Ruimtelijke Onderbouwing
Tekst van het document
5.3
Natuur
5.3.1 Inleiding
Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en
28
plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop‐ en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: ‐ Het Natuurnetwerk Nederland; ‐ Bijzondere provinciale natuurgebied; ‐ Bijzondere provinciale landschappen; ‐ Nationale parken; ‐ Bijzondere nationale natuurgebieden; ‐ Natura 2000‐gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings‐ of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.
5.3.2 Natuurtoets
Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Van der Goes en Groot (Toetsing in het kader van natuurwetgeving, Noordvliet 159 te Maassluis, d.d. 2 april 2021, bijlage II), waarbij onderzocht is of er beschermde natuurwaarden en / of flora en fauna op het perceel aanwezig zijn. Van der Goes en Groot komen tot de volgende conclusies: Flora en fauna: Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet‐jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus.
Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeks‐ periode Tabel 2). Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
29
In het woonhuis in het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Negatieve effecten kunnen echter worden uitgesloten als ’s nachts geen felle verlichting aan blijft staan. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk‐ baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Kortom: er is dus nader onderzoek nodig naar jaarrond beschermde verblijfplaatsen van de huismus. Gebiedsbescherming: Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is buiten indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000‐gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat nader onderzoek nodig is naar jaarrond beschermde verblijfplaatsen van de huismus. Aangezien een ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst op financiële haalbaarheid, wordt er geen belemmering verwacht wat betreft de uitvoerbaarheid van het plan. De kosten voor het nemen van natuurbeschermende maatregelen worden niet als zodanig ingeschat dat deze een financiële belemmering opleveren waardoor het plan niet kan doorgaan.
5.3.3 Stikstofberekening
Voor het beoogde plan heeft Duinwijck voorts een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo Stikstofberekening Noordvliet Maassluis, d.d. 18 november 2022, bijlage III). Uit de rekenresultaten volgt dat de tijdelijke stikstofdepositie tijdens de aanlegfase (bouwfase gedurende 12 maanden) ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar bedraagt ter plaatse van de omliggende Natura 2000‐gebieden. De gebruiksfase heeft een stikstofdepositie van minder dan 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van de omliggende natura 2000 gebieden. Derhalve voldoet onderliggend project aan de gestelde stikstofnormering. Conclusie Uit het oogpunt van gebiedsbescherming bestaat er geen belemmering voor de realisatie van dit bouwplan.
30
5.4
Externe veiligheid
5.4.1 Inleiding
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS‐15)‐ opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval ‐ in theorie ‐ per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Dit geldt ook als deze objecten geprojecteerd zijn. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers.
Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron. Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'.
5.4.2 Relevante risicobronnen voor het projectgebied
Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Noordvliet relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de landelijke risicokaart (www.risicokaart.nl). Volgens de risicokaart zijn in de directe omgeving van het projectgebied risicobronnen aanwezig. Het gaat hierbij om zowel stationaire bronnen als om transportroutes van gevaarlijke stoffen. Deze worden hieronder nader toegelicht.
31
C
B
A
Fig. 5.4 Uitsnede uit risicokaart (projectlocatie: rode ijl)
Nabij het plangebied bevinden zich de volgende risicobronnen, weergeven op afbeelding: A. St. Exploitatie Zwembad Maassluis / Dol‐fijn op ongeveer 640 meter afstand; B. LPG‐afleverinstallatie + vulpunt op ongeveer 500 meter afstand; C. Leiding Gasunie + gasdrukmeet‐ en regelstation op ongeveer 40 meter afstand; D. A20 (gevaarlijke transportroute) Vanwege de nabije ligging van buisleidingen en de A20 is een beperkte verantwoording hier noodzakelijk. Hierover het volgende. Conform de richtlijnen van de VRR (Veiligheidsregio Rijnmond) zijn de volgende punten van belang: De te realiseren woningen moeten zodanig worden geconstrueerd dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Het is van belang om zorg te dragen voor een toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Conclusie Externe veiligheid vormt voor de bouw van de woningen aan de Noordvliet te Maassluis geen belemmering.
5.5
Geluid
Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de
32
grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen: Woningen; Andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven); Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Vanwege de ligging van het plangebied binnen de zone van het bedrijventerrein Pernis, Botlek en Kapelpolder, is tevens onderzoek nodig naar industrielawaai. Door Duinwijck is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar zowel wegverkeerslawaai als industrielawaai (Akoestisch onderzoek Noordvliet Maassluis, d.d. 17 november 2022, bijlage IV).
5.5.1 Wegverkeerslawaai
Voor de toets aan de Wet Geluidhinder (Wgh) zijn alleen de wegen met een maximumsnelheid van 50 km/u of meer relevant. Dit betreft de: Rijksweg A20 maximumsnelheid : 100 km/u Maassluiseweg maximumsnelheid : 50 km/u Rozenlaan maximumsnelheid : 50 km/u De hoogste geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai wordt veroorzaakt door verkeer op de Rijksweg A20, namelijk Lden = 61 dB (incl. aftrek art. 10 Wgh), op de kopgevel aan de Rozenlaan. Dat betekent dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Er dient een hogere waarde te worden aangevraagd. In het gemeentelijke geluidbeleid ‘Beleid hogere grenswaarden wet geluidhinder’ ligt de nadruk op het voorkomen van geluidhinder. Echter de verlening van hogere waarden is mogelijk wanneer de geluidsbelasting niet kosteneffectief is terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarden, dan wel dat er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn. Uit het onderzoek van Duinwijck blijkt dat het nemen van maatregelen hier niet mogelijk is. Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid kan de gemeente Maassluis een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting van 61 dB afkomstig van de A20. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde‐procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure.
5.5.2 Industrielawaai
De hoogste geluidbelasting ten gevolge van industrielawaai bedraagt: Lden ≤ 50 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden.
5.5.3 Cumulatie
De gecumuleerde maximale geluidbelasting vanwege de relevante blootstelling door wegverkeerslawaai bedraagt afgerond Lden = 66 dB. Dat is echter nog onder de maximale geluidsbelasting in binnenstedelijk gebied. Een goed woon‐ en leefklimaat kan hiermee worden gegarandeerd, mits voldaan wordt aan de hiervoor benodigde gevelisolatie (zoals bedoeld in het Bouwbesluit). In het kader van de
33
bouwtechnische beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunning zal hieraan worden getoetst. De hoogst belaste gevels dienen voor minimaal G a,k = 66 – 33 = 33 dB geïsoleerd te worden. Conclusie Mits vanwege wegverkeerslawaai (A20) een hogere waarden besluit wordt genomen, kan worden voldaan aan de Wet geluidhinder.
5.6
Bodem
5.6.1 Algemeen
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.
5.6.2 Onderzoek
In het verleden zijn reeds bodemonderzoeken uitgevoerd voor het perceel. Om echter een actueel beeld te krijgen van de bodemkwaliteit ter plaatse is recent door Inventerra (Verkennend bodemonderzoek Noordvliet Noordzijde 159A Maassluis, d.d. 19 juli 2022, bijlage V). In dit bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De oorspronkelijke kleiige bovengrond op de locatie is niet (MM02) tot licht (MM01 en MM03 verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen; Het zintuiglijk onverdachte zand onder de verhardingen op het terrein (MM04) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Zowel de zintuiglijk onverdachte, kleiige bovengrond (MM05) als de zintuiglijk verdachte (zwak baksteenhoudend), kleiige bovengrond (MM06) is licht verontreinigd met enkele zware metalen; De zintuiglijk onverdachte ondergrond op de locatie (MM07 en MM08) is licht verontreinigd met enkele zware metalen; Het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 101) is licht verontreinigd met cadmium en barium (beiden zijn naar verwachting natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties). Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ bevestigd vanwege de licht verhoogde gehalten aan zware metalen en OCB in de grond.
De aangetoonde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen naar het oordeel van Inventerra niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit
34
milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming en de geplande ontwikkeling. Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bodem van de locatie milieuhygiënisch gezien geschikt is voor de bouw van de woning.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG‐handreiking ‘Bedrijven en Zonering’. Behoudens hetgeen is opgemerkt in paragraaf 5.4.2 (externe veiligheid) en 5.5.2 (over industrielawaai), bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen relevante milieubelastende functies die van invloed zijn op de realisatie van dit bouwplan aan de Noordvliet. In voornoemde paragrafen zijn de voor deze bedrijfsactiviteiten relevante (milieu)aspecten reeds besproken. Gelet op het voorgaande bestaat er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.8.1 Inleiding
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.‐beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D‐lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.‐beoordeling kan tot twee conclusies leiden: ‐ ‐
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(‐beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.‐ beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
35
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.‐beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.
5.8.2 Onderzoeksresultaten vormvrije m.e.r.-beoordeling
De woningbouwontwikkeling aan de Noordvliet te Maassluis kan worden geschaard onder 11.2 van de D‐lijst van het Besluit milieueffectrapportage: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Dit plan van 9 woningen, waarbij tevens nog sprake is van vervanging van een bestaande woning, wordt (in beginsel) niet gezien als een m.e.r.‐plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij: ‐ een oppervlakte van 100 hectare of meer, ‐ een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of ‐ een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.‐beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.‐ beoordeling noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:
Kenmerken project / activiteit: de omvang van het project betreft het realiseren van een woningbouwproject, bestaande uit 9 woningen. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Tevens is deze herontwikkeling voorzien op een locatie waar al bebouwing aanwezig is (geweest). Het betreft hier reeds bestaand stedelijk gebied, waarbij in de omgeving al diverse woningen aanwezig zijn. De realisatie van het bouwplan heeft met betrekking tot verkeer slechts een minimaal effect. De omliggende wegen worden namelijk al gebruikt voor de omliggende functies, alsook voor de eerder in het projectgebied aanwezige functies. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd.
Plaats van het project / activiteit: het projectgebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Maassluis. Voor de beoogde herontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht (zie hiervoor de voorgaande paragrafen).
Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het projectgebied. Binnen het projectgebied wordt de realisatie van een woningbouwproject mogelijk gemaakt. De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten zijn in het eerdere deel van dit hoofdstuk toegelicht.
36
Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet.
Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. De effecten die als gevolg van het project optreden zijn lokaal van aard en hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten.
De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III EU‐richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(‐beoordeling) noodzakelijk is.
37
6
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische ‐ en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.
6.1
6.2
Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht
Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke ‐ of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads‐ en dorpsgezicht.
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. Hierover het volgende. Door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd naar de projectlocatie (Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de nieuwbouw van woningen aan de Noordvliet Noordzijde 159 te Maassluis, gemeente Maassluis, d.d. 9 juni 2022, bijlage VI). Uit dit onderzoek blijkt het volgende. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich een oud krekenlandschap waarbij op kreekruggen diverse archeologische vindplaatsen zijn aangetoond. Binnen het plangebied is waarschijnlijk sprake van een dergelijke kreekrug, direct onder het maaiveld. De archeologische verwachting voor het plangebied richt zich daardoor met name op resten van bewoning uit de IJzertijd/Romeinse tijd (met een mogelijke uitloper tot de Vroege Middeleeuwen en het begin van de Late Middeleeuwen, voorafgaand aan de grote overstromingen van de 12e eeuw). Nederzettingsresten uit de IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege en Late Middeleeuwen kunnen onder andere bestaan uit constructiehout, haardplaatsen, perceleringsgreppels en aardewerk. Voor de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd lijken er op basis van historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen te zijn voor bewoning.
Resten uit deze periode zullen voornamelijk bestaan uit de resten van een agrarisch cultuurlandschap (greppels, sloten etc.). Op basis van het beschikbare kaartmateriaal worden er geen resten van historische bebouwing vanaf het begin van de 18e eeuw verwacht. De ingrepen ten behoeve van de nieuwbouw van de woningen en bijbehorende infrastructuur zullen plaatsvinden binnen of nabij een zone met een hoge archeologische verwachting, vanwege de ligging op een kreekrug waar zich mogelijk archeologische resten kunnen bevinden, met name uit de IJzertijd/Romeinse tijd en de Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Gezien het niveau van de ontgravingen kunnen deze mogelijk tot in de archeologisch relevante laag reiken. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert om direct na de sloop een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend/karterend booronderzoek om de bodemopbouw en dikte van het ophogings‐ of verstoorde pakket in kaart te brengen. Hierbij wordt
38
geadviseerd te boren in twee raaien met een tussenruimte van 20 meter tussen de boringen en 15 meter tussen de raaien (ca. 8‐10 boringen). Nadruk daarbij zal liggen op loop en diepteligging van een oude kreekrug, vlak onder het oppervlak. Geadviseerd wordt te boren zodra de huidige bebouwing is gesloopt, of indien dat praktisch mogelijk is, de boringen binnen de bestaande bebouwing te laten voorboren met behulp van betonboringen, zodat in de natuurlijke ondergrond kan worden geboord. Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Maassluis, om op basis van dit rapport en het daarin geformuleerde advies een besluit te nemen ten aanzien van het voortzetten of beëindigen van het onderzoeksproces. Ook nadat het archeologisch onderzoek is afgerond, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Maassluis, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Conclusie Na de sloop van de bebouwing dient een nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend/karterend booronderzoek, om de archeologische waarde van het terrein definitief te bepalen. Aangezien een ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst op financiële haalbaarheid, wordt er geen belemmering verwacht wat betreft de uitvoerbaarheid van het plan. De kosten voor het vervolgonderzoek en het eventueel nemen van archeologie‐beschermende maatregelen worden niet als zodanig ingeschat dat deze een financiële belemmering opleveren waardoor het plan niet kan doorgaan.
39
7
UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar te zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.
7.1
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht, respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en; 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel‐economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling aan de Noordvliet is een initiatief van een ontwikkelaar. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane ontwikkeling, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade. Verder zullen de overige gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening.
Voor de gemeente Maassluis verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen. De initiatiefnemer heeft inmiddels een omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangevraagd voor de nieuw te bouwen woningen. Dit maakt voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. In het kader van burgerparticipatie hebben in oktober 2022 (individuele) informatiebijeenkomsten plaatsgevonden. De omwonenden werden geïnformeerd over de plannen, konden vragen stellen en hun wensen werden geïnventariseerd.
40
Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een ieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. De ontwerp‐ omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken na publicatie in de gemeenterubriek en de Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op ………… PM, ter inzage gelegen. Direct omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode zienswijzen in te dienen. Zoals in deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven, wijkt het bouwplan voor de Noordvliet te Maassluis af van de bepalingen uit het vigerende bestemmingsplan. Het bouwplan voldoet echter wel aan de kwalitatief‐ruimtelijke en stedenbouwkundige doelstellingen voor het betreffende plangebied. Ook de stedenbouwkundige toetsing bevestigt dat het voorliggende bouwplan past binnen de ruimtelijke ‐ en beeldkwaliteit van het betreffende woon‐ en leefgebied. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.
__________________________________________________________________________________
OVERZICHT BIJLAGEN: I. II.
III. IV. V. VI.
Watersleutel Delfland Noordvliet 159 Toetsing in het kader van natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, Noordvliet 159 te Maassluis, d.d. 2 april 2021 Memo Stikstofberekening Noordvliet Maassluis, Duinwijck, d.d. 18 november 2022 Akoestisch onderzoek Noordvliet Maassluis, Duinwijck, d.d. 17 november 2022 Verkennend bodemonderzoek Noordvliet Noordzijde 159A Maassluis, Inventerra, d.d. 19 juli 2022 Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de nieuwbouw van woningen aan de Noordvliet Noordzijde 159 te Maassluis, gemeente Maassluis, Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, d.d. 9 juni 2022
41