een gemotoriseerd vaartuig, met uitzondering van elektrisch aangedreven vaartuigen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wateren of gedeelten daarvan.
3.
Het verbod is niet van toepassing op gemotoriseerde vaartuigen van hulpdiensten.
Artikel 7.8
Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 7.9
Veiligheid op het water
1.
Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening NH2020.
41
Artikel 7.10
Motorboten, jetski’s en waterscooters
1.
In verband met de veiligheid van zeilers en surfers is het verboden zich met een motorboot, jetski en waterscooter te bevinden op de botenhelling, gelegen aan de Vooroever nabij het Internationaal Zeilwedstrijdcentrum in Medenblik.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen van toepassing is.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 7.11
Overlast van vaartuigen
1
Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
2.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Afdeling 7.3
Het bewaren van houtopstanden
Artikel 7.12
Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
1.
2.
3.
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstanden te vellen: a.
houtopstanden die vermeld staan op de lijst met waardevolle en monumentale bomen (bijlage 3 bomenlijst);
b.
houtopstanden in de openbare ruimte van de gemeente Medemblik.
Een vergunningsplicht zoals genoemd in lid 1 a en b van dit artikel geldt niet voor: a.
houtopstand(en) buiten de bebouwde kom die beschermd zijn op grond van Hoofdstuk 4, artikel 4.1 t/m 4.9 van de Wet Natuurbescherming;
b.
houtopstanden die moeten worden geveld krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;
c.
periodiek knotten, kandelaberen of kandelaren als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen, gekandelaarde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud en
d.
dunnen van een houtopstand.
Een vergunning kan door het bevoegd gezag worden geweigerd op grond van onder andere: a.
alternatieven waarbij de houtopstand kan worden gespaard;
b.
natuur- en milieuwaarde van de houtopstand; 42
c.
landschappelijke waarde van de houtopstand;
d.
waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
e.
beeldbepalende waarde van de houtopstand;
f.
cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
g.
waarde van de houtopstand voor de recreatie en leefbaarheid en
h.
concreetheid en haalbaarheid van het project.
4.
Onder belang van verlening kan vallen een situatie waarbij naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van ernstige overlast.
5.
De vergunning tot vellen vervalt 1 jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning, tenzij het bevoegd gezag een langere termijn, tot een maximum van 3 jaar, noodzakelijk acht vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn.
Artikel 7.12a
Acuut gevaar, spoedeisend belang
Het eerste lid van artikel 7.12 is niet van toepassing als het bevoegd gezag toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met spoedeisend belang voor de openbare orde of een acuut gevaar voor personen of goederen. Artikel 7.12b
Bijzondere voorschriften
1.
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen moet worden herplant.
2.
Onder de in het eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.
3.
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden over het werken rondom de te handhaven houtopstanden.
Artikel 7.12c 1.
Herplant- en instandhoudingsplicht
Indien een, op grond van artikel 7.12 van deze verordening, beschermde houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op ernstige wijze is beschadigd waardoor deze in het voortbestaan wordt bedreigd kan het bevoegd gezag de verplichting tot herplant opleggen.
Deze herplant moet uitgevoerd worden overeenkomstig de door hen te geven specificaties en aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan: a.
de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan;
b.
degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is. 43
2.
Onder de in eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.
Artikel 7.13 1.
Bestrijding van boomziekten
Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals bacteriën, schimmels en insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a.
houtopstand(en) te vellen of te doen vellen;
b.
conform richtlijnen van het bevoegd gezag de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.
2.
Het is verboden gevelde houtopstand(en) of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Indien er voor de betreffende boomziekte landelijke erkende protocollen zijn opgesteld moet volgens dit protocol worden gehandeld.
3.
Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid gestelde verbod.
4.
Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van de aangeschrevene, door of namens het bevoegd gezag kunnen worden verricht.
Artikel 7.13a Bescherming publieke houtopstand 1.
Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn: a.
te beschadigen, te bekladden of te beplakken;
b.
daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door het bevoegd gezag opgedragen boomverzorgende taken.
2.
Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens een ontheffing van het college.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 7.13b
Afstand van de erfgrenslijn
De afstand als bedoeld in artikel 5:42, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters indien het bomen, heggen en heesters betreft op of aan de openbare weg of een openbaar water, grenzende aan een ander erf.
44
Artikel 7.13c
Toezicht
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 7.12a en 7.12b zijn belast de medewerkers van de afdeling Buitendienst.
2.
Voorts is het bepaalde in artikel 9.2 van deze verordening van toepassing.
Afdeling 7.4
Evenementen (Gereserveerd)
Afdeling 7.5
Markten en standplaatsen
Artikel 7.14
Inrichting van de markt en de branche-indeling
1.
2.
Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a.
het aantal standplaatsen;
b.
de afmetingen van de standplaatsen;
c.
de opstelling en indeling van de markt;
d.
welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerker plaats.
Het college kan voor de markt vaststellen: a.
een lijst met artikelengroepen of branches;
b.
een maximumaantal standplaatsen per branche.
Artikel 7.15 1.
Nadere regels
Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over markten welke overeenkomstig de bepalingen van de Gemeentewet door het college zijn of worden vastgesteld.
Artikel 7.16
Standplaatsvergunning
Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Artikel 7.17
Vereisten
Voor de toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college.
45
Artikel 7.18 1.
2.
3.
Intrekking vaste standplaatsvergunning
Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: a.
op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;
b.
bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik de vergunning wordt overgeschreven.
Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 7.17 genoemde vereisten.
Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Medemblik is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.
Artikel 7.19
Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 7.18 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a.
het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;
b.
zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of
c.
niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
Artikel 7.20
Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker
Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerker plaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerker plaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a.
het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;
b.
zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
c.
niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
46
Artikel 7.21
Onmiddellijke verwijdering
Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: a.
het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;
b.
zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
Artikel 7.22
Toezicht markt
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde van de artikelen over de markt zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. Artikel 7.23
Voorschriften en beperkingen
1.
Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan markt- en standplaatsvergunningen, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de markten standplaatsvergunning is vereist.
2.
Degene aan wie een markt- of standplaatsvergunning is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.
Artikel 7.24
Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Afdeling 7.6
Begraafplaatsen
Artikel 7.25
Grafkelder
1.
De rechthebbende op een particulier graf kan van het college vergunning krijgen tot het daarin voor eigen rekening en risico doen aanbrengen van een grafkelder.
2.
Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over begraafplaatsen.
3.
Vergunning voor een grafkelder kan worden gewijzigd, ingetrokken of geweigerd indien: a.
de duurzaamheid van de gebruikte materialen onvoldoende is;
b
de fundering en constructie onvoldoende veilig is;
c.
ter verkrijging van de vergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
d.
de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen;
47
Artikel 7.26
e.
van de vergunning geen gebruik gemaakt wordt binnen de daarin gestelde termijn;
f.
de houder van de vergunning dit verzoekt of
g.
het college om redenen van beheer technische aard dit wenselijk of noodzakelijk acht.
Vergunning grafbedekking
1.
Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college.
2.
De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan.
3.
Het college kan de vergunning weigeren indien: a.
niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het tweede lid;
b.
de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;
c.
de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is of
d.
de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.
Artikel 7.27
Grafbeplanting
1.
Niet-blijvende beplanting op een graf die, naar het oordeel van de beheerder, in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding.
2.
Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer deze het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende.
Artikel 7.28
Onderhoud door rechthebbende
1.
Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende.
2.
De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen.
3.
Indien de rechthebbende nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.
48
4.
De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.
5.
Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden;
6.
Schade als gevolg van brand, vandalisme, vorst, storm, bliksem, wateroverlast en andere van buiten komende oorzaken, is voor rekening van de rechthebbende.
Afdeling 7.7
Kamperen
Artikel 7.29
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1.
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.
Het verbod geldt niet voor: a.
het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein;
b.
het plaatsen van een camper of kampeerauto op een door het college aangewezen camper overnachtingsplaats voor maximaal 72 uur, mits het op die plaats aangegeven aantal niet wordt overschreden.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap of b. een dorps- en/of stadsgezicht.
5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 7.30
Slapen op openbare plaatsen
Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats in een voertuig te overnachten.
49
Artikel 7.31
Aanwijzing kampeerplaatsen
1.
Het verbod van artikel 7.29 eerste lid is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.
2.
Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 7.29, vierde lid van deze verordening.
Afdeling 7.8
Crossen
Artikel 7.32
Crossterreinen
1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd of buiten wedstrijdverband een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
3.
a.
het voorkomen of beperken van overlast;
b.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c.
de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.
Artikel 7.33
Beperking verkeer in natuurgebieden
1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a.
het voorkomen van overlast;
b.
de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.
de veiligheid van het publiek.
50
3.
4.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid;
c.
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid;
e.
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing: a.
op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening NH2020 aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens deze verordeningen zijn aangewezen als “toestel”.
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 7.34 1.
2.
Loslopende honden
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.
op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
c.
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
51
3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden;
b.
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 7.35 1.
Verontreiniging door honden en paarden
De eigenaar of houder van een hond of paard is verplicht er zorg voor te dragen dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd: a.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats;
b.
buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers en op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen of op een door het college aangewezen plaats.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden;
3.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht, als hij zich met die hond bevindt op een in het eerste lid onder a of b genoemde openbare plaats, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen.
4.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht, als hij zich met die hond bevindt op een in het eerste lid onder a of b genoemde openbare plaats, dit hulmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te tonen.
5.
Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 7.36 1.
Bijen
Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven of
b.
binnen een afstand van 30 meter van de weg.
2
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
3.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement en/of op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding noodzakelijk is om het laag in- en uitvliegen van de bijen te voorkomen. 52
4
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 7.37 1.
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
Het is verboden op het door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.
onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.
kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel of
d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening.
Hoofdstuk 8 Artikel 8.1
Overige bepalingen Herziening en vervanging van aangewezen normen, andere voorschriften en wet- en regelgeving
Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de Nennormen, voornormen, praktijkrichtlijnen, andere voorschriften en wet- en regelgeving waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen worden verwezen, indien de bevoegde instantie en/of orgaan de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn, het voorschrift of de wet- en regelgeving heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
53
Hoofdstuk 9 Artikel 9.1
Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Sanctiebepaling
1.
Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten worden overtredingen van de artikelen van deze verordening en de op grond van artikel 1.5 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak
2.
In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7.1, 7.3, 7.4 en 7.12 van deze verordening.
3.
In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 9.2
Toezichthouders
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast (buitengewone) opsporingsambtenaren aangesteld voor de politieregio waaronder de gemeente Medemblik valt.
2.
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Artikel 9.3
Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 9.4
Intrekking en vervallenverklaring oude verordeningen
De onderstaande verordeningen worden ingetrokken: 1.
Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2020;
2.
Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Medemblik 2015;
3.
Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2014;
4.
Erfgoedverordening Medemblik 2012;
5.
Bouwverordening Medemblik 2011;
6.
Marktverordening gemeente Medemblik 2012;
7.
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014; 54
8.
Brandbeveiligingsverordening Medemblik.
Artikel 9.5
Overgangsbepaling
Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 9.4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 9.6
Inwerkingtreding nieuwe verordening
Deze verordening treedt in werking op 1 april 2021. Artikel 9.7
Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik, gehouden op 18 maart 2021 Datum…………. De griffier,
De voorzitter,
Bekend gemaakt op:……………………….
55