Nota van beantwoording zienswijzen
Tekst van het document
De motivering wordt verduidelijkt met toelichting op de borging van zorgwonen via beleid en vergunningtoetsing. 24. Technische regimes, geluid en m.e.r. Samenvatting zienswijze Indieners stellen dat in het omgevingsplan nieuwe en formele technische regimes worden geïntroduceerd (o.a. hogere waarden tot 54 dB(A), geen m.e.r.-plicht, beperkingsgebieden voor spoor, waterkering en leidingen, toepassing van NEN-normen), terwijl in de Gebiedsvisie vooral kwalitatieve leefomgevingsambities zijn opgenomen. Volgens hen ontbreekt een duidelijke koppeling tussen deze technische kaders en de beoogde leefkwaliteit. Beoordeling gemeente De zienswijze wordt deels gevolgd in die zin dat de koppeling tussen technische regimes en leefkwaliteitsdoelen in de motivering nader kan worden verduidelijkt. De toegepaste besluiten en regimes (hogere-waardenbesluit, m.e.r.-beoordeling, spoor- en waterkeringszones, leidingen en NEN-normering) maken onderdeel uit van het wettelijk kader dat bij de planvorming moet worden betrokken. Deze elementen zijn niet “nieuw” ten opzichte van de visie, maar vormen de juridische en milieutechnische uitwerking van de randvoorwaarden waarbinnen de ontwikkeling kan plaatsvinden.
In de planmotivering is beoordeeld dat – met deze kaders en mitigerende maatregelen – nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarmee sluiten de technische besluiten aan bij de kwalitatieve doelstellingen uit de Gebiedsvisie, zij het op een ander (juridisch en toetsbaar) abstractieniveau. De gemeente erkent dat deze samenhang voor belanghebbenden explicieter kan worden toegelicht. Daarom wordt de motivering bij vaststelling aangevuld met: - een duidelijke uitleg van de relatie tussen hogere-waarden, m.e.r.-beoordeling en leefklimaat - een toelichting hoe de beperkingsgebieden en normkaders zijn meegewogen in de stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke aanvaardbaarheid. 42
Conclusie Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
Geen wijziging van planregels. De motivering wordt aangevuld en inzichtelijker gemaakt over de relatie tussen technische regimes en de leefkwaliteitsambities uit de Gebiedsvisie. 25. Parkeerdekken Samenvatting zienswijze Indieners stellen dat in het omgevingsplan In alle communicatie, schetsen en onderliggende berekeningen (zoals grondbalansen) wordt uitgegaan van parkeerdekken als essentieel onderdeel van de ontwikkeling. De planregels bevatten echter geen enkele verplichting tot het realiseren van parkeerdekken. Beoordeling gemeente Centraal onderdeel van de gebiedsvisie Station West is dat het parkeren voor bewoners uit het zicht van de openbare ruimte komt. Bij het inpassen van inpandige parkeerplaatsen wordt de plaatsing aan de gevel zo georganiseerd dat de auto uit het zicht staat. En staat tevens omschreven dat parkeerplaatsen zoveel mogelijk inpandig worden gerealiseerd, maaiveld parkeren alleen waar dat niet anders kan. De combinatie met het aantal woningen, de percentages groen, percentage collectieve buitenruimte en de vormfactor van de werkingsgebieden maakt dat een halfverdiepte parkeeroplossing of een parkeeroplossing onder een dek een voor de hand liggende oplossing.
Daarbij geeft het omgevingsplan nog enige ruimte voor alternatieven oplossingen maar is geborgd het bewoners parkeren altijd uit het zicht moet worden gerealiseerd wat in lijn is met de beoogde de leef kwaliteit en het autoluwe karakter van het plan. Dit is geborgd middels de planregels ‘Parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk inpandig gerealiseerd, maaiveld parkeren alleen waar dat niet anders kan’. Deze parkeervoorziening moet 2 meter achter de rooilijn van een gebouw worden gerealiseerd waarmee de voorziening vrijwel altijd achter de bebouwing en uit het zicht is. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de planregels. 26. Overkoepelende juridische beoordeling Samenvatting zienswijze Indieners stellen dat het omgevingsplan op meerdere punten juridisch tekortschiet. Volgens hen zijn belangrijke ambities uit de Gebiedsvisie (groen, mobiliteit, kwaliteit, participatie) onvoldoende vertaald naar bindende regels, terwijl op andere onderdelen (hoogte, dichtheid) juist verder wordt gegaan dan de visie suggereert. Zij menen dat afwijkingen van de visie niet inzichtelijk zijn gemotiveerd, dat de planmotivering onvolledig is, en dat de systematiek van de Omgevingswet — waarbij een visie via normen en regels wordt geconcretiseerd — niet goed is gevolgd.
Daarnaast stellen zij dat de opzet en toegankelijkheid van de planregeling afbreuk doet aan rechtszekerheid en participatie, en dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar participatieverplichtingen. Beoordeling gemeente De gemeente volgt deze overkoepelende conclusies niet. Het omgevingsplan en de Gebiedsvisie vervullen verschillende functies: de visie bevat programmatische ambities en richtinggevende principes, terwijl het omgevingsplan de juridisch relevante en ruimtelijk toetsbare elementen vertaalt naar bindende kaders. Die vertaling is bewust gemaakt voor zover deze ruimtelijk noodzakelijk, handhaafbaar en planologisch relevant is (o.a. bouwhoogtezones, setbacks, groenpercentages, parkeren, inpassings- en kwaliteitscriteria). Afwijkingen en nuanceringen ten opzichte van de visie zijn in de motivering toegelicht en vloeien voort uit de verdere planuitwerking en juridische borgbaarheid. Daarnaast is het plan zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd op basis van onderzoek, beleidskaders en gebiedsspecifieke afwegingen, waarmee wordt voldaan aan de artikelen 3:2 en 3:46 Awb en het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies in de zin van artikel 2.1 Omgevingswet. Participatie heeft plaatsgevonden in de voorbereidingsfase en is vastgelegd in de bijbehorende participatiedocumenten; de zienswijzenprocedure vormt daarvan een onderdeel, maar staat daar niet los van.
Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
43
De zienswijze geeft daarom geen aanleiding tot aanpassing van de planregels; waar nodig wordt de toelichting wel aangevuld om de relatie tussen visie, motivering en planregeling explicieter te duiden. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding voor aanpassing van de planregels, wel zal de motivering worden aangevuld met een verduidelijking van de relatie tussen visie, motiering en planregels. 27. Slotconclusie uit deze bijlage Samenvatting zienswijze Indieners concluderen dat de informatievoorziening rond het omgevingsplan onvoldoende toegankelijk en transparant is en dat de ontwikkeling volgens het plan te groot, te hoog en te dicht is in verhouding tot de Gebiedsvisie, de bestaande wijk en de verwachte leefkwaliteit. Om die reden stellen zij dat het ontwerp-omgevingsplan in de huidige vorm niet kan worden vastgesteld en eerst ingrijpend moet worden herzien, zowel qua structuur en vindbaarheid van de regels als qua inhoudelijke borging van bouwvolume, groen, mobiliteit, leefkwaliteit en participatie. Beoordeling gemeente De gemeente herkent deze conclusie niet. Het omgevingsplan is opgesteld binnen de systematiek van de Omgevingswet, waarbij één gemeentebreed plan geldt met zowel algemene als gebiedsspecifieke regels.
Binnen die systematiek zijn de bepalingen voor Station West juridisch herleidbaar, in samenhang met de toelichting, motivering en de onderliggende onderzoeken. Daarmee acht de gemeente de informatievoorziening voldoende inzichtelijk; aanvullend zijn via de gemeentelijke website en ter inzagelegging hulpmiddelen aangeboden om de toegankelijkheid verder te ondersteunen. Wat betreft de inhoudelijke borging is de ontwikkelruimte bewust begrensd en gemotiveerd via bouwhoogtezonering, setbacks, groenpercentages, parkeereisen, kwaliteits- en inpassingscriteria en toetsing bij vergunningverlening. Deze elementen waarborgen dat de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar wordt gerealiseerd en in lijn is met de gebiedsgerichte afweging die aan het plan ten grondslag ligt. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot herziening van het plan, al wordt in de definitieve toelichting waar nodig aanvullende verduidelijking opgenomen over de relatie tussen visie, motivering en planregeling. 28. Verzoek om herstelmaatregelen voor vaststelling a. Toegankelijkheid en leesbaarheid van regels De zienswijze wordt niet gevolgd. De gekozen opzet, één gemeentebreed omgevingsplan met gebiedsgerichte werkingsgebieden en herleidbare regels via de digitale kaart, sluit aan bij de wettelijke systematiek. Binnen het DSO is voor iedere locatie inzichtelijk welke regels gelden. b.
Koppeling tussen regels, kaarten en onderzoeken De zienswijze wordt niet gevolgd. Onderzoeken zijn betrokken in de planmotivering en vormen de onderbouwing van de vastgelegde planruimte. Nadere detaillering vindt plaats bij vergunningverlening en wordt geborgd via beoordelingsregels. In de toelichting wordt de relatie tussen onderzoeken en planruimte nader verduidelijkt.
44
c. Motivering van afwijkingen t.o.v. de gebiedsvisie De Gebiedsvisie is beleidsmatig richtinggevend, maar niet juridisch bindend. De relevante uitgangspunten zijn planologisch vertaald; waar keuzes verschillen, zijn deze afgewogen in het kader van evenwichtige toedeling. Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
Wel kan de motivering op dit punt explicieter worden gemaakt, de motivering wordt aangevuld met een verduidelijking van de relatie tussen visie- uitgangspunten en planruimte. d. Onderbouwing bouwvolumes, hoogte en dichtheid De bouwmogelijkheden zijn begrensd via hoogte, opbouw en beoordelingsregels, inclusief toetsing op bezonning, maat- en schaalovergangen en woon- en leefklimaat bij vergunningverlening. Daarmee is de ruimtelijke aanvaardbaarheid voldoende geborgd. De toelichting wordt verduidelijkt waar het gaat om de keuzes voor maat, schaal en programma. e. Mobiliteit, autoluwheid en parkeren De mobiliteits- en parkeerambities uit de Gebiedsvisie zijn in het omgevingsplan vertaald naar juridisch passende randvoorwaarden. Parkeren is planologisch gereguleerd via parkeernormen (Afdeling 5.1.2) en de verplichting om parkeren uit het zicht en zorgvuldig ingepast te realiseren (artikel 5.6). Hiermee wordt een autoluwe inrichting effectief ondersteund. De exacte inrichting van autoluwe zones en de routing van fiets- en voetverbindingen betreft de openbare ruimte en wordt gerealiseerd via verkeersbesluiten en uitvoeringsmaatregelen, niet via planregels. De parkeernormen zijn gebiedsgericht afgestemd op de OV-ligging; een afzonderlijke vaste normreductie van 25% is daarom niet noodzakelijk.
Dubbelgebruik van parkeren en de inzet van parkeerdekken zijn mogelijke oplossingsrichtingen, maar lenen zich niet voor dwingende planregels en blijven onderdeel van de vergunningverlening en uitwerking. Van strijd met artikel 3:2 Awb of het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Beleidsambities en verkenningen leiden niet tot een verplichting om specifieke oplossingen juridisch vast te leggen. f. Sociale kwaliteit en beschut wonen De functie zorgwonen is planologisch mogelijk gemaakt en wordt bij vergunningverlening getoetst op ruimtelijke inpassing en gebruikskarakter. Locatievaste vastlegging is niet noodzakelijk en zou de ontwikkelruimte onnodig beperken. g. Participatie en informatievoorziening De gemeente heeft in de voorbereiding van de omgevingsplanwijziging uitvoering gegeven aan het participatiebeginsel door verschillende participatiemomenten te organiseren, waaronder informatiebijeenkomsten en overleg met omwonenden. De resultaten hiervan zijn betrokken bij de planvorming en hebben onder meer geleid tot aanpassingen in maat, schaal en situering van bebouwing. Alle relevante participatieverslagen, inspraakreacties en bijbehorende informatie zijn als bijlagen bij de motivering opgenomen en maken daarmee onderdeel uit van de besluitvorming.
Het ontwerp-omgevingsplan, de toelichting en de bijbehorende onderzoeken hebben gedurende de wettelijke termijn ter inzage gelegen, zodat belanghebbenden een geïnformeerde zienswijze konden indienen. Van strijd met het participatiebeginsel of artikel 3:2 Awb is geen sprake. h. Verzoek inzake GREX-informatie en financiële onderbouwing Het raadsbesluit van 7 oktober 2025 ziet uitsluitend op de grondexploitatie en bevat geen planologische kaders. Met dit besluit zijn financiële uitgangspunten vastgelegd en is de aanbestedingsprocedure gestart. De planologische kaders zijn vastgesteld in de Gebiedsvisie en het Beeldkwaliteitplan en worden juridisch verankerd via de wijziging van het omgevingsplan Maassluis – Station West. De omgevingsplanwijziging maakt planologisch maximaal 400 woningen, een sportzaal, een fietsenstalling en kinderopvang mogelijk. Voor de grondexploitatie is uitgegaan van programmatische aannames, waaronder circa 270 sociale huurwoningen; deze zijn niet planologisch bindend en dienen uitsluitend als financieel uitgangspunt. De aanbesteding en privaatrechtelijke contractvorming vinden separaat en na vaststelling van het omgevingsplan plaats. Er is geen sprake van onomkeerbare verplichtingen. De Didam-publicatie van 16 oktober 2025 is zorgvuldig en transparant uitgevoerd. Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
45
i.
Aanvullende regels participatieproces De Omgevingswet verplicht niet tot het opnemen van een afzonderlijke participatieparagraaf in het omgevingsplan. Vereist is dat participatie heeft plaatsgevonden en dat de resultaten daarvan zijn betrokken bij de besluitvorming. Hieraan is voldaan. Gedurende de planvoorbereiding zijn meerdere participatiemomenten georganiseerd en zijn reacties van omwonenden meegewogen in de planvorming. Alle participatieverslagen zijn als bijlagen bij de motivering opgenomen en maken onderdeel uit van het besluit. Van een participatiegebrek is daarom geen sprake. Er bestaat geen aanleiding om de vaststelling van het omgevingsplan aan te houden.
j.
Eindverzoek – plan niet vaststellen Het verzoek wordt niet gevolgd. De ontwikkeling is ruimtelijk aanvaardbaar, juridisch begrensd en zorgvuldig onderbouwd. Eventuele aanvullingen betreffen verduidelijking van de motivering en rechtvaardigen geen aanhouding of herziening van de planregeling.
Bijlage 2 – Grex en voortijdige besluitvorming, Didam motivatie Samenvatting zienswijze Indieners stellen dat de wijze waarop het besluit van 7 oktober 2025, waarin de raad heeft besloten de grondexploitatie te openen van Station West, tot stand is gekomen, de juridische onduidelijkheid over de status ervan, de (inmiddels na datum raadsbesluit gesloten) samenwerkingsovereenkomst met Waterweg Wonen, en de behandeling van het daartegen ingediende bezwaar door de BOBK van 19 oktober 2025, in strijd zijn met de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dat deze onzorgvuldigheden doorwerken in het ontwerpomgevingsplan. De lopende tenderprocedure en de gesloten samenwerkingsovereenkomst tonen aan dat er middels het raadsbesluit van 7 oktober 2025 wel degelijk sprake is van rechtsgevolgen, het vastleggen van materiële financiële en programmatische keuzes en daarmee planologisch sturend. Daarnaast stellen indieners dat de Didam-publicatie van 16 oktober 2025 de uitzonderingsroute (“enige serieuze gegadigde”) onvoldoende dragend motiveert en bovendien te laat is om nog te kunnen spreken van een zorgvuldige en transparante toepassing van het Didam-arrest. Dit versterkt het beeld dat de rol- en grondpositionering rond Station Maassluis-West niet transparant en niet controleerbaar tot stand is gekomen.
Beoordeling gemeente Met het besluit van de gemeenteraad van 7 oktober 2025 is voldaan aan een aantal wettelijke verplichtingen. Denk hierbij aan de dekking voor de interne kosten, het formaliseren van de cofinanciering om de WBI-subsidie veilig te stellen en het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst in vervolg op de eerder gesloten intentieovereenkomst. Daarnaast is het besluit van16 december 2025 is de start geweest van het in de markt uitzetten van een tender voor de voorgenomen ontwikkeling.
46
Het raadsbesluit behelst geen kaders van planologische aard. In de grondexploitatie van Station West heeft de gemeente uitsluitend financiële keuzes vastgelegd en geen inhoudelijke planologische uitgangspunten. Die kaders zijn vastgesteld in de Gebiedsvisie en het Beeldkwaliteitplan waar een uitgebreid participatietraject op heeft plaatsgevonden. De wijziging van het omgevingsplan Maassluis – Station West legt deze kaders planologisch vast. Tegen het besluit van de gemeenteraad om het bezwaar van de BOBK tegen het raadsbesluit van 7 oktober 2025 kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren bestond de mogelijk om beroep aan te tekenen. De wijziging omgevingsplan Maassluis - Station West biedt ruimte voor maximaal 400 woningen, een sportzaal, een fietsenstalling en kinderdagopvang. Op basis van de bestaande samenwerkingsovereenkomst met Waterweg Wonen is bepaald dat deze corporatie 270 (sociale) huurwoningen zal realiseren. Dit alles in lijn met de gemeentelijke doelgroepenverordening. Deze aantallen zijn opgenomen als grondslag voor de berekening van de gemeentelijke grondopbrengsten. Zij vormen de basis voor de geraamde opbrengst en zijn eveneens verwerkt in Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
de Tender Station West. Daarmee zijn deze financiële kaders transparant. De woningen vertegenwoordigen de voorziene grondwaarde voor de gemeente. Binnen de vastgestelde ruimtelijke kaders uit de gebiedsvisie en het beeldkwaliteitsplan en in lijn met de planologische kaders van het omgevingsplan stelt de te selecteren ontwikkelaar uiteindelijk zelf een integraal en concreet plan op. Het door de raad genomen besluit heeft uitsluitend betrekking op de grondexploitatie, bestaande uit kosten en opbrengsten, en legt geen specifieke planologische keuzes of programmatische invulling vast anders dan de maximaal 400 woningen, sportzaal, fietsenstalling en kinderdagopvang. Het ontwerp van de omgevingsplanwijziging Station West heeft van 21 november 2025 tot en met 2 januari 2026 ter inzage gelegen. Gelijktijdig is de gemeente gestart met de tenderprocedure via een concurrentiegerichte dialoog, omdat de ontwikkeling een integrale binnenstedelijke opgave betreft. De Gebiedsvisie en het Beeldkwaliteitsplan als vastgesteld door de raad eind 2024, vormen hierbij de ruimtelijke kaders. De aanbesteding bestaat uit drie fasen en mondt uit in privaatrechtelijke contractvorming met de geselecteerde ontwikkelaar. Deze vindt separaat plaats van de planologische procedure van het omgevingsplan.
Deze privaatrechtelijke contractering vindt plaats nadat het planologische kader van het omgevingsplan Station West door de raad is vastgesteld. Er is dus geen sprake van onomkeerbare verwachtingen bij marktpartijen en contractuele verplichtingen, waarmee de bestuurlijke manoeuvreerruimte voor de verdere planvorming beperkt zou zijn. Dan de Didam-publicatie. In de publicatie van 16 oktober 2025 staat duidelijk aangegeven dat indien iemand zich niet kunt verenigen met dit voornemen tot uitgifte in erfpacht van de gemeente Maassluis, omdat men meent daarvoor zelf als corporatie, die sociale huurwoningen kan en mag realiseren, in aanmerking te komen, dan dient men dit uiterlijk 20 november 2025 om 17.00 uur kenbaar te maken door middel van een gemotiveerd bericht aan inkoop@maassluis.nl t.a.v. zaaknummer 1024623 onder vermelding van “Reactie op voorgenomen uitgifte in erfpacht Maassluis West”. Wanneer men het vervolgens niet eens is met de reactie daarop, dan was het mogelijk om binnen 20 dagen na dagtekening van het standpunt een kort geding aan te spannen bij de voorzieningenrechter. Er zijn geen meldingen daarop binnen gekomen. Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de planregels.
Gelet op de gemeentelijke beoordeling van de zienswijze zal niet verder worden ingegaan op verzoek 1 tot en met 8 van deze bijlage omdat dit simpelweg niet bij deze procedure hoort en daar andere juridische wegen voor open stonden.
Bijlage 3 – Aanloop naar de vorming van de BOBK en participatiegebreken Samenvatting zienswijze: Indieners stellen dat uit het participatie- en besluitvormingsproces blijkt dat de gemeente Maassluis reeds vóór en tijdens de planvorming materiële keuzes heeft vastgezet over bouwvolume, woningprogramma, parkeren, fasering en contractpartners, terwijl bewoners structureel zijn uitgesloten van invloed op deze kernpunten. Relevante onderzoeken zijn niet in samenhang, niet toekomstgericht en zonder betrokkenheid van participanten opgezet, en essentiële informatie is pas achteraf of geheel niet beschikbaar gesteld. De indieners stellen daarbij dat sprake is van een schending van het fair play-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling gemeente: De gemeente volgt deze zienswijze niet. Artikel 16.55 van de omgevingswet betreft de uitzondering dat de gemeenteraad participatie als verplicht aanvraagvereiste kan aanwijzen. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunining voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het college van burgemeester en wethouders is hiervoor het bevoegd gezag. Als de aanvrager bij Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
47
zo'n aangewezen geval niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. Echter, dit is hier niet het geval. Het gaat om een ontwerpwijzigingsbesluit van het omgevingsplan en geen aanvraag voor een BOPA. Verder is er een uitvoerig participatietraject geweest. De gemeenteraad heeft een participatieplan vastgesteld waarin het doel van de participatie en het uitvoeringsplan zijn uitgewerkt. Tijdens de participatie in de eerste fase vanaf maart 2024 tot het vaststellen van de gebiedsvisie eind 2024 zijn vele bijeenkomsten georganiseerd. Daar is ook verslag over gedaan in de bijlagen van de gebiedsvisie. In dat proces zijn er significante aanpassingen gedaan naar aanleiding van de inbreng van omwonenden: zo is het bouwveld bij de metrohalte geschrapt, is het maximum aantal woningen verlaagd naar 450 en zijn de afstanden tussen de bestaande bebouwing en de nieuwe bouwvelden vergroot. De gemeenteraad heeft in haar besluitvorming bij amendement nog een bouwblok geschrapt en het te vervallen aantal parkeerplaatsen rondom winkelcentrum Koningshoek gemaximeerd op 100 en het aantal te realiseren woningen nogmaals verlaagd naar 400.
In het door de raad voor fase 2 vastgestelde participatieplan fase 1 staat dat we een inloopbijeenkomst organiseerde, met naderhand als aanvulling interactieve werksessies en uiteindelijk een terugkoppelbijeenkomst. Ook hebben we een brede peiling uitgezet via het online participatieplatform. Om een zo breed mogelijk publiek te bereiken hebben we ook straatinterviews gehouden. We hebben uiteindelijk 3 thematische werkgroepbijeenkomsten gehad, 1 om de aanbevelingen door te nemen en 2 werksessies ter terugkoppeling van de voorgestelde aanpassingen. Daarnaast waren er ook extra gesprekken met de BOBK. Het doel van deze extra gesprekken en bijeenkomsten was om gehoor te geven aan de zorgen vanuit een constructief en open dialoog. Het betrof in totaal 10 gesprekken. Het hoofddoel van fase 1 was - ‘om komende maanden uitgebreid in gesprek te gaan over de gebiedsvisie met alle partijen in en om station Maassluis West (o.a. bewoners, winkeliers en reizigers) en met potentiële gebruikers van het gebied, met als doel de gebiedsvisie te verrijken. De participatie heeft ook als doel om het groot aantal woningzoekers, starters, senioren en zoekers naar een sociale huurwoning te bereiken en hen te laten meedenken. Dit doel is dan ook behaald, naast de werksessies zijn er straatinterviews gehouden, interviews met studenten geweest en een online vragenlijst.
Ook waren er drie subdoelen – kwaliteit/betrokkenheid vergroten, draagvlak vergroten en belangen in beeld. De gebiedsvisie is dan ook zeker verrijkt. Er zijn 57 aanbevelingen gedaan en daarvan is 68% zeker overgenomen, 11% gedeeltelijk overgenomen en was er 5% in onderzoek. Hiermee werd de gebiedsvisie dan ook breder gedragen en hebben we de belangen goed in beeld gekregen. In het participatieplan fase 2 is aangegeven dat er één grote bijeenkomst zou worden georganiseerd om met iedereen aanwezig de effecten van de massastudie te bekijken en te zien of er eventuele knelpunten zouden ontstaan. Aan het begin van de participatie merkte de gemeente al gauw dat dit niet de juiste insteek was. Ook is met de participanten in gesprek gegaan om de knelpunten te bespreken. Daarbij werd ruimte geboden aan de zorgen die er waren. Er zijn uiteindelijk 3 werksessies georganiseerd. Hiermee is in positieve zin afgeweken van het vastgestelde participatieplan, maar werd wel ruimte geboden om de onderwerpen bespreekbaar te maken. Daarnaast zijn de doelen uit het vastgestelde participatieplan gehaald. Het hoofddoel – het informeren van alle betrokken partijen in en rondom het gebied Station Maassluis West en hen actief laten meedenken – is gerealiseerd.
Gedurende het traject is er actief gecommuniceerd over de voortgang en zijn omwonenden en andere belanghebbenden geïnformeerd over het proces en de stand van zaken.
48
Ook de subdoelen – het vergroten van de kwaliteit en het geïnformeerd houden van alle partijen – zijn behaald. Verschillende suggesties die tijdens de werksessies zijn gedaan, zijn verwerkt en dragen bij aan de verdere kwaliteit van het omgevingsplan. Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
Wat betreft het argument over de onderzoeksopzet van de indieners volgt de gemeente dit niet. In één van de bovengenoemde werksessies is er voldoende ruimte geboden aan de onderzoeksopzet van het verkeersintensiteitsonderzoek. De wens was vanuit de participatiewerkgroep om nieuwe, aanvullende parkeertellingen uit te voeren, en dit is ook gedaan. De werkgroepleden hebben aanvullende locaties aangegeven voor de telslangen voor het verkeersintensiteitsonderzoek. Aan alle suggesties is gehoor gegeven. Over de overige onderzoeken hebben de leden van de werkgroep een uitgebreide toelichting gekregen en zijn de onderzoeken (de opzet, methodiek en uitkomsten) vertrouwelijk met hen gedeeld. Waar invloed op uitgeoefend kon worden, zonder de onafhankelijke methodiek en wettelijke eisen te schenden hebben we dan ook gedaan. De indieners geven aan dat er ook een schending is van het fairplay-beginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. De gemeente heeft een evenwichtige werkgroep samengesteld, dit is gedaan om een werkgroep aan tafel te hebben die verschillende perspectieven en belangen van de gemeenschap weerspiegelt. De bewoners, tevens merendeel lid van de BOBK, woningzoekenden en diverse vertegenwoordigers van verschillende organisaties en maatschappelijke partijen hadden een plek in de werkgroep. Daarnaast is ook bewust plek geboden aan maatschappelijke organisaties en woningzoekenden.
Hierover is ook een memo gedeeld en de keuze toegelicht. Dit onderstreept het ‘fairplay-principe’ en er is geen sprake van persoonlijke belangen bij ambtenaren. Wat betreft over het zorgvuldigheidsbeginsel. De werkgroepleden zijn altijd voorzien van alle relevante informatie die de gemeente tot haar beschikking had. De onderzoeken zijn vertrouwelijk gedeeld, er zijn onafhankelijke onderzoekbureaus geraadpleegd en er is een architect uitleg komen geven over de interpretatie van de vastgestelde gebiedsvisie. De besluiten zijn gebaseerd op onafhankelijke onderzoeken en zorgen voor een deugdelijke besluitvorming. Conclusie Zienswijze ongegrond – de participatie voldoet aan het door de raad vastgestelde participatieplan en daarmee aan de eisen van de Omgevingswet. Alle onderwerpen zijn altijd bespreekbaar geweest in de werksessies, waar het kon is er input op de onderzoeksopzet verwerkt in de onderzoeken en is er geen sprake van schending van het fairplay-beginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de regels.
Bijlage 4 – Nakoming verplichtingen en rapportages ten aanzien van grondvervuiling Samenvatting zienswijze Indieners geven in deze bijlage een inhoudelijke beschrijving en analyse van de bodemkwaliteit binnen het plangebied en de directe omgeving, in relatie tot de voorgenomen bouwontwikkeling in Maassluis-West. Daarbij gaan zij in op bekende en mogelijke bodemverontreinigingen, de aard en omvang daarvan, en de consequenties voor een veilige en milieuhygiënisch verantwoorde woonfunctie. Daarbij wordt geconcludeerd dat het ontwerp-Omgevingsplan structureel te weinig borging bevat om te voorkomen dat fouten, zoals die bij de containerwerkzaamheden, zich in veel grotere schaal herhalen tijdens bouw van woningen, parkeervoorzieningen en infrastructuur. Gemeentelijke beoordeling Zoals in de motivering van de wijziging Omgevingsplan Maassluis – Station West is aangegeven dat op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem, waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht.
Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van de omgevingsplanwijziging. Door Ingenieursbureau Land is in 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). Uit het onderzoek is gebleken dat de diepe bodem verontreinigd is. Op basis hiervan wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit is nodig bij werkzaamheden dieper Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
49
dan 300 cm. Dat dit nader onderzoek daadwerkelijk wordt gedaan en wat de kwaliteit van de bodem moet zijn alvorens de omgevingsvergunning kan worden verleend, is opgenomen in artikel 22.29 en verder van het omgevingsplan. Het aanvullend onderzoek hoeft daarom niet al te worden gedaan bij gelegenheid van deze omgevingsplanwijziging. Het omgevingsplan hoeft niet reeds bij vaststelling volledige zekerheid te bieden over de uitvoeringsfase, maar moet waarborgen dat geen bouwactiviteiten kunnen plaatsvinden zonder dat aan de wettelijke eisen voor bodemkwaliteit is voldaan. Die borging is in dit geval expliciet geregeld via de onderzoeksplicht en beoordelingsregels bij vergunningverlening. Daarmee wordt voorkomen dat bodemingrepen plaatsvinden zonder voorafgaande beoordeling en, indien nodig, sanerende maatregelen Daarnaast doen indieners een aantal verzoeken: 1. De wijziging omgevingsplan niet vast te stellen voordat een integraal sanerings- en nazorgplan is opgesteld voor het hele baggerspeciedepot Loswal 74/Noord Nieuwlandse Polder Zuid met een aantal vereisten. De door indieners verzochte aanvullende verplichtingen zien primair op de uitvoeringsfase en de wijze waarop bodemingrepen feitelijk worden uitgevoerd en gecontroleerd. Deze aspecten worden reeds afdoende gereguleerd via de wettelijke meldings-, onderzoeks- en vergunningplichten zoals opgenomen in artikel 22.29 e.v.
van het omgevingsplan en de daarop van toepassing zijnde regelgeving. Het opnemen van aanvullende of verdergaande voorwaardelijke verplichtingen in het omgevingsplan is daarom niet noodzakelijk. 2. In de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend voordat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Gelet op het vereiste van artikel 22.29 en verder van het Omgevingsplan wordt dit niet noodzakelijk geacht. 3. Aanvullend onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de aanwezigheid van asbest in de bodem en de gevolgen van het geplande bouwprogramma voor de integriteit van de leeflaag en de verontreinigde havensliblaag, mede in relatie tot klimaatadaptatie en kabels/en leidingen Gelet op het vereiste van artikel 22.29 en verder van het Omgevingsplan wordt dit niet noodzakelijk geacht. 4. Het Omgevingsplan niet vast te stellen zolang niet volledig openheid is gegeven over de overtreding bij het ingraven van containers, de beoordeling daarvan door de gemeente, provincie en DCMR, de afhandeling van de lopende handhavingsverzoeken en de lopende Woo-verzoeken. Het omgevingsplan is een normstellend instrument voor toekomstig gebruik en toekomstige bouwactiviteiten.
Lopende handhavingszaken, toezichtsvraagstukken en Woo-procedures betreffen de toepassing en naleving van bestaande regelgeving en hebben geen invloed op de vraag of het planologische kader juridisch kan worden vastgesteld. 5. Een onafhankelijke beoordeling te laten uitvoeren van de naleving van bodemregels door de gemeente zelf, de borging van sanerings- en leeflaagverplichtingen, de uitvoeringspraktijk rondom grondwerk binnen het gebied. Deze zaken vallen onder de interne bedrijfsvoering van de gemeente en zien niet op de wijziging van het omgevingsplan. 6. In de planregels op te nemen dat bouwactiviteiten pas kunnen plaatsvinden wanneer aantoonbaar is gemaakt dat alle meldingsplichten zijn nagekomen, er geen verontreinigde laag wordt aangegraven zonder voorafgaand saneringsplan het toezicht door DCMR onafhankelijk en transparant is geregeld en eerdere sanerings- en nazorgverplichtingen volledig worden nageleefd. Gelet op het vereiste van artikel 22.29 en verder van het Omgevingsplan wordt dit niet noodzakelijk geacht.
50
7. Het omgevingsplan Station Maassluis-West niet vast te stellen voordat de lopende Wooverzoeken bij de DCMR zijn afgerond en de daaruit verkregen informatie expliciet is betrokken bij de besluitvorming. Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
Zoals eerder al is aangegeven is de zaak met betrekking tot de containers een afzonderlijke zaak en deze heeft niets te maken met het proces rondom de vaststelling van de wijziging van het Omgevingsplan. 8. alsnog te besluiten tot het opstellen van een milieueffectrapport (M.E.R.) voor het omgevingsplan Station Maassluis-West, nu sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject met potentiële aanzienlijke milieueffecten, terwijl essentiële milieu- en gezondheidsonderzoeken nog niet volledig zijn uitgevoerd en cumulatieve effecten onvoldoende zijn betrokken. De voorliggende omgevingsplanwijziging maakt weliswaar de realisatie van het stedelijk ontwikkelingsproject niet zonder meer bij recht mogelijk, aangezien er verschillende omgevingsvergunningplichten zijn opgenomen in de regels van het plan, maar die vergunningplichten relateren in het bijzonder aan de bouw van de woningen. Die vergunningplicht relateert slechts zeer beperkt aan de milieugevolgen die in het kader van een m.e.r.-beoordeling dienen te worden onderzocht. Van een groot pakket aan criteria en modaliteiten voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, is daarom geen sprake. Daarom is er wel sprake van een project-m.e.r.-(beoordelings)plicht.
In dit geval is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in Kolom 1, categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast is het (besluit tot wijziging van het) omgevingsplan een besluit genoemd in Kolom 4 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op grond van Kolom 3 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In dit geval is daarom een project-m.e.r.beoordeling uitgevoerd. Bovendien is dit een bevoegdheid van het college. 9. Subsidiair verzoek: hernieuwde m.e.r.-beoordeling Gelet op het gestelde onder 8 wordt niet verzoek niet ingewilligd. Conclusie De zienswijze richt zich in hoofdzaak op uitvoerings-, toezicht- en handhavingsaspecten. Deze aspecten worden in het geldende juridische stelsel niet op planniveau, maar bij vergunningverlening en toezicht geborgd. Het omgevingsplan bevat daarvoor de noodzakelijke en toereikende randvoorwaarden. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassingen van het omgevingsplan
Bijlage 5 – Akoestisch onderzoek en niet uitvoering overige onderzoeken A. Ontbreken van verplichte luchtkwaliteitsanalyse Samenvatting zienswijze Indieners stellen dat bij het ontwerp-omgevingsplan Station West geen luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd terwijl de ontwikkeling leidt tot extra verkeer, toevoeging van gevoelige functies (wonen, sportzaal) en cumulatieve milieueffecten. Volgens hen is daarmee niet voldaan aan de onderzoeksplicht en kan geen evenwichtige belangenafweging worden gemaakt. Beoordeling gemeente Deze zienswijze wordt niet gevolgd. In de toelichting bij het ontwerp-omgevingsplan is wél een luchtkwaliteitstoets opgenomen. In paragraaf 6.3 wordt het juridisch kader onder de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving uiteengezet en is beoordeeld of de ontwikkeling leidt tot een relevante verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij is vastgesteld dat de ontwikkeling, maximaal 400 woningen en een sportzaal, valt onder de categorie “niet in betekenende mate (NIBM)”, omdat zij ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen blijft die in het Bkl als standaardgeval is aangemerkt. Daarmee draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan verhoging van concentraties NO₂ en PM₁₀ en blijft de luchtkwaliteit binnen de geldende omgevingswaarden. 51 Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
Op grond hiervan is geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan en dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wel erkennen wij dat de onderbouwing in de toelichting verder kan worden verduidelijkt. In de definitieve motivering zal daarom aanvullend worden opgenomen: - een nadere toelichting op de toepassing van de NIBM-systematiek en de relatie met de (verwachte) verkeersgeneratie van het plan; - een expliciete onderbouwing dat, bezien in samenhang met andere milieuthema’s, de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is en binnen de wettelijke kaders blijft. Conclusie / gevolg Zienswijze ongegrond. Het plan voldoet aan de vereisten voor luchtkwaliteit. In de definitieve toelichting wordt de motivering aangevuld en verduidelijkt, maar inhoudelijke aanpassing van het plan is niet nodig. B. Akoestisch onderzoek Samenvatting zienswijze 1. Inleiding Indieners stellen dat het akoestisch onderzoek van 30 september 2025 niet voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid, volledigheid en representativiteit op grond van de Awb, het Bkl, het Bbl en het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast zou het onderzoek afwijken van openbare leefomgevingsdata (o.a. Atlas Leefomgeving), waaruit blijkt dat de omgeving al zwaar wordt belast. 2.
Gebrek aan representativiteit van het onderzoek Volgens indieners is gebruikgemaakt van onjuiste en verouderde bron- en locatiegegevens (o.a. wegdektype Uiverlaan en spoor/industrie), ontbreken analyses van reflectie en scherming en is geen rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen en trillingen. 3. Geen representatief bouwplan Omdat nog geen concreet bouwplan bestaat, zijn aannames gedaan over gevels, hoogten en balkons. Daardoor zou niet kunnen worden getoetst aan geluidsluwe gevels, buitenruimten en slaapkamerpositie, in strijd met artikel 5.78u Bkl. 4. Cumulatie en indirecte effecten onvoldoende beoordeeld Het onderzoek berekent cumulatie wel, maar weegt deze volgens indieners niet inhoudelijk af in termen van gezondheid, hinder en leefkwaliteit en betrekt geen WHOnormen en bestaande hoge geluidsbelasting. 5. Indirecte effecten sterk onderschat Indieners stellen dat significante toename van geluid bij bestaande woningen wordt erkend, maar onvoldoende is doorgerekend in relatie tot reflectie, toename bezoekersstromen en nieuwe functies. Ook zou de voorgestelde verkeersomleiding niet onderbouwd zijn. 6. Geen maatregelenonderzoek uitgevoerd Er zou ten onrechte zijn geconcludeerd dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of doelmatig zijn, zonder onderzoek naar alternatieven (asfalt, schermen, verkavelings- en verkeersvarianten), in strijd met artikel 5.78u Bkl.
7. Conclusie: onderzoek kan het plan niet dragen Indieners menen dat het onderzoek tekortschiet op representativiteit, volledigheid, cumulatie, maatregelenonderzoek en motivering, waardoor niet is aangetoond dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat. 52 Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
8. Verzoek Indieners verzoeken: - het ontwerpplan niet vast te stellen; - een nieuw, volledig en representatief akoestisch onderzoek uit te voeren (incl. actuele brondata, cumulatie, maatregelenonderzoek en koppeling met definitief ontwerp); - de resultaten opnieuw ter inzage te leggen. Beoordeling gemeente 1. Inleiding Inhoudelijk wordt in de volgende paragrafen ingegaan op de zienswijze. Omdat het aspect binnenwaarde alleen in deze algemene inleiding wordt genoemd en verder niet meer wordt dit aspect hier beoordeeld. Met de binnenwaarde wordt gedoeld op de karakteristieke geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen waarvoor de eisen zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving. In het akoestisch rapport zijn in paragraaf 2.5 de specifieke eisen aan de karakteristieke geluidwering van de gevels vastgelegd. Daarnaast zijn ook de specifieke eisen beschreven die de DCMR stelt aan de input van de berekening van deze geluidwering als industrielawaai of nestgeluid een belangrijke rol speelt. Verder is in de resultaten en de conclusie van het akoestisch rapport de gezamenlijke geluidsbelasting bepaald die bij het beoordelen van de karakteristieke geluidwering als input moet dienen.
Het daadwerkelijke onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen kan pas worden uitgevoerd als onder andere de woningindeling bekend is en de opbouw van de gevels (materialisatie). Dit onderzoek zal worden uitgevoerd bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van deze woningen. Uit het onderzoek blijkt een maximale gezamenlijke geluidsbelasting van 59 dB. Bij een gezamenlijke geluidsbelasting van 59 dB is bij een vereiste binnenwaarde van 33 dB een karakteristieke geluidwering nodig van 26 dB. Deze eis aan de karakteristieke geluidwering zijn niet zodanig bijzonder dat dit tot belemmeringen zou kunnen leiden. 2. Gebrek aan representativiteit van het onderzoek In het onderzoek is rekening gehouden met een asfaltverharding op de Uiverlaan, zie bijlage 1 de wegvakken 1a tot en met 1d. Er blijkt uit de zienswijze onvoldoende wat wordt bedoeld met ‘gebied dekkende analyse van reflectie en scherming, en een representatieve toetsing op specifieke geluidsgevoelige objecten’. Omdat is gerekend overeenkomstig het rekenvoorschrift zoals beschreven in bijlage IVe van de Omgevingsregeling waarin onder de manier waarop reflecties en afscherming moet worden meegenomen.
De geluidsbelasting is op specifieke nieuwe en bestaande woningen berekend waar een geluidsbelasting wordt verwacht die hoger is dan de standaardwaarde of waar significante effecten op de geluidsbelasting worden verwacht. De geluidsbelasting door de Hoeksche Lijn is beschouwd op basis van de gegevens die zijn opgenomen in de Centrale Voorziening GeluidGegevens. Deze gegeven móeten worden gebruikt om de geluidsbelasting voor het spoor juist te kunnen berekenen. Voor de gezoneerde industrieterreinen is, zoals terecht is gesteld, gerekend met vaste zonecontouren. Een geluidszone rond industrieterreinen waarbinnen zogenaamde grote lawaaimakers zijn gevestigd moet immers worden vastgesteld. Het beheer van de zonebewakingsmodellen is neergelegd bij de DCMR. Voor de uitvoering van dit onderzoek zijn de meest actuele zonebewakingsmodellen opgevraagd en is de geluidsbelasting voor het industrielawaai berekend.` In die rekenmodellen wordt voor de geluidsemissie uitgegaan van een maximaal planologische invulling. Ook wordt rekening gehouden met de continue bedrijven in het havengebied. Piekgeluiden zullen gezien de afstand van het plan tot het industrieterrein geen invloed hebben. Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
53
3. Geen representatief bouwplan Een volledig uitgewerkt bouwplan is niet voorhanden. Er is gerekend op de uiterste bouwgrenzen zodat de maximaal mogelijke geluidsbelastingen zijn berekend. Een echte toetsing aan de aanwezigheid van een geluidsluwe gevel is nog niet mogelijk. Wel is in het akoestisch onderzoek aandacht besteed op welke wijze met de berekening geluidsbelasting bij de verdere uitwerking van de bouwplannen aan de beleidregels kan worden voldaan. Hiervoor zijn ook geluidsregels in het Omgevingsplan opgenomen zodat ook is geborgd dat de woningen zullen voldoen aan het gemeentelijke geluidbeleid. 4. Cumulatie en indirecte effecten onvoldoende beoordeeld Nestgeluid is niet meegenomen in de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting. De geluidswaarden die in de Atlas leefomgeving zijn gepresenteerd, zijn niet berekend volgens het rekenvoorschrift uit de Omgevingsregeling en kunnen dus niet worden gebruikt voor de toetsing aan de standaardwaarde en de grenswaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast zijn de resultaten uit deze kaarten gebaseerd op de resultaten uit de Richtlijn omgevingslawaai. Op grond van deze richtlijn moeten geluidskaarten worden gemaakt van de huidige situatie. Deze kaarten worden om de vijf jaar geactualiseerd.
Omdat voor de gemeentewegen geen rekening wordt gehouden met een verkeersprognose kunnen deze resultaten ook niet worden gebruikt voor de beoordeling van de geluidssituatie van de nieuwe woningen . Ook is er gerekend op 1 vaste beoordelingshoogte van 4 m en wordt er dus geen rekening gehouden met hogere verdiepingen. En als laatste is in deze atlas de nieuwbouw in het plan Maassluis-West niet beschouwd en betreft de afgelezen waarde van 68 dB een geluidsbelasting die op de weg (Uiverlaan) is berekend. De geluidsbelasting op enige afstand van de weg, de plaats waar de nieuwbouw plaatsvindt is aanmerkelijk lager zoals het akoestisch onderzoek ook aangeeft. In de Interim-werkwijze nestgeluid Regio Rijnmond (Versie 28 augustus 2023) is in bijlage 5 het volgende beschreven. ‘Het resultaat moet worden opgenomen in het akoestisch rapport van het bouwplan of bestemmingsplan/omgevingsplan en worden betrokken bij de effectbepaling vanwege het nestgeluid en de aanvaardbaarheidsbeoordeling van het cumulatieve geluid’. Dit betekent dat in het akoestisch onderzoek het nestgeluid niet alleen moet worden meegenomen in het gezamenlijk geluid (maw de geluidwering) maar ook in de cumulatieve geluidbelasting. Het akoestisch onderzoek moet om deze reden worden aangevuld. 5.
Indirecte effecten sterk onderschat De indirecte akoestisch effecten voor wat betreft de toename van het verkeer en de extra reflectie door de nieuwbouw zijn gezamenlijk doorgerekend. Omdat langs het zuidelijk deel van de Uiverlaan sprake is van een toename van verkeer én een reflectiebijdrage is daar sprake van de grootste indirecte effecten. Langs andere wegdelen is sprake van een hogere verkeersintensiteit (zonder plan) zodat het effect van de verkeerstoename kleiner is. Omdat langs die andere (delen van) wegen ook geen nieuwbouw plaatsvindt is ook geen sprake van een reflectiebijdrage. 6. Geen maatregelenonderzoek uitgevoerd (verplichting art. 5.78u Bkl) In het onderzoek is aangegeven dat maatregelen voor industrielawaai niet mogelijk zijn vanwege de grote afstand tot dit industrieterrein en de veelheid aan geluidsbronnen op het industrieterrein waarvoor maatregelen moeten worden uitgevoerd om de geluidsbelasting significant te beperken. Daarnaast zijn vergunningen verleend waarin de geluidsemissie van deze bedrijven zijn vastgelegd. Het inperken van deze geluidsruimte voor de bouw van deze woningen ligt niet voor de hand. Voor weg- en railverkeerslawaai is kort beschreven dat door de relatief geringe overschrijding van de standaardwaarde en de verspreide ligging van de woningen waar de standaardwaarde wordt overschreden geen bron- en overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn.
54
Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen moet wel worden beoordeeld welke maatregelen noodzakelijk zijn om een aanvaardbaar akoestisch klimaat te realiseren. Dit betekent dat er eisen worden gesteld aan de aanwezigheid van een geluidsluwe gevel, buitenruimte en de indeling van de woning. Deze eisen kunnen er toe leiden dat (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk zijn. Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
7. Conclusie: akoestisch onderzoek kan het plan niet dragen De gemeente volgt de conclusie van indieners niet dat het akoestisch onderzoek het plan niet kan dragen en dat het ontwerp-omgevingsplan daardoor niet zou voldoen aan de vereisten van zorgvuldigheid, motivering en leefomgevingskwaliteit. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de geldende reken- en beoordelingsvoorschriften uit het Bkl en de Omgevingsregeling en vormt, in samenhang met de aanvullende borging bij vergunningverlening, een toereikende onderbouwing. Per genoemd kritiekpunt geldt het volgende. Binnenwaarde / karakteristieke geluidwering Het aspect binnenwaarde is in het akoestisch onderzoek expliciet betrokken. In paragraaf 2.5 zijn de eisen aan de karakteristieke geluidwering van de gevels vastgelegd, inclusief de aanvullende rekeninstructies van DCMR voor situaties met industrielawaai en nestgeluid. De gezamenlijke geluidsbelasting is bepaald en dient als input voor de latere bouwkundige uitwerking. Het onderzoek laat zien dat de maximale gezamenlijke belasting 59 dB bedraagt. Bij een vereiste binnenwaarde van 33 dB resulteert dit in een benodigde geluidwering van 26 dB. Dit betreft een regulier toepasbare waarde die in de uitvoeringsfase bouwkundig kan worden gerealiseerd.
De definitieve toets vindt – conform wet- en regelgeving – plaats bij de omgevingsvergunning voor het bouwen, wanneer indeling en gevelopbouw bekend zijn. Representativiteit en brongegevens Het onderzoek is gebaseerd op actuele en representatieve brondata: - voor de Uiverlaan is gerekend met asfaltverharding (wegvakken 1a–1d); - reflecties en afscherming zijn verwerkt conform bijlage IVe van de Omgevingsregeling; - berekeningen zijn uitgevoerd op specifieke bestaande en nieuwe woningen waar hogere belastingen worden verwacht. Voor spoorlawaai zijn de gegevens uit de Centrale Voorziening GeluidGegevens toegepast, hetgeen verplicht is voor een juiste berekening. Voor industrielawaai zijn de actuele zonebewakingsmodellen van DCMR gebruikt; deze gaan uit van een maximale planologische invulling en bevatten reeds een conservatieve benadering van continue en piekbronnen. Gezien de afstand tot het haven- en industriegebied is een aparte piekbeoordeling niet noodzakelijk. Concreet bouwplan Omdat nog geen definitief ontwerp beschikbaar is, is bewust gerekend op de uiterste bouwgrenzen. Daarmee zijn de maximaal mogelijke geluidsbelastingen bepaald; dit is een gangbare en prudente aanpak in de planfase. Een volledige toets op geluidsluwe gevels en woningindeling volgt bij de verdere uitwerking van bouwplannen.
In het omgevingsplan zijn hiervoor geluidsregels en beoordelingscriteria opgenomen, zodat wordt geborgd dat bij vergunningverlening wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Cumulatie en gebruik van Atlas-gegevens De Atlas Leefomgeving is geen instrument dat voldoet aan de reken- en beoordelingssystematiek van het Bkl (o.a. vaste hoogte, geen prognoses, geen bouwprogramma, wegbelasting op maaiveld). Deze waarden kunnen daarom niet worden gebruikt voor normtoetsing. Nestgeluid is nog niet meegenomen in de cumulatieve berekening. Conform de Interim-werkwijze nestgeluid Regio Rijnmond wordt het onderzoek op dit onderdeel aangevuld, zodat nestgeluid zowel bij de geluidwering als bij de cumulatieve afweging wordt betrokken. Indirecte effecten Indirecte effecten door verkeertoename en reflectie van nieuwbouw zijn gezamenlijk doorgerekend. De grootste toename doet zich voor langs het zuidelijke deel van de Uiverlaan, waar beide effecten samenkomen. Op overige wegdelen is de autonome intensiteit hoger en vindt geen reflectie door nieuwe bebouwing plaats, waardoor het effect geringer is. Maatregelenonderzoek 55 Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
Voor industrielawaai is onderbouwd dat bron- of overdrachtsmaatregelen geen realistisch of doelmatig instrument vormen, gelet op: - de grote afstand tot de bronnen, - de veelheid aan installaties, - en het feit dat emissieruimte is vastgelegd in verleende vergunningen. Voor weg- en railverkeer is toelichtend gemotiveerd dat de beperkte overschrijdingen en de verspreide ligging van de betrokken locaties maken dat generieke bron- of overdrachtsmaatregelen geen proportionele oplossing zijn. In de bouwfase worden wel maatregelen beoordeeld die nodig zijn voor een aanvaardbaar akoestisch binnen- en buitenklimaat (geluidsluwe gevel, buitenruimte, indeling en eventuele bouwkundige voorzieningen). Deze verplichting is daarmee functioneel geborgd. 8. Verzoek Het verzoek van de indiener om het ontwerp-omgevingsplan niet vast te stellen en eerst een geheel nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren en opnieuw ter inzage te leggen, wordt niet gevolgd. Het huidige onderzoek is uitgevoerd conform de geldende reken- en beoordelingsvoorschriften en biedt, in samenhang met de aanvullende borging bij vergunningverlening, een toereikende planologische onderbouwing. De door de indiener gevraagde aanvullende onderdelen zijn in belangrijke mate reeds onderzocht of worden, het daarvoor geëigende moment, namelijk bij de verdere planuitwerking en vergunningverlening, betrokken.
Meer specifiek geldt het volgende. Geen noodzaak voor een nieuw onderzoek Er is geen sprake van een onvolledig of ondeugdelijk onderzoek dat het uitvoeren van een geheel nieuw akoestisch onderzoek rechtvaardigt. De berekeningen zijn gebaseerd op actuele brongegevens, de maximaal mogelijke bouwmassa (uiterste bouwgrenzen) en de voorgeschreven rekenmethodiek. Daarmee zijn de hoogst mogelijke geluidsbelastingen planmatig in beeld gebracht. Actualisatie en aanvulling waar dat nodig is Het onderdeel nestgeluid in de cumulatieve beoordeling wordt, conform de regionale werkwijze, nog aangevuld. Deze aanvulling kan binnen het bestaande onderzoeksraamwerk worden uitgevoerd en leidt niet tot een andere planopzet. De resultaten worden in de toelichting verwerkt. Andere door de indiener genoemde elementen (zoals toetsing aan gemeentelijk beleid, maatregelenafweging en de relatie met indirecte effecten) zijn reeds in het onderzoek en de planregeling betrokken. Eventuele verdere detaillering vindt plaats bij concrete bouwplannen. Verhouding tot verkeers- en ruimtelijke uitwerking Verkeersmodellen, bouwkundige maatregelen en de definitieve gevel- en plattegrondindelingen kunnen niet in de planfase volledig worden vastgesteld. Deze aspecten worden terecht beoordeeld bij de omgevingsvergunning voor het bouwen, wanneer ontwerp, situering en materialisatie bekend zijn.
In het omgevingsplan zijn hiervoor regels opgenomen. Geen hernieuwende terinzagelegging noodzakelijk Omdat geen sprake is van een wezenlijke wijziging van de planregeling of van de onderliggende uitgangspunten, bestaat geen aanleiding voor een nieuwe terinzagelegging. De aanvulling op het onderdeel nestgeluid betreft enkel een verduidelijking van de motivering. Conclusie Het verzoek van de indiener om het ontwerp-omgevingsplan niet vast te stellen, een volledig nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren en de resultaten opnieuw ter inzage te leggen, wordt niet overgenomen. Het huidige onderzoek vormt, met de aangekondigde aanvulling op het punt van nestgeluid een voldoende en zorgvuldig fundament voor besluitvorming. 56 Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
C. Ontbrekende verkeerskundige onderbouwing Samenvatting zienswijze De zienswijze stelt dat het ontwerp-omgevingsplan geen integrale verkeerskundige analyse bevat en daarmee niet voldoet aan de eisen van zorgvuldige voorbereiding en motivering. Beoordeling gemeente 1. Integrale mobiliteits- en verkeersonderbouwing is wél uitgevoerd In de motivering bij het omgevingsplan is het thema mobiliteit uitgewerkt in paragraaf 6.14. Hierin zijn, op basis van de verkeerskundige uitgangspunten van CROW en actuele telgegevens, de volgende onderdelen beschouwd: - verkeersstructuur en ontsluiting van het gebied - verkeersgeneratie van de verschillende deelprogramma’s - de afwikkeling op de Uiverlaan en omliggende wegen - samenloop met bestaande functies, waaronder Koningshoek De berekeningen zijn gebaseerd op actuele verkeersintensiteiten, afkomstig uit de pneumatische tellingen uit 2025 en nadere analyses in de parkeer- en mobiliteitsbijlagen. Daarmee is – anders dan in de zienswijze wordt gesteld – wel degelijk sprake van een gebiedsspecifieke en geactualiseerde verkeerskundige onderbouwing. Daarnaast wordt in de motivering expliciet geconcludeerd dat de ontwikkeling past binnen de bestaande infrastructuur en verkeersstructuur, en dat geen sprake is van knelpunten die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. 2.
Verkeersgeneratie en cumulatie zijn meegenomen De te verwachten verkeersaantrekkende werking van: - de woningontwikkeling, - het winkelcentrum Koningshoek, en - de sporthal, is cumulatief beschouwd in de mobiliteitsparagraaf en onderliggende tellingen en kentallen. De verkeersgeneratie is berekend volgens CROW-kencijfers, waarbij voor stedelijke ligging en bereikbaarheidsprofiel conservatieve aannames zijn gehanteerd. Uit deze analyse volgt dat de verkeersintensiteiten op de Uiverlaan en de kruispunten binnen de bandbreedte van een aanvaardbare capaciteit blijven. De zienswijze ziet daarmee voorbij aan het feit dat de cumulatieve effecten al in samenhang zijn onderzocht. 3. Rol Uiverlaan en kruispunten De Uiverlaan functioneert als gebiedsontsluitingsweg en is ontworpen met bijbehorende capaciteit en profiel. Op basis van de telgegevens en prognoses is vastgesteld dat: - de toename van verkeer marginaal is ten opzichte van de huidige etmaalintensiteiten; - de groei geleidelijk en niet piekgedreven is; -
de verkeersafwikkeling niet leidt tot een onveilige of structureel overbelaste situatie.
Gezien de beperkte verkeersaantrekkende werking van de woningbouw in relatie tot de bestaande gebiedsfunctie, is een afzonderlijke kruispunt- of wachtrijlengtestudie niet noodzakelijk gebleken voor de planvaststelling. Eventuele nadere detaillering vindt plaats bij concrete bouwplannen en verkeersontwerp. 4. Sporthal en piekperioden De sporthal kent piekbelasting in avonden en weekenden, maar deze ligt: - gespreid over de week, Gemeente Maassluis - RapportDatum - RapportTitel
57
-
grotendeels buiten de reguliere spitsperioden, en binnen de reeds aanwezige verkeers- en parkeerfunctie van het gebied.
De effecten hiervan zijn binnen de bandbreedte van de verkeersprognoses en leiden niet tot een onaanvaardbare verkeersdruk of bereikbaarheidsrisico’s. 5. Bouwfase De beoordeling van bouwlogistiek en tijdelijke verkeersmaatregelen is geen onderdeel van de planregelgeving, maar wordt conform de Omgevingswet beoordeeld en gereguleerd in de vergunningfase (uitvoerings- en veiligheidsplan). Daarmee is geborgd dat de bouwfase beheersbaar en veilig wordt ingericht. Conclusie De zienswijzen geeft aanleiding tot aanpassingen van het omgevingsplan.
58 Gemeente Maassluis – 06-01-2026 – Nota van beantwoording
Afsluitende conclusie
Op basis van de behandeling van alle ingediende zienswijzen, zoals vastgelegd in deze nota, stelt de gemeenteraad vast dat het omgevingsplan Station West zorgvuldig is voorbereid en berust op een integrale en evenwichtige belangenafweging als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De zienswijzen hebben in overwegende mate geen aanleiding gegeven tot inhoudelijke wijziging van de planregeling. De gemeenteraad constateert dat: • het planologisch kader juridisch correct en voldoende begrensd is vastgelegd; • de toegekende ontwikkelruimte locatiespecifiek en inzichtelijk is gemotiveerd; • de uitvoerbaarheid van het plan afdoende is onderbouwd; en • de relevante milieuthema’s, waaronder geluid, luchtkwaliteit, verkeer, parkeren, bodem en de m.e.r.-(beoordelings)plicht, op het daartoe geëigende schaalniveau zijn beoordeeld en juridisch zijn geborgd. Naar aanleiding van een aantal zienswijzen is wel aanleiding gezien om de motivering en toelichting op diverse onderdelen te verduidelijken en aan te vullen. Deze aanvullingen zijn verwerkt in de definitieve motivering en toelichting bij het omgevingsplan.