Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing 21 juni 2021
Tekst van het document
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Blom Ecologie komt tot de conclusie dat de beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Wel dient tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Blom Ecologie adviseert de volgende maatregelen:
29
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Voor het beoogde plan heeft Aqua Terra‐Nova voorts een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Stikstofdepositie Berekening Marelstraat Appartementen, d.d. 5 maart 2020, bijlage II). Aqua Terra‐Nova komt tot de volgende bevindingen:
Op basis van de berekening kan gesteld worden dat er geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar door het project plaats vindt op de nabijgelegen Natura 2000gebieden;
Het is niet noodzakelijk om voor dit project vervolgstappen te nemen ten behoeve van de stikstofdepositie. Er is geen vergunning voor stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor dit project.
Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, realisatie van deze ontwikkeling niet leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Marelstraat 23‐29 uitvoerbaar is.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1 Inleiding
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250;
30
Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636; Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Crnvgs) voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water, juli 2012.
Tevens dient men rekening te houden met het beleid Externe Veiligheid dat door stadsgewest Haaglanden is vastgesteld op 28 november 2012. Risicovolle objecten zijn o.a.: ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen; transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen; bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemische stoffen; grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15); LPG‐tankstations. Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10‐6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek.
Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen‐ als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn: het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan; het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen; het saneren van bestaande knelpunten; zorgvuldige risicocommunicatie; hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.
5.4.2 Relevante risicobronnen voor het projectgebied
Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Marelstraat relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de landelijke risicokaart (www.risicokaart.nl). Volgens de risicokaart zijn in de directe omgeving van het projectgebied risicobronnen aanwezig. Het gaat hierbij om zowel stationaire bronnen als om transportroutes van gevaarlijke stoffen. Deze worden hieronder nader toegelicht.
31
Fig. 5.4 Uitsnede uit risicokaart (projectlocatie: rode ijl)
Transportroutes gevaarlijke stoffen Op een afstand van ongeveer 700 meter ten oosten van het projectgebied is een buisleiding gelegen. Het betreft hier een leiding van de Gasunie, met een diameter van circa 8 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De bijbehorende 10‐6 plaatsgebonden risicocontour is niet buiten de leiding gelegen. Bekend is op welke afstand van een leiding het uitvoeren van een groepsrisicoberekening noodzakelijk is. Voor een leiding met een diameter van 8 inch en een druk van 40 bar strekt deze contour zich uit tot 95 meter aan weerszijden van de leiding. Omdat de voorgenomen ontwikkeling ruim buiten deze contour is gelegen, wordt gesteld dat deze geen invloed heeft op het groepsrisico. Een nadere beschouwing en/of verantwoording van deze bron is niet aan de orde. Rijksweg A20 Direct ten noorden van deze buisleiding is de rijksweg A20 gesitueerd. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Het projectgebied is gelegen langs wegvak Z48 (afrit 6 Maasdijk ‐ Knooppunt Kethelplein). Uit het Basisnet Weg blijkt, dat de 10‐6 plaatsgebonden risicocontour langs dit wegvak 0 meter bedraagt. Daarnaast is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Deze contouren vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het projectgebied. Vaarweg Ook over de vaarweg Het Scheur worden gevaarlijke stoffen getransporteerd.
Deze vaarweg is in de Regeling basisnet aangewezen als ‘zeevaartroutes’, waarvoor geldt dat de 10‐6 plaatsgebonden risicocontour tot ten hoogste de oeverlijn reikt. Daarnaast geldt op grond van artikel 10, lid 1, sub b van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in combinatie met artikel 2.1.2 van het Barro dat sprake is van een vrijwaringszone. De omvang van deze vrijwaringszone is afhankelijk van de Cemt‐klasse van de vaarweg. Het Scheur is aangemerkt als Cemt‐klasse V. Op grond van artikel 2.1.2 van het Barro geldt voor deze klasse een vrijwaringszone van 40 meter. Aangezien het projectgebied op minimaal 1 kilometer afstand van deze vaarweg ligt, vormt deze vrijwaringszone geen belemmering.
32
Voor zowel de transportroute over de A20 als de transportroute over Het Scheur geldt, dat op grond van artikel 8, lid 1 Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is als het projectgebied binnen een afstand van 200 meter van de transportroute ligt. Aangezien de afstand groter is, is een nadere groepsrisicoberekening en ‐verantwoording niet aan de orde. Stationaire risicobronnen In de omgeving van het projectgebied zijn verder geen stationaire bronnen aanwezig waarvan de bij deze bronnen behorende risicocontouren en invloedsgebieden over het projectgebied zijn gelegen. Een nadere beschouwing en/of verantwoording is niet noodzakelijk. Conclusie Externe veiligheid vormt voor de bouw van de woningen aan de Marelstraat te Maassluis geen belemmering.
5.5
Geluid
Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen: Woningen; Andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven); Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Vanwege de ligging van het plangebied binnen de zone van het bedrijventerrein Pernis, Botlek en Kapelpolder, is tevens onderzoek nodig naar industrielawaai. Door De Milieuadviseur is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar zowel wegverkeerslawaai als industrielawaai (Akoestisch onderzoek Marelstraat te Maassluis, d.d. 25 mei 2020, bijlage III). Hierbij wordt aangetekend dat dit akoestisch onderzoek nog uitging van het plan met 11 woningen. Het plan is tussentijds aangepast, naar 9 appartementen. Voor de uitkomsten van het geluidsonderzoek maakt dit echter geen verschil. De Milieuadviseur komt tot de volgende bevindingen.
5.5.1 Wegverkeerslawaai
Het appartementencomplex ligt nabij de Lange Boonestraat. Deze weg ligt in de bebouwde kom en heeft twee rijstroken. De zone van deze weg bedraagt 200 meter op basis van de Wgh. De nieuwe woningen liggen in de zone van de Lange Boonestraat. Akoestisch onderzoek naar de Lange Boonestraat is dan ook noodzakelijk. De nieuwe woningen liggen direct aan de Marelstraat. De Marelstraat heeft een 30 km/uur‐ regime. Formeel geldt voor deze weg volgens de Wgh geen onderzoeksplicht, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteit op de Marelstraat in combinatie met het wegdek (elementenverharding in keperverband) zijn dusdanig dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de Marelstraat.
33
De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Lange Boonestraat, overgaand in de Wagenstraat, bedraagt 53 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij het appartementencomplex wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter er wordt wel voldaan aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Marelstraat bedraagt 52 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De omliggende 30 km‐wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km‐wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km‐regime. Bij het appartementencomplex wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter er wordt wel voldaan aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB. Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de Lange Boonestraat, overgaand in de Wagenstraat, het vergroten van de afstand tussen het appartementencomplex en de weg of het toepassen van dove gevels.
Gezien de beperkte schaal van dit plan (realisatie van 9 appartementen) is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het gemeentelijke geluidbeleid ‘Beleid hogere grenswaarden wet geluidhinder’, vastgesteld in 2010, ligt de nadruk op het voorkomen van geluidhinder. Echter de verlening van hogere waarden is mogelijk wanneer de geluidsbelasting niet kosteneffectief is terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarden, dan wel dat er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn. Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid kan de gemeente Maassluis een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting van 53 dB afkomstig van de Lange Boonestraat. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde‐procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure. Geconcludeerd wordt dat het appartementencomplex na de verlening van hogere waarden kan worden gerealiseerd.
5.5.2 Industrielawaai
De geluidsbelasting, afkomstig van het gezoneerde bedrijventerrein Botlek, Pernis bedraagt minder dan 48 dB(A) afkomstig van het bedrijventerrein Botlek, Pernis. Dat betekent dat bij het appartementencomplex wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Wgh. De geluidsbelasting, afkomstig van het gezoneerde bedrijventerrein Kapelpolder bedraagt maximaal 50 dB(A) afkomstig van het bedrijventerrein Kapelpolder. Bij het appartementencomplex wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Wgh.
34
Geconcludeerd kan worden dat er geen overschrijding plaatsvindt van de geluidsnormen aangaande industrielawaai.
5.5.3 Cumulatie
Voorts zijn in het onderzoek van De Milieuadviseur tevens de cumulatieve waarden (van wegverkeerslawaai en industrielawaai) berekend. In tabel 11 van het onderzoek van De Milieuadviseur zijn de cumulatieve waarden opgenomen. De cumulatieve geluidsbelasting is berekend op basis van het wegverkeerspectrum, wanneer het wegverkeerslawaai maatgevend ten opzichte van industrielawaai is. Is het industrielawaai maatgevend ten opzichte van wegverkeerslawaai, dan wordt de cumulatieve geluidsbelasting berekend op basis van het industriespectrum. De hoogst berekende cumulatieve waarde bedraagt hier 61 dB. Dat is echter nog onder de maximale geluidsbelasting in binnenstedelijk gebied. Een goed woon‐ en leefklimaat kan hiermee worden gegarandeerd, mits voldaan wordt aan de hiervoor benodigde gevelisolatie (zoals bedoeld in het Bouwbesluit). In het kader van de bouwtechnische beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunning zal hieraan worden getoetst. Conclusie Mits ten aan wegverkeerslawaai een hogere waarden besluit wordt genomen, kan worden voldaan aan de Wet geluidhinder en kan ten aanzien van de 30 km‐wegen tevens een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat worden gegarandeerd.
5.6
Bodem
5.6.1 Algemeen
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.
5.6.2 Onderzoek
In het verleden zijn reeds bodemonderzoeken uitgevoerd voor het perceel. Om echter een actueel beeld te krijgen van de bodemkwaliteit ter plaatse is recent door Arnicon (Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Marelstraat 21-29 te Maassluis, 13 april 2016, bijlage IV). Arnicon komt tot de volgende conclusie: Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese ‘verdacht’ voor bodemverontreiniging wordt bevestigd; dit vanwege de lichte verontreinigingen die zijn aangetoond in grond en grondwater. De aangetoonde gehalten en concentraties geven echter
35
geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek, dan wel het treffen van saneringsmaatregelen. De locatie wordt geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bedrijfsbestemming. Overigens doet het onderzoek in principe geen uitspraak over het vastleggen van de eindsituatie/nulsituatie bij mogelijk bodembedreigende bedrijfsactiviteiten. Op basis van de verkregen onderzoeksgegevens dient bij grondwerkzaamheden ter plaatse van onderhavige locatie de regelgeving van de basisklasse te worden gehanteerd. Er wordt door Arnicon gesproken over ‘toekomstige bedrijfsbestemming’. Ten tijde van het opstellen van het bodemonderzoek was het plan voor woningbouw nog niet bekend. Niettemin zijn de uitkomsten van het onderzoek wel bruikbaar voor woningbouw. Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de bodem van de locatie milieuhygiënisch gezien geschikt is voor de bouw van de woning.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG‐handreiking ‘Bedrijven en Zonering’. Behoudens hetgeen is opgemerkt in paragraaf 5.5.2 (over industrielawaai), bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen relevante milieubelastende functies die van invloed zijn op de realisatie van dit bouwplan aan de Marelstraat. Daarbij is overigens wel aandacht geschonken aan de tegenover de woningen gelegen Immanuëlkerk. Deze ligt op circa 10 meter afstand. De VNG‐handreiking gaat voor ‘kerken’ uit van een richtafstand van 30 meter, vanwege geluid. Deze richtafstand geldt voor een ‘rustige woonwijk’.
Er zijn hier echter redenen om uit te gaan van ‘gemengd gebied’. De locatie ligt immers in het centrum van Maassluis, waar diverse functies naast elkaar aanwezig zijn. De locatie ligt direct aan de Marelstraat, schuin tegenover de locatie ligt een parkeerplaats, verder is nog een aantal dienstverlenende / maatschappelijke functies aanwezig in de directe omgeving. Omdat hier sprake is van een ‘gemengd gebied’, kan de richtafstand met 1 afstandsstap worden verlaagd, naar 10 meter. Dat betekent dat wel kan worden voldaan aan de richtafstand uit de VNG‐handreiking. Op basis van de VNG‐handreiking kan er dan ook van worden uitgegaan dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zal zijn van een goed woon‐ en leefklimaat. Voorts kan hierover worden opgemerkt dat de combinatie van de functie van ‘kerk’ met ‘wonen’ zeer gebruikelijk is in centra van dorpen en steden in Nederland. Bewoners zijn zich ook bewust van het feit dat ze een woning kopen nabij een kerkgebouw en dat de daarbij behorende activiteiten onderdeel uitmaken van de woon‐ en leefomgeving.
36
Gelet op het voorgaande bestaat er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.8.1 Inleiding
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.‐beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D‐lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.‐beoordeling kan tot twee conclusies leiden: ‐ ‐
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(‐beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.‐ beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.‐beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van de potentiële effecten.
5.8.2 Onderzoeksresultaten vormvrije m.e.r.-beoordeling
De woningbouwontwikkeling aan de Marelstraat te Maassluis kan worden geschaard onder 11.2 van de D‐lijst van het Besluit milieueffectrapportage: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Dit plan van 9 woningen, waarbij tevens nog sprake is van vervanging van een bestaande woning, wordt (in beginsel) niet gezien als een m.e.r.‐plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij: ‐ een oppervlakte van 100 hectare of meer, ‐ een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of ‐ een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.‐beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.‐
37
beoordeling noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:
Kenmerken project / activiteit: de omvang van het project betreft het realiseren van een woningbouwproject, bestaande uit 9 woningen. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Tevens is deze herontwikkeling voorzien op een locatie waar al bebouwing aanwezig is (geweest). Het betreft hier reeds bestaand stedelijk gebied, waarbij in de omgeving al diverse woningen aanwezig zijn. De realisatie van het bouwplan heeft met betrekking tot verkeer slechts een minimaal effect. De omliggende wegen worden namelijk al gebruikt voor de omliggende functies, alsook voor de eerder in het projectgebied aanwezige functies. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd.
Plaats van het project / activiteit: het projectgebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Maassluis. Voor de beoogde herontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht (zie hiervoor de voorgaande paragrafen).
Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het projectgebied. Binnen het projectgebied wordt de realisatie van een woningbouwproject mogelijk gemaakt. De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten zijn in het eerdere deel van dit hoofdstuk toegelicht. Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet.
Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. De effecten die als gevolg van het project optreden zijn lokaal van aard en hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten.
De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III EU‐richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(‐beoordeling) noodzakelijk is.
38
6
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische ‐ en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.
6.1
6.2
Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht
Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke ‐ of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads‐ en dorpsgezicht.
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. Hierover het volgende. Het plangebied betreft een perceel van ongeveer 325 m2. De bestaande bebouwing zal worden afgebroken, waarna een kleinschalig appartementencomplex zal worden gerealiseerd. Bij de geplande bouwwerkzaamheden bestaat het voornemen niet vlakdekkend te ontgraven, maar het vloerpeil ten opzichte van de huidige bebouwing op te hogen, waardoor de bodemingreep zich beperkt tot het graven van funderingssleuven ten behoeve van prefab funderingsbalken. Deze zijn 40 cm breed en hebben een totale oppervlakte van ca. 44 m2 (zie onderstaand figuur 6.1). Los van deze funderingssleuven worden er geen graafwerkzaamheden op het perceel verricht dieper dan 40 cm‐mv. Deze methode is gekozen om eventuele archeologische sporen in situ te kunnen behouden. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Maassluis en bijbehorende toelichting valt het plangebied binnen een zone die wordt aangemerkt als ‘archeologisch waardevol gebied 3’. Dit betreft een hoge archeologische verwachting, mede gebaseerd op cultuurhistorie. Concreet gaat het hier om een zone direct grenzend aan de van oorsprong laatmiddeleeuwse kern van Maassluis.
Hier kunnen met name sporen uit de Nieuwe Tijd en eventueel uit de late Middeleeuwen worden verwacht. Deze sporen kunnen zich reeds vlak onder het maaiveld bevinden. Ter plaatse dient bij bodemverstoringen groter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm‐mv een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan (Rozenlaan e.o.) dateert uit 2010 en daarmee van vóór de vaststelling van bovengenoemd beleidskader. Hierin staat het plangebied echter wel aangemerkt met dubbelbestemming archeologie, waarbij een verstoringsgrens geldt van 100 m2. Ter plaatse geldt een relatief hoge verwachting voor archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, derhalve is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie vastgesteld. Ook in het gemeentelijk archeologiebeleid is vastgesteld dat bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm‐mv archeologisch onderzoek verplicht is.
39
Bij dit bouwplan en de hier voorgenomen werkzaamheden wordt deze grens echter niet overschreden, aangezien er alleen ter plaatse van de funderingssleuven wordt gegraven. Voor het overige deel van het gebouw geldt dat ten opzichte van het bestaande vloerpeil opgehoogd en niet ontgraven wordt en er bovendien bij de nieuwbouw geen sprake is van een kruipruimte of kelder. Door op deze wijze te bouwen, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten in situ behouden blijven en blijft de bodemverstoring als gevolg van de nieuwbouw beperkt. Door de geringe bodemverstoring is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Wel dient de uitvoerder van de grondwerkzaamheden nadrukkelijk te worden gewezen op de meldingsplicht voor archeologische vondsten, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. Aan onderhavig advies kunnen geen rechten worden ontleend.
Fig. 6.1 Situering fundering nieuwbouwplan Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen aan de Marelstraat 23 – 29 te Maassluis. De archeologische waarde van het terrein, welke volgens de aanvraag zal worden verstoord, is met dit onderzoek in voldoende mate vastgesteld.
40
7
UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar te zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.
7.1
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht, respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt, dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en; 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel‐economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling aan de Marelstraat is een initiatief van een ontwikkelaar. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Om eventuele gemeentelijke kosten te voorkomen die een gevolg zijn van de voorgestane ontwikkeling, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade. Verder zullen de overige gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening.
Voor de gemeente Maassluis verloopt het plan dus budgettair neutraal. Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen. De initiatiefnemer heeft inmiddels een omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangevraagd voor de nieuw te bouwen woningen. Dit maakt voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een ieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. De ontwerp‐verklaring van geen bedenkingen heeft samen met de ontwerp‐ omgevingsvergunning en de bijbehorende stukken na publicatie in de gemeenterubriek en de
41
Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op ………… PM, ter inzage gelegen. Direct omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode zienswijzen in te dienen. Zoals in deze ruimtelijke onderbouwing is beschreven, wijkt het bouwplan voor de Marelstraat te Maassluis af van de bepalingen uit het vigerende bestemmingsplan. Het bouwplan voldoet echter wel aan de kwalitatief‐ruimtelijke en stedenbouwkundige doelstellingen voor het betreffende plangebied. Ook de stedenbouwkundige toetsing bevestigt dat het voorliggende bouwplan past binnen de ruimtelijke ‐ en beeldkwaliteit van het betreffende woon‐ en leefgebied. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.
__________________________________________________________________________________
OVERZICHT BIJLAGEN: I.
II. III. IV.
Quickscan Wet natuurbescherming Marelstraat 23 - 29 te Maassluis, Blom Ecologie, d.d. 25 maart 2020 Stikstofdepositie Berekening Marelstraat Appartementen, Aqua Terra-Nova, d.d. 5 maart 2020 Akoestisch onderzoek Marelstraat te Maassluis, De Milieuadviseur, d.d. 25 mei 2020 Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Marelstraat 21-29 te Maassluis, Arnicon, 13 april 2016
42