Bijlage 2 Rapport Inzicht in armoede 2021
Tekst van het document
13
Het aantal van 18.190 wijkt af van wat in de vorige armoedemonitor werd vermeld. De reden hiervoor is dat in 2020 in het voorzieningengebruik geen data zijn betrokken over de regeling vrij reizen (die in Schiedam inmiddels is beperkt). Om een eerlijke vergelijking te maken zijn deze data ook uit het bestand van 2018 gefilterd. Verder worden bewoners die een zogenaamd ‘bijzonder woongebouw’ delen, zoals een zorginstelling, niet als leden van hetzelfde huishouden aangemerkt. Alleen die bewoners van bijzondere woongebouwen die zelf één of meer armoede- of schuldenvoorzieningen gebruiken worden als arm aangemerkt.
november 2021, versie 4
- 23 -
Inzicht in armoede 2021 Grafiek 2.18 toont de afname van armoede per gemeente, zowel op basis van voorzieningengebruik als op basis van inkomen. In elk van de armoedemonitoren is gebruik gemaakt van de recentste inkomenscijfers die op dat moment beschikbaar waren. Omdat de inkomensstatistieken pas ruim twee jaar na afloop van het desbetreffende jaar beschikbaar komen, lopen de inkomenscijfers twee jaar achter op de cijfers over voorzieningengebruik.
Grafiek 2.18 Aandeel personen in huishoudens met armoede/schuldenvoorziening(en), resp. aandeel personen in huishoudens met laag inkomen (≤110%) naar gemeente 14% 12% 10% 8%
8,2% 8,5% 8,0% 7,8%
10,1% 10,7% 9,7% 9,5%
11,8% 10,7% 10,6% 9,2%
10,0% 10,8% 9,8% 9,1%
Vlaardingen
Schiedam
MVS
6% 4% 2% 0%
Maassluis
Voorzieningengebruik 2020
Voorzieningengebruik 2018
Laag inkomen 2018
Laag inkomen 2016
Hoewel het dus om verschillende perioden gaat, is zowel op basis van voorzieningengebruik als op basis van inkomen een afname te zien van het aandeel arme personen. Deze afname is het kleinst in Maassluis en het grootst in Schiedam. Zoals in paragraaf 2.1.2 werd toegelicht, is de afname voor een groot deel toe te schrijven aan het economisch herstel na de kredietcrisis. In grafiek 2.18 kan ook de armoede op basis van inkomen worden vergeleken met de armoede op basis van voorzieningengebruik. Als er tussen die twee een groot verschil zat, zou dat een aanwijzing zijn voor het bestaan van verborgen armoede. Dat wil zeggen dat niet iedereen die recht heeft op armoede- of schuldenvoorzieningen daarvan ook gebruik maakt. Wanneer de recentste inkomenscijfers worden vergeleken met de cijfers over voorzieningengebruik in hetzelfde jaar (2018), dan blijkt dat de verschillen tussen de twee armoedebegrippen beperkt zijn. In Maassluis en Vlaardingen ligt de armoede op basis van voorzieningengebruik 0,4%-punt hoger dan op basis van inkomen, in Schiedam 0,1%-punt lager. In Schiedam zou volgens deze definitie dus sprake kunnen zijn van verborgen armoede. Dat het verschil beperkt is, betekent echter dat de omvang van verborgen armoede naar alle waarschijnlijkheid ook beperkt is. Daarnaast zijn de verschillen voor een deel toe te schrijven aan de regelgeving.
Zo kunnen personen jonger dan 27 jaar alleen bij zeer hoge uitzondering aanspraak maken op bijstand, ook al ligt hun inkomen onder het sociaal minimum. De armoede onder deze leeftijdsgroep is niet het gevolg van onbekendheid met hulp of het mijden ervan, maar zit als het ware ‘ingebakken’ in de regelgeving. In de paragraaf hierna wordt dit verder toegelicht, wanneer de kenmerken van voorzieningengebruikers in kaart worden gebracht.
november 2021, versie 4
- 24 -
Inzicht in armoede 2021
2.2.5 Kenmerken van voorzieningengebruikers Om een beeld te krijgen van hoe de populatie voorzieningengebruikers zich heeft ontwikkeld tussen 2018 en 2020, wordt in deze paragraaf de groep in die twee jaren vergeleken voor wat betreft leeftijd, geslacht, herkomst en woonbuurt. Leeftijd Grafiek 2.18 toont het aantal inwoners dat deel uitmaakt van een huishouden met één of meer armoede- of schuldenvoorzieningen naar leeftijdscategorie.
Grafiek 2.18 Voorzieningengebruik naar leeftijdscategorie (aantal personen) 1.800 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0
2020
2018
Voordat de verschillen tussen 2020 en 2018 aan bod komen, wordt eerst ingegaan op de vorm van deze grafiek. Te zien is dat het voorzieningengebruik in grote lijnen afneemt naar mate de leeftijd toeneemt. De eerste reden hiervoor is dat de meeste mensen er tijdens hun leven financieel op vooruit gaan. In de loop van de jaren bouwen ze een groter of kleiner vermogen op, waardoor ze geen beroep hoeven te doen op armoede- en schuldenvoorzieningen. Ten tweede speelt vanaf ongeveer 60 jaar sterfte een steeds grotere rol in de bevolkingsaantallen. Er zijn dus ook op het geheel minder inwoners in de hogere leeftijdscategorieën (zie grafiek 2.19). Ten derde bepalen specifieke regels het verloop van de grafiek. Zo zijn de meeste kindregelingen in het minimabeleid bestemd voor kinderen van vier jaar en ouder, waardoor de leeftijdscategorie 0-4 jaar wat minder voorkomt dan de andere leeftijdscategorieën tot 20 jaar. Verder wordt bijstand alleen bij zeer hoge uitzondering toegekend aan meerderjarigen jonger dan 27 jaar, ook al ligt hun inkomen onder het sociaal minimum. Hierdoor vertoont de grafiek een dip bij de categorie 20-29 jaar. Tot slot hebben de meeste 65-plussers recht op AOW, vaak in combinatie met een bedrijfspensioen, waardoor zij geen beroep hoeven te doen op armoede- en schuldenvoorzieningen.
Grafiek 2.20 laat het voorzieningengebruik per leeftijdscategorie zien in relatie tot de totale bevolking. De vorm van deze grafiek is vergelijkbaar met grafiek 2.18, tot aan de leeftijd van ongeveer 85 jaar. Vanaf daar stijgt het aandeel voorzieningengebruikers fors. Deze ‘oudste ouderen’ hebben relatief vaak alleen AOW en geen aanvullend bedrijfspensioen, waardoor hun financiële situatie vaak slechter is. Zoals blijkt uit grafiek 2.18, gaat het in absolute aantallen om weinig mensen: slechts tussen de 50 en 70 voorzieningengebruikers in elk van de leeftijdscategorieën boven de 70 jaar. Dit betekent dat het toeval een vrij grote rol speelt; een kleine stijging op een kleine groep kan uitgedrukt in een percentage toch veel zijn. november 2021, versie 4
- 25 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 2.19 Bevolking MVS-gemeenten naar leeftijdscategorie (aantal personen) 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0
2020
2018
Grafiek 2.20 Voorzieningengebruik naar leeftijdscategorie (percentage personen) 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0%
2020
2018
Als het voorzieningengebruik in 2020 wordt vergeleken met 2018, blijkt dat de afname relatief groot is onder kinderen, dertigers en veertigers. In de leeftijdscategorieën 55-64 jaar en 80+ is er echter sprake van een lichte toename van de aantallen (zie grafiek 2.18). Dat het voorzieningengebruik is toegenomen in de leeftijdscategorie 55-64 jaar, is mogelijk te wijten aan de coronacrisis. Waarschijnlijk lukte het relatief veel werkloos geworden werknemers en zelfstandigen met omzetverlies in deze leeftijdscategorie slecht om nieuwe inkomsten te verwerven, waardoor zij afhankelijk werden van armoede- en schuldenvoorzieningen. Voor dertigers en veertigers geldt dat minder; zij hebben een sterkere positie op de arbeidsmarkt. Daarnaast vroegen zij minder voorzieningen aan voor zichzelf en/of hun kinderen, omdat veel voorzieningen (zoals sportverenigingen, zwembaden en muzieklessen) tijdens de lockdown niet beschikbaar waren. Ook waren de wijkteams en de Formulierenbrigade (de grootste intermediair voor kindregelingen) tijdelijk alleen op afspraak te bezoeken. Tot slot zijn in 2020 de kindtoeslag op de individuele inkomenstoeslag en de vrijwilligerspremie in Maassluis en Vlaardingen afgeschaft. De vrijgekomen gelden worden nu ingezet voor preventie. november 2021, versie 4
- 26 -
Inzicht in armoede 2021 Geslacht Grafiek 2.21 laat zien welke aandelen inwoners deel uitmaken van een huishouden met één of meer armoede- of schuldenvoorzieningen, uitgesplitst naar geslacht. Het gaat om inwoners van alle leeftijden.
Grafiek 2.21 Voorzieningengebruik naar geslacht 12% 10%
8,7%
10,4%
9,5%
9,3%
8% 6% 4% 2% 0% 2020
2018
Man
Vrouw
Hieruit blijkt dat vrouwen vaker gebruik maken van armoede- en schuldenvoorzieningen dan mannen. De economische positie van vrouwen is gemiddeld genomen slechter dan die van mannen, al komt hierin wel steeds meer verandering (zie het kader hierna). Het voorzieningengebruik is onder vrouwen wel sterker afgenomen dan onder mannen: 1,1%-punt, tegenover 0,8%-punt. Economische positie van vrouwen verbeterd In 2019 was bijna 64% van de niet-onderwijsvolgende vrouwen in Nederland economisch zelfstandig, tegenover 81% van de mannen. Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen stijgt al jaren, en sinds het einde van de vorige economische crisis ook in een hoger tempo dan in de jaren daarvoor. Meer vrouwen hebben betaald werk, ze werken meer uren per week en verdienen vaker voldoende om op eigen benen te staan. Ook het aandeel vrouwen in technische beroepen en in topfuncties neemt toe. De coronacrisis stopte de groei van arbeidsparticipatie bij zowel vrouwen als mannen. Hoe tijdelijk dit is en hoe groot de gevolgen van corona uiteindelijk zullen zijn, moet nog blijken. Vrouwen werken veel vaker in deeltijd dan mannen. In 2019 werkte 30% van de vrouwen 35 uur per week of meer, tegenover 83% van de mannen. De belangrijkste redenen om in deeltijd te werken zijn: zorg voor kinderen, tijd voor het huishouden en tijd voor zichzelf.
Zes op de tien ouders van minderjarige kinderen zegt de zorg voor de kinderen het liefst gelijk te verdelen. Slechts één op de zes ouders zegt dat dit in de praktijk ook echt zo is. Overigens is de werkloosheid onder vrouwen en mannen vrijwel gelijk: een kleine 3%. De belangrijkste reden om niet te kunnen werken is ziekte of arbeidsongeschiktheid, net als bij mannen. Het loonverschil tussen vrouwen en mannen neemt af, vooral bij de overheid. Dit loonverschil is voor een deel toe te schrijven aan verschillen in arbeidsduur, leeftijd en leidinggeven. Echter, ook als mannen en vrouwen op deze en andere kenmerken niet verschillen, is het uurloon van vrouwen lager: bij de overheid 4% en in het bedrijfsleven 7%. Deze ‘gecorrigeerde loonkloof’ is in beide sectoren iets kleiner geworden sinds 2008. Overigens verdienen jonge vrouwen tegenwoordig per uur meer dan jonge mannen. Dit komt doordat ze vaker hoogopgeleid zijn. De verwachting is dan ook dat het loonverschil verder zal afnemen. Bron: CBS/SCP, Emancipatiemonitor 2020
november 2021, versie 4
- 27 -
Inzicht in armoede 2021 Herkomst Wanneer de arme inwoners van de MVS-regio worden ingedeeld in zeven herkomstgroepen, blijkt dat inwoners met een Nederlandse achtergrond in absolute aantallen de grootste groep onder de armen vormen. Uitgedrukt als percentage van alle inwoners met dezelfde achtergrond is het beeld echter heel anders. Zoals grafiek 2.22 toont, zijn er duidelijke verschillen tussen bevolkingsgroepen wat betreft armoede, en – als gevolg daarvan – ook wat betreft het gebruik van armoede- en schuldenvoorzieningen. Inwoners met een Antilliaanse of Marokkaanse achtergrond zijn in verhouding het vaakst aangewezen op armoede- en schuldenvoorzieningen; inwoners met een Nederlandse of Midden- of Oost-Europese achtergrond (zogenoemde MOE-landers) het minst. De afname van het voorzieningengebruik is relatief groot onder inwoners met een Turkse of Marokkaanse achtergrond en relatief klein onder inwoners met een Nederlandse achtergrond.
Grafiek 2.22 Voorzieningengebruik MVS-gemeenten naar herkomst (percentage personen) 40% 35%
30,5%
30%
24,4%
25% 20%
5%
21,1% 18,1%
17,4% 14,6%
16,6% 13,7%
15%
10%
35,1% 31,2%
5,3%6,6%
4,6% 4,7%
0% Nederlands
Turks
Marokkaans
Surinaams 2020
Antilliaans
MOE-land
Overig
2018
De oorzaak van de verschillen in welvaart tussen bevolkingsgroepen ligt grotendeels in de arbeidsmarkt. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat inwoners met een migratieachtergrond beroepen hebben met gemiddeld een lager niveau dan inwoners met een Nederlandse achtergrond.14 Inwoners met een migratieachtergrond doen dus vaker laag betaald werk. De belangrijkste verklaring hiervoor is volgens het CBS dat inwoners met een migratieachtergrond minder vaak de vereiste opleiding hebben. Echter, ook met een vergelijkbare opleiding hebben inwoners met een migratieachtergrond gemiddeld een lager beroepsniveau. Zij doen dus ook vaker werk onder hun niveau. Een aanvullende verklaring voor de welvaartsverschillen is dat discriminatie (bewust of onbewust) een rol speelt in werving en selectie. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat sollicitanten met een migratieachtergrond pas een even grote kans op een baan maken als vergelijkbare sollicitanten met een Nederlandse achtergrond, wanneer zij meer ervaring en opleiding hebben of hun betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving uitspreken en aantonen met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.15
14 15
CBS, Beroepsniveau van allochtonen lager, 19 februari 2007. SCP, Op afkomst afgewezen, juni 2015.
november 2021, versie 4
- 28 -
Inzicht in armoede 2021 Woonbuurt De grafieken 2.23 tot en met 2.25 tonen de aandelen voorzieningengebruikers per buurt voor Maassluis, Vlaardingen en Schiedam. Alleen buurten met minimaal 100 inwoners en minimaal 10 voorzieningengebruikers worden getoond. Ten eerste blijkt uit deze grafieken, net als uit de grafieken over huishoudens met lage inkomens (zie paragraaf 2.1.3), dat in Schiedam de armoedepercentages per buurt het meest uiteen lopen. Dit komt doordat het woningaanbod in Schiedamse buurten en wijken relatief homogeen is. In Vlaardingen en Maassluis is het woningaanbod van buurten en wijken gevarieerder, wat leidt tot meer variatie in inkomens.
Grafiek 2.23 Aandeel voorzieningengebruikers per buurt, Maassluis 18,6% 20,3%
Bloemenbuurt Burgemeesterswijk
12,0%
Kapelpolder
11,8% 12,0% 11,8%
Binnenstad
11,7% 11,9% 11,5%
Sluispolder Oost Componistenbuurt Sluispolder West
8,5%
15,4%
15,0%
13,8%
11,5% 11,2% 12,1%
Bomendal Vertobuurt Taanschuurpolder
5,4% 4,1%
Koningshoek
9,2% 8,2% 7,0%
2,5% 3,4% 3,2% 3,1% 2,1% 2,5% 2,3% 1,3% 2,6%
Steendijkpolder Zuid Vogelbuurt Steendijkpolder Noord Het Balkon 0%
5%
2020
10%
15%
20%
2018
25%
Verder is te zien dat het voorzieningengebruik in het merendeel van de buurten is afgenomen. In de meeste buurten waar de daling bovengemiddeld groot is, heeft sloop en/of nieuwbouw van woningen plaatsgevonden in de jaren 2018-2020. Normaal gesproken wordt een flink deel van de nieuwe woningen betrokken door personen of huishoudens die meer te besteden hebben, waardoor de armoede en het voorzieningengebruik in die buurten afnemen. Dit geldt in Maassluis bijvoorbeeld voor de Binnenstad en de Burgemeesterswijk, in Vlaardingen voor de Vogelbuurt Noord en de Vogelbuurt Zuid en in Schiedam voor de Nolensbuurt, de Fabribuurt en de Wetenschappersbuurt. Verder zijn in de Staatsliedenbuurt in Schiedam woningen bijgebouwd. Dat er in Schiedam relatief veel sloop en nieuwbouw heeft plaatsgevonden, verklaart ook gedeeltelijk waarom juist in Schiedam de armoede is gedaald, zowel op basis van inkomen als op basis van voorzieningengebruik (zie grafiek 2.18 in paragraaf 2.2.4). Daarnaast telt Schiedam relatief veel arme inwoners en dat veroorzaakt een in verhouding grote uitstroom uit de armoede in tijden van economisch herstel.
november 2021, versie 4
- 29 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 2.24 Aandeel voorzieningengebruikers per buurt, Vlaardingen 19,4% 20,7%
Hoofdstedenbuurt
18,2%
Zuidbuurt Vogelbuurt Noord
15,3%
Babberspolder Oost
14,7% 15,6% 13,0%
Vogelbuurt Zuid Oostbuurt
11,7% 11,4%
Kruidenbuurt
11,5% 12,0%
Vettenoordse Polder Oost
11,5% 12,4%
Hoogkamer
10,9%
Lage Weide
10,8%
Indische Buurt
19,1%
15,6%
12,8% 13,9%
10,7%
7,4%
Statenbuurt
9,5% 9,4%
Centrum
8,9% 9,6%
Wetering
8,5% 9,6% 6,4% 7,6%
Hoevenbuurt
5,7% 6,6%
Babberspolder West
4,2% 5,5%
Maasboulevard
4,1% 4,3%
Loper Zuid Vaart Zuid
2,2% 1,3%
Loper Noord
1,8% 2,1%
Vaart Noord
1,6% 1,1%
Oranjebuurt
1,0% 1,1%
Hofbuurt
0,9%
Drevenbuurt
0,6% 0,3%
0%
november 2021, versie 4
20,4%
2020
2018
2,4%
5%
10%
15%
20%
25%
- 30 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 2.25 Aandeel voorzieningengebruikers per buurt, Schiedam 32,8% 33,5%
Groenoord-Zuid 20,8% 21,4% 20,8%
Wibautbuurt Nolensbuurt 15,2%
Fabribuurt
15,0% 18,6% 14,1% 13,6%
Staatsliedenbuurt Piet Sandersbuurt
13,5%15,6% 13,1% 16,0% 12,6% 18,4%
Groenoord-Noord Groenoord-Midden Wetenschappersbuurt
12,4%14,4% 11,2% 12,1%
Spieringshoek Binnenstad
11,0%13,6% 11,0% 12,3%
Eilandenbuurt Rotterdamsedijk
10,6%12,8% 10,2% 13,3%
Schiehart Newtonbuurt
6,5% 9,5% 8,6% 12,5% 8,4% 11,2%
Hollandiabuurt Singelkwartier Frankenland
7,8% 10,3%
Natuurkundigenbuurt
7,4% 8,2% 6,8% 6,2%
Maasboulevard Walvisbuurt
6,1% 8,7%
Noletbuurt Brandersbuurt
6,1%
Schrijversbuurt
5,8% 4,8% 5,8% 5,2%
Schildersbuurt
9,2%
5,5% 4,4% 5,4% 6,7%
Kastelenbuurt Stationsbuurt
5,1% 5,5% 3,9% 4,5%
Liduinabuurt Ambachtenbuurt
3,6% 4,2% 3,4% 4,9% 3,3% 1,8%
Kethel-dorp Tuindorp Oranjekwartier
3,2% 2,7% 3,1% 2,7%
Haverschmidtkwartier Toneelspelersbuurt
1,0%2,7% 2,6% 3,5%
De Vlinderhoven/Sveaholm De Plantage
2,4% 0,9% 2,0% 2,2%
Sveaborg en -Dal De Akkers en De Velden
1,8% 2,1% 1,8% 2,6%
De Gaarden/Sveafors Botenbuurt
2020
2018
1,8% 2,0% 1,7% 2,8%
Vakbondsliedenbuurt Nassaukwartier
1,3% 1,7%
Distillateursbuurt 0%
november 2021, versie 4
26,0%
19,6%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
- 31 -
Inzicht in armoede 2021
2.2.6 Eerste gevolgen van corona Het is onmogelijk om de gevolgen van corona uitputtend te beschrijven, ook omdat de pandemie nog altijd gaande is, sommige beperkingen nog van kracht zijn en het Rijk tot 1 oktober 2021 nog financiële steun verleende. Pas wanneer deze steun enige tijd ten einde is, zal blijken hoe groot de schade van corona echt is, ook ‘achter de voordeur’. Deze paragraaf geeft dan ook niet meer dan een eerste indruk, op basis van cijfers over uitkeringen en onderzoeken van derden.
Grafiek 2.26 Ontwikkeling Tozo-uitkeringen per gemeente, maart 2020 - september 2021 1400 1200 1000 800 600 400 200 0 nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt 19 19 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 21 21 21 21 21 21 21 21 21 21 Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
Grafiek 2.27 Ontwikkeling bijstandsuitkeringen (PW, IOAW, IOAZ, Bbz) per gemeente, november 2019 - oktober 2021 3000 2500 2000 1500 1000 500 0 nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt 19 19 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 20 21 21 21 21 21 21 21 21 21 21 Maassluis
november 2021, versie 4
Vlaardingen
Schiedam
- 32 -
Inzicht in armoede 2021 Grafiek 2.26 laat de ontwikkeling zien van het aantal uitkeringen op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), die in maart 2020 vanwege de coronacrisis in het leven is geroepen. Het aantal Tozo-uitkeringen piekte direct na ingang van de eerste lockdown, in de periode van maart tot en met juni 2020. Er volgde een kleinere piek rond februari 2021. Daarna daalde het aantal Tozo-uitkeringen geleidelijk en per 1 oktober 2021 is de regeling beëindigd. In tegenstelling tot de Tozo, vertoont het aantal bijstandsuitkeringen (PW, IOAW, IOAZ, Bbz) weinig fluctuatie sinds de coronacrisis. Dit is te zien in grafiek 2.27. Vanaf maart 2017 was de trend wat betreft het aantal lopende bijstandsuitkeringen in alle drie de gemeenten dalend: in Maassluis licht, in Vlaardingen iets sterker en in Schiedam nog sterker. Hoewel Schiedam meer inwoners heeft dan Vlaardingen, bereikte het aantal bijstandsuitkeringen in Schiedam in 2019 ongeveer hetzelfde niveau als in Vlaardingen. Sinds eind 2019 is het aantal bijstandsuitkeringen in alle drie de gemeenten vrijwel stabiel. Het kader hierna beschrijft op basis van onderzoek van derden de eerste gevolgen van corona voor Nederland en de verwachtingen voor de komende tijd, voor zover die al in beeld zijn gebracht.
november 2021, versie 4
- 33 -
Inzicht in armoede 2021 Economische en sociale gevolgen van de coronacrisis in Nederland Begin 2020 zag het ernaar uit dat Nederland in een ongekende economische crisis zou belanden. De coronacrisis zou nog ernstiger worden dan de kredietcrisis, die Nederland in 2009 raakte. Vanaf maart 2020 kromp de economie: huishoudens consumeerden minder (maar spaarden meer), bedrijven investeerden minder en de export daalde sterker dan de import. Anders dan in 2009 bood de overheid uitgebreide financiële steun aan bedrijven, zo’n 30 miljard euro in 2020. Mede dankzij het financiële steunpakket bleef de economische krimp in 2020 beperkt tot 3,7%, hetzelfde als in 2009. Toch zijn er veel verschillen tussen de coronacrisis en de kredietcrisis. In 2009 werden vrijwel alle bedrijfstakken geraakt. Nu zijn sommige sectoren zwaar getroffen – zoals horeca, cultuur, toerisme en detailhandel – terwijl andere bedrijfstakken forse groei doormaken: supermarkten, internetwinkels, bouwmarkten en de ICT-sector. Ook op individueel niveau zijn de verschillen groot: mensen in loondienst met een vast contract ervaren relatief weinig financiële gevolgen, terwijl veel ondernemers en zzp’ers het water aan de lippen staat. De seizoengecorrigeerde werkloosheid liep op van 273.000 in maart 2020 tot 426.000 in augustus 2020; daarna nam ze weer af.
Volgens het SCP lopen het grootste risico om hun baan te verliezen: mensen met een flexibel dienstverband (1) in een sector die krimpt (2). Relatief veel werknemers met een migratieachtergrond, laag opgeleide mensen en mensen met een arbeidsbeperking voldoen aan beide criteria. Werkverlies bij deze groepen brengt een groot risico op armoede met zich mee. Wanneer mensen langer dan een jaar in armoede leven, neemt de kans dat zij hier ooit nog uit komen in sterke mate af. Het SCP ziet omscholing als belangrijkste oplossing voor het werkverlies. Het CPB wijst erop dat de armoede, ook los van de coronacrisis, zal groeien. Door reeds ingezet beleid neemt het aantal personen in armoede na 2021 met ruim een kwart toe. Dit komt door de jaarlijkse verlaging van de bijstandsuitkeringen, die doorloopt tot en met 2035. Het gaat om de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon voor de bijstand. Hierdoor neemt de kans op armoede onder bijstandsgerechtigden fors toe. Eind maart 2021 telde Nederland 433.000 personen tot de AOW-gerechtigde leeftijd met een algemene bijstandsuitkering. Vooral onder jongeren en mensen met een migratieachtergrond is het aandeel bijstandsgerechtigden toegenomen.
Hoewel tijdens de lockdown het aantal aanmeldingen voor schuldhulpverlening tijdelijk iets lager was, waarschuwde de NVVK (de branchevereniging voor schuldhulpverlening, sociaal bankieren en bewindvoering) halverwege 2020 dat het aantal hulpvragen met zo’n 30% zou stijgen. Het CPB stelde in haar juniraming 2021 dat de economie zich snel herstelt (toen het aantal besmettingen afnam en de vaccinatiegraad toenam). De verwachting is dat de economie in 2021 en 2022 groeit met ruim 3% per jaar. De werkloosheid blijft in 2021 beperkt tot 4,1%, vrijwel gelijk aan het gemiddelde in 2017-2019, voor de crisis. Het bruto binnenlands product komt in 2025 weliswaar 1,5% lager uit dan voor de coronacrisis werd voorzien, maar dat is gunstiger dan het negatieve effect van 3% waar eerder van werd uitgegaan. Het CBS stelt echter dat pas wanneer de financiële steun ten einde is zal blijken hoe groot de schade van corona echt is.
BKR, Coronaschade zit verstopt in een zwarte doos, 26 mei 2021 CBS, Huishoudens sparen ruim 4 miljard euro meer in eerste kwartaal, 24 juni 2020 CBS, Werkloosheid in november verder gedaald, 17 december 2020 CBS, Overheidstekort over 2020 uitgekomen op 34 miljard euro, 26 maart 2021 CBS, Vooral toename jongeren in de bijstand, 31 mei 2021 CPB, Kansrijk armoedebeleid, juni 2020 CPB, Juniraming 2021, 22 juni 2021 NVVK, NVVK voorziet 30% toename hulpvraag voor 2020 en verder, 2 juni 2020 SCP, Kwetsbare groepen lopen grootste risico op werkverlies en armoede, 9 juli 2020
november 2021, versie 4
- 34 -
Inzicht in armoede 2021
3 Effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid In dit hoofdstuk worden eerst de doelen van het armoede- en schuldenbeleid beschreven. Vervolgens wordt met behulp van de Divosa Benchmark bekeken hoe Stroomopwaarts het armoede- en schuldenbeleid uitvoert in vergelijking met andere sociale diensten. Daarna wordt een beeld gevormd van de effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid aan de hand van een aantal evaluatievragen.
3.1 Beleidsdoelen Zoals beschreven in de Regionale Visie Armoede en Schulden, 16 is het de ambitie van de drie gemeentebesturen om de toename van de armoede die in het recente verleden heeft plaatsgevonden uiterlijk in 2023 om te buigen in een afname: het aandeel huishoudens met een laag inkomen moet verminderen. De MVS-gemeenten willen dat alle inwoners kunnen meedoen in de samenleving. Armoede en schulden mogen daarvoor geen belemmering vormen. Werk moet lonen. In het beleid staan niet de inkomensregelingen centraal, maar de beoordeling in een bredere context welke aanpak de beste kansen biedt om armoede of schulden te voorkomen of op te lossen. Dit betekent dat er kritisch wordt gekeken naar de rol van de overheid als schuldeiser, de toegankelijkheid van de dienstverlening en een andere houding van de overheid in de bejegening van de inwoner (van wantrouwen naar vertrouwen). Ook is er aandacht voor kinderen die opgroeien in armoede, het voorkomen van laaggeletterdheid, armoedepreventie, het vroegtijdig signaleren van problemen en het bevorderen van financiële zelfredzaamheid. Hierna worden de beleidsdoelstellingen kort beschreven. 1. Verstevigen van preventie, vroegsignalering en nazorg 1.1.
Voorkomen dat arme kinderen ook als volwassene in armoede zullen leven, door goede scholing en begeleiding, ook van de ouders (de stress van armoede kan ouders onzeker maken over hun rol als opvoeder, met soms opvoedproblemen als gevolg); 1.2. Financiële educatie aan jongeren die aansluit bij hun leefwereld en bij relevante levensgebeurtenissen, zoals het moeten afsluiten van een eigen zorgverzekering zodra de leeftijd van 18 jaar in zicht komt; 1.3. Vroegsignalering van betalingsachterstanden om huisuitzettingen, afsluiten van water of energie en onderverzekering te voorkomen; 1.4. Een gezonder leefpatroon stimuleren (armoede leidt soms tot gezondheidsproblemen en gezondheidsproblemen kunnen ook resulteren in armoede); 1.5. Nazorg aan inwoners die de uitkering uitstromen: voorlichting, voorkomen van armoedeval door bijvoorbeeld een uitstroompremie, voorkomen van terugval in schulden. 2. Activerend armoede- en schuldenbeleid, met extra aandacht voor kinderen en jongeren 2.1. Meedoen voor kinderen: kinderen moeten de kans krijgen zich te ontwikkelen op school, bij verenigingen, in de sport en wat betreft omgaan met geld; 2.2. Samen sterk voor werk: betaald werk is dé manier om uit de armoede te komen, werk activeert en geeft zelfrespect en sociale contacten; 2.3.
Schuldhulpverlening: zo snel mogelijk de inkomenssituatie op orde krijgen en waar nodig ook andere hulpverlening inschakelen; 2.4. Sociaal incasso en maatwerk: de werkwijzen van verschillende onderdelen van de gemeente rond schulden en vorderingen moeten zo veel mogelijk uniform zijn en op elkaar afgestemd (enerzijds ondersteunt de gemeente inwoners met financiële problemen, anderzijds is zij soms schuldeiser inzake belastingen, uitkeringen, boetes en vergunningen); 2.5. Jongeren: preventie en vroegsignalering, voorkomen dat er schulden ontstaan, in geval van schulden maatwerk leveren om schooluitval of uitval uit werk te voorkomen. 16
Stroomopwaarts MVS, Regionale Visie Armoede en Schulden Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2020-2023, oktober 2019.
november 2021, versie 4
- 35 -
Inzicht in armoede 2021 3. Laagdrempelige en vindbare voorzieningen en dienstverlening 3.1. Bereik: ervoor zorgen dat inwoners de weg naar de gemeenten en uitvoeringsorganisaties weten te vinden en het traject dat daarop volgt met succes af weten te ronden, door betere communicatie, aandacht voor laaggeletterdheid en hulp van de Formulierenbrigade; 3.2. Betere afweging bij schuldenbewind: het onder bewind stellen van mensen met problematische schulden zou pas moeten gebeuren nadat lichtere vormen van inkomensbeheer zijn ingezet en altijd in combinatie met schuldregelen, zodat er perspectief is op een schuldenvrije toekomst (schuldenbewind is een zwaar middel dat de laatste jaren steeds meer wordt ingezet); 3.3. Gemeentelijke regelingen: de MVS-gemeenten blijven de website berekenuwrecht.nibud.nl inzetten om het recht op landelijke en gemeentelijke regelingen inzichtelijk te maken voor potentiële gebruikers, de regelingen worden geïndexeerd volgens de jaar-op-jaarmethode; 3.4. Voorlichting en bespreekbaar maken van geldzaken en schulden: voorlichting wordt niet alleen ingezet voor preventie, maar ook om te zorgen dat mensen ondanks mogelijke schaamte en schuldgevoelens tijdig hulp vragen en gebruik maken van de regelingen waarop zij recht hebben; 3.5.
Schuldhulpverlening in de wijk: samenwerking met de wijkteams om tijdig de juiste instrumenten in te zetten bij problematische schulden, saneringskrediet vaker inzetten zodat schuldeisers snel hun geld krijgen en cliënten slechts één overzichtelijke schuld hebben; 3.6. Noodhulp: er wordt onderzocht of er samen met de Stichting Urgente Noden Nederland (SUNN), hulpverleners en donateurs een noodhulpbureau in de MVS-gemeenten kan worden gevestigd dat snel hulp kan bieden bij acute financiële nood (het noodhulpbureau kan iets meer doen, omdat zij aan mindere strengere wettelijke kaders is gebonden dan Stroomopwaarts en de gemeenten). Wat levert werk op? Het doel van de Participatiewet, die op 1 januari 2015 van kracht werd, was om zo veel mogelijk mensen met arbeidsvermogen aan het werk te laten zijn, bij voorkeur bij een gewone werkgever. Hoewel de baankansen voor arbeidsbeperkten flink zijn gedaald na invoering van de Participatiewet, blijkt uit recent onderzoek dat werk wel positieve effecten heeft: mensen met een arbeidsbeperking doen minder vaak een beroep op geestelijke gezondheidszorg (ggz) en Wmo-ondersteuning als zij werk hebben. Ook neemt het risico op crimineel gedrag af. Arbeidsbeperkten vormen een groep met een zwakke arbeidsmarktpositie, die relatief veel crimineel gedrag vertoont, een hoog zorggebruik heeft en vaak kampt met schuldenproblematiek.
Van de steekproef maakt ongeveer 22% gebruik van ggz, doet 26% een beroep op Wmoondersteuning en vertoont 5% crimineel gedrag. Het hebben van een baan (in dit onderzoek in een beschutte werkomgeving) verkleint de kans op het gebruik van ggz of Wmo-ondersteuning met respectievelijk 7 en 9%-punt. Verder daalt de kans op crimineel gedrag met ruim 3%-punt. Naast de directe besparingen op bijvoorbeeld bijstand, zou dit het Rijk, verzekeraars en gemeenten zo’n 5.000 euro per persoon per jaar kunnen opleveren: 500 euro op ggz-gebruik, 1.400 euro op Wmo-gebruik en 3.000 euro vanwege minder maatschappelijke schade door criminaliteit. Verder zijn er immateriële baten, zoals sociale contacten en netwerken die mensen opdoen met en via werk en het levensgeluk dat werk oplevert, onder meer door het zelfrespect dat samengaat met het hebben van werk en de financiële mogelijkheden die het biedt. CPB/SCP, De brede baten van werk, maart 2020
november 2021, versie 4
- 36 -
Inzicht in armoede 2021
3.2 Benchmarkresultaten In de Divosa Benchmark wordt de uitvoeringspraktijk van Stroomopwaarts MVS vergeleken met die van andere sociale diensten, ten eerste met diensten die een ongeveer even grote bevolking bedienen, de zogenaamde grootteklasse, en ten tweede met alle deelnemers aan de benchmark. In 2019 (de recentste beschikbare versie) waren er in totaal 87 deelnemers. De grootteklasse bestond uit 20 deelnemers. Uit de Divosa Benchmark Armoede en schulden 2019 blijkt het volgende:
De totale uitgaven voor bijzondere bijstand bedragen € 5.193.166. Per inwoner is dit ruim € 28, net iets lager dan het benchmarkgemiddelde (ruim € 29), maar hoger dan gemiddeld binnen de grootteklasse (ruim € 25). Per huishouden (bijna € 60) zit het net boven het gemiddelde van de grootteklasse (bijna € 58) en ruim onder dat van de gehele benchmark (bijna € 64). Van de uitgaven aan bijzondere bijstand gaat een relatief groot deel naar de collectieve aanvullende verzekering en relatief weinig naar individuele inkomenstoeslag.
De uitgaven aan beschermingsbewind bedragen € 1.688.748. Dit is 32,5% van alle uitgaven aan bijzondere bijstand. Binnen de grootteklasse is dit 35,2% en voor de gehele benchmark 36,2%. De uitgaven aan beschermingsbewind per inwoner en per huishouden zijn net iets lager dan binnen de grootteklasse en beduidend lager dan binnen de gehele benchmark. De uitgaven zijn ook iets gedaald ten opzichte van het vorige jaar.
De uitgaven aan de collectieve aanvullende verzekering bedragen € 1.411.758. Dit is 27,2% van de uitgaven aan bijzondere bijstand. Dat is aanmerkelijk meer dan binnen zowel de grootteklasse (19,9%) als de gehele benchmark (21,4%). Per inwoner en per huishouden liggen de uitgaven aan de CAV boven het gemiddelde van de grootteklasse en ruim boven dat van de gehele benchmark.
De uitgaven aan individuele inkomenstoeslag bedragen € 768.585. Dit is met 14,8% van de uitgaven aan bijzondere bijstand lager dan zowel de grootteklasse (17,8%) als de gehele benchmark (17,4%). Per inwoner is dit iets lager dan de grootteklasse en fors lager dan de benchmark. Per huishouden is dit ruim onder zowel de grootteklasse als de benchmark.
De uitgaven aan individuele studietoeslag bedragen € 5.334, ofwel 0,1% van de uitgaven aan bijzondere bijstand. Dat is duidelijk minder dan de grootteklasse (0,6%) en het benchmarkgemiddelde (0,7%). Per inwoner en per huishouden is dit fors minder dan de gemiddelden van zowel de grootteklasse als de gehele benchmark.
De uitgaven aan overige bijzondere bijstand bedragen € 1.315.100. Met 25,3% van de uitgaven aan bijzondere bijstand is dit minder dan zowel de grootteklasse (30,2%) als het benchmarkgemiddelde (27,9%). Per inwoner liggen de uitgaven echter niet ver uit elkaar, al zit Stroomopwaarts wel net iets lager. Per huishouden zijn de uitgaven lager dan zowel de grootteklasse als de benchmark.
De uitgaven aan maatschappelijke participatie bedragen € 1.708.846. Met 24,8% van de uitgaven aan minimabeleid is dit flink wat hoger dan de grootteklasse (16,2%) en de gehele benchmark (16,5%). Ook per inwoner en per huishouden zijn de uitgaven relatief hoog.
De uitgaven aan maatschappelijke participatie voor volwassenen bedragen € 174.214. Zowel per inwoner als per huishouden is dit relatief laag.
De uitgaven aan maatschappelijke participatie voor kinderen bedragen € 260.468. Per kind is dit beduidend meer dan zowel de grootteklasse als de gehele benchmark (€ 44, tegenover € 22, respectievelijk € 24). De uitgaven aan particuliere initiatieven en fondsen voor kinderen bedragen € 1.274.164. Dit is per kind veel meer dan zowel de grootteklasse als de benchmark (€ 36,
november 2021, versie 4
- 37 -
Inzicht in armoede 2021 tegenover € 12, respectievelijk € 14). De uitgaven voor kindpakketten per minimahuishouden met kinderen bedroeg in 2019 € 960. Zowel de grootteklasse als de gehele benchmark zitten iets lager: € 908.
In 2019 ontving Stroomopwaarts 22.853 aanvragen minimabeleid. Per 1.000 inwoners is dat flink wat meer dan zowel de grootteklasse als het benchmarkgemiddelde (ruim 120 per 1.000 inwoners, tegenover rond de 50). Van deze aanvragen wordt een relatief groot deel (25,8%) afgewezen. In de grootteklasse is dit gemiddeld 13,6% en binnen de gehele benchmark 14,6%.
Het aantal cliënten schuldhulpverlening per 10.000 inwoners is bij Stroomopwaarts relatief hoog: bijna 80, tegenover minder dan 50 in de grootteklasse en minder dan 60 voor de hele benchmark.
Het aantal aanmeldingen schuldhulpverlening is relatief hoog: 41,8 per 10.000 inwoners, tegenover 26,7 voor de grootteklasse en 33,7 voor de hele benchmark. Het aantal intakes voor schuldhulpverlening (21,9 per 10.000 inwoners) zit echter in dezelfde orde van grootte als bij andere sociale diensten. Bij Stroomopwaarts valt dus een relatief groot deel van de aanmelders uit voordat een intake plaatsvindt; in veel gevallen komt het niet tot een formele aanvraag om schuldhulpverlening. Overigens is met ingang van 1 januari 2021 de intake gewijzigd; hierdoor zal de uitval naar alle waarschijnlijkheid dalen.
Het aandeel succesvol afgewende crisisinterventies ligt relatief laag: ongeveer 50%, tegenover gemiddeld ruim 80% bij andere sociale diensten.
Ook het aandeel cliënten bij wie informatie en advies volstaat (en die verder zelfstandig uit de schulden kunnen raken), is relatief laag: minder dan 4%, tegenover gemiddeld zo’n 10% bij andere sociale diensten.
Het instrument van stabilisatie (rust creëren door inkomsten en uitgaven in evenwicht te brengen) wordt relatief weinig ingezet: bij zo’n 10% van de cliënten, tegenover gemiddeld bijna 20% bij andere sociale diensten. Wel is de duur van stabilisatie behoorlijk wat langer dan gemiddeld: Stroomopwaarts overschreed in 42% van de gevallen de standaard duur van vier maanden (verlenging met vier maanden is eenmalig mogelijk), tegenover 25% in de grootteklasse en gemiddeld 28% voor de hele benchmark.
Budgetcoaching wordt ongeveer even vaak ingezet als bij andere sociale diensten, bij zo’n 5% van de cliënten.
Slechts een klein deel van de cliënten heeft een betalingsregeling waarbij wordt afgesproken de gehele schuld af te lossen: 0,4% (slechts vijf gevallen), tegenover gemiddeld zo’n 2,0% bij andere sociale diensten. In alle vijf de gevallen slaagde Stroomopwaarts erin een overeenkomst met de schuldeisers te sluiten (tegenover bij ongeveer 90% in de grootteklasse) en werd de schuld succesvol afbetaald (tegenover ongeveer twee derde in de grootteklasse).
Saneringskrediet (de Kredietbank neemt alle schulden over en de cliënt lost de schulden af aan de Kredietbank) wordt nauwelijks ingezet, terwijl het binnen de grootteklasse in 95% van de gevallen slaagt (het lukt om tot een overeenkomst te komen met de schuldeisers en de schulden zijn afgekocht) en in 84% van de gevallen succesvol is (de cliënt voldoet gedurende drie jaar aan de maximale inspanningsverplichting om af te lossen). Overigens is Stroomopwaarts inmiddels begonnen om sanering vaker in te zetten.
november 2021, versie 4
- 38 -
Inzicht in armoede 2021
Van de schuldbemiddelingen is een relatief klein deel geslaagd (het lukt een overeenkomst te sluiten met de schuldeisers): 53,1%, tegenover 65,5% in de grootteklasse en gemiddeld 72,6% voor de hele benchmark. Ook is een relatief klein deel succesvol (het lukt de schulden volgens afspraak af te betalen): 59,3%, tegenover gemiddeld ruim 85% bij andere sociale diensten.
Het aandeel cliënten met een regeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) is gelijk aan dat van de grootteklasse, zo’n 7%. Voor de hele benchmark is het ongeveer 6%.
Stroomopwaarts zet nazorg relatief veel in, bij zo’n 15% van de cliënten, tegenover 13% voor de grootteklasse en gemiddeld 12% voor de hele benchmark.
Recidive (een cliënt doet binnen vijf jaar opnieuw een formele aanvraag om schuldhulpverlening) komt relatief vaak voor, bij zo’n 10% van de cliënten, tegenover 5% voor de grootteklasse en gemiddeld 6% voor de hele benchmark.
De gemiddelde schuld ligt relatief laag: ongeveer € 30.000, tegenover zo’n € 37.000 bij andere sociale diensten. Tegelijkertijd hebben cliënten van Stroomopwaarts wel veel schuldeisers: gemiddeld 16, tegenover 13 bij andere sociale diensten.
Samenvattend over Divosa Benchmark In vergelijking met andere sociale diensten is het aantal aanvragen om bijzondere bijstand en minimaregelingen hoog. Tegelijkertijd worden relatief veel aanvragen niet gehonoreerd. Van de uitgaven voor het minimabeleid gaat een in verhouding groot deel naar bijzondere bijstand en maatschappelijke participatie van kinderen. Ook wordt relatief veel besteed aan de collectieve aanvullende verzekering en juist iets minder dan gemiddeld aan beschermingsbewind en individuele inkomenstoeslag. Het aantal cliënten schuldhulpverlening is hoog in vergelijking met andere sociale diensten. Ook het aantal aanmeldingen is hoog, maar daarvan leidt slechts een gemiddeld aantal tot een formele aanvraag. Veel aanmelders komen dus niet in de hulpverlening. De problematiek lijkt zwaar. Zo volstaan informatie en advies bij relatief weinig cliënten. De gemiddelde schuld is lager dan landelijk, maar het gemiddeld aantal schuldeisers is hoger. Schuldenbemiddelingen zijn minder vaak geslaagd en succesvol dan gemiddeld. Saneringskrediet wordt nauwelijks ingezet. Het aandeel succesvol afgewende crisisinterventies ligt in verhouding laag. Aan een relatief groot deel van de cliënten wordt nazorg geboden, maar toch komt recidive relatief veel voor.
november 2021, versie 4
- 39 -
Inzicht in armoede 2021
3.3 Effectiviteit Net als in de vorige armoedemonitor wordt een beeld gevormd van de effectiviteit van het armoedeen schuldenbeleid aan de hand van een aantal evaluatievragen. Deze vragen zijn grotendeels afgeleid van de beleidsdoelstellingen, maar beperken zich niet daartoe. Hierna volgt voor elk van deze vragen een met cijfers onderbouwde uitspraak over de effectiviteit. De uitspraken worden aan het einde van deze paragraaf samengevat in tabel 3.1. 1. In welke mate is het aandeel huishoudens met een laag inkomen toe- of afgenomen? Het aandeel huishoudens met een laag inkomen is in alle drie de gemeenten afgenomen, en zelfs in sterkere mate dan landelijk. MVS-breed daalde het aandeel huishoudens met een laag inkomen van 12,9% in 2017 naar 12,3% in 2018, in heel Nederland van 10,9% in 2017 naar 10,6% in 2018 (zie paragraaf 2.1.1 en 2.1.2). Bij dit goede nieuws zijn twee kanttekeningen te maken. Ten eerste hebben de recentste inkomensstatistieken betrekking op het kalenderjaar 2018. De cijfers stammen dus uit de tijd dat de Nederlandse economie nog groeide. In 2020 heeft de coronacrisis die groei doen omslaan in krimp. De huidige economische situatie wijkt sterk af van die in 2018 en dat heeft gevolgen voor de armoede.
Ten tweede is het aandeel huishoudens dat al minstens vier jaar op rij leeft van een laag inkomen in Vlaardingen en Schiedam licht toegenomen, in dezelfde mate als landelijk (in Maassluis is dit gelijk gebleven). Hoe langer armoede duurt, des te lastiger is het om eruit te raken. 2. In welke mate is het voorzieningengebruik toe- of afgenomen? Het voorzieningengebruik is in alle drie de gemeenten afgenomen. Het aandeel inwoners dat deel uitmaakt van een huishouden met één of meer armoede- of schuldenvoorzieningen is MVS-breed gedaald van 10,0% van de bevolking in 2018 naar 9,1% in 2020. 3. In welke mate is het aandeel kinderen dat opgroeit in armoede toe- of afgenomen? De armoede onder kinderen is afgenomen. Het aandeel kinderen dat deel uitmaakt van een huishouden met een laag inkomen daalde in alle drie de gemeenten. MVS-breed ging het om een daling van 13,9% in 2017 naar 12,8% in 2018. Dit is een duidelijk sterkere daling dan landelijk, van 8,5% in 2017 naar 8,2% in 2018 (zie paragraaf 2.1.1). Tegelijkertijd blijkt uit deze cijfers dat het aandeel arme minderjarigen nog altijd ruim boven het landelijk gemiddelde ligt. Dit geldt voor alle drie de gemeenten. Kinderen leven bijna anderhalf keer zo vaak in armoede als volwassenen in deze regio. 4.
Hoe heeft de ervaren gezondheid onder inwoners met een laag inkomen zich ontwikkeld? In de vorige armoedemonitor bleek dat van de inwoners met een laag inkomen ongeveer 50% de eigen gezondheid als goed tot zeer goed ervaart, en van de overige inwoners ongeveer 80%.17 Inwoners met een laag inkomen hebben dus vaak al een minder goede gezondheid. Juist daarom is het van groot belang hoe de (ervaren) gezondheid onder deze groep zich ontwikkelt. Uit de recentste leefbaarheids- en veiligheidsmonitoren blijkt dat zowel in Maassluis als in Schiedam voortuitgang is geboekt: het aandeel inwoners dat de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart, steeg in Maassluis van 53,5% in 2018 naar 56,8% in 2020, in Schiedam van 47,9% in 2017 naar 51,9% in 2019. Dit is weergegeven in grafiek 3.1. Ter vergelijking: van de inwoners met een midden- of hoog inkomen ervaart in Maassluis 81,6% de eigen gezondheid als (zeer) goed en in Schiedam 83,7%. Voor Vlaardingen zijn geen nieuwe cijfers beschikbaar.
17
Zie: Kenniscentrum MVS, Inzicht in armoede 2019, juli 2019.
november 2021, versie 4
- 40 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 3.1 Ervaren gezondheid onder inwoners met een laag inkomen (% goed tot zeer goed) Maassluis 2020
56,8%
Maassluis 2018
53,5%
Vlaardingen 2019* Vlaardingen 2017
47,9%
Schiedam 2019
51,9%
Schiedam 2017
47,9% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
* Geen nieuwe cijfers beschikbaar
5. Hoe hebben eenzaamheid en sociaal isolement onder inwoners met een laag inkomen zich ontwikkeld? Inwoners met een laag inkomen hebben minder sociale contacten en voelen zich relatief vaak eenzaam, zo bleek in de vorige armoedemonitor. De volgende grafieken tonen hoe eenzaamheid en sociaal isolement zich hebben ontwikkeld, aan de hand van de uitkomsten van de recentste leefbaarheids- en veiligheidsmonitoren. In Maassluis is in 2020 een lichte achteruitgang te zien ten opzichte van 2018, in het bijzonder voor de stellingen ‘er zijn maar weinig mensen waarmee ik kan praten’ en ‘ik heb behoefte aan meer contact met mensen’. Mogelijk speelt in deze achteruitgang het effect van de lockdowns mee, want het veldwerk voor dit onderzoek vond plaats in oktober/november van 2020.
Grafiek 3.2 Sociaal isolement onder inwoners met een laag inkomen (% (helemaal) mee eens) Er zijn maar weinig mensen waarmee ik kan praten
26% 22% 77% 78%
Ik voel mij gesteund door familie en/of vrienden Ik voel me vaak in de steek gelaten
12% 13%
Er is niemand die speciaal belangstelling voor me heeft
12% 12% 23% 20%
Ik heb behoefte aan meer contact met mensen
0% Maassluis 2020
20%
40%
60%
80%
100%
Maassluis 2018
Voor Vlaardingen zijn geen nieuwe cijfers beschikbaar. Om een vergelijking met de andere gemeenten mogelijk te maken worden de uitkomsten uit 2017 weergegeven in grafiek 3.3.
november 2021, versie 4
- 41 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 3.3 Sociaal isolement onder inwoners met een laag inkomen, Vlaardingen 2017 (% (helemaal) mee eens) Er zijn maar weinig mensen waarmee ik kan praten
23%
Ik voel mij gesteund door familie en/of vrienden
74%
Ik voel me vaak in de steek gelaten
13%
Er is niemend die speciaal belangstelling voor me heeft
13%
Ik heb behoefte aan meer contact met mensen
16% 0%
Vlaardingen 2019*
20%
40%
60%
80%
100%
Vlaardingen 2017
* Geen nieuwe cijfers beschikbaar
In Schiedam is een vrij grote achteruitgang te zien wat betreft eenzaamheid en sociaal isolement onder inwoners met een laag inkomen. Op één stelling na zijn de scores in 2019 aanmerkelijk minder goed dan in 2017, zoals blijkt uit grafiek 3.4.
Grafiek 3.4 Sociaal isolement onder inwoners met een laag inkomen, Schiedam 2019 en 2017 (% (helemaal) mee eens) Er zijn maar weinig mensen waarmee ik kan praten
33% 25% 68% 75%
Ik voel mij gesteund door familie en/of vrienden
Ik voel me vaak in de steek gelaten
17% 17%
Er is niemend die speciaal belangstelling voor me heeft
18% 11%
Ik heb behoefte aan meer contact met mensen
17% 0%
Schiedam 2019
20%
27% 40%
60%
80%
100%
Schiedam 2017
De uitkomsten op deze vijf stellingen kunnen worden omgerekend naar een rapportcijfer (zie grafiek 3.5). Ook hieruit blijkt een lichte achteruitgang in Maassluis en een sterkere achteruitgang in Schiedam. Ter vergelijking: de inwoners met een midden- of hoog inkomen, scoren in Maassluis een 8,1 en in Schiedam een 8,0.
november 2021, versie 4
- 42 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 3.5 Rapportcijfers sociaal leven inwoners met laag inkomen (omgerekend uit stellingen over sociaal isolement) 10 9 8 7
7,0
7,1
6,9
6,6
6,9
6 5 4 3 2 1 0 Maassluis 2020 Maassluis 2018
Vlaardingen 2019*
Vlaardingen 2017
Schiedam 2019 Schiedam 2017
* Geen nieuwe cijfers beschikbaar
6. Hoe groot is de rol van betaald werk bij het uitstromen uit de bijstand? Grafiek 3.6 geeft de meest voorkomende redenen weer voor het beëindigen van bijstand in de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 en in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. Conform het beleid van Stroomopwaarts – ‘werk is de beste vorm van zorg’ – staat arbeid in dienstbetrekking/uitkering ziekte bovenaan in de ranglijst. Deze reden is tevens het meest in belang toegenomen. Er is echter één reden waarvan het belang nog veel sterker is toegenomen, en dat is zelfstandig beroep of bedrijf: maar liefst 2.436 bijstandsuitkeringen zijn beëindigd om deze reden. In naar schatting 1% van deze gevallen gaat het om bijstandsgerechtigden die een inkomen zijn gaan verwerven als zelfstandige (in 2018 hadden 25 beëindigingen deze reden). In de overige 99% gaat het om zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis een beroep deden op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). De Tozo wordt telkens voor een bepaalde periode toegekend als een vorm van bijstand. Wanneer deze periode afloopt, wordt als beëindigingsreden ‘zelfstandig beroep of bedrijf’ geregistreerd. Overigens: ook als de Tozo buiten beschouwing wordt gelaten, zijn er in 2020 meer bijstandsuitkeringen beëindigd dan in 2018: ongeveer 1.170, tegenover 939 in 2018.
Uitgaande van deze aantallen werd in 2020 29,7% van de bijstandsuitkeringen beëindigd vanwege arbeid in loondienst, tegenover 24,5% in 2018.
november 2021, versie 4
- 43 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 3.6 Redenen voor beëindiging van bijstand, 2020 en 2018 Arbeid in dienstbetrekking/uitkering ziekte
348
230 169 152
Verhuizing naar andere gemeente Bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
120
30
Geen inlichtingen
72
Aangaan relatie
58 52
Ander inkomen
51 43
Oorzaak bij partner
21
50
Overlijden
44 33
Gaan volgen van onderwijs met studiefinanciering
37 53
Zelfstandig beroep of bedrijf
25
Verhuizing naar buitenland
22 21
Niet verschenen op herhaalde oproep inlichtingenplicht
20 27
Detentie
15 14
Niet verschenen op herhaalde oproep reintegratiegesprek
10 19
112
2.436 *
88 93
Overig 0
50
2020
2018
100
150
200
250
300
350
400
* De extreme toename is een gevolg van de Tozo
7. Hoeveel bedraagt de uitval bij schuldhulpverlening? Bij de vorige armoedemonitor bleek dat in 2018 bij 47,2% van de beëindigingen van schuldhulpverlening de reden hiervoor was dat de cliënt niet voldeed aan de verplichtingen, zoals het leveren van gegevens over de schulden en schuldeisers of het verschijnen op de informatiebijeenkomst. Bijna de helft van de cliënten viel dus voortijdig uit, vaak al aan het begin van het traject. Waarschijnlijk werden zij afgeschrikt door de zwaarte van een schuldenregeling. In de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 is dit beeld heel anders, zoals blijkt uit grafiek 3.7. Allereerst zijn er in deze periode minder schuldhulpverleningstrajecten beëindigd, namelijk 855, tegenover 1.026 in 2018. In 2020 was de belangrijkste reden dat de cliënt zelf de schulden afloste en/of niet in aanmerking kwam voor schuldhulpverlening. Dit was in een derde van de trajecten het geval. Een kwart van de trajecten is succesvol afgerond bij Stroomopwaarts. Iets minder dan een kwart is beëindigd vanwege het niet voldoen aan de verplichtingen. Waar in 2018 nog 47,2% uitviel, is dat in 2020 23,4%. Dat er nu minder uitval is, is vermoedelijk te danken aan de herziene intakeprocedure met een vernieuwde aanmeldmap. Deze is sterk verbeterd met hulp van verschillende partners. november 2021, versie 4
- 44 -
Inzicht in armoede 2021
Grafiek 3.7 Redenen voor beëindiging van schuldhulpverlening, 2020 en 2018 Cliënt regelt zelf / komt niet in aanmerking
33,5%
18,4%
Succesvol afgerond bij Stroomopwaarts
24,4%
15,6%
23,4%
Cliënt voldoet niet aan verplichtingen
7,0%
Andere vorm van hulpverlening (Wsnp, RBZ) Verloop (verhuizing, overlijden, detentie, etc.)
2,2% 1,9%
Onsuccesvol afgerond bij Stroomopwaarts
1,8% 1,5%
Onbekend / overig
3,0% 0%
47,2%
12,5%
7,7%
5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% 50%
2020
2018
Dat een kwart succesvol is afgerond bij Stroomopwaarts betekent niet dat drie kwart onsuccesvol is. Een deel van de cliënten krijgt immers andere hulpverlening, zoals een regeling bij de Kredietbank op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) of hulp van het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) in Rotterdam. Anderen lossen zelfstandig de schulden af. Van al deze trajecten is ook weer een deel succesvol. De uiteindelijke resultaten zijn weergegeven in grafiek 3.8.
Grafiek 3.8 Uiteindelijk resultaat schuldhulpverlening, 2020 en 2018
2020
53,1%
2018
27,5% 0%
10%
16,5%
24,7% 20%
Succesvol beëindigd
30%
40%
20,1%
19,7% 50%
Voortijdig afgebroken
60%
10,3%
28,2% 70%
Niet succesvol
80%
90%
100%
Onbekend
Het aandeel onsuccesvolle trajecten is in beide jaren ongeveer één op de vijf, het aandeel voortijdig afgebroken trajecten is gezakt van één op de vier naar één op de zes en het aandeel succesvolle trajecten is gestegen van ruim een kwart naar ruim de helft. Tegelijkertijd is het aandeel ‘onbekend’ gedaald van ruim een kwart naar ongeveer één op de tien. Betere registratie verklaart dus een deel van het verbeterde resultaat, maar er heeft ook een reële verbetering plaats gevonden.18
18
Stel dat de daling in het aandeel ‘onbekend’ volledig uit succesvol beëindigde trajecten zou bestaan, dan nog blijft er een netto verbetering over van bijna 8%-punten.
november 2021, versie 4
- 45 -
Inzicht in armoede 2021 8. Hoe hebben de schuldhulpverlening en de schuldenproblematiek zich verder ontwikkeld? Het aandeel cliënten schuldhulpverlening per 1.000 inwoners is toegenomen, vooral in Schiedam en Maassluis (zie paragraaf 2.2.3). In Vlaardingen is het ongeveer gelijk gebleven, maar daar was het al hoog in vergelijking met de andere twee gemeenten. Daarnaast is in Maassluis het aandeel cliënten met een schuldenregeling gestegen tot een vergelijkbare waarde als in Vlaardingen en Schiedam. Zoals in tabel 2.5 (zie paragraaf 2.2.3) wordt voorgerekend met de nieuwe schuldencijfers van het CBS, was het bereik van schuldhulpverlening in 2018 niet heel groot: in Maassluis kreeg 10,5% van de huishoudens met geregistreerde probleemschulden schuldhulpverlening, in Vlaardingen 15,7% en in Schiedam 11,7%. Zoals vermeld, is het aantal cliënten schuldhulpverlening echter wel toegenomen. Ervan uitgaande dat het aantal huishoudens met probleemschulden niet substantieel is toegenomen, betekent een toename van het aantal cliënten schuldhulpverlening dat het bereik van schuldhulpverlening is vergroot, MVS-breed van 13,1% in 2018 naar ongeveer 14% in 2020. Dat is gunstig. Daar staat tegenover dat in alle drie de gemeenten onder de cliënten schuldhulpverlening zowel het mediaan (doorsnee) aantal schuldeisers als de mediane looptijd van schulden is toegenomen.
Verder is de mediane schuld veel sterker toegenomen dan het mediane inkomen, althans in Schiedam en Maassluis. Dit betekent dat de schuldenproblematiek in 2020 ernstiger is geworden ten opzichte van 2018, in ieder geval onder de inwoners die schuldhulpverlening ontvangen. Overigens is het aannemelijk dat het bereik van schuldhulpverlening nog verder zal toenemen. In het kader van het landelijke actieplan Brede Schuldenaanpak19 is op 1 januari 2021 een wijziging in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) van kracht geworden, die vroegsignalering stimuleert. Bedrijven en instanties (zoals woningcorporaties, zorgverzekeraars en water- en energieleveranciers) mogen tegenwoordig gemeenten waarschuwen dat hun klanten betalingsachterstanden hebben. Dit mag zonder toestemming van die klanten. Gemeenten zijn op hun beurt verplicht schuldhulpverlening aan te bieden, zodra zij signalen ontvangen dat een inwoner ernstige schulden heeft (overigens is die inwoner niet verplicht de hulp te accepteren). Daarnaast wordt momenteel een landelijke ICT-omgeving ingericht waardoor gemeenten in de toekomst niet meer afhankelijk zijn van de inwoners voor gegevens over de schulden, maar hiertoe zelf direct toegang zullen hebben.
Naar verwachting krijgen meer cliënten hierdoor sneller schuldhulpverlening en zal ook de uitval (bijvoorbeeld door het ontbreken van gegevens over de schulden) verder afnemen.20 9. In welke mate wordt saneringskrediet vaker ingezet? Bij een saneringskrediet neemt de Kredietbank de schulden die de cliënt maximaal kan aflossen over. De cliënt lost de schulden vervolgens af aan de Kredietbank en na drie jaar aflossen op maximale capaciteit wordt de restschuld kwijtgescholden. Volgens de Divosa Benchmark 2019 (zie paragraaf 3.2) wordt saneringskrediet nauwelijks ingezet, terwijl het bij andere sociale diensten vaker slaagt dan schuldenbemiddeling (het contract met de Kredietbank komt relatief gemakkelijk tot stand) en ongeveer even vaak succesvol is (de cliënt lost drie jaar af op maximale capaciteit). In 2018 ging het om 0,6% van de schuldenregelingen (drie gevallen) en in 2020 om 2,1% (dertien gevallen). Er is dus sprake van een toename, maar het gaat nog altijd om kleine aantallen. Overigens is Stroomopwaarts begonnen met het vaker inzetten van sanering: bij deelname aan collectief schuldregelen wordt het uitgangspunt ‘een saneringskrediet tenzij …’.
19
Zie: Rijksoverheid, Schulden aanpakken. Daarnaast zijn met ingang van 1 oktober 2020 de regels voor beslaglegging gewijzigd om te voorkomen dat mensen met schulden onder het bestaansminimum terecht komen, zie: Gemeente.nu, Geen beslag meer op roerende zaken bij schuld, 1 oktober 2020. 20
november 2021, versie 4
- 46 -
Inzicht in armoede 2021 10. In welke mate komt onderbewindstelling minder vaak voor? Uit de Divosa Benchmark 2019 blijkt dat de uitgaven aan beschermingsbewind (inkomensbeheer op aanwijzing van de rechter) aan de lage kant zijn in vergelijking met andere sociale diensten: 32,5% van alle uitgaven aan bijzondere bijstand, tegenover 35,2% bij sociale diensten die een even grote bevolking bedienen en 36,2% voor de gehele benchmark. De uitgaven zijn ook iets gezakt ten opzichte van het voorgaande jaar (zie paragraaf 3.2). Stroomopwaarts geeft in vergelijking met andere sociale diensten dus niet extreem veel geld uit aan dit relatief zware en dure instrument. Toch blijkt uit deze armoedemonitor dat het aantal betalingen voor beschermingsbewind in 2020 is toegenomen met 13,7% ten opzichte van 2018, en het aantal betalingen voor budgetbeheer met 9,7%. Het aantal personen met beschermingsbewind is toegenomen met 14,2% en het aantal personen met budgetbeheer met 8,5% (zie paragraaf 2.2.2). 11. In welke mate wordt er iets gedaan aan financiële educatie? Volgens de Divosa Benchmark 2019 wordt budgetcoaching (het ondersteunen en stimuleren van personen om de financiële zelfredzaamheid te vergroten) bij ongeveer 5% van de cliënten schuldhulpverlening ingezet. Dit is vergelijkbaar met andere sociale diensten, maar wel minder dan in het voorgaande jaar.
Naast budgetcoaching biedt Stroomopwaarts de training ‘Omgaan met geld’ aan en het budgetgesprek voor mensen met beginnende geldproblemen. Verder kunnen inwoners de online geldplannen invullen om inzicht te krijgen in hun financiën en tips om de financiële situatie te verbeteren. 12. In welke mate wordt er iets gedaan aan nazorg? Uit de Divosa Benchmark 2019 blijkt dat Stroomopwaarts relatief veel cliënten nazorg biedt. Het gaat om zo’n 15% van de cliënten, tegenover 13% bij sociale diensten die een even grote bevolking bedienen en gemiddeld 12% voor de hele benchmark. Toch komt recidive (binnen vijf jaar opnieuw schuldhulpverlening aanvragen) relatief vaak voor, bij zo’n 10% van de cliënten, tegenover 5% bij sociale diensten die een even grote bevolking bedienen en gemiddeld 6% voor de hele benchmark (zie paragraaf 3.2). 13. In welke mate wordt er iets gedaan voor kinderen? Volgens de Divosa Benchmark 2019 bedragen de uitgaven aan maatschappelijke participatie € 1.708.846. Zowel per inwoner als per huishouden is dit hoog in vergelijking met andere sociale diensten (zie paragraaf 3.2). Van deze uitgaven gaat een relatief groot deel naar maatschappelijke participatie voor kinderen. Per kind bedragen de uitgaven aan regelingen voor kinderen bijna het dubbele van het benchmarkgemiddelde.
De uitgaven aan particuliere initiatieven en fondsen voor kinderen (Stichting Leergeld, Jeugdfonds Sport en Cultuur) bedragen € 1.274.164. Per kind bedragen deze uitgaven bijna het drievoudige van het benchmarkgemiddelde. Verder zijn de uitgaven voor kindpakketten per minimahuishouden met kinderen iets hoger dan het gemiddelde. Er kan dan ook worden gesteld dat Stroomopwaarts veel doet voor maatschappelijke participatie van minderjarigen (en dat lijkt ook gerechtvaardigd, want in deze regio groeien kinderen relatief vaak in armoede). Tabel 3.1 vat de uitkomsten van de evaluatievragen samen en geeft daarbij een indicatie van de mate waarin de ontwikkelingen positief zijn, zowel in woorden als met een kleur.