01 DOC-20-311587 - Bijlage: Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche
Tekst van het document
Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche
1
Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche De raad van de gemeente Medemblik; gelezen het bijbehorend voorstel van het College van burgemeester en wethouders van Medemblik d.d. 9 februari 2021; gelet op: - artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet; - artikel 2 en 8 van de Woningwet; - artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet; - artikel 12 en 15 van de Monumentenwet; - de Wet wijziging Monumentenwet 1988 en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken; - artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet; - artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging; - artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; overwegende: de Omgevingswet in werking treedt op 1 januari 2022; op grond van die Wet de regels die toezien op de fysieke leefomgeving opgenomen worden in het definitieve Omgevingsplan; de regels die toezien op de fysieke leefomgeving niet worden opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet; de gemeente op 1 januari 2022 conform de Omgevingswet dient te werken; gelet op de gemeentelijke praktijk vanaf 1 januari 2022 het wenselijk is de regels, die toezien op de fysieke leefomgeving in diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening bijeen te brengen en deze in tranches vast te stellen; besluit: 1.
kennis te nemen van de toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving (verder VFL) Medemblik 1ste tranche;
2.
vast te stellen de VFL Medemblik 1ste tranche;
3.
de volgende verordeningen gelijktijdig met de inwerkingtreding van de VFL vast te stellen: - de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2021; - de Beheersverordening begraafplaatsen gemeente Medemblik 2021;
4.
de volgende verordeningen gelijktijdig met de inwerkingtreding van de VFL in te trekken: - de Algemene plaatselijke verordening Medemblik 2020; - de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Medemblik 2015; 2
- de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2014; - de Erfgoedverordening Medemblik 2012; - de Bouwverordening Medemblik 2011; - de Marktverordening gemeente Medemblik 2012; - de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014; - de Brandbeveiligingsverordening Medemblik. Deze besluiten treden inwerking op 1 april 2021.
3
Voorwoord met betrekking tot de verordening De gemeente Medemblik bereidt zich voor op de Omgevingswet. Daartoe worden de regels over de fysieke leefomgeving uit diverse Medemblikse verordeningen samengebracht in één nieuwe verordening als tussenstap naar het toekomstige omgevingsplan. Dit gebeurt stapsgewijs en in tranches. In deze 1ste tranche zijn de relevante regels uit 8 verordeningen opgenomen. De regels in deze verordeningen kunnen onder de huidige wetgeving niet worden opgenomen in bestemmingsplannen, omdat de regels niet de ruimtelijke ordening betreffen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal deze verordening en de bestemmingsplannen (gefaseerd) worden verwerkt tot het omgevingsplan van de gemeente Medemblik. Een gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Met andere woorden plaatselijke (juridische) regels die voor iedereen gelden. De belangrijkste en meest omvattende gemeentelijke verordening is de Algemene plaatselijke verordening.
Daar komt nu de Verordening fysieke leefomgeving bij, maar doordat er artikelen uit de Algemene plaatselijke verordening en de Beheersverordening begraafplaatsen worden gehaald en opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving en daarnaast 6 verordeningen in zijn geheel worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving, wordt deze verordening de meest omvattende verordening van de gemeente. Dit komt de leesbaarheid niet ten goede en daarom is er een uitgebreide toelichting toegevoegd ter verduidelijking van de vele artikelen die in de Verordening fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Het is aan te raden om eerst de toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche te lezen en dan de verordening zelf, zodat er een goed beeld kan worden gevormd hoe de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche is opgebouwd en tot stand is gekomen. Wat zijn de (afwegings)kaders? Bij het invoegen van activiteiten uit de Algemene plaatselijke verordening in de Verordening fysieke leefomgeving wordt als eerste de vraag beantwoord of deze activiteiten ook thuishoren in deze verordening. In de Verordening fysieke leefomgeving moeten in ieder geval de regels worden opgenomen over activiteiten ten gevolge waarvan onderdelen van de fysieke leefomgeving worden gewijzigd. Een aantal regels mogen niet worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving.
In het Omgevingsbesluit is een lijst opgenomen met voorschriften op grond van de Gemeentewet die hoofdzakelijk worden gesteld met het oog op de handhaving van de openbare orde en (openbare) veiligheid en over financiële regels. Met artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit is de “moet” en “mag niet” lijst vastgesteld. De derde categorie betreft onderwerpen die geregeld mogen worden in de Verordening fysieke leefomgeving, dat zijn de onderwerpen die bijvoorbeeld over het gebruik van de fysieke leefomgeving gaan.
4
Ook artikel 1.2, 1.4 en 2.4 van de Omgevingswet geven kaders over datgene wat in een Verordening fysieke leefomgeving kan worden opgenomen. Artikel 1.4 van de Omgevingswet heeft tot gevolg dat onderwerpen die in een andere wet uitputtend zijn geregeld, niet in de Verordening fysieke leefomgeving kunnen worden opgenomen. Denk bijvoorbeeld aan het reguleren van parkeervakken, de grondslag hiervoor is te vinden in de Wegenverkeerswet (en is daarmee uitputtend). De Verordening fysieke leefomgeving 2de tranche wordt vóór 1 januari 2022 vastgesteld. Juridische regels worden toepasbaar gemaakt In 2de tranche van de Verordening fysieke leefomgeving worden deze juridische regels vereenvoudigd en toepasbaar gemaakt om de vragenbomen in de DSO te vullen. Het toepasbaar maken van juridische regels zijn begrijpelijke vertalingen van juridische regels voor zowel de gebruiker als voor de software. Het toepasbaar maken van juridische regels lijkt op het spel Wie is het? Daarbij komt men aan de hand van een aantal vragen – Moet ik een vergunning aanvragen als ik een boom ga kappen? Welke informatie moet ik aanleveren als ik een vergunning wil vragen? Welke maatregelen moet ik treffen? _ aan de juiste relevante informatie van de initiatiefnemer om een vergunningscheck te doen, het juiste aanvraagformulier af te geven en de te nemen maatregelen te kunnen benoemen.
Dereguleringsslag In de tweede tranche en volgende van de VFL worden, zoals hierboven is vermeld, de regels zoveel mogelijk vereenvoudigd en toepasbaar gemaakt voor de vragenbomen in het DSO. Van de VNG verschijnen er tot eind 2023 modelverordeningen die zijn opgenomen in de VFL en waarvan de regels vereenvoudigd en toepaspaar zijn gemaakt en die de huidige juridische regels in de VFL gaan vervangen. Vanaf de tweede tranche van de verordening kan er een dereguleringsslag worden gemaakt door regels te schrappen en te laten vallen onder de algemene zorgplicht of onder de specifieke zorgplichten in de Verordening fysieke leefomgeving. Door dit in de 1ste tranche niet te doen blijft de Verordening fysieke leefomgeving herkenbaar, leesbaar en behapbaar. De Verordening fysieke leefomgeving 2de tranche wordt vóór 1 januari 2022 vastgesteld. Om een beeld te geven van de complexiteit van de implementatie van de Omgevingswet is bijlage 4 toegevoegd.
5
Inhoudsopgave
6
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
11
Artikel 1.1 Artikel 1.2 Artikel 1.3 Artikel 1.4 Artikel 1.5 Artikel 1.6 Artikel 1.7 Artikel 1.8 Artikel 1.9
11 11 11 11 11 12 12 13 13
Begripsbepalingen Toepassingsbereik Doel van de verordening (Beslis)termijnen Voorschriften Algemene weigeringsgronden Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Nadere regels en aanwijzingsbesluiten
Hoofdstuk 2 Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Artikel 2.1 Artikel 2.2 Artikel 2.3 Artikel 2.4 Artikel 2.5 Artikel 2.6 Artikel 2.7 Artikel 2.8 Artikel 2.9 Artikel 2.10 Artikel 2.11 Artikel 2.12 Artikel 2.13 Artikel 2.14 Artikel 2.15 Artikel 2.16 Artikel 2.17
Doel van de regels Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving (Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats (Specifieke) zorgplicht staat bestaande gebouwen (Specifieke) zorgplicht gebruik gebouwen (Specifieke) zorgplicht bouw- en sloopwerkzaamheden (Specifieke) zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen (Specifieke) zorgplicht erfgoed (monumenten en archeologie) (Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed (Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren (Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (Specifieke) zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken (Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten Meldplicht bij brand of broei Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting Algemeen verbod oplaten ballonnen Verbod plaatsen objecten onder hoogspanningslijn
13 13 13 14 14 14 14 15 15 15 15 16 16 16 16 16 16 17
Hoofdstuk 3 (Gereserveerd)
17
Hoofdstuk 4 Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- en dorpsgezicht
17
Artikel 4.1 Artikel 4.2 Artikel 4.3 Artikel 4.4 Artikel 4.5 Artikel 4.6 Artikel 4.7
Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed (Voornemen tot) aanwijzing als gemeentelijk monument Voorbescherming Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument 6
17 17 18 18 18 18 19
Artikel 4.8 Artikel 4.9
Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht
19 20
Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten
20
Afdeling 5.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
20
Artikel 5.1
Op wie van toepassing
20
Afdeling 5.2
Bodem
21
Artikel 5.2 Artikel 5.3 Artikel 5.4 Artikel 5.5
Verbod tot bouwen verontreinigde bodem Onderzoek Vangnet archeologie Aanwijzingsbevoegdheid interferentiegebieden
21 21 22 23
Afdeling 5.3
Ondergrondse infrastructuur
23
Artikel 5.6 Artikel 5.7 Artikel 5.8 Artikel 5.9 Artikel 5.10 Artikel 5.11 Artikel 5.12 Artikel 5.13 Artikel 5.14 Artikel 5.15 Artikel 5.16 Artikel 5.17 Artikel 5.18
Toepasselijkheid kabels en leidingen Nadere regels Instemmingsvereiste Aanvragen en melden Gegevensverstrekking Voorschriften bij instemmingsbesluit (Mede)gebruik van voorzieningen Termijnen Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie Overleg Niet openbare netwerken Informatieplicht Toezicht en handhaving
23 23 24 24 25 26 27 27 28 28 28 28 29
Afdeling 5.4
Hemel- en grondwater
29
Artikel 5.19
Plicht tot afkoppelen
29
Hoofdstuk 6 Omgevingshinder
30
Afdeling 6.1
Geurhinder (veehouderijen)
30
Artikel 6.1 Artikel 6.2
Aanwijzing gebieden Andere waarden voor de afstand
30 30
Afdeling 6.2
Geluidhinder
31
Artikel 6.3 Artikel 6.4 Artikel 6.5 Artikel 6.6
Aanwijzing collectieve festiviteiten Aanwijzing incidentele festiviteiten Geluidsplafond Het ten gehore brengen van onversterkte muziek
31 32 33 34
7
Artikel 6.7 Artikel 6.7a Artikel 6.8 Artikel 6.9
Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht Geluidhinder van knalapparaten Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Overige geluidhinder
35 35 36 36
Afdeling 6.3
Lichthinder (Gereserveerd)
36
Afdeling 6.4
Vuur(werk)
36
Artikel 6.10
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Verbod carbidschieten Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Artikel 6.11 Artikel 6.12 Artikel 6.13
36 36 37 37
Afdeling 6.5
Ontsiering en stankoverlast
37
Artikel 6.14 Artikel 6.15 Artikel 6.16
Plakken en kladden Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
37 38 38
Hoofdstuk 7 Buitenruimte
38
Afdeling 7.1
Wegen
38
Artikel 7.1 Artikel 7.2 Artikel 7.3 Artikel 7.4
Voorwerpen op of aan een openbare plaats Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Maken of veranderen van een uitweg
38 39 39 40
Afdeling 7.2
Water
40
Artikel 7.5 Artikel 7.6 Artikel 7.7 Artikel 7.8 Artikel 7.9 Artikel 7.10 Artikel 7.11
Voorwerpen op, in of boven openbaar water Ligplaats voor vaartuigen, niet zijnde woonschepen Recreatie in open water Reddingsmiddelen Veiligheid op het water Motorboten, jetski’s en waterscooters Overlast van vaartuigen
40 41 41 41 41 41 41
Afdeling 7.3
Het bewaren van houtopstanden
42
Artikel 7.12 Artikel 7.12a Artikel 7.12b Artikel 7.12c Artikel 7.13 Artikel 7.13a Artikel 7.13b Artikel 7.13c
Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Acuut gevaar, spoedeisend belang Bijzondere voorschriften Herplant- en instandhoudingsplicht Bestrijding van boomziekten Bescherming publieke houtopstand Afstand van de erfgrenslijn Toezicht
42 43 43 43 44 44 44 45
8
Afdeling 7.4
Evenementen (Gereserveerd)
45
Afdeling 7.5
Markten en standplaatsen
45
Artikel 7.14 Artikel 7.15 Artikel 7.16 Artikel 7.17 Artikel 7.18 Artikel 7.19 Artikel 7.20 Artikel 7.21 Artikel 7.22 Artikel 7.23 Artikel 7.24
Inrichting van de markt en de branche-indeling Nadere regels Standplaatsvergunning Vereisten Intrekking vaste standplaatsvergunning Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Onmiddellijke verwijdering Toezicht markt Voorschriften en beperkingen Toestemming rechthebbende
45 45 45 45 46 46 46 47 47 47 47
Afdeling 7.6
Begraafplaatsen
47
Artikel 7.25 Artikel 7.26 Artikel 7.27 Artikel 7.28
Grafkelder Vergunning grafbedekking Grafbeplanting Onderhoud door rechthebbende
47 48 48 48
Afdeling 7.7
Kamperen
49
Artikel 7.29 Artikel 7.30 Artikel 7.31
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Slapen op openbare plaatsen Aanwijzing kampeerplaatsen
49 49 50
Afdeling 7.8
Crossen
50
Artikel 7.32 Artikel 7.33
Crossterreinen Beperking verkeer in natuurgebieden
50 50
Artikel 7.34 Artikel 7.35 Artikel 7.36 Artikel 7.37
Loslopende honden Verontreiniging door honden en paarden Bijen Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
51 52 52 53
Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Artikel 8.1
53
Herziening en vervanging van aangewezen normen, andere voorschriften en wet- en regelgeving
53
Hoofdstuk 9 Sanctie, overgangs- en slotbepalingen
54
Artikel 9.1 Artikel 9.2 Artikel 9.3 Artikel 9.4
54 54 54 54
Sanctiebepaling Toezichthouders Binnentreden woningen Intrekking en vervallenverklaring oude verordeningen 9
Artikel 9.5 Artikel 9.6 Artikel 9.7
Overgangsbepaling Inwerkingtreding nieuwe verordening Citeertitel
10
55 55 55
HOOFDSTUK 1 Artikel 1.1
Algemene bepalingen
Begripsbepalingen
Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel 1.2
Toepassingsbereik
Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Artikel 1.3
Doel van de verordening
1.
Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen en andere gemeentelijke regelingen in één verordening. Deze regels worden in tranches opgenomen in deze verordening.
2.
Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a.
een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en
b.
een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Artikel 1.4
(Beslis)termijnen
1.
Op een aanvraag om omgevingsvergunning is, tenzij de wet anders bepaalt, de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, waarbij de beslistermijn(en) in de zin van afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) gelden.
2.
Een omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de omgevingsvergunning anders is bepaald of de aard van de omgevingsvergunning zich daartegen verzet.
3.
De aard van de omgevingsvergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal beschikbare omgevingsvergunningen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragen het aantal beschikbare omgevingsvergunningen overtreft (schaarse vergunning).
Artikel 1.5
Voorschriften
1.
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden. Deze voorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband met de fysieke leefomgeving.
2.
Degene aan wie krachtens deze verordening een omgevingsvergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften in acht te nemen.
11
Artikel 1.6 1.
2.
Het bevoegd gezag weigert een aanvraag om omgevingsvergunning in ieder geval: a.
indien de te vergunnen activiteit in strijd is met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regelgeving;
b.
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (verder Wet Bibob).
Het bevoegd gezag kan een aanvraag om omgevingsvergunning weigeren indien: a.
dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving of de bescherming van het milieu;
b.
dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;
c.
niet wordt voldaan aan, bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor een omgevingsvergunning in aanmerking te komen;
d.
de aanvraag om een omgevingsvergunning te kort voor de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling en beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 1.7 1.
Algemene weigeringsgronden
Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden
Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a.
de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b.
veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;
c.
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd;
d.
de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;
e.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
f.
aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie of
g.
de vergunninghouder dit verzoekt.
12
2.
Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
Artikel 1.8
Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit
1.
De Adviescommissie voor de Ruimtelijke Kwaliteit, verder de Adviescommissie, is de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 8 van de Woningwet en als bedoeld in paragraaf 4.2 van de Erfgoedwet.
2.
De advisering over redelijke eisen van welstand en over erfgoed is opgedragen aan de stichting Mooi Noord-Holland die uit haar midden personen voordraagt als lid van de Adviescommissie.
3.
De Adviescommissie adviseert over de welstands- en erfgoedaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning.
4.
De Adviescommissie baseert haar welstandsadvies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.
5.
De bepalingen over de samenstelling, taakstelling, werkwijze en verantwoording van de Adviescommissie zijn vastgelegd in een door de raad vastgesteld Reglement van Orde.
Artikel 1.9
Nadere regels en aanwijzingsbesluiten
Het college van burgemeester en wethouders kan ter uitvoering van deze verordening aanwijzingsbesluiten en nadere regels vaststellen.
Hoofdstuk 2 Artikel 2.1
Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving
Doel van de regels
Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te redigeren voor de instandhouding, het behoud en de bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel 2.2
Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving
1.
Eenieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving.
2.
Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving is verplicht: a.
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
13
c. 3.
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Eenieder die schade toebrengt aan de fysieke leefomgeving is verplicht dit te melden bij het bevoegd gezag.
Artikel 2.3
(Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats
Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel 2.4
(Specifieke) zorgplicht staat bestaande gebouwen
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 2.5
(Specifieke) zorgplicht gebruik gebouwen
1.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
a.
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
b.
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging en
c.
het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Artikel 2.6
(Specifieke) zorgplicht bouw- en sloopwerkzaamheden
Degene die een bouw- of sloopactiviteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.
14
Artikel 2.7
(Specifieke) zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
1.
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het heffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden of ernstige afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de leefomgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
3.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a.
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
b.
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging en
c.
het nalaten van het normale onderhoud van het open erf of terrein waardoor het open erf of terrein zich niet in zindelijke staat bevindt.
Artikel 2.8
(Specifieke) zorgplicht erfgoed (monumenten en archeologie)
Degene die een rijksmonument of een andere activiteit die een rijksmonument of een voor beschermd rijksmonument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een rijksmonument of een voor beschermd rijksmonument is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 2.9
(Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed
1.
Het is verboden (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen.
2.
De eigenaar en huurder van een (gemeentelijk) monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
3.
Degene die een activiteit verricht aan of bij een (gemeentelijk) onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.
Artikel 2.10
(Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren
De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden. 15
Artikel 2.11
(Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen.
De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel 2.12
(Specifieke) zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik één van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat: 1.
Brandgevaar wordt veroorzaakt.
2.
Bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt.
3.
De melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd.
4.
Het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd.
5.
Het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd.
6.
Er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.
Artikel 2.13
(Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten
De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van de rechthebbenden en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen openbare plaatsen zijn verplicht die zich op die gronden bevindende akkermelkdistels, akkerdistels, brandnetels, fluitenkruid, krulzuring, Jacobs Kruiskruid en reuzenberenklauwen voordat deze gaan bloeien te bestrijden. Artikel 2.14
Meldplicht bij brand of broei
Eenieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden. Artikel 2.15
Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.
De zakelijke of persoonlijke rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk objecten, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet privaatrecht.
Artikel 2.16
Algemeen verbod oplaten van ballonnen
Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven.
16
Artikel 2.17
Verbod plaatsen objecten onder hoogspanningslijn
1.
Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
3.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder.
4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk 3
(Gereserveerd)
Hoofdstuk 4
Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht
Artikel 4.1
Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed
1.
Het doel van de regels in dit hoofdstuk van deze verordening is het behouden en beschermen van (onroerend) cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status.
2.
Dit artikel heeft als juridische grondslag artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.
Artikel 4.2
(Voornemen tot) aanwijzing als gemeentelijk monument
1.
Burgemeester en wethouders kunnen een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument.
2.
Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot aanwijzing voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening.
3.
Burgemeester en wethouders maken een voornemen tot aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijke gerechtigden op de onroerende zaak voor zover die vermeld staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8 van de Kadasterwet.
4.
Onverminderd het bepaalde in lid 2 en 3 wordt bij een kerkelijk monument over het voornemen tot aanwijzing overleg gevoerd met de eigenaar.
17
5.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
6.
Dit artikel is niet van toepassing op: a.
rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet en
b.
provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten, die zijn aangewezen op grond van de Omgevingsverordening NH2020.
Artikel 4.3
Voorbescherming
1.
Artikel 2.8 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.2 van deze verordening is bekendgemaakt.
2.
De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.
Artikel 4.4
Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit
1.
Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.
2.
De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument.
Artikel 4.5
Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister
1.
Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Kadasterwet.
2.
Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 4.6
Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument
1.
In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument voorlopig aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument. In afwijking van artikel 4.2 wordt in dat geval aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening advies gevraagd over de vastgestelde voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument.
2.
De voorlopige aanwijzing vervalt als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de definitieve aanwijzing.
18
3.
De artikelen 4.3 tot en met 4.5 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
4.
Artikel 2.8 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld over de voorlopige aanwijzing.
Artikel 4.7
Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument
1.
Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.6 van deze verordening wijzigen.
2.
Burgemeester en wethouders zenden het voornemen tot wijziging van de aanwijzing voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening.
3.
Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken indien het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, teniet is gegaan.
4.
Artikel 4.2 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging naar het oordeel van burgemeester en wethouders van ondergeschikte betekenis is.
5.
Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.
6.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het (archeologisch) monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als rijks (archeologisch) monument of provinciaal (archeologisch) monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister, zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.
Artikel 4.8
Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht
1.
De gemeenteraad kan een stads- en/of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht, wanneer een groep van onroerende zaken van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en zich in deze groep één of meer monumenten bevinden.
2.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de Adviescommissie als bedoeld in artikel 1.8 van deze verordening.
3.
Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.
4.
Zodra de aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
5.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld.
19
6.
Bij de aanwijzing van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld.
7.
Als een bestemmingsplan opnieuw moet worden vastgesteld als gevolg van artikel 3.1 tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1 eerste lid van die Wet voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in deze Wet vaststellen.
8.
Dit artikel is niet van toepassing op: a.
een door het Rijk aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 35 eerste lid van de Monumentenwet 1988;
b.
een door de provincie aangewezen beschermd stads- en/of dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder Wabo).
Artikel 4.9
Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en/of dorpsgezicht
1.
De gemeenteraad kan de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.8 wijzigen of intrekken Artikel 4.8 tweede lid en derde lid is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en/of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft teniet is gegaan.
2.
Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.
3.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop de aanwijzing betrekking heeft en wordt aangewezen als beschermd rijks stads- en/of dorpsgezicht of als beschermd provinciaal stads- en/of dorpsgezicht. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister zodra de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.
Hoofdstuk 5
Regels voor activiteiten
Afdeling 5.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Artikel 5.1
Op wie van toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.
20
Afdeling 5.2 Artikel 5.2 1.
2.
Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Het is verboden een bouwwerk te bouwen op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers als: a.
daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
b.
dat het bouwwerk de grond raakt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is of
c.
het bestaande rechtmatige gebruik van het bouwwerk wijzigt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is.
Het verbod is niet van toepassing als burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betrokken bouwwerk voorschriften en beperkingen verbinden waarmee naar hun oordeel uit het bodemonderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, uit andere onderzoeksresultaten of uit het goedgekeurde bodemsaneringsplan, als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming blijkt dat daarmee de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk.
Artikel 5.3 1.
Bodem
Onderzoek
Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a.
de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, vigerende uitgave 2009, in overeenstemming met de van toepassing zijnde onderzoekstrategie;
b.
indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, vigerende uitgave.
2.
De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht artikelen 2 en 3 van bijlage II.
3.
Het college van burgemeester en wethouders staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college van burgemeester en wethouders reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
21
4.
Het college van burgemeester en wethouders kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wabo en van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, vigerende uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, vigerende uitgave, niet rechtvaardigen.
5.
Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan eventuele sloop van gebouwen. Indien het bodemonderzoek pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt maar voordat met de bouw wordt begonnen.
Artikel 5.4 1.
2.
Vangnet archeologie
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a.
voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wabo is verleend;
b.
het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;
c.
de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of een vooronderzoek is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: l.
het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd;
ll.
de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of
III.
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Bij een opgravend onderzoek moet het daarvoor op te stellen Programma van Eisen altijd vooraf worden goedgekeurd door het college van burgemeester en wethouders. 22
3.
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Artikel 5.5
Aanwijsbevoegdheid Interferentiegebieden
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd interferentiegebieden aan te wijzen en vast te stellen. Ook is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de grenzen van een interferentiegebied te wijzigen en opnieuw vast te stellen. Dit ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie. Afdeling 5.3
Ondergrondse infrastructuur
Artikel 5.6
Toepasselijkheid kabels en leidingen
1.
Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Medemblik
2.
Het bepaalde in deze afdeling geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten.
Artikel 5.7
Nadere regels
1.
Het college van burgemeester en wethouders kan ter uitvoering van deze afdeling nadere regels vaststellen.
2.
Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: a.
openbare orde en veiligheid;
b.
het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden;
c.
het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen;
d.
ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden;
e.
nadeelcompensatie in geval van het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen;
f.
de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die moeten worden verstrekt;
g.
de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten;
h.
het al dan niet toestaan van de aanleg van een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.
23
Artikel 5.8
Instemmingsvereiste
1.
Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders genomen instemmingsbesluit.
2.
Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door burgemeester en wethouders goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is.
3.
De werkzaamheden moeten binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden zijn voltooid.
4.
De werkzaamheden van niet ingrijpende aard moeten binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak zijn voltooid.
5.
Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente.
6.
Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden zijn bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, burgemeester en wethouders bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Tijdens de door de gemeente vergunde evenementen geldt altijd een breekverbod. De termijnen zoals bedoeld in het derde en vierde lid worden automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zullen burgemeester en wethouders de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren.
Artikel 5.9
Aanvragen en melden
1.
Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit bij burgemeester en wethouders te worden aangevraagd.
2.
In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met burgemeester en wethouders om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden.
3.
Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte.
4.
Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden moet(en) twee werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij burgemeester en wethouders.
24
5.
Spoedeisende werkzaamheden moeten voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij burgemeester en wethouders of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan.
Artikel 5.10
Gegevensverstrekking
1.
Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit dient gebruik te worden gemaakt van daartoe door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem.
2.
Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: a.
naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder;
b.
als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;
c.
een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen;
d.
vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden;
e.
een digitale tekening (PDF- en/of DWG-formaat) met BGT ondergrond legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven:
f.
g.
1.
een opgave van het gewenste tracé;
2.
een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen;
3.
een opgave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen.
overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt: 1.
binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt;
2.
dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd;
3.
dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven.
de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; 25
3.
h.
de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;
i.
een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen;
j.
indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de instemmingstekening weergeven.
Voor een melding, als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van het door burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem. De volgende gegevens moeten daarbij in ieder geval worden verstrekt: a.
naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder;
b.
als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;
c.
de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets;
d.
de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken;
e.
de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;
In geval van spoedeisende werkzaamheden moeten tevens worden verstrekt: f.
de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden;
g.
de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd.
Artikel 5.11 1.
Voorschriften bij instemmingsbesluit
Burgemeester en wethouders kunnen in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid;
c.
het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;
26
2.
d.
de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen;
e.
de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten.
De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a.
het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden;
b.
het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld;
c.
afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken.
3.
De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten schriftelijk worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.
4.
Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij burgemeester en wethouders vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen.
Artikel 5.12
(Mede)gebruik van voorzieningen
1.
Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van burgemeester en wethouders aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid.
2.
Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist.
3.
In het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5.13
Termijnen
1.
De beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.
2.
Indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, delen burgemeester en wethouders dit aan de aanvrager mede en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel genomen kan worden.
3.
De goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen twee werkdagen. 27
4.
De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, met in acht name van het bepaalde in artikel 5.18, tweede lid, uiterlijk twee werkdagen nadat de melding is gedaan.
5.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 5.14
Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie
1.
De netbeheerder is verplicht op verzoek van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk.
2.
Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling.
3.
Burgemeester en wethouders en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken.
Artikel 5.15
Overleg
1.
Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd.
2.
In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening.
3.
Burgemeester en wethouders stemmen af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen.
Artikel 5.16
Niet openbaar netwerk
1.
Deze afdeling houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.
2.
Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.17
Informatieplicht
1.
De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen.
2.
De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.
28
Artikel 5.18
Toezicht en handhaving
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen.
2.
Indien burgemeester en wethouders vaststellen dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en hun overige wettelijke bevoegdheden zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, het instemmingsbesluit in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen indien: a.
er wordt gewerkt in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit;
b.
het instemmingsbesluit is verleend ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens;
c.
het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend;
d.
er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels;
e.
er wordt gewerkt in strijd met het geldende breekverbod.
Afdeling 5.4
Hemel- en grondwater
Artikel 5.19
Plicht tot afkoppelen
1.
2
Bij het oprichten van een nieuw hoofdgebouw op een perceel geldt:
a.
indien het betreffende perceel grenst aan het oppervlaktewater, het hemelwater hierop moet worden geloosd;
b.
het hemel- en grondwater gescheiden van het overige water moet worden aangeleverd aan de perceelgrens, als het niet op eigen terrein kan worden verwerkt.
Bij het veranderen van een bestaand hoofdgebouw op een perceel geldt:
a.
het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaarvuilwaterriool. Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door het college worden gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen.
29
3.
4.
Indien het college een gebied als bedoeld in het tweede lid onder a aanwijst geldt: a.
het college kan de wijze bepalen waarop het afkoppelen plaatsvindt;
b.
bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt het college rekening met het gemeentelijk rioleringsplan;
c.
de gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 12de week na de dag waarop zij bekend is gemaakt;
d.
het college kan ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedswijziging, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd;
e.
op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.
Op een drukriool mag geen hemelwater en/of drainagewater worden aangesloten. Drukriolering kan daarmee worden beschouwd als een aangewezen gebied als bedoeld in het tweede lid onder a.
Hoofdstuk 6
Omgevingshinder
Afdeling 6.1
Geurhinder (veehouderijen)
Artikel 6.1
Aanwijzing gebieden
1.
Als deelgebied A van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid van de Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv) wordt aangewezen de gebieden binnen de bebouwde kom, gesplitst in een deelgebied A1 (woongebieden met een stedelijk karakter) en een deelgebied A2 (woongebieden met een landelijk karakter).
2.
Als deelgebied B van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Wgv wordt aangewezen het gehele gebied buiten de bebouwde kom binnen de gemeente Medemblik.
3.
Voor de aangewezen gebieden zoals aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt verwezen naar de kaart in bijlage 2 behorende bij deze verordening.
Artikel 6.2 1.
Andere waarden voor de afstand
In afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object:
in het deelgebied A2 ten minste 50 meter, mits: a.