RG-OP-624.124.70 Regels voor gemeente
Tekst van het document
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; of; g. het verwijderen van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij: 27
a. de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’; en b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’. Artikel 5.80 Meldplicht 1. Binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ is het verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 5.76, te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag bedoeld in artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Een melding bevat: a. een beschrijving van: i. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; ii. het te gebruiken materieel; en iii. het huidige en het beoogde gebruik van de locatie; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand. 3. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond dat de erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor. 4. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld.
Artikel 5.81 Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden 1. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten, bedoeld in artikel 5.76 binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’; 2. Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag bedoeld in artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en b. de verwachte duur ervan. 3. Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit. Artikel 5.82 Algemene regels – zetting 1. Dit artikel is van toepassing op: a. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 5.78, onder a binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’; b. bemalingen, bedoeld in artikel 5.78, onder b binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’: c. grondroerende activiteiten, bedoeld in artikel 5.78, onder a, met een grondroeringsdiepte van meer dan 5 m binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’; en d. bemalingen, bedoeld in artikel 5.78, onder b, met een bemalingsdiepte dieper dan 5 m binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’. 2.
Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen vindt geen zetting plaats onder het spoor.
28
3. Bij het verrichten van grondroerende activiteiten of bemalingen is aantoonbaar door een deskundige zeker gesteld, dat er door de activiteit geen zetting onder het spoor plaatsvindt. Artikel 5.83 Maatwerkvoorschriften 1. Het bevoegd gezag bedoeld in artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan maatwerkvoorschriften stellen over de algemene regels, bedoeld in artikel 5.82. 2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift worden de oogmerken van deze regels, bedoeld in artikel 5.77 in acht genomen.
Afdeling 5.4.6 Activiteiten op of in de bodem – restrictiegebied leiding riool Artikel 5.84 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over: a. het aanleggen en/of verharden van gronden, zoals wegen, fiets- en voetpaden en oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, woelen, mengen, diepploegen, ontginnen, bodemverlagen, ophogen of egaliseren van de bodem en aanleggen van (drainage)leidingen; c. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. het aanleggen van boven- of ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen anders dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; g. het verhogen of verlagen van de grondwaterstand. Artikel 5.85 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c. d. e.
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; het beschermen van de werking van leidingen; het voorkomen of beperken van hinder; het beschermen van de gezondheid; het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5.86 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de op de gronden toegestane functies; b. activiteiten die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het wijzigingsbesluit Maassluis West; c. activiteiten die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning; d. activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Artikel 5.87 Vergunningplicht Het is verboden om de in artikel 5.84 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan artikel 5.86 .
29
Artikel 5.88 Beoordelingsregels De vergunning bedoeld in artikel 5.87 kan uitsluitend worden verleend indien: a. door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct of indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; en b. hierover vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. Artikel 5.89 Specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.84 wordt ten behoeve van de toetsing aan dit omgevingsplan in elk geval een advies van de desbetreffende beheerder van de leiding overgelegd.
Hoofdstuk 6 Instandhoudingsverplichting Afdeling 6.1 Woningbouwcategorieën Artikel 6.1 Toepassingsbereik 1. De regels in deze afdeling hebben betrekking op: a. sociale huurwoningen; b. middenhuurwoningen; c. betaalbare koopwoningen. 2. Deze regels zijn van toepassing op bouw- en gebruiksactiviteiten, waaronder begrepen nieuwbouw, herontwikkeling en functiewijziging, binnen het plangebied, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op het realiseren en instandhouden van de in het eerste lid genoemde woningbouwcategorieën. 3. De regels in deze afdeling zijn van toepassing op woningen die zijn gerealiseerd ter uitvoering van het woningbouwprogramma als bedoeld in het artikel 6.2 van dit omgevingsplan. Artikel 6.2 Woningbouwprogrammering 1. Binnen het plangebied Station West bestaat het woningbouwprogramma, voor zover sprake is van woningen, voor minimaal 90% uit betaalbare woningen. 2. Onder betaalbare woningen worden verstaan: a. sociale huurwoningen; b. middenhuurwoningen; c. betaalbare koopwoningen, waaronder duurzaam betaalbare koop. 3. Het aandeel overige woningbouwsegmenten bedraagt maximaal 10% van het totale woningbouwprogramma als bedoeld in lid 1. 4. Zorggebouwen en zorgvoorzieningen die niet als woning in de zin van dit omgevingsplan worden aangemerkt, worden niet meegeteld bij de berekening van de in dit artikel genoemde percentages. 5.
Indien een zorggebouw of zorgvoorziening als bedoeld in lid 4 blijvend zijn zorgfunctie verliest en wordt omgezet naar wonen, geldt dat: 30
a. per twee zorgplaatsen maximaal één woning mag worden gerealiseerd; en b. deze woning dient te worden aangemerkt als betaalbare woning als bedoeld in lid 2. Artikel 6.3 Normadressaat Aan de regels van deze afdeling wordt voldaan door de eigenaar, de verhuurder of degene die anderszins gerechtigd is tot het gebruik van de woning. Artikel 6.4 Instandhoudingsverplichting woningbouwcategorieën 1. Iedere sociale huurwoning blijft gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname beschikbaar voor de doelgroep. 2. Iedere middenhuurwoning blijft gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na eerste ingebruikname beschikbaar voor de doelgroep. 3. Iedere betaalbare koopwoning blijft gedurende een termijn van ten minste 5 jaar na eerste ingebruikname beschikbaar voor de doelgroep. Artikel 6.5 Verplichting tot inschrijving in de openbare registers 1. De eigenaar van een sociale huurwoning of een betaalbare koopwoning is verplicht om in de openbare registers, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek, in te schrijven dat de woning uitsluitend bestemd is voor de betreffende woningbouwcategorie. 2. De inschrijving als bedoeld in het eerste lid vindt plaats vóór eerste ingebruikname van de woning. Artikel 6.6 Doelgroep 1.
Tot de doelgroep voor sociale huurwoningen behoren huishoudens met een inkomen tot de DAEB-inkomensgrens als bedoeld in artikel 16 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015. 2. Tot de doelgroep voor betaalbare koopwoningen en middenhuurwoningen behoren huishoudens met een middeninkomen, conform Rijksbeleid. 3. In afwijking van het tweede lid geldt voor duurzaam betaalbare koopwoningen een nader via het college te bepalen maximale inkomensgrens. 4. De toets of wordt voldaan aan de doelgroepvereisten vindt plaats: a. bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit, waarbij wordt beoordeeld of aannemelijk is gemaakt dat toewijzing overeenkomstig de doelgroep zal plaatsvinden; b. bij eerste ingebruikname van de woning; en c. periodiek gedurende de instandhoudingsperiode, indien landelijke, provinciale of gemeentelijke beleidskaders daartoe aanleiding geven. 5. Bij de vergunningverlening wordt aangetoond dat de toewijzing van woningen plaatsvindt overeenkomstig de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, voor zover deze van toepassing is binnen het plangebied. De uitvoering voor het betaalbare koopdeel geschiedt door de ontwikkelaar in overleg met de gemeente. Nadere afspraken worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. 31
Artikel 6.7 Minimale gebruiksoppervlakte middenhuur en betaalbare koop 1. De gebruiksoppervlakte van een middenhuurwoning bedraagt minimaal 60 m². 2. De gebruiksoppervlakte van een betaalbare koopwoning bedraagt minimaal 60 m². 3. De gebruiksoppervlakte wordt bepaald overeenkomstig Bijlage I, onderdeel A, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en NEN 2580:2007 + C1:2008. 4. Het college kan afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid indien de aanvrager aantoont dat: a. het woon- en leefklimaat niet in het geding komt; b. de functionele bruikbaarheid van de woning is gewaarborgd; en c. de afwijking noodzakelijk is vanwege doelgroepen, transformatie of stedenbouwkundige omstandigheden.
Hoofdstuk 7 Voorrangsregels Afdeling 7.1 Voorrangsregels hoofdstuk 22 Artikel 7.1 Voorrangsregels bouwen bijbehorende bouwwerken De artikelen voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken die zijn opgenomen in onderstaande tabel gaan voor op de betreffende bepalingen uit hoofdstuk 22 die onderstaande tabel zijn opgenomen. Werkingsgebied Chopinstraat
Artikelnummer nieuwe deel omgevingsplan 5.15
Haydnlaan Koningshoek II
5.16 5.17
Uiverlaan Uiverlaan
5.18 lid 1 5.18 lid 2
Stationsgebied
5.19
Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan
5.20
Artikelnummer hoofdstuk 22 22.27 onder a 22.36 onder a 22.27 onder a 22.27 onder a 22.36 onder a 22.27 onder a 22.27 onder a 22.36 onder a 22.27 onder a 22.36 onder a 22.27 onder a 22.36 onder a
Artikel 7.2 Voorrangsregels bouwen geen gebouwen zijnde De artikelen voor het bouwen geen gebouwen zijnde die zijn opgenomen in onderstaande tabel gaan voor op de betreffende bepalingen uit hoofdstuk 22 die onderstaande tabel zijn opgenomen.
32
Werkingsgebied Chopinstraat
Artikelnummer nieuwe deel omgevingsplan 5.21
Artikelnummer hoofdstuk 22 22.27 onder b tot en met h en 22.36 onder b
Koningshoek II
5.22
Uiverlaan
5.23
Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan
5.24
22.27 onder b tot en met h en 22.36 onder b 22.27 onder b tot en met h en 22.36 onder b 22.27 onder b tot en met h en 22.36 onder b
Afdeling 7.2 Voorrangsregels – regels uit andere besluiten Artikel 7.3 Voorrangsregels – bestemmingsplannen De regels in de hoofstukken 1 tot en met 8 van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ gaan voor op de volgende bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet: a. Koningshoek e.o. NL.IMRO.0556.BP77Koningshoekeo-Va01, met uitzondering van artikel 21; b. Parapluherziening Parkeernormen met identificatienummer NL.IMRO.0556.BP86MSPARKEER-VA01 van de gemeente Maassluis; c. Parapluherziening Overbewoning met identificatienummer NL.IMRO.0556.90BPOB-Va01 van de gemeente Maassluis.
33
Hoofdstuk 8 Overgangsrecht Afdeling 8.1 Overgangsrecht bouwen en sloopactiviteiten Artikel 8.1 Bouwen en sloopactiviteiten 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan ‘Station West’ aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een (omgevings)vergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. als een gebouw door een calamiteit niet meer aanwezig is mag het bouwwerk na een calamiteit volledig worden herbouwd of aangepast, zolang de aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen twee jaar na de dag van de calamiteit wordt ingediend. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 4.
Als een bouw- of sloopactiviteit binnen het werkingsgebied ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’ voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ voor die activiteit het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’.
Afdeling 8.2 Overgangsrecht gebruiksactiviteiten Artikel 8.2 Gebruiksactiviteiten 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan voor ‘Station West’ en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 34
3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee een langere voortzetting dan bedoeld in het eerste lid wordt mogelijk gemaakt.
Afdeling 8.3 Overgangsrecht activiteiten op of in de bodem – lokaal spoor Artikel 8.3 Overgangsrecht activiteiten op of in de bodem – lokaal spoor Als een activiteit op of in de bodem binnen het werkingsgebied ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’ voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ voor die activiteit het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’ een omgevingsvergunning van rechtswege, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit ‘Station West’.
35