CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte Maassluis concept 12 mei (004)

Thema-avond 1 1 juni 2021, gemeente MaassluisBij agendapunt: 20.00-21.00 uur: Toelichting concept Transitievisie Warmte Maassluis25.441 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er zijn veel twijfels of het financieel haalbaar is, zeker voor mensen met een kleine portemonnee. In de fase waarin we deze enquête afnamen, was nog niet duidelijke welke mogelijke alternatieven voor aardgas er zijn in Maassluis. Er werden dan ook veel vragen gesteld over mogelijke duurzame warmtebronnen en -oplossingen. Veel vragen gingen over het gebruik van waterstof of de aanleg van een warmtenet. Er is een grote behoefte aan informatie over mogelijke duurzame warmtebronnen. De enquêteresultaten geven een eerste beeld welke vragen er leven en welke (indirecte) eisen de respondenten stellen aan duurzame warmtebronnen. Denk aan de technische betrouwbaarheid, veiligheid, impact op het milieu en de gezondheid, leveringszekerheid en een keuze wat betreft leveranciers. De respondenten vragen zich ook af of het elektriciteitsnet in Maassluis voldoende is toegerust op een wereld waarin we meer duurzame energie gaan opwekken (o.a. zonnepanelen) en gebruiken voor de verwarming van woningen en panden. Daarnaast is er behoefte aan duidelijke informatievoorziening over het proces. Wanneer wordt mijn woning of bedrijf afgesloten van het aardgas en hoe worden inwoners en bedrijven hierbij betrokken? Uit de enquête blijkt ook dat bewoners van oude panden in Maassluis zich zorgen maken hoe zij hun woning aardgasvrij kunnen maken.

Zowel over de techniek (is het mogelijk) als de (hoge) kosten die dit met zich meebrengt. Woningeigenaren die onderdeel zijn van een VVE hebben ook behoefte aan organisatorische ondersteuning. Hoe krijg ik mede-eigenaren zover dat zij instemmen met het nemen van duurzame maatregelen? In bijlage 7 vindt u de meest gestelde vragen en de antwoorden hierop voor zover we die in deze fase konden geven. Deze zijn ook terug te vinden op website www.maassluis.nl/aardgasvrij. Informatiebijeenkomst voor bedrijven Op dinsdag 16 februari 2021 vond via Zoom de online informatiebijeenkomst “Maassluis aardgasvrij” voor bedrijven plaats. Acht ondernemers namen hieraan deel. Wethouders Sjef Evers (o.a. duurzaamheid) en Sjoerd Kuiper (o.a. wonen en ruimtelijke ordening) vertelden over de ambitie van Maassluis, waarom we aardgasvrij worden en wat er al kan. Projectleider Wietske van Hooff vertelde hoe Maassluis het proces voor een aardgasvrij Maassluis aanpakt, adviesbureau Merosch liet zien welke alternatieven voor aardgas er zijn en de Green Businessclub lichtte toe op welke manier zij betrokken zijn en ondernemers kunnen helpen bij de energietransitie. Daarnaast wisselden de deelnemers kennis en ervaring met elkaar uit over een aardgasvrije toekomst voor Maassluis. Naast uiteraard de zorgen die de ondernemers hebben over betaalbaarheid zien zij ook kansen 25

voor de lokale economie. Een belangrijke opmerking van een deelnemer was dat leveranciers de verduurzamingsopgave vanuit een positieve invalshoek moeten leren te communiceren naar klanten. Wat levert het op voor de eindgebruiker? Wat betekent het voor de portemonnee en welke voordelen leveren duurzame maatregelen in en aan de woning op? Denk bijvoorbeeld aan verbetering van het comfort. Daarnaast werd duidelijk dat er ook bedrijven zijn die op dit moment in hun productieproces gebruik maken van aardgas. Zo vertelde een eigenaar van een wasserette dat zij aardgas gebruiken voor het stomen van kleding. Informatiebijeenkomst voor inwoners Op donderdag 18 februari 2021 organiseerde de gemeente een online informatiebijeenkomst voor inwoners van Maassluis. Er waren ruim 340 deelnemers van de bijeenkomst. Wethouders Sjef Evers (o.a. duurzaamheid) en Sjoerd Kuiper (o.a. wonen en ruimtelijke ordening) vertelden over de ambitie van Maassluis, waarom we aardgasvrij worden en wat er al kan. Projectleider Wietske van Hooff vertelde hoe Maassluis het proces voor een aardgasvrij Maassluis aanpakt. Menno Schokker van bureau Merosch presenteerde welke duurzame warmtebronnen in plaats van aardgas mogelijk zijn om onze gebouwen te verwarmen en wat dit betekent voor een woning of bedrijfspand.

Tot slot vertelde Frank Prins van het regionale energieloket de WoonWijzerWinkel wat Maassluizers nu al kunnen doen om een woning voor te bereiden op een aardgasvrije toekomst. Het belangrijkste daarbij is energie besparen, want alle energie die bespaard wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden. De deelnemers aan de bijeenkomst konden vragen stellen, hun mening delen of hun zorgen uitten. Tijdens de presentaties werden zo veel mogelijk vragen door de sprekers live beantwoord. Er zijn meer dan 400 vragen gesteld. De meest gestelde vragen en antwoorden hierop zijn terug te lezen op de website www.maassluis.nl/aardgasvrij. Deze vindt u ook in bijlage 7. De bijeenkomst is in z’n geheel terug te zien op de voorgenoemde website. Hoe kunnen woningeigenaren en ondernemers zich voorbereiden op de overstap naar een andere warmtebron dan aardgas? U kunt alvast stappen zetten naar een aardgasvrije toekomst van uw woning of bedrijfspand. Het belangrijkste is het verminderen van het energieverbruik, bijvoorbeeld door te isoleren. Dat is goed voor het milieu, maar ook voor de portemonnee. Maar ook andere kleine stapjes kunnen helpen. Frank Prins van het regionale energieloket de WoonWijzerWinkel hield tijdens de bijeenkomst op 18 februari 2021 een presentatie over de mogelijkheden. Zijn presentatie (video en pdf) kunt u terugkijken www.maassluis.nl/aardgasvrij.

Maassluizers kunnen bij de WoonWijzerWinkel terecht voor persoonlijk advies. Kijk voor meer informatie op de website van de WoonWijzerWinkel. Bent u van plan om onderhoud te plegen aan uw woning? Kijk dan ook eens of u dit kunt combineren met duurzame maatregelen. Wilt u een nieuwe keuken? Stap dan meteen over op elektrisch koken. Of wilt u uw vloer vervangen? Misschien kunt u dit combineren met de aanleg van vloerverwarming. Zo zorgt u ervoor dat uw woning of bedrijfspand stap voor stap duurzamer en comfortabeler wordt. U hoeft dan niet alles tegelijkertijd te doen. Vervolg Op het moment van schrijven is de campagne ‘Maassluis aardgasvrij’ in het teken van de Transitievisie Warmte nog niet afgerond. We organiseren in juni 2021 een online informatiebijeenkomst waarin we de concept versie van deze Transitievisie Warmte presenteren aan alle Maassluizers. Zij kunnen deze concept versie vooraf lezen en krijgen de mogelijkheid om hier inhoudelijk op te reageren. Deze feedback gebruiken we om tot een verbeterde definitieve visie te komen voor het einde van 2021. Nadat het college en de gemeenteraad een besluit hebben genomen over de Transitievisie Warmte gaan we aan de slag met de twee benoemde trajecten in 2022.

26

Bijlagen

27

Bijlage 1: Argumentatie warmtetransitiekaart Maassluis 2050 Deze bijlage beschrijft samengevat de beargumentatie van de warmtetransitiekaart Maassluis 2050. Voor meer gedetailleerdere informatie wordt verwezen naar bijlage 2, 3 en 41.

De totstandkoming van de warmtetransitiekaart Maassluis 2050 is gebaseerd op de onderstaande vier primaire principes. 1. 2. 3. 4.

Bouwdichtheid (bijvoorbeeld veel grondgebonden woningen versus veel hoogbouwflats). Eigenaarschap (bijvoorbeeld particuliere woningeigenaren versus woningcorporatiebezit). Mogelijkheid warmteaanbod en/of de nabijheid hiervan. Uitkomsten van de rekenmodellen van de maatschappelijke kosten.

1 Hierbij de kanttekening dat alle hierop volgende kaarten en informatie zijn gebaseerd op (openbare) data om op

stedelijk niveau informatie te verkrijgen en keuzes te kunnen maken. De data en informatie blijft daarmee ‘beperkt’ tot een bepaalde mate van abstractie. Het kan dan ook zo zijn dat gedetailleerde informatie op bijvoorbeeld gebouwniveau op bepaalde plekken licht kan afwijken van de realiteit. De gebruikte data is echter wel meer dan voldoende accuraat om voor een Transitievisie Warmte de juiste afwegingen te kunnen maken. 28

Deze vier principes zijn kwalitatief en gelijkwaardig gewogen. Hiernaast zijn er nog twee secundaire principes meegewogen. Deze secundaire principes wegen kwalitatief minder zwaar dan de vier primaire principes: A. Isolatiegraad gebouwen. B. Koppelkansen investeringsagenda’s (infrastructureel en woningcorporatie Maasdelta). Op de onderstaande pagina’s worden de criteria nader beschreven. Primair principe 1: bouwdichtheid De bouwdichtheid heeft veel invloed op de (financiële) haalbaarheid van warmtealternatieven. Wanneer de bouwdichtheid erg laag is zoals bij een woonwijk met grondgebonden woningen, dan moet er in het geval van een warmtenet veel geïnvesteerd worden in de aanleg hiervan, terwijl er relatief weinig warmtevraag tegenover staat. Hierdoor wordt bijvoorbeeld een all-electric warmtevoorziening kansrijker tov. een warmtenet. Het tegenovergestelde geldt bij gebieden met veel hoogbouw zoals appartementencomplexen en galerijflats.

29

Primair principe 2: eigenaarschap Het eigenaarschap is ook van belang voor de keuze van een warmtealternatief. Een warmtenet exploitant krijgt meer zekerheid wanneer afspraken gemaakt worden met een groot vastgoedbezitter zoals Maasdelta over het aansluiten van haar (duizenden) woningen op een warmtenet. Dit maakt de realisatie van een warmtenet minder risicovol en kansrijker ten opzichte van gebieden met bijvoorbeeld particuliere woningeigenaren. Een groot aandeel particuliere woningeigenaren in een gebied pleit voor een individuele aanpak, waarbij momenteel een individuele all-electric warmtevoorziening kansrijker is dan een grootschalig collectief warmtenet.

30

Primair principe 3: Mogelijkheid warmteaanbod en/of de nabijheid hiervan De mogelijkheid van het warmteaanbod en/of de nabijheid hiervan is ook belang. Indien er bijvoorbeeld een hoog/midden temperatuur warmtebron aanwezig is met voldoende capaciteit, dan maakt dit de realisatie van een warmtenet kansrijker. Vanuit betaalbaarheid is de nabijheid van deze bron(nen) ook van belang gezien de forse investeringen in de benodigde infrastructuur. Maassluis bevindt zich in de vrij unieke en kansrijke situatie dat er vier (hoog temperatuur) warmtebronnen beschikbaar zijn, of zullen zijn in de toekomst, voor een collectief warmtenet in Maassluis. Dit betreffen: 1. De geplande ‘Leiding door de Haven’ nabij Rozenburg, onderdeel van het regionaal warmtenet van regio Rotterdam-Den Haag. 2. De bestaande ‘Leiding over Noord’ vanuit Vlaardingen, onderdeel van het regionaal warmtenet van regio Rotterdam-Den Haag, in exploitatie van Eneco. 3. Het bestaande warmtenet obv. geothermie in het Westland, in exploitatie van ETP. ETP heeft vergevorderde plannen om uit te breiden naar Maasdijk. 4. De bestaande geothermiebron in exploitatie van GEOpower voor de glastuinbouw.

Hiernaast is uit de nadere analyse gebleken (bijlage 3) dat er in en rondom Maasluis relatief veel warmteaanbod is voor all-electric toepassingen. De bodem is doorgaans geschikt voor gesloten bodemlussen en/of warmte-koudeopslag (WKO) systemen. Daarnaast biedt de Maas veel warmte-koude potentie voor aquathermie (TEO) systemen. Zie bijlage 3 voor een nadere toelichting hierop.

31

Primair principe 4: Uitkomsten van de rekenmodellen van de maatschappelijke kosten De uitkomsten van de rekenmodellen van de maatschappelijke kosten is tevens een belangrijk principe om mee te wegen. Het is van belang dat we weten wat momenteel per gebied of wijk het warmtealternatief is met de laagste maatschappelijke kosten. Met maatschappelijke kosten worden alle kosten (investering en jaarlijkse kosten) bedoeld die gemaakt moeten worden om het warmte-alternatief mogelijk te maken. Denk aan kosten voor de netbeheerder, gebouweigenaren en het warmte/energiebedrijf. Om dit inzichtelijk te maken wordt er gebruik gemaakt van drie rekenmodellen, waar een vergelijkende analyse op is uitgevoerd (zie bijlage 4). De drie rekenmodellen zijn: • Startanalyse (PBL, Vesta Mais versie september 2020); • Warmtetransitiemodel (Overmorgen); • Openingsbod Stedin. Hierbij dient aangetekend te worden dat deze rekenmodellen een theoretisch karakter hebben, veelal gebaseerd op gemiddelden en aannames. Indien alle modellen echter hetzelfde resultaat aangeven voor een gebied, bijvoorbeeld warmtenet als meest voordelig, dan kunnen we spreken van een robuust resultaat voor wat betreft de maatschappelijke kosten. Indien dit het geval is, dan maakt dit de toepassing van een bepaald warmtealternatief kansrijker. Zie bijlage 4 voor de gedetailleerdere vergelijkende analyse van de rekenmodellen.

Hieronder wordt vanuit leesbaarheid enkel de uitkomsten middels een visualisatie getoond.

Secundair principe A: Isolatiegraad De secundaire principes isolatiegraad gebouwen en koppelkansen investeringsagenda’s zijn tevens meegewogen. De isolatiegraad is belangrijk voor de keuze van een warmtealternatief omdat dit een indicatie geeft over de mate waarin er bouwkundige en installatietechnische maatregelen nodig zijn om aardgasvrij te worden. In het geval van een matig tot slecht geïsoleerde woning (ca. energielabel C/D of slechter) moet er bijvoorbeeld voor een all-electric warmtevoorziening dusdanig veel gebeuren dat dit enerzijds veel ‘gedoe’ 32

oplevert voor de gebruiker en/of eigenaar en anderzijds hoge kosten. Dit terwijl in het geval van een midden temperatuur warmtenet (wat het uitgangspunt is voor een eventueel warmtenet in Maassluis) dit veel minder het geval is. Slecht geïsoleerde woningen maken dan ook een warmtenet kansrijker dan een all-electric concept. Omdat de financiële impact hiervan al onderdeel is van het principe ‘uitkomsten van de rekenmodellen van de maatschappelijke kosten’, weegt dit principe kwalitatief wel minder zwaar dan de primaire principes. De isolatiegraad van de gebouwen is gebaseerd op basis van het bouwjaar en het energielabel. Er kan grofweg worden aangenomen dat hoe ouder het bouwjaar, en hoe lager de energielabel, hoe lager de isolatiegraad is. Zie bijlage 2 voor een gedetailleerdere beschrijving hiervan.

33

34

Secundair principe B: Koppelkansen investeringsagenda’s (infrastructureel en woningcorporatie Maasdelta) Met koppelkansen investeringsagenda’s (infrastructureel en woningcorporatie Maasdelta) wordt bedoeld: het kunnen combineren van het aardgasvrij maken van een wijk/gebied met natuurlijke investeringsmomenten in infrastructuur en vastgoed. Denk aan het vervangen of uitbreiden van bestaande infrastructuur als riolering, elektra en gas en renovatie- en onderhoudsprojecten van Maasdelta. Gedachtegang is dat dit de kosten en het overlast reduceert. Dit principe wordt echter kwalitatief minder zwaar meegewogen dan de primaire principes, omdat dit meer als een kans gezien wordt om de overschakeling op een warmtealternatief te kunnen combineren, in plaats van dat het sturend principe is. Dit mede omdat dat hier in de praktijk beperkt ervaring mee is en de verwachting is dat het financieel voordeel relatief beperkt is.

De korte en lange termijn investerings- en onderhoudsplannen van Maasdelta zijn intern afgestemd en meegenomen in de overwegingen. Omdat dit niet in detail publiekelijk gedeeld kan worden is hierboven het gehele bezit van Maasdelta weergegeven.

35

36

Op de komende bladzijden wordt de totstandkoming van de warmtetransitiekaart Maassluis 2050 toegelicht langs de principes. Vanuit leesbaarheid is hieronder wederom de warmtetransitiekaart 2050 weergegeven, plus de benaming van de CBS wijken.

37

Voor de totstandkoming van het gebied Meest kansrijk warmtenet kunnen we het volgende zeggen. 1. Bouwdichtheid: zoals te zien op de onderstaande afbeelding is hier relatief veel hoogbouw. 2. Eigenaarschap: er is tevens relatief veel in het bezit van zakelijke eigenaren zoals de woningcorporatie en gemeente. 3. Mogelijkheid warmteaanbod en/of de nabijheid hiervan: er zijn voldoende hoog en dan wel midden temperatuur warmteopties voor een warmtenet. 4. Maatschappelijke kosten: alle rekenmodellen geven aan dat een warmtenet in dit gebied de laagste maatschappelijke kosten heeft.

A. Isolatiegraad: de isolatiegraad is voor bijna alle gebouwen in het gebied dusdanig dat er niet zonder bouwkundige ingrepen over kan worden gegaan op all-electric. Dit pleit extra voor een warmtenet. B. Koppelkansen: Maasdelta heeft in dit gebied veel bezit dat aangehouden zal worden en op termijn ‘warmtenet ready’ zal worden gemaakt. Dit maakt het geschikt voor grootschalige aansluiting op een warmtenet.

Het gebied kansrijk warmtenet is grotendeels vanwege dezelfde argumentatie tot stand gekomen, op enkele verschillen na tov. ‘meest kansrijk warmtenet’ waardoor deze nuance is aangebracht. 1. Bouwdichtheid: is relatief hoog, maar wel lager dan het gebied ‘meest kansrijk warmtenet’. 2. Eigenaarschap: meer particulier bezit tov. zakelijk bezit dan bij ‘meest kansrijk warmtenet’. 3. Mogelijkheid warmteaanbod en/of nabijheid hiervan: idem als ‘meest kansrijke warmtenet’. 4. Maatschappelijke kosten. Alle rekenmodellen geven aan dat een warmtenet in dit gebied de laagste maatschappelijke kosten heeft, op twee bijzonderheden na:

38

•

•

CBS buurt Burgermeesterswijk: 3 rekenmodellen geven all-electric aan als meest voordelig alternatief, waarvan bij 2 modellen de uitkomst onzeker is of het verschil met de tweede optie (warmtenet) zeer klein is. Vanuit de andere principes, waaronder de maatschappelijke kosten, is de omgeving van deze wijk meer kansrijk voor een warmtenet dan all-electric. Hierdoor ligt het niet voor de hand voor een dergelijk eiland van all-electric uit te gaan, daar waar voor omliggende buurten van een warmtenet wordt uitgegaan. Daarnaast zijn er al enkele woningen overgaan op een all-electric warmtevoorziening. Deze hoeven dan uiteraard niet over op een warmtenet wanneer het warmtenet in de buurt gerealiseerd wordt. In deze buurt zal dus een gemengd beeld ontstaan. CBS buurt Nieuwe waterweg. De rekenmodellen zijn hier onzeker en zelfs tegenstrijdig over de laagste maatschappelijke kosten, mede doordat hier veel utiliteit aanwezig is. Net als bij de Burgermeesterswijk ligt het voor dit gebied niet voor de hand uit te gaan van een ‘allelectric eiland’, daar waar voor omliggende buurten uit wordt gegaan van een warmtenet.

Het gebied onzeker – neigend naar warmtenet is tot stand gekomen door het volgende. De CBS-buurten Steendijkpolder Zuid en Noord, Burgermeesterswijk en de Vogelbuurt worden gekenmerkt door veel particuliere woningeigenaren en een lage bouwdichtheid. Doorgaans maakt dit de realisatie van een warmtenet niet kansrijk. Tegelijk is voor een groot gedeelte van dit gebied de isolatiegraad matig, waardoor het overgaan op all-electric erg kostbaar is. De energietransitie rekenmodellen geven dan ook veelal Warmtenet aan voor dit gebied als meest voordelig qua maatschappelijke kosten. Bovendien komt het warmtenet van ETP vanuit Maasdijk zeer dichtbij te liggen. Dit maakt de realisatie van een warmtenet weer kansrijker. Dit beschouwt hebbende maakt dat we dit gebied momenteel ‘neigend naar warmtenet’ benoemen, met de kanttekening dat dit meer onzeker is dan andere kansrijke warmtenet gebieden. Het gebied in de CBS-buurt Nieuwe Waterweg en een gedeelte van Taanschuurpolder is als ‘onzeker – neigend naar warmtenet’ aangemerkt omdat het om veel utiliteit gaat, het aan de rand van de gemeente ligt en de energietransitie rekenmodellen onzeker en/of tegenstrijdig zijn over de maatschappelijke kosten van de warmtealternatieven. Een gedeelte van Taanschuurpolder is tevens van all-electric nieuwbouw voorzien.

Deze hoeven uiteraard niet over te gaan op een warmtenet wanneer deze hier gerealiseerd wordt. Dus net als bij Burgermeesterwijk zal waarschijnlijk in Taanschuurpolder een gemengd beeld van warmtenet en allelectric ontstaan. Het gebied meest kansrijk all-electric is tot stand gekomen door het volgende. 1. Bouwdichtheid: zoals te zien op de onderstaande afbeelding is hier grotendeels laagbouw. 2. Eigenaarschap: het merendeel is in het bezit van particuliere woningeigenaren. 3. Mogelijkheid warmteaanbod en/of de nabijheid hiervan: geen doorslaggevende factor. All-electric is overal in Maassluis mogelijk. 4. Maatschappelijke kosten: robuuste uitkomsten voor all-electric als meest voordelig alternatief. A Isolatiegraad: grotendeels nieuwe woningen (bouwjaar 1992 of hoger); veel woningen kunnen relatief eenvoudig over op een all-electric warmtevoorziening. Dit zien we ook terug in de uitkomsten van de maatschappelijke kosten. B Koppelkansen: geen doorslaggevende koppelkansen.

39

Het gebied kansrijk all-electric is grotendeels vanwege dezelfde argumentatie tot stand gekomen, op enkele verschillende na tov. ‘meest kansrijk all-electric’ waardoor deze nuance is aangebracht. 1. Bouwdichtheid: lage bouwdichtheden met veelal grondgebonden woningen, maar iets hogere bouwdichtheid dan bij ‘meest kansrijk AE’. 2. Eigenaarschap: meer zakelijk bezit tov. particulier bezit dan bij ‘meest kansrijk all-electric’ 3. Mogelijkheid warmteaanbod en/of nabijheid hiervan: idem als ‘meest kansrijke all-electric’. 4. Maatschappelijke kosten. Alle rekenmodellen geven aan dat all-electric in dit gebied de laagste maatschappelijke kosten heeft, op drie bijzonderheden na: • Gebieden binnen de CBS-buurten Taanschuurpolder en de Nieuwe Waterweg. Zoals eerder toegelicht is dit een vrij onzeker gebied, waarbij het momenteel voor de hand ligt uit te gaan van aansluiting op een warmtenet. Met hierbij de kanttekening dat een gedeelte van Taanschuurpolder al van all-electric nieuwbouw voorzien is. Deze hoeven uiteraard niet over te gaan op een warmtenet wanneer deze hier gerealiseerd wordt. • Gebied binnen de CBS-buurten Sluispolder West en -Oost. Dit gebied ligt aan de rand van de gemeente, zijn qua karakter en ligging anders dan de rest van de CBS-wijk en passen hierdoor beter aan de criteria voor all-electric.

Omdat de rekenmodellen rekenen op CBSbuurt niveau hebben we geen zicht op de robuustheid van de maatschappelijke kosten van dit deelgebied.

40

Bijlage 2: Analyse kenmerken Maassluis (de vraag) In deze bijlage is de analyse van de huidige situatie van Maassluis opgenomen. Het doel van de analyse is om een beeld te krijgen van de kenmerken van de buurten in Maassluis waaronder schaalgrootte, gebouwkenmerken, eigenaarschap, koppelkansen en de huidige warmtevraag. Met behulp van deze analyse en het mogelijke warmteaanbod die in de volgende bijlage nader uiteengezet is, is het mogelijk om de mogelijke duurzame warmtevoorzieningen voor de gebouwen in Maassluis te analyseren.

Schaalgrootte In onderstaande afbeelding is het grondgebied van Maassluis weergeven. De gegevens zijn gehaald uit dataset: ‘Basisregistratie Adressen en Gebouwen’ (BAG, versie 31 augustus 2020) en ‘CBS wijken en buurten’ (versie 2019). De gegevens uit dataset BAG bestaan uit een dataset met panden en een dataset met de in de panden bevindende verblijfsobjecten. Aangezien de dataset met verblijfsobjecten meer informatie bevat, hebben we de analyse grotendeels aan de hand van deze dataset uitgevoerd. Afbeelding 1 – Demarcatie gebied Maassluis

Maassluis bestaat uit 19 buurten. Het ligt in de provincie Zuid-Holland en valt onder regio Rotterdam Den Haag. De schaalgrootte geeft inzicht in de grootte van de opgave. Het geeft een beeld van de hoeveelheid woningen en utiliteitspanden die aardgasvrij gemaakt dienen te worden. In onderstaande tabel is het aantal woningen en vierkante meters utiliteit per buurt opgenomen.

41

Tabel 1 – Schaalgrootte buurten Maassluis Buurt Aantal woningen Steendijkpolder-Zuid 1.195 Steendijkpolder-Noord 825 Burgermeesterwijk 1.190 Wilgenrijk 469 Vogelbuurt 1.701 Koningshoek 944 Het Balkon 783 Componistenbuurt 1.063 Bomendal 878 Bloemenbuurt 488 Kapelpolder 590 Nieuwe waterweg 27 Vertobuurt 1.179 Taanschuurpolder 1.105 Binnenstad 605 Sluispolder West 917 Sluispolder Oost 1.611 De Dijk 5 Zuidbuurt 46 Totaal 15.621

Aantal vierkante meters utiliteit 7.949 23.768 10.371 71.824 15.689 47.093 2.097 1.847 9.725 6.248 103.159 61.432 31.848 32.697 12.507 11.708 22.057 7.327 32.630 511.813

In totaal worden er 15.621 woningen meegenomen in de analyse en 511.813 vierkante meters utiliteit.

Bouwdichtheid Tabel 1 laat het aantal woningen en vierkante meters utiliteit per buurt zien, maar dit zegt nog niet zoveel over bouwdichtheid van het gebied. De bouwdichtheid is een belangrijke parameter voor mogelijke warmtevoorzieningen. Zo ligt het toepassen van een collectieve warmtevoorziening meer voor de hand in een gebied met een hoge bouwdichtheid. In onderstaande afbeelding zijn alle panden weergeven. Een utiliteitspand van 130 m2 komt overeen met één woningequivalent 2. Afbeelding 2 – Aanwezige panden in Maassluis

2 Deze definitie is overgenomen uit de ‘Handreiking voor lokale analyse’ van Expertise Centrum Warmte (ECW, september 2020)

42

In onderstaande grafiek is het aantal woningequivalenten per hectare per wijk opgenomen. Afbeelding 3 – Aantal woningequivalenten per hectare per buurt

Bovenstaande grafiek laat duidelijk zien dat de meest dichtbebouwde buurten de ‘Binnenstad’ en ‘Componistenbuurt’ zijn en in afbeelding 2 is daarnaast te zien dat rondom de binnenstad de bouwdichtheid het grootst is. De buitenwijken (‘de Dijk’, ‘Zuidbuurt’ en ‘Wilgenrijk’) hebben juist een lage bouwdichtheid.

Gebouwkenmerken Om tot een geschikte alternatieve warmtevoorziening te komen, is het belangrijk om te weten wat voor type gebouwen er in de wijk staan. De warmtevraag van een woning wordt namelijk bepaald door het woningtype, bouwjaar, bruto vloeroppervlakte en energielabel. Zo lenen nieuwbouwwoningen zich bijvoorbeeld beter voor ‘all-electric’-toepassingen3 dan oudere woningen. In dit hoofdstuk zullen de kenmerken van de gebouwen nader inzichtelijk gemaakt worden. Bouwjaar gebouwen De bouwperiode van een gebouw zegt iets over de isolatiestaat van de schil en daarmee de warmtevraag van een gebouw. In de BAG dataset is per verblijfsobject aangegeven wat het bijbehorend bouwjaar is. De gebouwen zijn onderverdeeld in de volgende bouwperiodes: • Gebouwen gebouwd voor 1930 • Gebouwen gebouwd in 1930-1945 • Gebouwen gebouwd in 1946- 1964 • Gebouwen gebouwd in 1965- 1974 • Gebouwen gebouwd in 1974-1991 • Gebouwen gebouwd in 1992- 2010 • Gebouwen gebouwd na 2010 Er is als eerst een onderscheid gemaakt tussen gebouwen die voor 1930 gebouwd zijn, vooroorlogse gebouwen (periode tot 1945) en naoorlogse gebouwen (tot 1964). De regelgeving stelt vanaf 1965 eisen aan de isolatie van dichte bouwdelen. In 1992 is deze regelgeving aangescherpt.

Daarnaast is de periode van 1965 tot 1992 opgesplitst in de perioden 1965-1974 en 1974-1991, doordat de energie-index van de 3 In bijlage 2 zullen de verschillende mogelijke alternatieve warmtevoorzieningen nader uitgelegd worden.

43

woningen na 1974 substantieel lager is. In 2012 wordt de regelgeving ten aanzien van isolatie voor gebouwen nog meer aangescherpt (bouwbesluit 2012). In onderstaande afbeelding zijn de bouwjaren van de gebouwen in Maassluis weergeven. Afbeelding 4 – Bouwjaren van panden in Maassluis

Het is duidelijk te zien dat de wijken Wilgenrijk en Het Balkon veel nieuwbouw hebben. In het noorden van Maassluis (Steendijkpolder Zuid & Noord) is veel jaren ‘80 bouw aanwezig. De binnenstad en Vertobuurt hebben daarentegen juist veel oude panden. In onderstaande afbeelding is de verdeling per buurt weergeven.

Afbeelding 5 – Verdeling bouwjaren per buurt 44

Type gebouw Het gebouwtype geeft ook meer informatie over de warmtevraag van een gebouw en de mogelijkheden voor alternatieve warmtevoorzieningen. Hoogbouw bevat bijvoorbeeld veel woningen en vraagt meer aanpassingen wanneer het gebouw aardgasvrij gemaakt dient te worden in vergelijking met rijtjeswoningen. Daarnaast zal een vrijstaande woning meer warmte nodig hebben vergeleken met een rijtjeswoning. Gegevens over het type gebouw zijn afkomstig van een studie van Overmorgen (Warmte Transitie Atlas) en Google Maps. De gebouwen zijn onderverdeeld in de volgende types: • Rijtjeswoning • Twee-onder-een-kap • Vrijstaand • Hoogbouw • Portiek • Utiliteit Hoogbouw zijn veelal flatgebouwen met meer dan drie verdiepingen. Portiek zijn gebouwen tot drie verdiepingen hoog. Onder utiliteit vallen ook industriegebouwen en gemeentelijk vastgoed.

45

Afbeelding 6 – Type gebouwen

Verder is hieronder de verdeling weergegeven van type gebouw per buurt. Afbeelding 7 – Verdeling type gebouw per buurt

Zoals te zien in afbeelding 6 en 7 heeft Maassluis veel rijtjeswoningen. Vooral in de wijk SteendijkpolderNoord en -Zuid en het Balkon zijn veel rijtjeswoningen te vinden. De wijken ‘de Dijk’, ‘Zuidbuurt’ en ‘Nieuwe Waterweg’ hebben daarentegen helemaal geen rijtjeswoningen. Hier staan vooral veel Utiliteitsgebouwen.

46

Energielabels In onderstaande afbeeldingen worden de energielabels van de panden in Maassluis weergeven. Energielabels geven inzicht in hoe energiezuinig een woning is, waarbij A een zeer zuinige woning is en G een zeer onzuinige woning. Het energielabel wordt bepaald aan de hand van energie-index. De energieindex wordt als volgt berekend4: 𝐸𝐼 [−] =

𝑄𝑒𝑙𝑒𝑘𝑡𝑟𝑖𝑐𝑖𝑡𝑒𝑖𝑡 [𝑀𝐽] + 𝑄𝑔𝑎𝑠 [𝑀𝐽] 𝑀𝐽 𝑀𝐽 155 [ 2 ] ∗ 𝐴𝑣𝑙𝑜𝑒𝑟 [𝑚2 ] + 106 [ 2 ] ∗ 𝐴𝑣𝑒𝑟𝑙𝑖𝑒𝑠 [𝑚2 ] + 9560[𝑀𝐽] 𝑚 𝑚

Het berekent dus hoeveel energie er nodig is voor alle elektriciteit en gas dat verbruikt wordt in een gebouw (zowel voor gebouwgebonden als gebruikersgebonden). De energie-index houdt ook rekening met de elektriciteit die opgewekt wordt door zonnepanelen. Hierdoor geeft het energielabel niet een duidelijk beeld over de hoeveelheid warmte die een gebouw daadwerkelijk nodig heeft. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een woning een goed energielabel heeft, doordat er veel zonnepanelen op het dak liggen, maar de warmtevraag van het gebouw is nog steeds hoog. Het is daarom belangrijk om ook naar bouwjaar en gebouwtype te kijken, in plaats van alleen maar naar het energielabel van een gebouw. Sinds 1 januari 2015 is het bij verkoop of verhuur van woningen verplicht om een definitief (geregistreerd) energielabel te overhandigen (ook wel afgemeld energielabel genoemd). Niet alle gebouwen in Nederland hebben een afgemeld energielabel. De gegevens van energielabels voor deze studie zijn uit twee verschillende datasets gehaald. De eerste dataset bevat de geregistreerde energielabels (Geodata RIVM, 01/01/2020). Voor de resterende gebouwen die nog geen geregistreerde energielabels hebben is de studie van Overmorgen (Warmte Transitie Atlas 5) en Warmteprofielen tool6 gebruikt. De energielabels zijn hierbij gebaseerd op bouwjaar en gebouwtype.

Alleen de energielabels voor woningen zijn inzichtelijk gemaakt. Afbeelding 8 – Energie label gebouwen Maassluis

4 Conform de NEN7120 en ISSO 82 5 https://data.overheid.nl/dataset/11031-energielabels 6 https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=c487f867908e41ffbbbdc3570c10ebfe

47

In onderstaande afbeelding is de verdeling per buurt inzichtelijk gemaakt Afbeelding 9 – Energie label gebouwen per buurt

De gebouwen in het Balkon hebben een goed energielabel (zo ver bekend), dit ligt ook voor de hand aangezien hier vooral nieuwe gebouwen staan (zie ook figuur 4). Daar waar vooral oude gebouwen staan (vooral rondom binnenstad) zijn de energielabels wat slechter. Afbeelding 9 suggereert dat er in de buurt; ‘de Dijk’ veel woningen met een lage energielabel staan. Dit is echter gebaseerd op een tweetal woningen. Van de overige woningen is de energielabel onbekend. Daarnaast wordt er momenteel veel nieuwbouw in de Dijk gerealiseerd. Hierdoor zal de gemiddelde energielabel van de woningen in de Dijk hoger uitvallen dan nu weergeven.

Eigenaarschap Naast bovenstaande gegevens is het ook belangrijk om inzicht te hebben in het eigenaarschap van de gebouwen. Het is eenvoudiger om een collectieve warmtevoorziening te realiseren met zo min mogelijk verschillende gebouweigenaren. De verschillende typen eigenaren zijn onderverdeeld in de volgende typen: • Particulier bezit • Vereniging Van Eigenaren (VVE) • Woningcorporatie: “Maasdelta” • Gedeeltelijk Maasdelta • Woningcorporatie: “Vestia” • Huurwoningen • Gemeentelijk vastgoed • Utiliteit In de BAG dataset is aangegeven of een gebouw een woonfunctie of een kantoor-/industriefunctie heeft. Daarnaast is data aangeleverd vanuit gemeente Maassluis met overzicht van adressen van particulier bezit, VVE bezit, huurwoningen en gemeentelijk vastgoed. Er zijn in Maassluis twee woningcorporaties actief: ‘Maasdelta’ en “Vestia”. Er is data aangeleverd van de woningcorporatie Maasdelta met daarin de adressen van het vastgoed wat onder hun beheer valt. Gedeeltelijk Maasdelta zijn gebouwen die gedeeltelijk VVE bezit en gedeeltelijk Maasdelta bezit zijn. Huurwoningen zijn woningen die bij de gemeente bekend staan als huurwoningen en niet onder het bezit van Maasdelta vallen (waarschijnlijk particuliere huur).

48

In onderstaande afbeelding is het eigenaarschap weergeven. Afbeelding 10 – Eigenaarschap gebouwen Maassluis

Hieronder wordt de verdeling weergeven van het eigenaarschap van de woningen en het zakelijk vastgoed per wijk.

49

Afbeelding 11 – Verdeling eigenaarschap woningen

Afbeelding 12 – verdeling eigenaarschap utiliteit

Er zijn in verhouding weinig Verenigingen van Eigenaren en andere particuliere huurwoningen in Maassluis aanwezig. ‘Zuidbuurt’ en de ‘De Dijk’ zijn buurten waar alleen particuliere woningen en utiliteit aanwezig is. In de ‘Binnenstad’ valt de meerderheid van de woningen onder het bezit van woningcorporatie Maasdelta. In de buurt; ‘Nieuwe waterweg’ is vooral veel utiliteit aanwezig en de woningen die in deze buurt staan is VVE bezit.

50

Koppelkansen Koppelkansen ontstaan als werkzaamheden voor verschillende onderdelen samenvallen. Denk hierbij aan het vervangen van het gasnet en riolering voor onderhoud. Ten aanzien van financieel oogpunt maar ook ten aanzien van draagvlak in relatie tot overlast, wordt aanbevolen om grote infrastructuur-opgaves te combineren met werkzaamheden voor een collectieve warmtevoorziening. In onderstaande afbeeldingen zijn de vervangingsmomenten voor het gasleidingnet en rioolnet weergeven. De data voor gasvervangingsmomenten is afkomstig van open data van Stedin 7 en de data voor het vervangen van riolering is op basis van ‘Uitvoeringsprogramma Buitenruimte 2020’.

Afbeelding 13 –Gasleidingvervangingsmomenten

In de buurt ‘Vogelbuurt’ staat voor 2023 gepland om het gasleidingnet aan de Merellaan te vervangen. In 2024 staat het gasleidingnet in Sluispolder-West aan de Mesdagalaan op de planning. Vervolgens zal het gasleidingnet aan de Mozartlaan in 2025 in de Kapelpolder/Componistenbuurt vervangen worden. Een ander vervangingsmoment voor het gasleidingnet is bij het Oleanderpark in 2026 in de Bloemenbuurt.

7 https://www.stedin.net/zakelijk/open-data/gasvervangingsdata

51

Afbeelding 14 – Riolering vervangingsdata

In de binnenstad staat voor 2022 gepland om de riolering te vervangen. Verder worden er plannen gemaakt om rond 2022 het riool in de buurt van Steendijkpolder Zuid grootschalig te vervangen.

Lopende initiatieven Er zijn voor zover bekend niet veel lopende initiatieven zoals burgerinitiatieven of coöperatie initiatieven in Maassluis rondom het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Er is een Energiecollectief Warmteweg opgestart, maar dit energiecollectief is momenteel vooral bezig met zonneprojecten.

Warmtevraag De warmtevraag van de gebouwen is bepaald aan de hand van de typologie, bouwjaar en m2 gebruiksoppervlak. Voor de warmtevraag van de woningen zijn kengetallen van het document ‘Voorbeeldwoningen 2011, bestaande bouw’ van RVO gehanteerd. Voor de warmtevraag van utiliteit is het gemiddelde gehanteerd van het gewogen gemiddelde gasverbruik per m2 utiliteitsgebruiksfunctie zoals bepaald door ECN in het document ‘Verkenning utiliteitsbouw’. In onderstaande tabel zijn de gehanteerde uitgangspunten opgenomen. Tabel 2 – Gehanteerde uitgangspunten warmtevraag Maassluis 19461965< 1945 1964 1974 3 2 [m gas/jaar/m ] 24 24 19 Vrijstaande 3 2 [m gas/jaar/m ] 20,5 19 13,5 Rijtjeshuis

19751991 13

19922005 10,5

12

9,5

9,5

> 2005 9,5

Portiek flat

[m3 gas/jaar/m2]

17

13

11

10,5

10

9,5

Hoge flat

[m3 gas/jaar/m2]

10

10

13

9,3

7,5

7,5

52

Voor Utiliteit is een gasverbruik van 10 m3/jaar m2 aangenomen. Daarnaast is het rendement voor woning op 80% en voor utiliteit op 85% gezet, op basis van gemiddelde rendementen voor gasketels. Afbeelding 15 – Warmtevraag per gebouw

De totale warmtevraag is circa 700.000 GJ

Samenvatting In onderstaande tabel zijn de kenmerken per buurt samengevat. Tabel 3 – Kenmerken per buurt in Maassluis Aantal woningen SteendijkpolderZuid SteendijkpolderNoord Burgermeesterwijk Wilgenrijk Vogelbuurt Koningshoek Het Balkon Componistenbuurt Bomendal Bloemenbuurt Kapelpolder Nieuwe waterweg Vertobuurt Taanschuurpolder Binnenstad Sluispolder West Sluispolder Oost De Dijk Zuidbuurt

Bouwdichtheid [woningeq/hec]

1195

Aantal m2 utiliteit 7.949

Meest voorkomende energielabel C

Hoog v.s. laagbouw

24

Meest voorkomende bouwjaar 1977

827 1190 469 1701 944 783 1068 878 488 559 27 1160 1102 599 893 1611 5 46

23.768

19

1994

10.371 71.824 15.689 47.093 2097 1143 9735 6248 106169 61432 33587 33113 13081 13463 22057 7327 32630

35 9 29 40 31 60 32 38 37 24 43 29 70 34 36 1 2

2006 2020 1970 1976 2018 2002 1973 1967 1923 1992 1975 1976 1957 1958 1964 2016 1950

53

23/77%

Woningen v.s. utiliteit 99/1%

Totale warmtevraag [GJ] 44.766

C

6/94%

95/5%

36.061

A A C C A A D D B B C F D E D G G

60/40% 0/100% 50/50% 57/43% 19/81% 89/11% 50/50% 88/12% 14/86% 100/0% 26/74% 25/75% 31/69% 58/42% 66/34% 0/100% 0/100%

96/4% 98/2% 95/5% 89/11% 100/0% 100/0% 99/1% 99/1% 72/28% 23/77% 85/15% 87/13% 85/15% 95/5% 94/6% 11/89% 68/32%

39.596 25.949 73.013 38.106 25.364 29.997 38.667 15.595 55.673 19.014 58.224 64.566 21.523 29.460 58.957 2.829 14.473

Bijlage 3: Analyse warmte-alternatieven (het aanbod) In vorige bijlage is inzichtelijk gemaakt wat de huidige situatie in Maassluis is. In deze bijlage wordt het warmteaanbod voor duurzame warmte inzichtelijk gemaakt. Hierbij wordt eerst in kaart gebracht welke kaders er zijn vanuit regionaal en gemeentelijk beleid.

Regionaal en gemeentelijk energiebeleid Maassluis valt binnen regio Rotterdam en Den haag. Vanuit de Regionale Energie Strategie (RES 8) is geconcludeerd dat het potentiële aanbod van restwarmte en geothermie bijna tweemaal zo groot is als de warmtevraag. Er wordt voor een energiemix gekozen, waarbij de hoogwaardige bronnen ingezet worden voor een hoogwaardige vraag en schaarse bronnen selectief ingezet worden. Daarnaast is de wens om optimaal gebruik te maken van de beschikbare warmte in de regio en waar warmte een betaalbare en efficiënte oplossing is, zodat elektrificatie van de verwarmingsvraag voorkomen kan worden. Er is in de regio namelijk niet veel ruimte om extra duurzame elektriciteit op te wekken naast zonnepanelen en windmolens die nodig zijn om het huidige elektraverbruik te verduurzamen. Het vertrekpunt is om gebruik te maken van wat er in de regio al gebeurt, zoals het verder ontwikkelen van warmtenetten. Verder wordt gezegd dat duurzaam geproduceerde waterstof een beperkte productiepotentieel heeft en ook de potentie van biomassa voor het produceren van groengas in de regio beperkt is. Een grote groei van groene waterstof vóór 2030 wordt niet realistisch geacht. De gemeente Maassluis ondersteunt de visie en volgt de uitgangspunten van de RES.

Mogelijke alternatieve warmtevoorzieningen De belangrijkste structurerende maatregel op gebiedsniveau betreft de keuze voor een energieinfrastructuur/energievoorziening. Kenmerkend voor infrastructuren is dat deze een zeer lange levensduur kennen (veelal voor meer dan 50 jaar). Dit geldt ook voor energie-infrastructuur. Het is dus zaak een energie-infrastructuur te kiezen die meerdere decennia mee kan. De aan te leveren energie-infrastructuur moet betrouwbaar en betaalbaar zijn en in staat zijn een bijdrage te leveren aan de transitie naar een 100% schone energievoorziening. De alternatieve warmtevoorzieningen voor gas kunnen grofweg worden opgedeeld in duurzaam gas, warmtenet of all-electric (zie afbeelding 1). In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de verschillende warmtevoorzieningen en de mogelijke toepassingen hiervan voor Maassluis.

8

Concept energiestrategie Regio Rotterdam Den Haag, 22 april 2020 54

Afbeelding 1 – Mogelijke alternatieve warmtevoorzieningen

Toepassing van duurzaam gas Om aardgas te vervangen, maar wel de infrastructuur te behouden, wordt vaak gesproken over de toepassing van duurzaam gas. Met verbranding van een duurzaam gas kunnen hoge temperaturen worden bereikt, waardoor gebouwen niet ingrijpend hoeven te worden veranderd. Doormiddel van een speciale CV ketel kan een woning (en douchewater) met duurzaam gas verwarmd worden. Duurzaam gas kan grofweg worden opgedeeld in groen gas, wat gewonnen wordt uit biomassa, of in waterstofgas. Groen gas Groen gas, ook wel biogas genoemd, wordt geproduceerd uit organisch restmateriaal zoals slib, GFT-afval en dierlijke restproducten zoals koeienmest. In het werkgebied van Stedin zitten vijf groen gas-invoerders; in Bunschoten-Spakenburg, Den Bommel, Beverwijk, Mijdrecht en Vlaardingen. Op de totale hoeveelheid gas dat door de netten van Stedin gaat, speelt groen gas een kleine rol. Op dit moment is het aandeel van groen gas in het gas dat Stedin levert slechts 0,17% van het totaal9. Er is in Nederland helaas niet voldoende biomassa beschikbaar om op vergelijkbaar grote schaal als aardgas groen gas te produceren. Dat betekent dat we zuinig om moeten gaan met dit schaarse gas.

Biogas kan een mooie oplossing zijn voor historische gebouwen of monumenten die niet voldoende aangepast kunnen (of mogen) worden om op lage temperatuur te worden verwarmd met een aardgasvrij alternatief. Of voor een boerderij waar van zelf geproduceerd organisch restmateriaal genoeg biogas kan worden gemaakt voor eigen gebruik. Vanuit het oogpunt van de energietransitie kan groen gas echter beter ingezet worden voor hoogwaardigere toepassingen waar geen goede alternatieven voor aardgas zijn (zoals industrie). Daarnaast is het toepassen van biomassa om meerdere redenen (geur, fijnstof, duurzaamheid en biodiversiteit) niet wenselijk.

9 https://www.stedin.net/over-stedin/pers-en-media/persberichten/stedin-transporteert-7-miljoen-kuub-groen-

gas 55

Waterstofgas Waterstof is een gas dat niet gewonnen wordt, zoals aardgas, maar dat geproduceerd wordt met aardgas of met elektriciteit. Waterstof is ‘groen’ wanneer het wordt gemaakt met duurzaam opgewekte stroom. Dit betekend dat voor het produceren van groene waterstof er extra windmolens en zonnepanelen gerealiseerd dienen te worden waar echter weinig ruimte voor is. Er wordt verder geëxperimenteerd met het verwarmen van woningen door waterstof. Dit zijn momenteel de bevindingen: 1. Efficiëntie en duurzaamheid Bij de omzetting van elektriciteit naar waterstof via elektrolyse gaat circa 30% energie verloren. Directe groene elektriciteit gebruiken waar mogelijk, is dus efficiënter en duurzamer. Een warmtepomp heeft bovendien een veel hogere efficiëntie ten opzichte van een waterstofketel. Met 1 joule elektriciteit kan je met een warmtepomp 4 joule warmte maken, met een waterstofketel is dat 0,7 joule warmte. 2. Marktrijpheid Wet- en regelgeving is nog niet klaar voor de toepassing van waterstof in de gebouwde omgeving. Dit betekent dat vergunningen aanvragen bij de omgevingsdienst nu nog zeer lange tijd in beslag neemt. 3. Voorbereiden gasleidingen Bestaande gasleidingen moeten worden gespoeld voordat er waterstof in kan, omdat de geurstof in aardgas reageert met waterstof. Dit neemt enkele maanden in beslag.

Daarnaast moeten de koppelingen van de leidingen worden gecontroleerd in verband met het uitsluiten van de ontsnapping van waterstofgas, dat vluchter is dan aardgas. Verder verwachten netbeheerders en het ministerie van Economische Zaken dat de inzet van groene waterstof tot 2035 beperkt blijft tot de industrie, elektriciteitsvoorziening en zwaar transport, en later wellicht uitgebreid wordt naar monumenten of zeer oude gebouwen die niet op andere manieren aardgasvrij kunnen worden. Op basis van bovenstaande argumenten en omdat er voldoende (energetisch efficiëntere) alternatieve warmtevoorzieningen zijn, ligt het gebruik van duurzaam gas voor Maassluis niet voor de hand. Echter zou bij herijking van 5 jaar opnieuw de optie voor groen gas of waterstofgas meegenomen moeten worden, voor het geval technische voorruitgang heeft plaatsgevonden. Toepassen warmtenet Een andere mogelijkheid voor een duurzame warmtevoorziening kan een warmtenet zijn op basis van een duurzame warmtebron. Een warmtenet is een infrastructuur waarbij meerdere gebouwen door dezelfde warmtebron verwarmd worden. Afhankelijk van het temperatuurniveau van het warmtenet, kan de warmte met of zonder tussenkomst van een warmtepomp worden gebruikt voor verwarming en warm tapwater. Een aansluiting op een warmtenet zonder tussenkomst van een warmtepomp kan via een afleverset in de meterkast in een woning.

Er is op dit moment geen lokaal warmtenet aanwezig in Maassluis, maar er ligt echter wel een warmtenet in de buurt van Maassluis (zie afbeelding 2). De realisatie van een lokaal warmtenet is met name interessant bij een hoge(re) warmtevraag zoals bij bestaande bouw. Een warmtenet brengt namelijk hoge (voor)investeringen met zich mee, die terugverdiend moeten worden met de verkoop van (een aanzienlijke hoeveelheid) warmte. Warmtenetten zijn duur vanwege het leidingwerk, het warmteverlies tijdens het transport naar de woningen en de energie die nodig is om de warmte te transporteren. Daarom is een warmtenet vooral geschikt voor wijken met een hoge bouwdichtheid (hoogbouw) en met een verzekerde afname door woningcorporaties. Bij een lage bouwdichtheid/warmtevraag en bouwsnelheid zullen de investeringskosten en het distributieverlies per 56

woning te hoog zijn; en de warmteafzet per hectare te laag worden voor een rendabele business case. Een groot voordeel van een warmtenet is dat er weinig aanpassingen nodig zijn in de woningen om op een warmtenet aan te sluiten. Daarnaast is een warmtenet ook veiliger dan het huidige gasnet. Er lopen namelijk geen gasleidingen meer door het huis. Maassluis heeft verschillende mogelijke restwarmtebronnen die als bron voor een warmtenet zouden kunnen worden ingezet. In afbeelding 2 zijn de mogelijke bronnen weergeven. De bronnen zijn gehaald uit data van RVO Warmteatlas. Dit is ook als input gebruikt bij de startanalyse van ECW. Afbeelding 2 – Mogelijke restwarmtebronnen voor warmtenet Maassluis

Warmte uit bestaande warmtenet In de provincie Zuid-Holland wordt al langere tijd gesproken over een warmterotonde: een groot warmtenet dat restwarmte uit de havens van Rotterdam naar steden in Zuid-Holland transporteert om daar in duurzame warmte te voorzien. Ook Maassluis zou in de toekomst hierop kunnen worden aangesloten. Daarnaast liggen er bestaande en geplande warmtetransportnetten in de omgeving van Maassluis (zie afbeelding 2). Het eerste warmtetransportnet is ‘De Nieuwe Warmteweg’ van warmtebedrijf Rotterdam (groene lijn). Dit is een 26 km lang tracé waarlangs warmte wordt getransporteerd van Rozenburg naar Rotterdam Zuid. De capaciteit van het netwerk is voldoende om 50.000 huishoudens van warmte te voorzien10. Als bron wordt de afval-en energiecentrale AVR van Gansewinkel gebruikt. Het tweede warmtetransportnet is ‘Leiding over Noord’ van Eneco (lichtblauwe lijn) . Dit is een 16,8 km lang tracé waarmee circa 95.000 huishouden van warmte kan worden voorzien11. Ook dit net heeft als bron AVR in Rozenburg en loopt via Vlaardingen en Schiedam naar Rotterdam. Beide warmtetransportnetten leveren hoog temperatuur warmte (circa 100‫ﹾ‬C).

10 https://www.cob.nl/magazines-brochures-en-nieuws/verdieping/verdieping-dec2012/de-nieuwe-

warmteweg/ 11 https://warmopweg.nl/projecten/leiding-over-noord/ 57

De rode, grijze en donkerblauw gekleurde lijnen geven de geplande warmtenet van ‘Leiding door de Haven’, ‘Leiding door het midden’ en ‘Leiding door het Westland’ weer. Hiervan is nog onduidelijk wie de eigenaar en wat de warmtebron van het warmtenet wordt. Er zou een aftakking van de bestaande warmtetransportnetten gemaakt kunnen worden om warmte te leveren aan Maassluis. Zowel een aftakking van de Leiding over Noord of de Leiding door de Haven behoren hierbij tot de mogelijkheden.

Geothermiebron Er liggen verschillende geothermiebronnen in de omgeving van Maassluis; GEOpower en ETP. GEOpower De geothermiebron van GEOpower ligt aan de andere kant van de A20 in de buurt van de glastuinders. Op 30 juli is er een gesprek geweest met dhr. P.F. Uilenhoed van GEOpower. Ze hebben een eigen warmtenet en leveren momenteel warmte aan negen tuinders en zijn in gesprek met drie mogelijk afnemers. Er is momenteel een overcapaciteit van ongeveer 3 à 4 MW waarbij er warmte geleverd wordt van circa 90 ‫ﹾ‬C. Met de huidige overcapaciteit van de bron zouden circa 600 huishoudens aangesloten kunnen worden 12. GEOpower is momenteel in gesprek over de mogelijkheden om de nieuwbouwwijk in Wilgenrijk aan te sluiten op de geothermiebron. Daarnaast zijn ze op zoek naar meerdere afnemers. Ze hebben daarnaast ook een nieuwe opsporingsvergunning lopen voor een 2de doublet, waarmee ze ook extra warmte willen gaan leveren. Dit 2de doublet zou over 3 tot 5 jaar werkend zijn. Hiermee zou het aantal mogelijk aan te sluiten huishoudens verhoogd kunnen worden. ETP Maasdijk Energie Transitie Partner BV (ETP) is een gezamenlijke onderneming van HVC en Capturam. Het bedrijf richt zich voornamelijk op het verduurzamen van de energievoorziening van glastuinbouwers.

ETP is samen met warmtecoöperatie Maasdijk voornemend om 3 geothermiebronnen te realiseren in Maasdijk waarvan verwacht wordt dat de opbrengst ongeveer 12-60 MWth is (gelijk aan 12.000 tot 60.000 huishoudens).13 Deze warmtebronnen zullen onderdeel zijn van Warmtesysteem Westeland ten behoeve van warmte naar glastuinbouw, hiervan zal het totale warmtevermogen ongeveer 300 MWth zijn. In de zomer van 2021 is gepland om te starten met het boren van de geothermiebronnen in Maasdijk. Naar verwachting zou in 2023 hiermee warmte geleverd kunnen worden. ETP staat open voor een eventuele koppeling naar Maassluis. Hierbij zou ETP een koppeling kunnen realiseren, maar een andere partij dient verantwoordelijk te zijn voor het uitzetten van het warmtenet in Maassluis zelf. Een andere mogelijkheid is dat de gemeente aandeelhouder wordt van HVC, waarna HVC het warmtenet in Maassluis kan verzorgen. Het toepassen van geothermie als bron voor een lokaal warmtenet in Maassluis is kansrijke oplossing. Overige restwarmtebronnen In afbeelding 2 zijn ook overige restwarmtebronnen die volgens de RVO Warmteatlas toegepast kunnen worden, aangegeven met rode stippen. Hiervan zijn er drie die dicht bij Maassluis liggen (aangegeven met cijfer 1 t/m 3) en als mogelijke restwarmtebron toegepast zouden kunnen worden.

Er is onderzocht in hoeverre de restwarmtebronnen daadwerkelijk toegepast zouden kunnen worden. Dit zijn momenteel de bevindingen: 1. Supermarkt (laag temperatuur) Een supermarkt zou eventueel warmte kunnen leveren door de restwarmte van vriesapparatuur in de winkel. Dit zal echter laag temperatuur warmte zijn en een lage capaciteit hebben. Dit is dus een niet voor de hand liggende optie als bron voor een lokale warmtenet in Maassluis.

12 Uitgaande van 7 kW per aansluiting 13 https://www.etp-westland.nl/illustratie-project/

58

2. Vecom Metal Treatment Technology BV (hoog temperatuur) Volgens RVO warmte atlas is Vecom Metal treatment BV een mogelijke partij voor het leveren van restwarmte. Vecom is een bedrijf dat gespecialiseerd is in het reinigen van metaaloppervlakken en industriële installaties. Na gesprek op 8 oktober met dhr. R. Breit geconcludeerd dat Vecom geen mogelijke partij is voor het leveren van restwarmte. 3. Rioolwaterinzameling Rozenburg (RWZI, hoog temperatuur) Restwarmte uit rioolwaterinzameling Rozenburg zou gebruikt kunnen worden als mogelijke bron van een warmtenet. Er is geprobeerd om contact te leggen met de RWZI Rozenburg, maar tot heden nog geen reactie gehad (d.d. 16 november 2020). Het toepassen van restwarmte uit de rioolwaterinzameling Rozenburg zou een eventuele kansrijke warmteoptie zijn als aanvullende bron voor het toekomstige warmtenet. De potentie van RWZI Rozenburg is circa 27.000 GJ/jaar 14. Hiermee zou ongeveer 4% van de totale warmtevraag van Maasslui gedekt kunnen worden. Dit lijkt een niet voor de hand liggende optie. All-electric Een alternatief voor een gas- of warmtenet, is een enkelvoudig ‘all-electric’-net. Aangezien het gebruik van elektrische apparaten een algemeen goed is, is er sowieso een elektriciteitsinfrastructuur aangelegd in Maassluis.

Door te kiezen voor een enkelvoudige elektriciteitsinfrastructuur, worden dus de kosten van een dubbel energienet (bij het toepassen van een warmtenet) vermeden en wordt geen extra beslag gedaan op de openbare ruimte. Daar komt bij dat een verdere verduurzaming van het gebied in de toekomst niet wordt belemmerd bij een ‘all-electric’-net. Door het aansluiten van bijvoorbeeld zonnepanelen en/of windmolens, kan (in de toekomst) namelijk “100% groene stroom” worden geleverd. De opwekmogelijkheden van elektriciteit op het grondgebied van Maassluis zijn echter beperkt waardoor groene energie waarschijnlijk vooral ingekocht dient te worden. De warmtevoorziening middels een all-electric net kan meer modulair worden opgebouwd dan een warmtenet en is daarmee flexibeler. Een nadeel van het toepassen van een ‘all-electric’- net is dat het elektriciteitsnet hoogstwaarschijnlijk verzwaard dient te worden wat gepaard gaat met hoge investeringskosten. Als warmtevoorziening bij een ‘all-electric’-net zijn er verschillende bewezen technieken mogelijk (zie afbeelding 3). In dit hoofdstuk zal vooral uitgelegd worden welke mogelijke technieken er bestaan. Er zal hier nog niet aangegeven worden welke all-electric toepassing het meest geschikt is voor welke wijk. Dit valt buiten de scope van deze transitievisie warmte en zal in nadere uitwerking verder onderzocht worden.

14 https://stowa.omgevingswarmte.nl/overzichtskaart#e5e9ea2b-d5bf-e811-a2c0-00155d010457

59

Afbeelding 3 – Mogelijke all-electric oplossingen

De toepassing van een warmtevoorziening op basis van elektrische warmtepompen ligt het meeste voor de hand, vanwege het hoge rendement. Het zou technisch gezien ook mogelijk zijn om te verwarmen met infraroodpanelen, maar dit levert een hoog elektriciteitsverbruik op en zeer plaatselijke warmte in een ruimte. Het is daarom vooral geschikt als eventuele bijverwarming. Om het hoge rendement met elektrische warmtepompen te halen, is laagtemperatuurverwarming het meest efficiënt, wat voor bestaande gebouwen betekent dat mogelijk aanpassingen in isolatie en afgiftesysteem dienen te worden gedaan. Groot voordeel van een ‘all-electric’-net is wel dat er op gebouwniveau kan worden bepaald welke warmtevoorziening het beste aansluit bij de wensen en eisen. Indien bijvoorbeeld koeling is gewenst, kan door de toepassing van een elektrische warmtepomp in combinatie met bodemwarmtewisselaars of warmtekoudeopslag (WKO) hierin op een duurzame manier worden voorzien. In tegenstelling tot een warmtenet, is een ‘all-electric’-net hiermee dus maximaal flexibel en niet afhankelijk van een hoge bouwdichtheid of bouw-/renovatiesnelheid. Hieronder worden de verschillende all-electric oplossingen nader toegelicht. Toepassing van bodemwarmtepomp Bij een warmtepomp in combinatie met bodemwarmtewisselaars wordt een warmtepomp in de woning geplaatst.

In de grond worden buizen in de vorm van een lus geboord, waardoor water of een middel met antivriesvloeistof loopt. Deze vloeistof wordt door de bodem opgewarmd en door de warmtepomp verder verwarmd tot de juiste temperatuur voor ruimteverwarming en warm waterbereiding. Voordeel bij dit systeem is dat er via de bodem in de zomer vrije koeling geleverd kan worden. Tevens is het rendement hoger dan een luchtwarmtepomp door de vaste temperatuur van de bodem. Daarnaast kan het individueel of per meerdere woningen worden toegepast, waardoor het een flexibele optie is. Voorwaarde is wel dat de bodem geschikt is voor dergelijke systemen, wat een aandachtspunt is betreffende de archeologie in het plangebied. Er geldt een meldingsplicht voor het bodemsysteem bij het Omgevingsloket van de gemeente; er is geen vergunning benodigd tenzij de gemeente het gebied als een interferentiegebied zou aanwijzen. Daarnaast is een aandachtspunt welk middel in de bodemwarmtewisselaars wordt toegepast. Er wordt vaak een middel met antivriesvloeistof of water toegepast. Er wordt aanbevolen water in de bodemwarmtewisselaars toe te passen, om risico’s op milieuschade verkleinen voor het geval een 60

bodemwarmtewisselaar lek zou gaan (is niet waarschijnlijk). Daarnaast is het rendement van een systeem waarbij de wisselaars gevuld zijn met water beter. Het is aan te bevelen dit in het programma van eisen van de gemeente op te nemen. Ten slotte kan het lastig zijn om in de bestaande tuin/grond te boren wegens ruimtegebrek. Toepassing van luchtwarmtepomp Bij een luchtwarmtepomp wordt warmte uit de buitenlucht gehaald. Met onttrokken warmte wordt water verwarmd tot de juiste temperatuur voor ruimteverwarming en warm tapwaterbereiding. Een luchtwarmtepomp kan als individuele oplossing worden toegepast, waarbij elke woning een warmtepomp binnenshuis krijgt geplaatst en een buitenunit. Daarnaast kan ook collectief een buitenunit worden geplaatst en de warmte worden verspreid naar warmtepompen in de woningen. Koeling kan optioneel plaatsvinden via de luchtwarmtepomp, maar is energetisch gezien niet erg efficiënt (vergelijkbaar met een airconditioning). Aandachtspunt bij een luchtwarmtepomp is de ruimtelijke en esthetische inpassing van de buitenunit, die in de open lucht geplaatst moet worden. Tevens is het geluid dat de buitenunit maakt een aandachtspunt. Toepassing van PVT-warmtepomp Een PVT-warmtepomp heeft als bron PVT-panelen die op het dak worden geplaatst. Een PVT-paneel is een gecombineerd zonnepaneel dat zowel elektriciteit als warm water kan opwekken.

Het paneel bestaat uit zonnepanelen met hieronder (water)leidingen. Het paneel gebruikt warmte uit de buitenlucht en daglicht om de vloeistof (water) in de leidingen op te warmen. Dit warme water wordt gekoppeld met een warmtepomp die voor warm water in de verwarming en warm tapwater zorgt. Via een extra unit (tegen een meerprijs) is het ook mogelijk de warmtepomp te gebruiken voor koeling. Het rendement van de warmtepomp is vergelijkbaar met een warmtepomp met bodemwarmtewisselaars. Aandachtspunt is de inpassing van voldoende PVTpanelen op het dak. Er is circa 16 m2 oppervlak (thermisch) benodigd om voldoende capaciteit als bron voor de warmtepomp te realiseren. Omdat de panelen gecombineerd thermisch en elektrisch opwekken, wordt hiermee automatisch al 16 m 2 PV-panelen gerealiseerd.

61

Toepassing van warmtepomp met warmte-koudeopslag (WKO) Een andere mogelijkheid is het toepassen van een warmtepomp in combinatie met warmte-koudeopslag (WKO). Deze techniek is vergelijkbaar met een bodemwarmtepomp, maar als bron wordt het grondwater in de bodem gebruikt middels een open systeem. Warmte wordt onttrokken aan de bodem, gebruikt voor verwarming en het dan afgekoelde water wordt opgeslagen in de koudebron. In de zomer wordt koude uit die bron onttrokken ten behoeve van gebouwkoeling, waarna het door het gebouw opgewarmde water wordt opgeslagen in de warmtebron als warm water voor de winter. Dit systeem heeft een grotere schaalgrootte nodig om rendabel te kunnen draaien (indicatief vanaf 1.500 m2 gebouwoppervlak, afhankelijk van de energievraag) en is ook het meest geschikt voor nieuwbouw. Voordeel van het systeem is dat minder leidingen hoeven worden gelegd of buizen in de grond geboord dan bij gesloten bodemwarmtewisselaars. Er dient echter wel een thermische balans in de bodem worden behouden, wat betekent dat er evenveel koude als warmte dient te worden onttrokken. Als de koudevraag van de gebouwen niet even groot is als de warmtevraag, dient extra warmte te worden toegevoegd middels regeneratievoorzieningen (of liggen bodemwarmtewisselaars dus meer voor de hand). Regeneratie kan door warmte te winnen uit oppervlaktewater of middels droge koelers uit de lucht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10170069/1