RG-OP-624.124.70 Regels voor gemeente
Tekst van het document
Gemeente Maassluis
Omgevingsplanwijziging Station West, Maassluis
Regels
Werknummer: 624.124.70 Datum: Januari 2026
1
Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. Voor zover in dit omgevingsplan begrippen worden gebruikt die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit of bijlage I bij de Omgevingsregeling, hebben deze begrippen dezelfde betekenis als daaraan in die regelgeving is toegekend. 2. Voor zover begrippen in dit omgevingsplan niet zijn opgenomen in de in het eerste lid genoemde regelgeving, of daarvan uitdrukkelijk afwijken, gelden de begripsbepalingen zoals opgenomen in bijlage 1 bij dit omgevingsplan. Artikel 1.2 Wijze van meten Afstand De afstand tussen bouwwerken onderling, alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen, wordt gemeten waar deze afstand het kleinst is. Bouwhoogte van een bouwwerk De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Breedte, lengte en diepte van een bouwwerk De breedte, lengte en diepte van een bouwwerk worden gemeten tussen de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
Goothoogte van een bouwwerk De goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot of druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Inhoud van een bouwwerk De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de beganegrondvloer, de buitenzijde van de gevels en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bemalingsdiepte De bemalingsdiepte is de diepte onder het maaiveld tot waar het grondwater wordt verlaagd. Bruto vloeroppervlak (BVO) Het bruto vloeroppervlak is de totale oppervlakte van een gebouw, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de buitenste muren. Gebruiksvloeroppervlakte De gebruiksvloeroppervlakte wordt bepaald overeenkomstig NEN 2580. Object- of bouwhoogte De object- of bouwhoogte wordt gemeten vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen. 2
Peil a. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het waterpeil. Reikhoogte De reikhoogte is de afstand vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van het object, verticaal en loodrecht gemeten. Reikwijdte De reikwijdte is de afstand vanaf de kern van het object tot aan het verste punt dat het object reikt, horizontaal gemeten. Artikel 1.3 Normadressaat Aan de regels van dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in het omgevingsplan anders is bepaald. Degene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Hoofdstuk 2 – Doelen - gereserveerd Hoofdstuk 3 – Programma’s - gereserveerd
3
Hoofdstuk 4 Aanwijzingen voor de fysieke leefomgeving Titel 4.1 Gebieden Afdeling 4.1.1 Station West Artikel 4.1 Aanwijzing en geometrische begrenzing Er is een werkingsgebied ‘Station West’ waar de regels van deze afdeling gelden. Artikel 4.2 Gebruiksactiviteiten Alleen de volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de bijbehorende regels uit Titel 5.3: a. b. c. d. e.
detailhandel; horeca; maatschappelijk; sport; wonen.
Titel 4.2 Thema’s Afdeling 4.2.1 Bouwactiviteiten Artikel 4.3 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van bouwactiviteiten. Artikel 4.4 Activiteiten Bij het verrichten van bouwactiviteiten wordt voldaan aan de regels van Titel 5.2.
Afdeling 4.2.2 Cultureel erfgoed Paragraaf 4.2.2.1 Archeologie Artikel 4.5 Aanwijzing en geometrische begrenzing Er is een restrictiegebied - Archeologie waar de regels van deze paragraaf gelden. Artikel 4.6 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: activiteiten op of in de bodem – archeologie – Afdeling 5.4.3.
Afdeling 4.2.3 Infrastructuur en openbaar gebied Paragraaf 4.2.3.1 Openbaar gebied Artikel 4.7 Aanwijzing en geometrische begrenzing Er is een werkingsgebied ‘Openbaar gebied’ waar de regels van deze paragraaf gelden. Artikel 4.8 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: activiteiten op of in de bodem in openbaar gebied – Afdeling 5.4.2.
4
Paragraaf 4.2.3.2 Waterkering Artikel 4.9 Aanwijzing en geometrische begrenzing Er is een ‘Beperkingengebied waterkering’ waar de regels van deze paragraaf gelden. Artikel 4.10 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: activiteiten op of in de bodem – waterkering – Afdeling 5.4.4. Paragraaf 4.2.3.3 Beperkingengebied waterkering Artikel 4.11 Aanwijzing en geometrische begrenzing Er is een Beperkingengebied waterkering waar de regels van deze paragraaf gelden. Artikel 4.12 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: activiteiten op of in de bodem – waterkering – Afdeling 5.4.4. Paragraaf 4.2.3.4 Beperkingengebied lokale spoorweg Artikel 4.13 Aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied lokale spoorweg Er is een Beperkingengebied lokale spoorweg waar de regels van deze paragraaf gelden. Artikel 4.14 Activiteiten binnen een gebouw Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor activiteiten die uitsluitend binnen een gebouw worden verricht. Artikel 4.15 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: a. Bouwen beperkingengebied – lokale spoorweg – Afdeling 5.2.4; b. Sloopactiviteiten – lokale spoorweg – Afdeling 5.2.5; c.
Activiteiten op of in de bodem – lokale spoorweg – Afdeling 5.4.5; Paragraaf 4.2.3.5 Restrictiegebied leiding riool Artikel 4.16 Aanwijzing en geometrische begrenzing restrictiegebied leiding riool Er is een Restrictiegebied leiding - riool waar de regels van deze paragraaf gelden. Artikel 4.17 Activiteiten Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan: a. Bouwen – Restrictiegebied leiding - riool – Afdeling 5.2.4 b. Activiteiten op of in de bodem – Restrictiegebied leiding - riool – Afdeling 5.4.6;
5
Hoofdstuk 5 Regels over activiteiten Titel 5.1 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving Afdeling 5.1.1 Algemeen Artikel 5.1 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. b. c. d. e.
het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; het voorkomen of beperken van hinder; het beschermen van de gezondheid; het beschermen van het milieu; en het waarborgen van de veiligheid.
Afdeling 5.1.2 Parkeren Artikel 5.2 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen en benutten van gronden in het werkingsgebied ‘Station West’ ten behoeve van parkeren. Artikel 5.3 Voorzien in voldoende parkeergelegenheid d a. Degene die een bouwactiviteit of gebruiksactiviteit verricht, moet voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen ten behoeve van de betreffende activiteit op eigen terrein. b. Bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen moet worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid, te weten de Beleidsregel parkeren Maassluis 2022 of diens rechtsopvolger. Artikel 5.4 Toepassing normen Parkeervoorzieningen moeten voldoen aan: a. de CROW-richtlijnen, waaronder de ASVV, voor normvoertuigen en verkeersveiligheid; b. de NEN 2443 – Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in garages, inclusief toelichtingen; c. de aanvullende inzichten en verduidelijkingen zoals opgenomen in de notitie ‘Actuele inzichten NEN 2443’, april 2024 of diens opvolger. Artikel 5.5 Realiseren van parkeervoorzieningen a. Bij het bouwen van een bouwwerk moet worden voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeerplaatsen voor auto’s en fietsen. b. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald aan de hand van het op het tijdstip van de vergunningverlening geldende gemeentelijke parkeerbeleid. c.
De parkeerplaatsen moeten uiterlijk gelijktijdig met de ingebruikname van het bouwwerk zijn gerealiseerd en beschikbaar zijn.
6
Artikel 5.6 Inpassing van parkeervoorzieningen 1. Parkeerplaatsen die binnen bouwvelden worden gerealiseerd, moeten uit het zicht worden gesitueerd door: a. plaatsing in een (half)verdiepte parkeervoorziening, of b. plaatsing op maaiveld onder een groen dek of achter de bebouwing. 2. De entrees van parkeervoorzieningen moeten architectonisch worden geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw of gebouwencomplex. 3. Gevels van parkeervoorzieningen die grenzen aan de openbare ruimte moeten zodanig worden vormgegeven dat: a. minimaal 30% van het gevelvlak open of transparant is; of b. indien dit minder dan 30% bedraagt, ten minste 50% van het gevelvlak wordt voorzien van verticale of horizontale beplanting (groene gevel) of een gelijkwaardige hoogwaardige afwerking; c. gesloten gevelvlakken niet langer zijn dan 15 meter zonder onderbreking door transparante delen, entrees of beplanting. 4. Voor parkeervoorzieningen zoals bedoeld in lid 1, onder b, geldt dat deze voor minimaal 80% van de omtrek van de rooilijn van een gebouw, gebouwencomplex of bouwblok op ten minste 3,5 meter achter diezelfde rooilijn moeten liggen. 5. De breedte van in- en uitritten van parkeervoorzieningen moet voldoen aan de maatvoeringseisen uit de NEN 2443. Artikel 5.7 Opstelruimte en veiligheid 1.
Voor de uitritcontrole (slagboom of speedgate) tot aan de openbare weg moet minimaal 5,00 meter opstelruimte beschikbaar zijn, overeenkomstig paragraaf 6.3.3 van de notitie Actuele inzichten NEN 2443 of diens opvolger. 2. Indien de opstelruimte geheel of gedeeltelijk over het trottoir loopt, moet aan weerszijden van de in- of uitrit een fysieke barrière worden geplaatst met een minimale lengte van 1,70 meter, zodanig dat voetgangers zich niet in de uitzichtdriehoek begeven. Artikel 5.8 Maatwerk- en vergunningsvoorschriften Het bevoegd gezag kan, met toepassing van artikel 4.5 van de Omgevingswet, bij omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen in deze afdeling indien: a. dit noodzakelijk is vanwege bijzondere stedenbouwkundige, architectonische of landschappelijke omstandigheden; b. indien een andere oplossing wordt geboden die voorziet in een gelijkwaardige mate van parkeervoorziening.
Titel 5.2 Bouwactiviteiten en sloopactiviteiten Afdeling 5.2.1 Bouwen hoofdgebouwen Artikel 5.9 Bouwregels Chopinstraat Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ gelden voor het bouwen de volgende regels: 1. Binnen het werkingsgebied ‘sportzaal’ is de realisatie van een fietsenstalling toegestaan
met een maximale oppervlakte van 450 m². 2. de hoofdgebouwen bestaan uit blokken met gestapelde woningen met daarvan onderdeel uitmakende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en 7
pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer; 3. de hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m; 4. in afwijking van het bepaalde onder b, geldt voor de plint van hoofdgebouwen dat indien andere functies dan wonen plaatsvinden, de bouwlaag een hoogte heeft van maximaal 4,5 m; 5. in afwijking van het bepaalde onder b mag binnen het werkingsgebied ‘hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn; 6. hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing; 7. binnen het werkingsgebied ‘sportzaal’ is een sportzaal toegestaan in de eerste bouwlaag; 8. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op: 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied; 2. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes; 3. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; 4. de vekeersveiligheid; 5. de sociale veiligheid; 6. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; 9. wanneer een gebouw hoger is dan 5 bouwlagen of 15 m ligt de bovenste bouwlaag terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback is minimaal 2,5 m. 10. voor het bouwen van een sportzaal geldt specifiek; 1.
de plint heeft een representatieve uitstraling. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met het beeldkwaliteitsplan Station West, vastgesteld op 3 december 2024; 2. de sportzaal is in technisch en constructief opzicht een vrijstaand gebouw. De uiterlijke verschijningsvorm is zodanig dat de sportzaal onderdeel uitmaakt van het samengestelde gebouwencomplex; 3. de hoofdentree van de sportzaal bevindt zich aan de spoorzijde; 11. er wordt een collectieve buitenruimte van minimaal 10% van het oppervlak van het werkingsgebied aangelegd. Deze collectieve buitenruimte is openbaar toegankelijk; 12. Ten minste 10 - 40% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond.
Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen.
Formule oppervlakte type Rekenfactor type groen groen Oppervlakte type groen 100% vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen 50% vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 8
Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm.
Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied
Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt.
a. Wanneer een groen dak gecombineerd wordt met zonnepanelen wordt de oppervlakte van het groene dak onder de zonnepanelen meegerekend indien tussen bovenkant grondlaag en onderkant zonnepaneel/constructie minimaal 40 cm vrije ruimte aanwezig is. b. het aantal bouwlagen bedraagt minimaal 3 en maximaal 6; c. in afwijking van het bepaalde onder j mag binnen het werkingsgebied ‘Hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn; d. hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing; e. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’. Artikel 5.10 Bouwregels Haydnlaan Binnen het werkingsgebied ‘Haydnlaan’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. b. c. d.
hoofdgebouwen worden gebouwd blokken van drie of meer rijwoningen; het aantal bouwlagen van de woningen bedraagt 2 of 3; de hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m; de hoofdgebouwen worden zo gesitueerd dat de diepte van het achtererfgebied, gerekend vanaf de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw ten minste 6 m bedraagt; e. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving'. f. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op: a. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied; b. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes; c. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden dan wel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; g. ten minste 35 - 60% tot van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond.
Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen.
Formule oppervlakte type Rekenfactor type groen groen Oppervlakte type groen 100% vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen 50% vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door 9
Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm.
het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied
Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt.
Artikel 5.11 Bouwregels Koningshoek II Binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. de peilhoogte van het bouwblok moet voldoen aan de in het omgevingsplan vastgestelde algemene peilhoogte. b. de hoofdgebouwen bestaan uit blokken met gestapelde woningen met daarvan onderdeel uitmakende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer; c. de bebouwing bestaat uit maximaal 5 bouwlagen; d. de hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m; e. de bovenste bouwlaag ligt terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback bedraagt minimaal 2 m. f. maximaal 75% van het werkingsgebied mag worden bebouwd; g. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’. h. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op: a. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied; b. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes; c. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden dan wel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; i.
minimaal 20 - 70% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond.
Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen.
Formule oppervlakte type Rekenfactor type groen groen Oppervlakte type groen 100% vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen 50% vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied 10
Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm.
Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied
Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt.
j. Artikel 5.12 Bouwregels Uiverlaan Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. Er komen niet meer dan 100 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen te vervallen; b. de hoofdgebouwen bestaan uit: 1. blokken met gestapelde woningen met daarvan onderdeel uitmakende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer; 2. blokken van drie of meer grondgebonden rijwoningen; c. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op: 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied; 2. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes; 3. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; 4. de verkeersveiligheid; 5. de sociale veiligheid; 6. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; d. de grondgebonden woningen hebben maximaal 3 bouwlagen; e. de hoogte van een bouwlaag bedraagt maximaal 3 m; f. voor de gestapelde woningen geldt: 1. het aantal bouwlagen bedraagt minimaal 3 en maximaal 6; 2. de maximale hoogte van een bouwlaag bedraagt 3 m; 3.
in afwijking van het bepaalde onder ii geldt dat in de zone die grenst aan de Logger het aantal bouwlagen 3 bedraagt; 4. in afwijking van het bepaalde onder ii mag binnen het werkingsgebied ‘Hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn; 5. hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing; 6. wanneer een gebouw hoger is dan 5 bouwlagen of 15 m ligt de bovenste bouwlaag terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback is minimaal 2 m. g. er wordt een collectieve buitenruimte van 25 tot 35% van het oppervlak van het werkingsgebied aangelegd. Deze collectieve buitenruimte is openbaar toegankelijk; h. ten minste 25 - 60% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond.
Formule oppervlakte type Rekenfactor type groen groen Oppervlakte type groen 100% vermenigvuldigd met de 11
Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen. Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm.
i.
j.
rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied
50%
Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag minimaal 10 cm bedraagt.
wanneer een groen dak gecombineerd wordt met zonnepanelen wordt de oppervlakte van het groene dak onder de zonnepanelen meegerekend indien tussen bovenkant grondlaag en onderkant zonnepaneel/constructie minimaal 40 cm vrije ruimte aanwezig is; er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’.
Artikel 5.13 Bouwregels Stationsgebied Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. een kiosk met afmetingen van 400 m2. Artikel 5.14 Bouwregels Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan’ gelden voor het bouwen de volgende regels: a. voor nieuwe hoofdgebouwen kan slechts een vergunning worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Er komen niet meer dan 100 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen te vervallen; 2. alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn gebouwd; 3. alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn voor ten minste 75% in gebruik genomen; 4. als gevolg van de te vervallen parkeerplaatsen en de toevoeging van de nieuwbouw inclusief de theoretische parkeerbehoefte mag de bezettingsgraad van de openbare parkeerplaatsen binnen het werkingsgebied wijzigingsbesluit ‘Station West’ niet hoger uitkomen dan 85%; 5.
Bij de berekening van de bezettingsgraad wordt aangesloten bij de beleidsregel bedoeld in afdeling 5.2.2 Parkeren. b. de hoofdgebouwen bestaan uit blokken met gestapelde woningen met daarbij behorende inpandige voorzieningen zoals fietsenstallingen, afhaalkluisjes voor post en pakketten, wasserette, een fietswerkplaats, ruimte voor deelmobiliteit individueel personenvervoer; c. het bouwen is ruimtelijk inpasbaar gelet op: 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied; 12
2. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes; 3. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; 4. de verkeersveiligheid; 5. de sociale veiligheid; 6. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; d. indien er meerdere verdiepingen worden gebouwd, ligt de bovenste verdieping terug ten opzichte van de rooilijnen van het bouwblok; deze setback bedraagt ten minste 2 m; e. er wordt een collectieve buitenruimte van 25 tot 40% van het oppervlak van het werkingsgebied aangelegd. Deze collectieve buitenruimte is openbaar toegankelijk; f. 20% - 50% van het werkingsgebied wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. Dit wordt als volgt berekend: Type groen Groen op maaiveldniveau in de volle grond
Groen op maaiveldniveau in de volle grond in privétuinen
Groen op daken en dekken met een grondlaag van minimaal 10 cm
Formule oppervlakte type groen Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied Oppervlakte type groen vermenigvuldigd met de rekenfactor gedeeld door het oppervlakte werkingsgebied
Rekenfactor type groen 100%
50%
Per cm van de dikte van de grondlaag één procent, waarbij de grondlaag mimimaal 10 cm bedraagt
a. wanneer een groen dak gecombineerd wordt met zonnepanelen wordt de oppervlakte van het groene dak onder de zonnepanelen meegerekend indien tussen bovenkant grondlaag en onderkant zonnepaneel/constructie minimaal 40 cm vrije ruimte aanwezig is; b. het aantal bouwlagen bedraagt minimaal 3 en maximaal 6 c. de maximale hoogte van een bouwlaag bedraagt 3 m; d. in afwijking van het bepaalde onder h mag binnen het werkingsgebied ‘Hoogteaccent’ het aantal bouwlagen 7 zijn; e. hoogteaccenten zijn minimaal twee bouwlagen hoger dan de direct aangrenzende bebouwing; f. er wordt voldaan aan Titel 5.1 ‘Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving’.
13
Afdeling 5.2.2 Bouwen bijbehorende bouwwerken Artikel 5.15 Bouwregels Chopinstraat Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten. Artikel 5.16 Bouwregels Haydnlaan Binnen het werkingsgebied ‘Haydnlaan’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten met een grotere oppervlakte dan de oppervlakte bedoeld in artikel 22.36 onder a sub 3. Artikel 5.17 Bouwregels Koningshoek II Binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten. Artikel 5.18 Bouwregels Uiverlaan 1. Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ is het niet toegestaan om bij grondgebonden woningen bijbehorende bouwwerken op te richten met een grotere oppervlakte dan de oppervlakte bedoeld in artikel 22.36 onder a sub 3. 2. Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten bij gestapelde woningen. Artikel 5.19 Bouwregels Stationsgebied Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten.
Artikel 5.20 Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan’ is het niet toegestaan om bijbehorende bouwwerken op te richten.
Afdeling 5.2.3 Bouwen bouwwerken geen gebouwen zijnde Artikel 5.21 Bouwregels Chopinstraat Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht. Artikel 5.22 Bouwregels Koningshoek II Binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ is het niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht. Artikel 5.23 Bouwregels Uiverlaan Binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ is het op erven behorende bij gestapelde woningen niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht.
14
Artikel 5.24 Bouwregels Stationsgebied Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ gelden voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde: op te richten anders dan die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder omgevingsvergunning mogen worden opgericht. Artikel 5.25 Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A – Ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan’ is het niet toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten.
Afdeling 5.2.4 Bouwen Berperkingengebied – lokale spoorweg Artikel 5.26 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over bouwactiviteiten binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg. Artikel 5.27 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg. Artikel 5.28 Vrijstelling vergunningplicht Beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is; en b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m. Artikel 5.29 Vrijstelling vergunningplicht Buitenste beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; en b.
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg. Artikel 5.29a Meldplicht 1. Binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ is het verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 5.28, te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag bedoeld in artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Een melding bevat: a. een beschrijving van: 1. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 15
2. het te gebruiken materieel; en 3. het huidige en het beoogde gebruik van de locatie; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand. 3. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond dat de erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor. 4. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld. Artikel 5.29b Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden 1. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten, bedoeld in artikel 5.28 binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’. 2. Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag bedoeld in artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: 1. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en 2. de verwachte duur ervan. 3. Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit.
Afdeling 5.2.5 Bouwen – restrictiegebied leiding riool Artikel 5.30 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over bouwactiviteiten binnen het Restrictiegebied leiding – riool. Artikel 5.31 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c. d. e.
het behoeden van de straat en werking van infrastructuur; het beschermen van de werking van leidingen; het voorkomen of beperken van hinder; het beschermen van de gezondheid; het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5.32 Bouwregels 1. Binnen het Restrictiegebied leiding - riool gelden voor het bouwen de volgende regels: a. bouwwerken staan ten dienste van de betreffende leiding; b. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 m; 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het bouwen indien: a. door de bouwwerken geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; en b. hiertoe vooraf positief schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s). c. Voorafgaand aan de werkzaamheden een KLIC-melding is gedaan.
16
Afdeling 5.2.6 Sloopactiviteiten – lokale spoorweg Artikel 5.33 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over het slopen van bouwwerken binnen het werkingsgebied ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’. Artikel 5.34 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg. Artikel 5.35 Vrijstelling vergunningplicht Beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor het slopen van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is; b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m. Artikel 5.36 Vrijstelling vergunningplicht Buitenste beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor het slopen van bouwwerken waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’; en b.
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van het werkingsgebied ‘Kernzone lokale spoorweg’. Artikel 5.37 Meldplicht 1. Binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ is het verboden de activiteiten, bedoeld in artikel 5.36 te verrichten zonder dit ten minste zes weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag bedoeld in artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Een melding bevat: a. een beschrijving van: 1. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 2. het te gebruiken materieel; en 3. het huidige en het beoogde gebruik van de locatie; en b. situatie- en inrichtingstekeningen van de bestaande toestand, de toestand tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en de nieuwe toestand. 3. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij het plaatsen van een drukleiding of een drukvat ook de berekening conform NEN 3650 en NEN 3651, waarmee wordt aangetoond dat de erosiekrater of explosievlam geen invloed heeft op het spoor. 4. In aanvulling op het tweede lid, bevat een melding bij grondroerende activiteiten ook de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van het maaiveld.
17
Artikel 5.38 Gegevens en bescheiden: start en einde werkzaamheden 1. Dit artikel is alleen van toepassing op activiteiten, bedoeld in artikel 5.36 binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’. 2. Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag bedoeld in artikel 9.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: 1. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; en 2. de verwachte duur ervan. 3. Binnen twee weken na het beëindigen van de activiteit wordt aan het bevoegd gezag de datum verstrekt van het beëindigen van de activiteit.
Titel 5.3 Gebruiksactiviteiten Afdeling 5.3.1 Algemeen Artikel 5.39 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze titel worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd: b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; h. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; i. de verwachte verkeersaantrekkende werking; j. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: i. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; ii.
de situering van het bouwwerk waarin de activiteit gaat plaatsvinden ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; iii. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; en iv. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; k. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein en een berekening van de parkeerbehoefte. Artikel 5.40 Vergunningvoorschriften Aan een omgevingsvergunning voor gebruiksactiviteiten als bedoeld deze titel kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op: a. gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; 18
d. e. f. g.
parkeren; verkeersafwikkeling; opslag op open erven en terreinen; maatregelen ter bescherming van personen in kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen of op die locaties of het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties.
Artikel 5.41 Geluidonderzoek 1. Een geluidonderzoek wordt verricht bij het verrichten van de activiteit bedoeld in artikel 5.50 afdeling 5.3.6 en artikel 5.49 afdeling 5.3.5. 2. Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. 3. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden. Artikel 5.42 Gegevens en bescheiden: geluidonderzoek 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit bedoeld in artikel 5.50 afdeling 5.3.6. wordt een rapport van een geluidonderzoek bedoeld in artikel 5.41 verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit bedoeld in artikel 5.50 afdeling 5.3.6 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 3.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit bedoeld in artikel 5.49 afdeling 5.3.5 wordt een rapport van een geluidonderzoek bedoeld in artikel 5.41 verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 4. Ten minste vier weken voordat de activiteit bedoeld in artikel 5.49, Afdeling 5.3.5 op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Afdeling 5.3.2 Detailhandel Artikel 5.43 Chopinstraat 1. Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandelsactiviteiten te verrichten. 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is geen sprake van perifere detailhandel; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving bedoeld in Titel 5.1; c. de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; 19
g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau. Artikel 5.44 Stationsgebied 1. Binnen het werkingsgebied ‘Stationsgebied’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandelsactiviteiten te verrichten. 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is geen sprake van perifere detailhandel; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving bedoeld in Titel 5.1; c. de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau.
Afdeling 5.3.3 Horeca Artikel 5.45 Chopinstraat 1. Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning horeca-activiteiten te verrichten. 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van horeca in de categorie 1 of 2; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving bedoeld in Titel 5.1; c. de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau. Artikel 5.46 Horeca als functioneel ondersteunende activiteit Horeca als functioneel ondersteunende activiteit is toegestaan bij de volgende kernactiviteiten: a. Maatschappelijke activiteiten; b. Sport. Artikel 5.47 Horeca als nevenactiviteit 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit als nevenactiviteit te verrichten. 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving bedoeld in Titel 5.1; b.
de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; c. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; d. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; 20
e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; f. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau.
Afdeling 5.3.4 Maatschappelijk Artikel 5.48 Chopinstraat 1. Binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning maatschappelijke activiteiten te verrichten. 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van maatschappelijke activiteiten in de vorm van overheids-, medische, sociaal-culturele of vergelijkbare voorzieningen; b. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving bedoeld in Titel 5.1; c. de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; d. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; e. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; g. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau.
Afdeling 5.3.5 Sport Artikel 5.49 Chopinstraat De gronden binnen het werkingsgebied ‘Sportzaal’ mogen worden gebruikt voor: a. het bieden van gelegenheid tot binnensport in een sportzaal met een maximale bruto vloeroppervlakte van 2.000 m2; de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten.
Afdeling 5.3.6 Wonen Artikel 5.50 Algemene regels voor wonen a. Binnen het werkingsgebied ‘maximaal 400 woningen’ zijn maximaal 400 woningen toegestaan; b. In één woning woont slechts één huishouden. c. In afwijking van het bepaalde onder b zijn in een woning ook minder traditionele woonvormen toegestaan, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners. Hieraan wordt voldaan als sprake is van de volgende omstandigheden: 1. het niet meer dan drie bewoners per woning betreft; 2. de bewoners op het betreffende adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie; 3. alle gezamenlijke ruimtes zoals woonkamer, keuken, toilet en badkamer gezamenlijk worden gebruikt; 4. er een minimale woonoppervlak is van 25 m2 per persoon; 5. er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlak van minder dan 13 m2 er maximaal een persoon per slaapkamer wordt gehuisvest; 21
6.
er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlakte van 13 m2 of meer er maximaal twee personen per slaapkamer worden gehuisvest.
Artikel 5.51 Chopinstraat De gronden binnen het werkingsgebied ‘Chopinstraat’ worden gebruikt voor: a. Gestapelde woningen; b. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.52 Haydnlaan De gronden binnen het werkingsgebied ‘Haydnlaan’ worden gebruikt voor: a. Rijwoningen; b. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.53 Koningshoek II De gronden binnen het werkingsgebied ‘Koningshoek II’ worden gebruikt voor: a. Gestapelde woningen; b. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.54 Uiverlaan De gronden binnen het werkingsgebied ‘Uiverlaan’ worden gebruikt voor: a. Gestapelde woningen; b. Rijwoningen; c. de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten. Artikel 5.55 Bouwveld A- ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisering van het bouwplan 1.
Binnen het werkingsgebied ‘Bouwveld A – ruimtelijke reservering voor mogelijk toekomstige bebouwing, ter beoordeling na realisatie van het bouwplan’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning nieuwe woningen toe te voegen. 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden gestapelde woningen gerealiseerd; b. er komen niet meer dan 100 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen te vervallen; c. alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn gebouwd; d. alle hoofdgebouwen die binnen de werkingsgebieden ‘Chopinstraat’, ‘Haydnlaan’, ‘Koningshoek II’, ‘Stationsgebied’ en ‘Uiverlaan’ kunnen worden gebouwd, zijn voor ten minste 75% in gebruik genomen; e. als gevolg van de te vervallen parkeerplaatsen en de toevoeging van de nieuwbouw inclusief de theoretische parkeerbehoefte mag de bezettingsgraad van de openbare parkeerplaatsen binnen het werkingsgebied wijzigingsbesluit ‘Station West’ niet hoger uitkomen dan 85%; 22
f.
Bij de berekening van de bezettingsgraad wordt aangesloten bij de beleidsregel bedoeld in afdeling 5.1.2 Parkeren.
Artikel 5.56 Algemene regels voor Zorgwoningen 1. Binnen het werkingsgebied ‘Station West’ is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken ten behoeve van zorgwoningen: 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving bedoeld in Titel 5.1; b. de privacy van omwonenden wordt niet onevenredig aangetast; c. de activiteit is inpasbaar met het oog op de verkeersveiligheid; d. de activiteit is inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast; f. er vindt geen aantasting plaats van het gewenste voorzieningenniveau.
Titel 5.4 Activiteiten op en in de bodem Afdeling 5.4.1 Algemeen Artikel 5.57 Aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Titel 5.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. de te gebruiken materialen; h. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; i. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit; j. de te gebruiken materialen; k. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; l. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit. Artikel 5.58 Vergunningvoorschriften 1.
Aan een omgevingsvergunning voor gebruiksactiviteiten als bedoeld in Titel 5.4 kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de oogmerken ten behoeve waarvan de regels zijn gesteld. 2. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 5.57 kunnen specifiek de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 23
b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Afdeling 5.4.2 Activiteiten op of in de bodem in openbaar gebied Artikel 5.59 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen het werkingsgebied ‘Openbaar gebied’ en gaan over: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het aanleggen van oppervlakteverharding en het verharden van gronden. Artikel 5.60 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. b. c. d.
het beschermen van het woon- en leefmilieu; het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit; het beschermen en bevorderen van biodiversiteit; klimaatadaptatie.
Artikel 5.61 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer verricht door of in opdracht van de waterbeheerder of het college van burgemeester en wethouders. Artikel 5.62 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de in artikel 5.59 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan artikel 5.61. Artikel 5.63 Beoordelingsregels De vergunning bedoeld in artikel 5.62 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. ten minste 40 tot 50% van het werkingsgebied ‘Openbaar gebied’ wordt groen en zonder oppervlakteverharding ingericht. b. er wordt maximaal 50 tot 60% verharding aangelegd binnen het werkingsgebied ‘Openbaar groen’.
Afdeling 5.4.3 Activiteiten op of in de bodem - archeologie Artikel 5.64 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen het restrictiegebied ‘archeologie’ en gaan over: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 24
d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het waterschap; e. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; j. het scheuren van grasland; k. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. Artikel 5.65 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en behouden van archeologische waarden. Artikel 5.66 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: a. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m²; b. niet dieper dan 300 cm onder maaiveld reiken; of c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. Artikel 5.67 Vergunningplicht Het is verboden om de in artikel 5.64 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan artikel 5.66. Artikel 5.68 Beoordelingsregels 1.
De vergunning bedoeld in artikel 5.67 kan uitsluitend worden verleend indien door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. 2. Bij het beoordeling van de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het advies van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige. Artikel 5.69 Specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.67 wordt een rapport overgelegd op basis van de in de beroepsgroep geldende normen waaruit in voldoende mate blijkt dat: a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; c. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
Afdeling 5.4.4 Activiteiten op of in de bodem – waterkering Artikel 5.70 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen het werkingsgebied ‘Beperkingengebied waterkering’ en gaan over: 25
a. het aanleggen van oppervlakteverharding en het verharden van gronden; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, woelen, mengen, diepploegen, ontginnen, bodemverlagen, ophogen of egaliseren van de bodem en aanleggen van drainagevoorzieningen en leidingen; c. het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen, met uitzondering van heipalen; d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Artikel 5.71 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en behouden van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering en de bescherming van deze waterkerende functie b. het beschermen van waterstaatkundige werken en waterkeringen; c. een goede werking en bescherming van het watersysteem. Artikel 5.72 Toegestane activiteiten De volgende activiteiten zijn toegestaan: werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer verricht door of in opdracht van de waterbeheerder of het college van burgemeester en wethouders. Artikel 5.73 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de in artikel 5.70 aangewezen activiteiten te verrichten als deze niet voldoen aan artikel 5.72.
Artikel 5.74 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.73 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in artikel 5.71. Bij de beoordeling wordt het advies van de waterbeheerder betrokken. Artikel 5.75 Specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.73 wordt ten behoeve van de toetsing aan dit omgevingsplan in elk geval een advies van de waterbeheerder overgelegd.
Afdeling 5.4.5 Activiteiten op of in de bodem – lokale spoorweg Artikel 5.76 Toepassingsbereik De regels in deze afdeling gaan over activiteiten op of in de bodem binnen het werkingsgebied ‘Beperkingengebied lokale spoorweg’. Artikel 5.77 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg, het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg en het voorkomen van nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg; en b. het doelmatig beheer van een lokale spoorweg. Artikel 5.78 Vrijstelling vergunningplicht Beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor: a. grondroerende activiteiten, waarbij: 26
i. ii. iii. iv.
b.
c.
d.
e.
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m; de diepte van de grondroering maximaal 5 m is; geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 5 m is; bemalingen: i. met een bemalingsdiepte van maximaal 5 m; en ii. waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en in stand houden van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij: i. de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is; en ii. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m; het planten, in stand houden, onderhouden of verwijderen van bomen en andere groenvoorzieningen, waarbij: i. de hoogte op het moment van planten, onderhouden of verwijderen maximaal 5 m is; en ii. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m; of het verwijderen van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij: i. de object- of bouwhoogte maximaal 5 m is; ii. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 5 m.
Artikel 5.79 Vrijstelling vergunningplicht Buitenste beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen het werkingsgebied ‘Buitenste beschermingszone lokale spoorweg’ niet voor: c. grondroerende activiteiten, waarbij: a. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m; of b. de grondroeringsdiepte maximaal 15 m is; c. geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en d. in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 15 m is; d. bemalingen: a. met een bemalingsdiepte van maximaal 15 m; en b. waarbij geen zetting plaatsvindt onder het spoor; e. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en het in stand houden van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij: a. de object- of bouwhoogte maximaal 15 m is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; en b. het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 m of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg; f. het planten, in stand houden, onderhouden of verwijderen van bomen en andere groenvoorzieningen, waarbij: a. de hoogte op het moment van planten, onderhouden of verwijderen maximaal 15 m is; en b.