CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 MRDH Ontwerpbegroting MRDH 2022 (1)

gemeenteraad 18 mei 2021, gemeente MaassluisBij agendapunt: Raadsvoorstel tot instemmen met ontwerpbegroting MRDH 202232.073 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In oktober 2020 is in de bestuurscommissie Vervoersautoriteit besloten om € 21 miljoen te reserveren voor de Metropolitane fietsroutes Westland-Rotterdam in de periode 2021-2024. De hogere bestedingen in de eerste jaren van de begrotingsperiode komen voort uit de realisatie van reeds verleende subsidies. Verkeersveiligheid De relatief hogere begrotingen tot en met 2022 worden veroorzaakt door de nog lopende subsidieverleningen. OV netwerk In de jaren 2021-2026 staat de realisatie van infrastructurele aanpassingen voor het programma instroom nieuwe trams Haagse regio (INTHR) gepland voor € 130 miljoen met een piek in de investeringen in de jaren 2021 tot en met 2023. Daarnaast wordt in de begin jaren van de begrotingsperiode geïnvesteerd in de afronding van de projecten de Hoekse Lijn, tramlijn 19 en Systeemsprong sneltram. Apparaatslasten Dit betreft de directe salariskosten van de formatie die werkt voor dit programma, met uitzondering van de overhead functies. De lichte daling ten opzichte van de begroting 2021 heeft te maken met een lichte afname in de verwachte cao stijging. In hoofdstuk 4.2 Overhead worden de totale apparaatslasten toegelicht. Overige inkomsten In 2020 wordt de laatste rijksbijdrage voor de Rotterdamsebaan gerealiseerd. Tevens leveren de gemeente Delft en de provincie Zuid-Holland in 2020 nog een bijdrage aan de realisatie van de Sint Sebastiaansbrug.

In 2021 ontvangt de MRDH een bijdrage van het Rijk voor specifieke verkeersveiligheidsmaatregelen (€ 5,4 miljoen). Daarnaast ontvangt de MRDH in 2021 van HTM € 4,2 miljoen voor Lijn 1 Scheveningseweg.

27

2.3 Programma Economisch Vestigingsklimaat De begroting voor het programma Economisch Vestigingsklimaat is opgezet langs de doelstellingen voor het vernieuwen van de economie uit de Strategische Agenda. De doelen geven invulling aan de vragen Wat willen we bereiken? Per doelstelling staat beschreven Wat gaan we daarvoor doen? Vanuit het programma Economisch Vestigingsklimaat wordt gewerkt aan de volgende zeven doelstellingen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Stimuleren van innovatie en economische groei Verbeteren aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Goede digitale connectiviteit Ruimte om te werken Stimuleren van het groengebruik en recreatie als vestigingsfactor Samen voortvarend werken aan de bereikbaarheid van woon- en werklocaties Meer regionale samenwerking bij de energietransitie

InnovationQuarter (IQ) is als regionale ontwikkelingsmaatschappij in Zuid-Holland een belangrijke partner in het realiseren van de doelstellingen van de MRDH met betrekking tot versterking van het economisch vestigingsklimaat. Daarom worden er jaarlijks afspraken gemaakt tussen IQ en de MRDH over de inzet die IQ als regionale ontwikkelingsmaatschappij levert om de economie te versterken door innovatie te stimuleren en de verbinding met het bedrijfsleven te bekrachtigen. Dit wordt gedaan in samenwerking met de Rijksoverheid, provincie Zuid-Holland, gemeenten, kennisinstellingen, bedrijven en de MRDH. Ondernemers zijn daarbij de belangrijkste doelgroep. Zij investeren en creëren de banen die de economie verder helpen. De Economic Board Zuid-Holland (EBZ) brengt bedrijven, economische clusters, kennisinstellingen, beroepsonderwijs, lokale- en regionale overheden samen en bundelt zo kennis, netwerken en bestuurskracht. De gezamenlijke ambitie is economische groei en werkgelegenheid in Zuid-Holland aan te jagen. De EBZ focust daarbij op initiatieven binnen de speerpunten Haven in transitie, Feeding & greening megacities, Life Sciences & Health, Cybersecurity en Smart industry. Leden van de EBZ zijn CEO’s van beeldbepalende bedrijven uit de regio, voorzitters van de raden van bestuur van de belangrijkste kennis- en onderwijsinstellingen en bestuurders van gemeenten en provincie.

De MRDH is publieke partner in de EBZ. Het secretariaat van de EBZ is belegd bij IQ, zo zorgen we ervoor dat ontwikkelingen in de regio integraal plaatsvinden. Hierna volgt de uitwerking van deze zeven doelstellingen.

2.3.1 Wat willen we bereiken en wat gaan we daarvoor doen? 2.3.1.1 Doelstelling: Stimuleren van innovatie en economische groei Fieldlabs, innovatieprogramma’s en onderzoek De afgelopen jaren heeft de MRDH, samen met de provincie Zuid-Holland, InnovationQuarter en TNO geïnvesteerd in innovatie door te investeren in fieldlabs, programma’s en specifiek onderzoek. Hierdoor zijn er veel innovatieplekken ontstaan door de hele provincie waar bedrijven, kennisinstellingen en andere organisaties samenwerken om technologische innovaties verder te brengen. In deze praktijkomgevingen wordt bijvoorbeeld gewerkt aan robotisering,

28

sensortechnologie, big data en 3D printing. Aan de hand van maatschappelijke en economische opgaven zijn vier innovatieprogramma’s ontwikkeld waarbij ondernemers worden gestimuleerd gebruik te maken van de mogelijkheden die de fieldlabs te bieden hebben. Het eerste programma SMITZH richt zich op de maakindustrie. Het tweede programma Energie & Klimaat richt zich op de verduurzamingsopgave. Het derde programma Zorgtechnologie richt zich op innovaties die de zorg gaan ontlasten en het vierde programma AgriTech richt zich op de toepassing en doorontwikkeling van technologische innovaties van binnen en buiten de tuinbouw sector en een onderzoek naar de economische potentie van de eiwittransitie (overgang naar plantaardige eiwitten) voor Zuid-Holland. Ondersteuning voor startende en groeiende bedrijven Het is van belang dat startende bedrijven én bedrijven die willen doorgroeien optimale ondersteuning krijgen. Dat kan door het koppelen van vraag en aanbod, waarbij gemeenten als (mede)opdrachtgever optreden, testlocaties aanbieden en kunnen optreden als eerste klant. Wat gaan we daarvoor doen in 2022? • Uitvoering en opschaling van de regionale innovatieprogramma’s om meer bedrijven te betrekken bij de kennis en faciliteiten die fieldlabs en innovatieve consortia van bedrijven en kennisinstellingen te bieden hebben.

• Verbinden van maatschappelijke vraagstukken van gemeenten aan de oplossingen die startende bedrijven ontwikkelen en het versterken van de kennis bij en het netwerk tussen gemeenten. Het gaat dan om kennis over de mogelijkheden van technologie voor gemeentelijke problemen, kennis over de wijze waarop innovatief werken onderdeel kan worden van de gemeentelijke bedrijfsvoering en de mogelijkheden om innovatie daadwerkelijk in te kopen. • Verder doorontwikkelen van de aanpak om gemeenten te ondersteunen bij het realiseren van een toekomstbestendig en digitaal breed MKB.

2.3.1.2 Doelstelling: Verbeteren aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Interactie tussen het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen zorgt voor eigentijdse onderwijsprogramma’s met toekomst en daarmee voor een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. De plek waar deze kruisbestuiving plaatsvindt is een campus. Samenwerking op deze campussen tussen bedrijven en kennisinstellingen wordt gestimuleerd om de impact van deze campussen te vergroten. Dit vindt plaats binnen de aanpak van het Human Capital Akkoord Zuid-Holland. Wat gaan we daarvoor doen in 2022? • Versterken van een MBO-HBO campusecosysteem met als doel een goede aansluiting tussen onderwijs, arbeidsmarkt en omgeving te realiseren, een intensieve samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven te stimuleren en een leven lang ontwikkelen (LLO) aan te jagen; • Economisch rendement van campussen versterken door kennisdeling op het gebied van governance, innovatie, productontwikkeling, verdienmodellen, internationalisering, subsidie en bereikbaarheid te stimuleren en meer centraal te stellen in de aanpak; • Bekendheid vergroten van het campusecosysteem, zodat bedrijven campussen regionaal actiever opzoeken en participeren in innovatie, onderwijsvernieuwing en LLO.

29

2.3.1.3 Doelstelling: Goede digitale connectiviteit Goede digitale connectiviteit is een belangrijke economische vestigingsvoorwaarde. Onze regio scoort hier tot nu toe goed op in vergelijking met andere Europese regio’s: 98% van de adressen in Zuid-Holland beschikt over ‘snel internet’. Deze positie willen we behouden en verbeteren. Daarom werken we aan de digitale bereikbaarheid van onze regio. Wat gaan we daarvoor doen in 2022? • Onderhouden van het kennisnetwerk en bieden van ondersteuning aan gemeenten die werken aan de digitale connectiviteit in de metropoolregio. Dit doen we door de kennis van de twee grote steden te delen met de andere 21 gemeenten en ze te helpen om deze kennis in te zetten, bijvoorbeeld voor het harmoniseren van de gemeentelijke regelgeving en het gemeentelijke beleid, zodat tempo gemaakt kan worden bij de aanleg van communicatienetwerken zoals glasvezel en 5G. Binnen het kennisnetwerk zorgen we ervoor dat bij de uitrol van 5G de zorgen die er in de samenleving zijn aandacht krijgen. • Verbinden van experimenteerlocaties digitalisering en 5G, zoals het Delft on Internet of Things fieldlab, het Living Lab Scheveningen en het Living Lab Sensible Sensor Reyeroord. Hier bieden we ruimte voor bedrijven om te innoveren rond diverse maatschappelijke vragen.

Digitalisering verbinden we met andere campussen rond innovatie in industrie, de zorg en agrologistiek. Tenslotte zorgen we ook dat resultaten uit deze projecten regionaal toegepast kunnen worden.

2.3.1.4. Doelstelling: Ruimte om te werken Ondernemers willen de beste plek voor hun onderneming. Hoe kunnen we hen dan winnen voor de metropoolregio? Aan welke ruimte is behoefte? Aan de hand van dit soort vragen brengt de MRDH advies uit aan gemeenten over ontwikkelingen op bedrijventerreinen, kantorenlocaties en winkelgebieden. Waar mogelijk biedt de MRDH ondersteuning bij ontwikkelplannen van gemeenten. De provincie Zuid-Holland heeft de uiteindelijke bevoegdheid om bestemmingsplannen met ontwikkeling van nieuwe en bestaande werklocaties te aanvaarden. Samen met de provincie Zuid-Holland werken we vervolgens aan het realiseren van gebieden waar wonen en werken gecombineerd zijn. De vraag hiernaar wordt steeds groter. We richten ons hierbij op zowel grootstedelijke locaties, als op meer landelijke locaties in de metropoolregio. De focus ligt op de werklocaties met grote regionale impact. Wat gaan we daarvoor doen in 2022? • Uitvoering van regionale Strategie Werklocaties: we zorgen voor regionale afstemming, bijvoorbeeld op het gebied van Hogere Milieu Categorie (HMC) en watergebonden terreinen, gebiedsvisies en transformatieopgaven. • We werken gebiedsgericht aan werklocaties van regionaal belang, onder meer door procesadvisering en het verlenen van projectbijdragen.

• We werken verder aan de aanpak voor Next Economy bedrijventerreinen, waarbij langs een aantal inhoudelijke aandachtsgebieden (mobiliteit/CO2, energie, circulariteit, informatie, personeel, financieringsvraagstukken) externe expertise en projectbijdragen beschikbaar

30

worden gesteld voor kleinere en grotere opgaven. Het aandachtsveld Energie is daarbij de praktische uitwerking van de Regionale Energie Strategie op bedrijventerreinen.

2.3.1.5 Doelstelling: Stimuleren van het groengebruik en recreatie als vestigingsfactor Onze regio heeft veel te bieden: mooie en grote binnensteden, talloze historische dorps- en stadskernen, afwisselende polderlandschappen en kilometers duin, strand en zee. De kunst is om meer bezoekers daarvan te laten genieten en tegelijkertijd de rust en ruimte te behouden. Bereikbaarheid is belangrijk, net als bekendheid van de gebieden. Vrijetijdseconomie draagt bij aan de economische positie van de metropoolregio door onder andere een toegevoegde waarde te leveren aan de werkgelegenheid, aan het imago van de gemeenten met hun iconen en bijzondere plekken, aan voorzieningen als wandel- en fietspaden, aan winkels en aan horeca. In de Metropoolregio Rotterdam Den Haag trekken de gemeenten samen op en delen kennis op het gebied van vrijetijdseconomie. Op basis van de sfeergebiedeninventarisatie die in 2020 en 2021 heeft plaatsgevonden ondersteunt de MRDH de gemeenten bij hun activiteiten. Wat gaan we daarvoor doen in 2022? • Ondersteunen van gemeenten die werken aan de kansen en mogelijkheden in onze regio op het gebied van vrijetijdseconomie. • Opnemen van groene en blauwe kwaliteit in de integrale ontwikkelplannen voor verstedelijking. • Zorgen voor verbinding / informatiedeling tussen het regionale netwerk Vrijetijdseconomie en de Bestuurlijke Tafel Groen Blauwe Leefomgeving.

• Faciliteren en ondersteunen van het regionale netwerk Vrijetijdseconomie.

2.3.1.6 Doelstelling: Samen voortvarend werken aan de bereikbaarheid van woon- en werklocaties We willen bijdragen aan de gebalanceerde ontwikkeling van woon-en werklocaties nabij het OV. Waar dit mogelijk is binnen bebouwde gebieden nabij bestaande infrastructuur, wil de MRDH graag ondersteunen bij de uitwerking en realisatie van deze plannen vanuit onze verantwoordelijkheid voor bereikbaarheid, knooppuntontwikkeling en werklocaties. Wat gaan we daarvoor doen in 2022? • Ondersteuning bieden bij het maken van een samenhangende aanpak en planning voor wonen, werken, bereikbaarheid en duurzaamheid per locatie van de Verstedelijkingsalliantie. We zoeken hier samen met partners naar mogelijkheden voor het bespoedigen van de voortgang van zowel de planvorming als de realisatie. • Gemeenten die vergelijkbare locaties (mogelijkheid tot verdichting in bestaand stedelijk gebied, nabij bestaande infrastructuur) hebben, dezelfde ondersteuning bieden als aan de hiervoor genoemde locaties. Denk daarbij aan locaties langs de Hoekse Lijn, Barendrecht, station Lansingerland-Zoetermeer, Nissewaard en Capelle aan den IJssel. In deze integrale plannen dient groene en blauwe kwaliteit opgenomen te worden (zie de doelstelling ‘Stimuleren van het groengebruik en recreatie als vestigingsfactor’).

31

2.3.1.7 Doelstelling: Meer regionale samenwerking bij de energietransitie Met de juiste kennis en ervaring is een versnelling van de energietransitie mogelijk. Kennisdeling is dan ook een belangrijke succesfactor. Dit geldt bijvoorbeeld voor het delen van kennis over verduurzaming van kantoren- en bedrijventerreinen. Of over energiezuinige mobiliteitsoplossingen voor een wagenpark. Het energienetwerk van de 23 gemeenten is het ideale platform om kennis te delen en inspiratie op te doen, maar ook om afstemming te organiseren over de Regionale Energie Strategie. Wat gaan we daarvoor doen in 2022? • Bieden van ondersteuning aan het netwerk van gemeenten dat werkt aan de energietransitie.

2.3.2 Wat gaat het kosten? Programma 3: Economisch vestigingsklimaat (euro's) Lasten: Subtotaal programmakosten Subsidie InnovationQuarter Subsidie YES!Delft Subtotaal directe kosten personeel

Voorlopige jaarrekening 2020

Raming 2021

Begroting 2022

Begroting 2023

Begroting 2024

Begroting 2025

2.755.131 873.192 166.250 890.627

4.089.661 0 285.000 975.886

4.299.539 0 118.750 967.426

4.299.539 0 0 967.426

4.299.539 0 0 967.426

4.299.539 0 0 967.426

Totaal lasten

4.685.200

5.350.547

5.385.715

5.266.965

5.266.965

5.266.965

Baten: Inwonerbijdrage Bijdragen gemeenten Bijdragen EU

5.103.129 37.594 6.156

5.028.047 37.500 0

5.229.465 37.500 0

5.229.465 37.500 0

5.229.465 37.500 0

5.229.465 37.500 0

Totaal baten

5.146.879

5.065.547

5.266.965

5.266.965

5.266.965

5.266.965

Saldo van baten en lasten

461.679

-285.000

-118.750

0

0

0

Onttrekking aan Egalisatiereserve EV Toevoeging aan Egalisatiereserve EV*

119.926 581.605

285.000

118.750

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Resultaat

* Inclusief voorstel resultaatbestemming

Toelichting financiën De begroting 2022 bestaat voor € 4.299.539 uit programmakosten en voor € 967.426 uit directe kosten personeel. Daarnaast is de jaarschijf 2022 van de begrotingspostsubsidie aan YES!Delft opgenomen Het algemeen bestuur stelt de begroting op deze subtotalen vast. De bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat voert binnen deze kaders de begroting uit en verantwoordt zich hierover. Programmakosten De programmakosten van € 4.299.539 bestaan uit de volgende onderdelen: • cofinanciering beschikbaar stellen aan gemeenten voor projecten die tot doel hebben bij te dragen aan de versterking van het economisch vestigingsklimaat. Op grond van de Bijdrageregeling versterking economisch vestigingsklimaat MRDH, en binnen de door het

32

algemeen bestuur vastgestelde begroting, heeft de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat deze bevoegdheid. Tevens worden uit dit budget de samenwerkingsafspraken met InnovationQuarter bekostigd; • projectontwikkeling voor het realiseren van de programmadoelstellingen. • programma-overstijgende opgaven, waaronder: o regioverkenning: jaarlijkse actualisering van een regionale dataset op het gebied van economie en verkeer en vervoer; o ondersteuning bieden bij het maken van een samenhangende aanpak en planning voor wonen, werken, bereikbaarheid en duurzaamheid. Deze programma-overstijgende ondersteuning komt – in lijn met de door te belasten apparaatslasten – voor 20% ten laste van de inwonerbijdrage EV en voor 80% ten laste van de BDU middelen. Subsidie YES!Delft Het algemeen bestuur heeft op 10 juli 2020 een meerjarige begrotingspost subsidie aan YES!Delft verleend voor de periode juni 2020 tot juni 2022 van € 570.000. Het programma is een innovatieplatform voor alle 23 gemeenten in de metropoolregio Rotterdam Den Haag. Gemeenten kunnen met alle uitdagingen waarbij innovatie en technologie een rol spelen, gebruik maken van de onderdelen in dit programma. Opbrengsten voor de gemeenten van dit programma zijn (schaalbare) oplossingen die voor gemeenten besparingen opleveren of verbetering van de leefomgeving van de inwoners.

Daarnaast draagt het programma bij aan het versterken van het startup-netwerk binnen de gemeenten en groeit kennis/netwerk over de wijze waarop gemeenten startups beter kunnen bedienen. De subsidie loopt nog 5 maanden in 2022, daarom wordt 5/24 deel ter begroting gebracht. Directe kosten personeel Dit betreft de directe salariskosten van de formatie die werkt voor het programma Economisch Vestigingsklimaat, met uitzondering van de overhead functies. De lichte daling ten opzichte van de begroting 2021 heeft te maken met een lichte afname in de verwachte cao stijging. In hoofdstuk 4.2 Overhead worden de totale apparaatslasten toegelicht. Inwonerbijdrage De inwonerbijdrage stijgt ten opzichte van de Begroting 2021 met € 0,05 (Kadernota MRDH begroting 2022) naar € 2,77 per inwoner. Voor 2022 is dat een totaalbedrag van € 6.648.448. Van die € 2,77 per inwoner wordt maximaal € 1,17 ingezet voor de dekking van de apparaatslasten. De resterende € 1,60 wordt ingezet voor de bekostiging van de programmaopgaven en de gemeentelijke projecten ter versterking van het economisch vestigingsklimaat. Van de totale inwonerbijdrage van € 6.648.448, wordt € 1.418.983 ingezet voor overhead (zie hoofdstuk 4.2).

Binnen het programma Economisch Vestigingsklimaat wordt de resterende inwonerbijdrage van € 5.229.465 verantwoord ter dekking van de directe kosten van het personeel en het programmabudget, voor zover niet gedekt door aanvullende bijdragen. Overige inkomensoverdrachten gemeenten Dit betreft het gemeentelijke aandeel in de licentieovereenkomst met Locatus. De MRDH heeft een licentieovereenkomst met Locatus voor het gebruiksrecht van databestanden. Verschillende

33

gemeenten maken gebruik van deze licentieovereenkomst en worden voor hun aandeel doorbelast door de MRDH. Dit gemeentelijke aandeel wordt als budget toegevoegd aan de begroting. Onttrekking aan Egalisatiereserve EV De begrotingspost subsidie aan YES!Delft komt voor de jaarschijven 2021 en 2022 ten laste van de Egalisatiereserve Economisch Vestigingsklimaat. Zie verder de eerdere toelichting onder het kopje Subsidie YES!Delft.

34

Hoofdstuk 3 Algemene dekkingsmiddelen, overhead en vennootschapsbelasting 3.1 Algemene dekkingsmiddelen De MRDH begroting kent de volgende algemene dekkingsmiddelen: 1. Brede Doeluitkering verkeer en vervoer (BDU) 2. Inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat 3. Financiering Brede Doeluitkering Voor de bekostiging van haar regionaal verkeer- en vervoerbeleid (wettelijke taak) ontvangt de Metropoolregio Rotterdam Den Haag jaarlijks via het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een conform de Uitvoeringsregeling BDU verkeer en vervoer vastgesteld deel van de zogenaamde Brede Doeluitkering verkeer en vervoer. In onderstaande tabel zijn de geraamde te ontvangen jaarbedragen binnen de kaders van deze begroting opgenomen op prijspeil 2021: 2020 524.516.277

2021 534.651.918

2022 533.531.530

2023 542.124.902

2024 546.330.975

2025 525.264.648

Inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat Het programma Economisch Vestigingsklimaat en de daaraan toe te rekenen overhead wordt bekostigd uit een door de deelnemende gemeenten te betalen jaarlijkse bijdrage per inwoner op basis van het door het CBS vastgestelde inwonertal per gemeente op 1 januari van het voorgaande begrotingsjaar. Per inwoner bedraagt deze bijdrage in 2022 € 2,77. Daarvan mag maximaal € 1,17 worden besteed aan de bekostiging van apparaatslasten (Kadernota MRDH begroting 2022). De totale bijdrage voor 2022 is geraamd op € 6.648.448. In hoofdstuk 7 is een specificatie per gemeente opgenomen.

Financiering De opbrengsten van de financieringsfunctie worden uitsluitend bepaald door de financiering ten behoeve van de OV-bedrijven, aan wie de MRDH één of meerdere concessies heeft verleend. De ontvangen rente wordt uitsluitend aangewend voor de bekostiging van de rente die de MRDH in dit kader moet betalen aan externe financiers. Daarnaast wordt aan deze OV-bedrijven een marktconformiteitsopslag in rekening gebracht, die in eerste instantie wordt aangewend voor de vorming van een risicoreserve financieringen en daarna uitsluitend beschikbaar is voor de bekostiging van de programma’s verkeer en openbaar vervoer. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de hoofdstukken 4.1 (Financiering) en 4.3 (Weerstandsvermogen en risico’s).

35

3.2 Overhead De overhead dient, conform het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV), apart te worden weergegeven van de programma’s. Het doel van de aparte weergave is om de overhead inzichtelijker te maken en organisaties onderling beter te kunnen vergelijken op hun uitgaven hieraan. In de programma’s wordt alleen dat deel van de apparaatslasten opgenomen dat betrekking heeft op het primaire proces. De definitie van overhead volgens het BBV luidt “alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces”. Het betreft hier zowel de personele- als de materiële kosten. Volgens de Notitie Overhead van de commissie BBV bestaat overhead in ieder geval uit de volgende functies: 1. Hiërarchisch leidinggevenden; 2. Financiën, toezicht en controle gericht op de eigen organisatie; 3. P&O / HRM; 4. Inkoop; 5. Interne en externe communicatie (niet: projectcommunicatie en medewerkers die bij een projectbureau werken); 6. Juridische zaken; 7. Bestuurszaken en bestuursondersteuning; 8. Informatievoorziening en automatisering; 9. Facilitaire zaken en Huisvesting; 10. DIV; 11. Managementondersteuning.

Voor de MRDH betekent dit dat de volgende salarislasten als overhead worden geclassificeerd: • Alle functies, ook management en secretarieel, binnen de bureaus Financiën & Control, Strategie & Bestuur en Interne Dienstverlening; • Overig management: secretaris-algemeen directeur, manager Economisch Vestigingsklimaat, manager Openbaar Vervoer en manager Verkeer; • Overig secretarieel: secretariaat Economisch Vestigingsklimaat, secretariaat afdeling Verkeer en secretariaat afdeling Openbaar Vervoer. Zie voor een toelichting op de organisatie van de MRDH hoofdstuk 4.5 paragraaf bedrijfsvoering. Daarnaast worden de materiële bedrijfsvoeringsbudgetten ook tot de overhead gerekend. Het niet toerekenen van de overhead aan de programma’s betekent niet dat de financiële dekking verandert. Het betreft alleen een andere manier van presenteren. De overhead wordt nog steeds betaald uit de rijksmiddelen BDU en de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat. De salariskosten van alle medewerkers - dus inclusief management en secretariaat - van de afdelingen Verkeer en Openbaar Vervoer worden bijvoorbeeld ten laste gebracht van de rijksmiddelen BDU. De salariskosten - dus inclusief management en secretariaat - van alle medewerkers van de afdeling Economisch Vestigingsklimaat komen ten laste van de inwonerbijdrage EV.

Net als in de Begroting 2021 wordt het relatieve formatiebudget van het primaire proces gebruikt om de salariskosten van de bureaus Financiën & Control, Strategie & Bestuur en Interne Dienstverlening en de materiële bedrijfsvoeringsbudgetten - dus overhead - door te belasten aan de rijksmiddelen BDU en de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat. De verhouding van het relatieve formatiebudget is 20% Economisch Vestigingsklimaat versus 80% Verkeer en Openbaar Vervoer. 20% van deze kosten komt daarmee ten laste van de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat en 80% van deze kosten komt ten laste van de rijksmiddelen BDU. Nadat inmiddels ruim een jaar gewerkt is vanuit een nieuwe topstructuur waarbij de directies zijn komen te vervallen en de secretaris-algemeen directeur leiding geeft aan alle managers, wordt deze verdeelsleutel geharmoniseerd met de verdeelsleutel van de bovengenoemde stafkosten.

36

Bovenstaande uitgangspunten en verdeelsleutels zijn verwerkt in het volgende overzicht van de overhead: Overhead (euro's) Lasten: Personele overhead Va Materiële overhead Va

Voorlopige jaarrekening 2020 3.052.374 1.832.622 4.884.996

2.788.990 2.400.800 5.189.790

2.837.181 2.439.200 5.276.381

2.837.181 2.439.200 5.276.381

2.837.181 2.439.200 5.276.381

2.837.181 2.439.200 5.276.381

Personele overhead EV Materiële overhead EV

788.401 458.156 1.246.557

872.828 600.200 1.473.028

809.183 609.800 1.418.983

809.183 609.800 1.418.983

809.183 609.800 1.418.983

809.183 609.800 1.418.983

Totaal lasten overhead

6.131.553

6.662.818

6.695.364

6.695.364

6.695.364

6.695.364

Dekkingsbronnen overhead (euro's)

Voorlopige jaarrekening 2020

Raming 2021

Begroting 2022

Begroting 2021

Begroting 2023

Begroting 2022

Begroting 2024

Begroting 2023

Begroting 2025

Begroting 2024

Begroting 2025

Onttrekking fonds BDU Inwonerbijdrage EV

4.850.512 1.237.936

5.189.790 1.473.028

5.276.381 1.418.983

5.276.381 1.418.983

5.276.381 1.418.983

5.276.381 1.418.983

Totaal dekkingsbronnen overhead

6.088.448

6.662.818

6.695.364

6.695.364

6.695.364

6.695.364

Resultaat voor reservemutaties

-43.104

0

0

0

0

0

Onttrekking reserve Interne kwaliteitsverhoging

43.104

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Resultaat

De stijging van de overheadkosten in de begroting 2022 ten opzichte van de begroting 2021 bestaat uit enerzijds de (geschatte) cao stijging van de salarissen en indexatie van de materiële apparaatslasten (huur etc.) en anderzijds een wijziging van een tweetal functies en de daarbij behorende functiewaarderingen. Tussen de rijksmiddelen BDU en de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat is de verhouding licht veranderd als gevolg van het harmoniseren van de verdeelsleutel van de salarislasten van de secretaris-algemeen directeur met de overige stafkosten. De totale apparaatslasten (overhead en directe personele lasten) worden toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering (zie hoofdstuk 4.5).

3.3 Vennootschapsbelasting Per 1 januari 2016 is de MRDH belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (hierna Vpb) voor zover zij voor een van haar activiteiten een onderneming drijft. De MRDH heeft hiervoor grondig onderzoek verricht (in samenwerking met het Fiscaal Team van de gemeente Den Haag) en heeft het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van enige belastingplicht voor de MRDH. In de afgelopen jaren is er veelvuldig overleg gepleegd met de Rijksbelastingdienst. Voor wat betreft de activiteit ‘Treasury functie’2 (het aantrekken en vervolgens uitzetten van leningen bij de vervoerders) heeft de Rijksbelastingdienst in november 2019 per brief laten weten van mening te zijn dat deze activiteit voldoet aan de ondernemerscriteria en daarom in de Vpbheffing wordt betrokken. Vanwege de wettelijk verplichte marktconformiteitsopslag (Wet

2

Niet alleen de MRDH heeft met deze problematiek te maken, maar alle publiekrechtelijke organisaties (gemeenten, provincies, etc.) die externe leningen aantrekken om deze vervolgens weer uit te lenen met een marktconformiteitsopslag zullen met dit standpunt van de Rijksbelastingdienst te maken kunnen krijgen.

37

fido/Ruddo) laat deze activiteit een ‘plus’ zien, die op dit moment door de MRDH wordt toegevoegd aan de risicoreserve financieringen. Deze ‘plus’ wil de Rijksbelastingdienst belasten met Vpb. In dit verband gaat de Rijksbelastingdienst voorbij aan het feit dat de MRDH deze leningen verstrekt vanuit haar rol als Vervoersautoriteit en ‘lender of last resort’. De vervoerders kunnen wel lenen bij banken, maar dan tegen (zeer) hoge rentepercentages. Om het openbaar vervoer betaalbaar te houden is ervoor gekozen om te lenen bij de MRDH. Daarnaast subsidieert de MRDH de in rekening gebrachte opslag weer via de concessie aan de vervoerders. De Rijksbelastingdienst kijkt echter niet naar de MRDH als geheel maar ziet de Treasury functie als aparte activiteit. Gemiddeld bedraagt de risico-opslag ongeveer € 7 miljoen per jaar. De MRDH dient er rekening mee te houden dat van dit bedrag jaarlijks 25% vennootschapsbelasting moet worden betaald. Dat wil zeggen ongeveer € 1,75 miljoen per jaar aan belastingafdracht. De MRDH heeft dan ook bezwaar aangetekend tegen de aanslagen vennootschapsbelasting. Tot het moment van een definitieve uitspraak (eventueel na een procedure bij de belastingrechter) leidt een eventuele belastingaanslag nog niet tot lasten voor de MRDH. Inmiddels zijn de aanslagen voor de jaren 2016 tot en met 2019 ontvangen en betaald.

Ter voorkoming van het oplopen van de belastingrente neemt de MRDH met ingang van het jaar 2018 de betreffende bedragen reeds in de aangifte op en betaalt de aanslagen die daarop volgen. Zoals aangegeven zal steeds bezwaar worden aangetekend.

38

Hoofdstuk 4 Paragrafen 4.1 Financiering Treasuryfunctie en -beleid Het doel van de treasuryfunctie is: het sturen en beheersen van, verantwoording afleggen over en toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, geldstromen en posities en de hieraan verbonden risico’s, op een zodanige wijze, dat risico’s worden geminimaliseerd en opbrengsten worden geoptimaliseerd. De wettelijke kaders voor de uitvoering van de treasuryfunctie liggen vast in de Wet financiering decentrale overheden (FIDO) en de daarbij behorende ministeriële regelingen (Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (RUDDO), Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (UFDO) en het Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden (BLDO)). Het beleid van de MRDH voor de treasuryfunctie is vastgelegd in het Treasurystatuut MRDH 2021. Daarin ligt de beleidsmatige infrastructuur van de treasuryfunctie vast in de vorm van uitgangspunten, doelstellingen en richtlijnen. De financieringsstructuur van de MRDH wordt in belangrijke mate bepaald door het verstrekken van middelen in de vorm van subsidies en (project)bijdragen aan gemeenten, bedrijven en instellingen, die eerder van vooral het Rijk zijn ontvangen. Omdat de middelen tot nu toe eerder worden ontvangen dan dat ze worden doorbetaald, is er qua exploitatie normaal gesproken sprake van een goede liquiditeitspositie.

Desondanks is er wel sprake van een omvangrijke financieringsbehoefte. Die wordt veroorzaakt door de volgende twee factoren: 1. De financiering van railvoertuigen en -infrastructuur van de regionale OV-bedrijven HTM en de RET; 2. Het verstrekken van bussenleningen op grond van de Verordening bussenleningen. Financiering railinvesteringen Eind 2016 heeft de MRDH besloten om de financiering van activa en nieuwe investeringen betreffende railvoertuigen en -infrastructuur van HTM en de RET over te nemen van respectievelijk gemeenten Den Haag en Rotterdam, voor zover de daarmee samenhangende kapitaallasten door haar via de railconcessie worden vergoed. Hierdoor blijven, na de opbouw van de hiervoor benodigde risicoreserve, structureel extra middelen beschikbaar voor de verkeer- en vervoeropgave in onze regio. Voor elke verstrekte lening, garantie en borgstelling wordt een toereikende risicoreservering opgebouwd als onderdeel van het eigen vermogen van de MRDH. Daarvoor wordt afhankelijk van de noodzakelijke omvang van de risicoreserve de jaarlijks in rekening te brengen marktconformiteitsopslag van 60 basispunten over de uitstaande leningen, garanties en borgstellingen ingezet. Bussenleningen Het algemeen bestuur van de MRDH heeft na zienswijze door de regiogemeenten op 21 december 2017 de Verordening bussenleningen vastgesteld.

De belangrijkste overweging voor het instellen van deze verordening is het faciliteren van adequate en goedkopere financieringsmogelijkheden voor vervoerbedrijven ten behoeve van de gewenste transitie naar zero emissie busvervoer.

39

Net als bij de financiering van de railinvesteringen wordt voor elke verstrekte lening een toereikende risicoreservering opgebouwd als onderdeel van het eigen vermogen van de MRDH. Daarvoor wordt afhankelijk van de noodzakelijke omvang van de risicoreserve de jaarlijks in rekening te brengen marktconformiteitsopslag van minimaal 60 basispunten (afhankelijk van solvabiliteit vervoerder) over de uitstaande leningen ingezet. Voor meer informatie over de wijze waarop de risicoreserve wordt opgebouwd, alsmede het geraamde verloop daarvan wordt verwezen naar de paragraaf Weerstandsvermogen en risico’s (hoofdstuk 4.3). Samengevat wordt de financieringsbehoefte van de MRDH bepaald door de overgenomen financiering van de railinvesteringen en de financiering van de bussen, voor zover hiervoor door de MRDH leningen zullen worden aangetrokken. In onderstaand overzicht is de geraamde totale financieringsbehoefte per jaar opgenomen: Financieringsbehoefte (euro's) OV-bedrijven Totalen per jaar

Voorlopige jaarrekening 2020 1.126.493.382 1.126.493.382

Raming 2021 1.178.175.094 1.178.175.094

Begroting 2022

Begroting 2023

Begroting 2024

Begroting 2025

1.189.430.140 1.189.430.140

1.228.505.186 1.228.505.186

1.294.016.898 1.294.016.898

1.371.692.781 1.371.692.781

Op basis hiervan zijn de kosten en opbrengsten van de financieringsfunctie per jaar als volgt samen te vatten: Financieringsfunctie (euro's)

Voorlopige jaarrekening 2020

Raming 2021

Begroting 2022

Begroting 2023

Begroting 2024

Begroting 2025

Lasten Rente OV-bedrijven Totaal Baten Rente OV-bedrijven Marktconformiteits-opslag OV-bedrijven Totaal Resultaat voor reservemutaties

13.113.051 13.113.051

11.531.885 11.531.885

10.376.558 10.376.558

9.467.143 9.467.143

8.759.466 8.759.466

8.179.631 8.179.631

13.113.051 7.086.494 20.199.545 -7.086.494

11.531.885 7.089.165 18.621.051 -7.089.165

10.376.558 7.256.143 17.632.701 -7.256.143

9.467.143 7.383.115 16.850.258 -7.383.115

8.759.466 7.676.439 16.435.905 -7.676.439

8.179.631 8.096.246 16.275.878 -8.096.246

Dotatie risicoreserve financieringen

7.086.494

1.804.638

0

2.076.904

1.179.080

8.002.759

0

-5.284.527

-7.256.143

-5.306.211

-6.497.359

-93.487

Netto resultaat

Kosten en opbrengsten van de financieringsfunctie zijn geheel toegerekend aan het programma Exploitatie verkeer en openbaar vervoer. Schatkistbankieren Schatkistbankieren is een wettelijke verplichting voor de MRDH. Concreet betekent dit dat, behoudens een klein werkkapitaal, alle beschikbare liquide middelen in ’s Rijks schatkist moeten worden aangehouden. Renterisicobeheer Het renterisico dat de MRDH op haar leningenportefeuille loopt, kan worden getoetst aan de renterisiconorm. Omdat de MRDH tot nu toe uitsluitend leningen heeft aangetrokken, die uit hoofde van de publieke taak in dezelfde omvang tegen dezelfde rentetypische looptijden worden uitgezet, is deze toetsing voor de MRDH (nog) niet relevant. De renterisiconorm bedraagt voor 2022 20% van de lastenkant van de begroting en bedraagt € 117,2 miljoen. De MRDH voldoet naar verwachting meerjarig aan deze norm:

40

Bedragen x € 1.000

Renterisiconorm en renterisico's 2022-2025 2022

2023

2024

2025

-

-

1a. Renteherziening op vaste schuld o/g 1b. Renteherziening op vaste schuld u/g 2. Netto renteherziening op vaste schuld (1a-1b)

-

3a. Nieuw aangetrokken vaste schuld 3b. Nieuwe verstrekte lange leningen 4. Netto nieuw aangetrokken vaste schuld (3a-3b)

-

-

-

-

118.743

114.589

114.819

115.187

6. Herfinanciering (laagste van 4 en 5)

-

-

7. Renterisico op vaste schuld (2+6)

-

5. Betaalde aflossingen

-

-

-

497.886

Renterisiconorm 8. Begrotingstotaal

585.950

563.775

541.732

20%

20%

20%

20%

10. Renterisiconorm (8 x 9)

117.190

112.755

108.346

99.577

Toets renterisiconorm 10. Renterisiconorm 7. Renterisico op vaste schuld

117.190 -

112.755 -

108.346 -

99.577 -

11. Ruimte(+) Overschrijding (-); (10-7)

117.190

112.755

108.346

99.577

9. Percentage vastgesteld per ministeriele regeling

De maximaal toegestane kasgeldlimiet voor 2022 bedraagt 8,2% van de lastenkant van de begroting en kan daarmee worden berekend op een bedrag van € 48 miljoen. Naar verwachting wordt in 2022 aan deze norm voldaan: Bedragen x € 1.000

Kasgeldlimiet 2022

kwartaal 1 kwartaal 2 kwartaal 3 kwartaal 4 Omvang korte schuld Opgenomen gelden < 1 jaar

-

-

-

-

Schuld rekening courant

-

-

-

-

Gestorte gelden door derden < 1 jaar

-

-

-

-

Overige geldleningen niet zijnde vaste schuld

-

-

-

-

Totaal netto vlottende schuld

-

-

-

-

Vlottende middelen Contante gelden in kas

-

-

-

-

107.960

122.538

177.594

171.496

107.960

122.538

177.594

171.496

Totaal netto vlottende schuld

107.960

122.538

177.594

171.496

Toegestande kasgeldlimiet

48.048

48.048

48.048

48.048

Ruimte (+) of overschrijding (-) van de limiet

156.008

170.586

225.642

219.544

Tegoeden in rekening courant Overige uitstaande gelden < 1 jaar Totaal vlottende middelen Toets kasgeldlimiet

Begrotingstotaal

585.950

Percentage vastgesteld per ministeriele regeling

8,20%

Kasgeldlimiet

48.048

41

4.2 Verbonden partijen Verbonden partijen zijn privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisaties waarin de MRDH een bestuurlijk én een financieel belang heeft. Het kan gaan om gemeenschappelijke regelingen (publiekrechtelijke organisatie), deelnemingen (vennootschappen), stichtingen en verenigingen (privaatrechtelijke organisaties). Onder bestuurlijk belang wordt verstaan: een zetel in het bestuur of het hebben van stemrecht. Er is sprake van een financieel belang als de MRDH: ● een ter beschikking gesteld bedrag niet kan verhalen indien de verbonden partij failliet gaat; ● aansprakelijk kan worden gesteld door derden, als de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt. Een partij die jaarlijks een subsidie ontvangt, waaraan geen andere financiële verplichtingen met een juridische afdwingbaarheid door derden verbonden zijn, is geen verbonden partij. Verbonden partijen voeren meestal taken uit met een groot publiek belang. Ze leveren een forse bijdrage aan de realisatie van maatschappelijke doelen. In het geval van de MRDH zijn er tot en met de begroting 2021 drie verbonden partijen: HTM personenvervoer N.V., de RET N.V. en De Verkeersonderneming. Het jaar 2021 is het laatste jaar dat De Verkeersonderneming in zijn huidige vorm zal bestaan.

In het transitiejaar 2021 wordt gewerkt aan de oprichting van een nieuwe samenwerkingsorganisatie, onder de werktitel ZuidHolland bereikbaar. Binnen de nieuwe organisatie wordt gewerkt aan het programma Zuid-Holland bereikbaar. Het programma is een gezamenlijke en langjarige bereikbaarheidsaanpak van provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, Metropoolregio Rotterdam Den Haag, ProRail, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met daarbij Havenbedrijf Rotterdam en de gemeenten Rotterdam en Den Haag. Binnen het programma wordt voortgebouwd op de huidige samenwerking tussen de partners, vanuit de bestaande uitvoeringsorganisaties Bereik!, De Verkeersonderneming en Bereikbaar Haaglanden en Rijnland. De definitieve keuze voor organisatie- en rechtsvorm van de nieuwe samenwerkingsorganisatie Zuid-Holland bereikbaar en besluitvorming over oprichting zal in 2021 worden geagendeerd. Hieronder in tabelvorm de belangrijkste bestuurlijke en financiële gegevens van de naamloze vennootschappen HTM en de RET.

42

Naam

HTM Personenvervoer N.V.

Vestigingsplaats

Den Haag

Visie

Door middel van zeggenschap in HTM Personenvervoer N.V. het waarborgen van goed openbaar vervoer in de regio.

Openbaar behartigd belang

Het beheer van een aandeel in een bedrijf dat het openbaar vervoer in de regio Haaglanden verzorgt.

Deelnemende partijen

De andere aandelen van HTM Personenvervoer N.V. zijn in handen van HTM Beheer BV.

Rechtsvorm

Naamloze vennootschap

Bestuurlijk belang

Houder van 1 aandeel. De MRDH is vertegenwoordigd in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

Financieel belang

Deelneming in HTM Personenvervoer N.V. van € 1,-

Eigen vermogen

Per 31-12-2019: € 91.868.126

Vreemd vermogen

Per 31-12-2019: € 459.222.369

Financieel resultaat

Over 2019: € 3.919.927

Risico’s

Zie hoofdstuk 4.3 onder Financiering OV-bedrijven.

Beleidsvoornemens

Uitvoeren OV concessies in regio Haaglanden.

Monitoring prestaties

Via aandeelhoudersvergaderingen.

Programma en activiteit

Programma Exploitatie verkeer en openbaar vervoer.

Naam

RET N.V.

Vestigingsplaats

Rotterdam

Visie

Door middel van zeggenschap in de RET N.V. het waarborgen van goed openbaar vervoer in de regio.

Openbaar behartigd belang

Het beheer van een aandeel in een bedrijf dat het openbaar vervoer in de regio Rotterdam verzorgt.

Deelnemende partijen

De andere aandelen van de RET N.V. zijn in handen van de gemeente Rotterdam.

Rechtsvorm

Naamloze Vennootschap

Bestuurlijk belang

Houder van 1 aandeel. De MRDH is vertegenwoordigd in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

Financieel belang

Deelneming in de RET van € 1.000,-

Eigen vermogen

Per 31-12-2019: € 159.645.000

Vreemd vermogen

Per 31-12-2019: € 178.407.000

Financieel resultaat

Over 2019: € 5.828.000

Risico’s

Zie hoofdstuk 4.3 onder Financiering OV-bedrijven.

Beleidsvoornemens

Uitvoeren OV concessies regio Rotterdam.

Monitoring prestaties

Via aandeelhoudersvergaderingen.

Programma en activiteit

Programma Exploitatie verkeer en openbaar vervoer.

43

4.3 Weerstandsvermogen en risico’s Het begrip ‘weerstandsvermogen’ Het financieel weerstandsvermogen van de MRDH is het vermogen om niet-structurele financiële risico’s op te vangen zonder dat de uitvoering van de taken in het gedrang komt. Het weerstandsvermogen is de relatie tussen de weerstandscapaciteit en de bekende risico’s waarvoor geen afdoende stuur- en beheersmaatregelen kunnen worden getroffen of waarvoor geen voorzieningen bestaan. Risico’s algemeen De mogelijke maatregelen om de risico’s te beheersen en/of financieel te dekken zijn: - risico’s onder controle houden door stuur- en beheersmaatregelen (bijvoorbeeld door het afsluiten van verzekeringen of het aanscherpen van de regelgeving); - risico’s kunnen financieel worden afgedekt door het instellen van voorzieningen voor risico’s die kunnen worden gekwantificeerd en het instellen van een weerstandsvermogen voor risico’s die niet financieel kunnen worden gekwantificeerd. Normale bedrijfsrisico’s doen zich regelmatig voor en deze zijn daarom vrij goed meetbaar. Hierdoor kunnen ze worden gedekt door ofwel beheersmaatregelen ofwel het afsluiten van verzekeringen. Risico’s programma Economisch Vestigingsklimaat De risico’s die samenhangen met de taken voor het versterken van het economisch vestigingsklimaat kunnen alleen met eigen weerstandscapaciteit van de MRDH worden afgedekt.

In een uitgevoerde financiële risicoanalyse (2015) is het risico bepaald dat een gemeente niet kan voldoen aan haar verplichte bijdrage aan het programma Economisch Vestigingsklimaat. Bij het eventueel wegvallen van een deel van de inwonerbijdragen is een weerstandscapaciteit van € 100.000 nodig om het dekkingstekort op de (vaste) apparaatskosten op te vangen. In bovengenoemd audittraject is bepaald dat dit risico eenmaal per vier jaar (collegeperiode) voor kan komen en dat voor het opvangen daarvan 1/23 deel van € 2,29 miljoen euro (apparaatslasten EV begroting 2016) benodigd is. Dit kwam neer op een bedrag van circa € 100.000, dat iedere vier jaar benodigd zou zijn. Voor ditzelfde bedrag is daarom in 2015 de Reserve weerstandsvermogen economisch vestigingsklimaat gevormd. De apparaatslasten voor het programma Economisch Vestigingsklimaat bedragen in deze begroting € 2,39 miljoen. 1/23 deel daarvan komt neer op een bedrag van circa € 104.000. Per 31 december 2019 is nog weerstandcapaciteit beschikbaar in de vorm van een post onvoorzien binnen de Egalisatiereserve Economisch Vestigingsklimaat voor een bedrag van € 66.000. In de tussentijd wordt geen aanpassing van de Reserve weerstandsvermogen economisch vestigingsklimaat voorgesteld. Weerstandsvermogen-ratio begroting 2022: Beschikbare weerstandscapaciteit Weerstandsvermogen ratio = Benodigde weerstandscapaciteit

Beschikbare weerstandscapaciteit Economisch Vestigingsklimaat: Benodigde weerstandscapaciteit Economisch Vestigingsklimaat: Weerstandsvermogen ratio:

44

€ 166.000 € 104.000 1,6 (ruim voldoende)

Risico’s programma’s Exploitatie- en Infrastructuur verkeer en openbaar vervoer De risico’s die samenhangen met de activiteiten voor verkeer en vervoer worden allereerst opgevangen met een risicobuffer die binnen de projecten waarbij financiële risico’s worden geïdentificeerd wordt aangehouden. Wanneer deze risicobuffer niet afdoende is, worden de BDUmiddelen aangesproken. Dit heeft tot gevolg dat andere bestedingen ten laste van de BDUmiddelen lager worden en/of vertragen. Financiering OV-bedrijven Zoals in hoofdstuk 4.1 (Financiering) reeds gemeld, heeft de MRDH in december 2016 de verantwoordelijkheid voor de financiering van de investeringen in railvoertuigen en -infrastructuur van de regionale OV-bedrijven overgenomen van de gemeenten Den Haag en Rotterdam. Dat brengt risico’s met zich mee, die in een in 2016 uitgevoerd extern onderzoek nader zijn geduid. Daaruit is geconcludeerd dat een reserve moet worden gevormd om de risico’s die van directe invloed zijn op de economische waarde van het te financieren materieel naar behoren af te dekken.

Daarbij is meegewogen dat de MRDH voor de periode 2016-2026 een railconcessie heeft gegund aan voornoemde OV-bedrijven, dat de MRDH een eerste zekerheidsrecht verwerft over de te financieren activa en dat het kredietrisico wordt beperkt doordat de afschrijvingen over door de MRDH goedgekeurde railinvesteringen en de rente over de daarvoor verstrekte leningen in de maandelijks door de MRDH te betalen concessievergoeding zijn opgenomen. Op grond van een referentievergelijking is vastgesteld dat een waardedaling van 35% als uitgangspunt voor de risicoberekening verdedigbaar is. De risico-inschatting voor de beide OV-bedrijven is daarnaast als “laag” geclassificeerd en daaruit volgt een risicoweging van 8% als uitgangspunt voor de risicoberekening. Ook heeft het algemeen bestuur van de MRDH na zienswijze door de regiogemeenten op 21 december 2017 de Verordening bussenleningen vastgesteld. De belangrijkste overweging voor het instellen van deze verordening is het faciliteren van adequate en goedkopere financieringsmogelijkheden voor vervoerbedrijven ten behoeve van de gewenste transitie naar zero emissie busvervoer. De ondergrens voor de opbouw van de risicoreserve financieringen wordt net als in de begroting 2021 berekend op basis van de maandelijks te betalen concessievergoedingen. De maandelijkse concessievergoedingen voor rail en bus bedragen gemiddeld € 30 miljoen.

Uitgaande van een worst case scenario (faillissement) wordt de kans dat maximaal één maand aan concessievergoeding als verloren moet worden beschouwd, als hoog (90%) ingeschat. De ondergrens van de op te bouwen risicoreserve wordt daarmee bepaald op € 27 miljoen. De verschillen tussen de in rekening te brengen marktconformiteitsopslag en de jaarlijks benodigde toevoeging aan de risicoreserve worden vanaf 2021 aangewend als aanvullende dekking voor de lasten van het programma Exploitatie verkeer en openbaar vervoer (hoofdstuk 2.1.2). De daarvoor benodigde BDU-bijdrage wordt daardoor lager. In de volgende tabel is de op te bouwen risicoreserve financieringen in cijfers uitgewerkt:

45

Risicoreservering financiering regionale OV-bedrijven per jaar (euro's) Financiering aan HTM, RET en EBS boekwaarde MVA HTM, RET en EBS Economische waarde MVA (65% boekwaarde) Dekkingstekort economische waarde versus financiering

Voorlopige jaarrekening 2020 1.126.493.382 1.477.576.001 960.424.401 166.068.981

Raming 2021

Begroting 2022

Begroting 2023

Begroting 2024

Begroting 2025

1.178.175.094 1.439.971.008 935.981.155 242.193.939

1.189.430.140 1.384.166.914 899.708.494 289.721.646

1.228.505.186 1.330.836.747 865.043.886 363.461.300

1.294.016.898 1.408.949.386 915.817.101 378.199.797

1.371.692.781 1.374.551.528 893.458.493 478.234.287

Weging risico

8%

8%

8%

8%

8%

8%

Netto/gewogen risico Netto/gewogen risico (ondergrens € 27 miljoen) Risicoreserve financieringen aanvang jaar cumulatief In rekening gebrachte marktconformiteits-opslag per jaar Toevoeging opslag aan risicoreserve* Dekkingstekort risicoreserve ultimo jaar Beschikbaar voor exploitatie

13.285.518 27.000.000 18.108.868 7.764.408 7.764.408 1.126.724 0

19.375.515 27.000.000 25.873.276 7.089.165 1.126.724 0 5.962.441

23.177.732 27.000.000 27.000.000 7.256.143 0 0 7.256.143

29.076.904 29.076.904 27.000.000 7.383.115 2.076.904 0 5.306.211

30.255.984 30.255.984 29.076.904 7.676.439 1.179.080 0 6.497.359

38.258.743 38.258.743 30.255.984 8.096.246 8.002.759 0 93.487

Hieruit blijkt dat de benodigde weerstandscapaciteit voor de financieringsactiviteiten in 2021 zal worden bereikt. Er is dan geen dekkingstekort meer op de te bereiken reserve. Het meerjarenbeeld geeft aan dat er na 2022 wel weer toevoegingen aan de reserve nodig zullen zijn om de benodigde weerstandscapaciteit te bereiken. Samenvatting weerstandsvermogen-ratio begroting 2022: Beschikbare weerstandscapaciteit Weerstandsvermogen ratio = Benodigde weerstandscapaciteit

Beschikbare weerstandcapaciteit Financiering OV bedrijven: Benodigde weerstandscapaciteit Financiering OV bedrijven: Weerstandsvermogen ratio:

€ 27.000.000 € 27.000.000 1 (voldoende)

Vennootschapsbelasting Zoals in hoofdstuk 3.3 is weergegeven heeft de Rijksbelastingdienst in november 2019 per brief laten weten van mening te zijn dat de hiervoor genoemde wettelijk verplichte marktconformiteitsopslag die de MRDH in rekening brengt aan de vervoerders in de Vpb-heffing wordt betrokken. Gemiddeld bedraagt de risico-opslag ongeveer € 7 miljoen per jaar. De MRDH dient er rekening mee te houden dat van dit bedrag jaarlijks 25% vennootschapsbelasting moet worden betaald. Dat wil zeggen ongeveer € 1,75 miljoen per jaar aan belastingafdracht. De MRDH heeft het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van enige belastingplicht voor de MRDH en zal via de geëigende weg bezwaar aantekenen tegen de aanslagen vennootschapsbelasting. Tot het moment van een definitieve uitspraak (eventueel na een procedure bij de belastingrechter) leidt een eventuele belastingaanslag nog niet tot lasten voor de MRDH. Als de MRDH uiteindelijk niet in het gelijk wordt gesteld, betekent dit dat het opbouwen van de benodigde risicoreserve financieringen ongeveer een jaar langer duurt en dat na deze periode structureel € 1,75 miljoen minder beschikbaar is voor de verkeer- en vervoeropgave in onze regio. Zoals ook verwoord in de beleidsnota Risicomanagement en Weerstandsvermogen zal dan worden gekeken of binnen de wettelijke begrotingskaders de resterende BDU-middelen aangesproken kunnen worden.

Indien dat onvoldoende mogelijk is, kan het bestuur besluiten om andere bestedingen ten laste van de BDU-middelen te verlagen en/of te vertragen. De in enig jaar nog niet bestede rijksbijdrage BDU betreft vreemd vermogen en van deze middelen kan geen reservevorming plaatsvinden. Er kan daarom geen weerstandsvermogen van deze middelen worden opgebouwd, omdat er geen sprake is van eigen vermogen.

46

Overbesteding Het IPVa geeft inzicht in de jaarlijkse stand van zaken van de infrastructurele projecten. Jaarlijks wordt in de begroting een meerjarige doorkijk opgenomen. Binnen deze meerjarige doorkijk kan er sprake zijn van overbesteding. Daardoor kan het saldo in enig jaar onder nul dalen. Dit is toegestaan, maar altijd met de restrictie dat er na een periode van maximaal drie achtereenvolgende begrotingsjaren weer een positief saldo ontstaat in het daaropvolgende begrotingsjaar. Dit beleid sluit aan bij de uitgangspunten voor structureel begrotingsevenwicht die de provincie Zuid-Holland als toezichthouder hiervoor hanteert. Overbesteding is in deze begroting niet aan de orde. Beleidsnota Het algemeen bestuur heeft op 12 juli 2019 de beleidsnota Risicomanagement en Weerstandsvermogen vastgesteld. Relevante onderdelen uit deze beleidsnota zijn verwerkt in deze paragraaf weerstandsvermogen. Kengetallen Kengetallen zijn getallen die een verhouding uitdrukken tussen bepaalde onderdelen van de in de jaarrekening opgenomen balans en/of resultatenrekening. Conform het BBV dienen de volgende kengetallen in de begroting te worden opgenomen:

Kengetal Netto schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Solvabiliteitsratio Grondexploitatie Structurele exploitatieruimte Belastingcapaciteit

Voorlopige Jaarrekening 2020 148,9% -3,9% 2,0% n.v.t. 2,1% n.v.t.

Raming 2021 180,8% -4,7% 2,2% n.v.t. 0,4% n.v.t.

Begroting 2022 197,9% -5,1% 2,2% n.v.t. 0,0% n.v.t.

Begroting 2023 211,4% -5,7% 2,3% n.v.t. 0,7% n.v.t.

Begroting 2024 232,2% -6,2% 2,2% n.v.t. 0,4% n.v.t.

Begroting 2025 262,9% -8,3% 2,6% n.v.t. 3,2% n.v.t.

Opmerkingen De kengetallen grondexploitatie en belastingcapaciteit zijn voor de MRDH niet van toepassing. De netto schuldquote moet inzicht geven in de ontwikkeling van het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft zodoende een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de quote inclusief en exclusief doorgeleende gelden. Dit maakt inzichtelijk wat het aandeel is van de verstrekte leningen in de exploitatie. Daarnaast welke invloed de verstrekte leningen hebben op de schuldenlast. De solvabiliteitsratio drukt het eigen vermogen uit als een percentage van het totale vermogen. Het geeft daarmee inzicht in de mate waarin de MRDH in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. De VNG hanteert als richtlijn een minimum omvang van 20% als norm. Bij de beoordeling van de in bovengenoemde tabel opgenomen kengetallen voor netto schuldquote en solvabiliteitsratio dient het volgende in aanmerking te worden genomen. Ruim 99% van de exploitatie van de MRDH vindt plaats binnen het fonds BDU verkeer en vervoer. Het per balansdatum aanwezige fondssaldo is daarnaast conform de bepalingen in het BBV als een vlottende schuld te beschouwen. Als gevolg daarvan zijn voornoemde kengetallen niet voor elk in

47

de tabel opgenomen (begrotings-)jaar zonder meer te beschouwen als een realistische weergave van de financiële positie van de MRDH. Het kengetal structurele exploitatieruimte geeft inzicht in welke mate de structurele lasten gedekt zijn door structurele baten. Dit is van belang om te beoordelen welke structurele ruimte de MRDH heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Een positief percentage betekent dat incidentele lasten deels uit structurele middelen worden gedekt. Een negatief percentage betekent dat structurele lasten deels uit incidentele baten worden gedekt. De in de tabel weergegeven percentages betekenen dat de structurele lasten van de MRDH tenminste volledig worden gedekt door structurele baten.

4.4 Onderhoud kapitaalgoederen Investeringen Eventuele toekomstige investeringen worden gepland en begroot vanuit een investeringsplan. Investeringsplannen maken integraal deel uit van de bestuurlijk vast te stellen begroting(swijzigingen). Afschrijvingen Voor zover niet bij wettelijke bepaling geregeld, gelden de volgende uitgangspunten voor het afschrijvingsbeleid voor de materiële vaste activa, zoals vastgelegd in de Financiële verordening 2015 van de MRDH. Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in: a. maximaal 10 jaar: verbouwing, inrichting, renovatie, restauratie van kantoren en bedrijfsgebouwen; b. maximaal 10 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen; c. 5 jaar: telefooninstallaties; d. 3 jaar: automatiseringsapparatuur; e. 10 jaar: kantoormeubilair. Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in: a. Maximaal 10 jaar: straatmeubilair.

De eerste afschrijving voor zowel de activa met economisch nut als de activa met maatschappelijk nut start op 1 juli in het jaar van aanschaffing.

48

Bedrijfsgebouw Westersingel Eind oktober 2017 is de nieuwe huisvesting van de ambtelijke organisatie van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag aan de Westersingel 12 te Rotterdam in gebruik genomen. Dit pand is gehuurd voor een periode van 10 jaar. Ten behoeve van de verbouwing en herinrichting van dit pand is in 2017 een bedrag geïnvesteerd van € 1,2 miljoen. In 2019 is er geïnvesteerd in het parkeerterrein op de Westersingel. Deze investeringen wordt in 10 jaar afgeschreven. De MRDH is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud hiervan en heeft daartoe contracten afgesloten met gespecialiseerde marktpartijen. Kapitaallast Bedrijfsgebouw

€

2021 127.101 €

2022 127.101 €

2023 127.101 €

2024 127.101 €

2025 127.101

Overige materiële vaste activa Kantoorinventaris en ICT hardware zijn bij de start van de MRDH in 2015 om niet overgenomen van het Stadsgewest Haaglanden. Als gevolg van de verhuizing naar het nieuwe pand in 2017 (zie hiervoor) moest in 2017 een nieuw datanetwerk worden aangelegd en nieuw meubilair worden aangeschaft tot een totaal bedrag van € 457.000. In 2018 zijn nieuwe investeringen in ICT gedaan. Het gaat om de noodzakelijke vervanging van de werkplek hardware in combinatie met een nieuwe provider, de doorontwikkeling van het financiële systeem (projectadministratie en verdere digitalisering werkprocessen) en de digitalisering van de voorbereidings- en autorisatieprocessen van bestuurlijke voorstellen. De komende jaren vinden geen nieuwe investeringen plaats in ICT. In 2019 heeft vervanging van de hardware plaatsgevonden op basis van huur contracten waardoor geen afschrijvingslast ontstaat. Noodzakelijke eenmalige software updates in 2019 (o.a. document management systeem en vergadersysteem) zijn ten laste gebracht van de hiervoor ingestelde Reserve Interne kwaliteitsverhoging. Investeringen in kantoormeubilair worden in 10 jaar afgeschreven, ICT hardware in 3 jaar, software en ICT-investeringen in verbeterprocessen in 7 jaar.

De MRDH is zelf verantwoordelijk voor het noodzakelijke onderhoud van deze activa en heeft dit uitbesteed aan meerdere gespecialiseerde marktpartijen. In 2019 is er geïnvesteerd in meubilair en het terras. Voor de jaren 2021 en 2022 worden er investeringen verwacht in het kader van telefonie en vervanging van meubilair. Investering Meubilair ICT

Investeringsbedrag € 244.000 € € 45.000 €

2021 106.000 € €

2022 138.000 € 45.000

2023 €

2024 €

2025 -

Kapitaallast Meubilair ICT

€ €

5.300 € €

17.500 € 7.500 €

24.400 € 15.000 €

24.400 € 15.000 €

24.400 7.500

Kapitaallast Overige materiële vaste activa

€

2021 57.285 €

2022 50.430 €

2023 50.430 €

2024 50.430 €

2025 50.430

Haltevoorzieningen Conform de overeenkomst heeft de MRDH vanaf medio 2014 het economisch eigendom van alle bestaande en nieuwe haltevoorzieningen (de zgn. abri’s) in de gemeenten Den Haag, Delft, Westland en Midden-Delfland. Alle investeringen hieraan en het beheer en onderhoud hiervan zijn

49

voor rekening van de MRDH. De investeringen worden in 5 jaar afgeschreven. De jaarlijkse kosten worden geheel gedekt door reclameopbrengsten, waartoe de MRDH zelfstandig een contract heeft aanbesteed. Beheer en onderhoud zijn uitbesteed aan HTM. De boekwaarde van de haltevoorzieningen per 31 december 2020 bedraagt € 253.665. Kapitaallast Haltevoorzieningen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10098100/3