CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Rapport Inzicht in armoede 2021

Thema-avond 1 8 februari 2022, gemeente MaassluisBij agendapunt: 21.30-22.45 uur: Toelichting Armoedemonitor Kenniscentrum MVS20.806 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Inzicht in armoede 2021

Inzicht in armoede 2021 Hoe ontwikkelt de armoede zich? Hoe effectief is het beleid? Wat zijn de eerste gevolgen van corona?

November 2021 Versie 4

november 2021, versie 4

-1-

W: maassluis-schiedam.incijfers.nl

Inzicht in armoede 2021

Inhoud Bestuurssamenvatting .................................................................................................................. 2 1

Inleiding ............................................................................................................................... 5

2

Ontwikkeling van de armoede ............................................................................................... 7 2.1 Inkomen ................................................................................................................................... 7 2.1.1 Huishoudens en personen met een laag inkomen .............................................................. 7 2.1.2 Lange-termijnontwikkeling lage inkomens ......................................................................... 9 2.1.3 Lage inkomens in wijken en buurten ................................................................................ 11 2.2 Voorzieningengebruik............................................................................................................ 15 2.2.1 Bijstand .............................................................................................................................. 15 2.2.2 Bijzondere bijstand en minimaregelingen ......................................................................... 17 2.2.3 Schuldhulpverlening .......................................................................................................... 19 2.2.4 Armoede gemeten naar voorzieningengebruik ................................................................

23 2.2.5 Kenmerken van voorzieningengebruikers ......................................................................... 25 2.2.6 Eerste gevolgen van corona .............................................................................................. 32

3

Effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid................................................................. 35 3.1

Beleidsdoelen......................................................................................................................... 35

3.2

Benchmarkresultaten ............................................................................................................ 37

3.3

Effectiviteit............................................................................................................................. 40

Bijlage 1: Privacyoverwegingen ................................................................................................... 50 Bijlage 2: Wijk- en buurtindelingen ............................................................................................. 51

november 2021, versie 4

-1-

Inzicht in armoede 2021

Bestuurssamenvatting Aanleiding De armoedemonitor is vijf jaar geleden ontstaan vanuit de wens om armoede te bestrijden door slimmer gebruik te maken van data. Door uiteenlopende gegevens te koppelen en te analyseren wordt een veel completer en gedetailleerder beeld verkregen van de omvang van het armoedeprobleem, de mensen die erdoor worden geraakt en de kenmerken van die mensen. In deze armoedemonitor worden de ontwikkelingen beschreven wat betreft armoede en het gebruik van armoede- en schuldenvoorzieningen (bijstand, bijzondere bijstand, minimaregelingen en schuldhulpverlening). Hierbij wordt kort ingegaan op de nu al zichtbare gevolgen van corona. Daarnaast wordt een beeld geschetst van de effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid. Ontwikkeling van armoede en voorzieningengebruik Volgens de recentste inkomensstatistieken is de armoede in alle drie de gemeenten afgenomen. Het aandeel huishoudens met een laag inkomen (maximaal 110% van het sociaal minimum) is verminderd, en wel in sterkere mate dan landelijk: MVS-breed daalde het van 12,9% in 2017 naar 12,3% in 2018, in heel Nederland van 10,9% naar 10,6%. Tegelijkertijd is het aandeel langdurig arme huishoudens iets toegenomen, in ongeveer dezelfde mate als landelijk. Meer dan de helft van de arme huishoudens leeft al minstens vier jaar op rij van een laag inkomen.

Hoe langer armoede duurt, des te lastiger is het om eruit te raken. Bovendien ligt het aandeel arme huishoudens in Vlaardingen en Schiedam nog altijd ruim boven het landelijk gemiddelde. Het aandeel kinderen dat in armoede opgroeit is in heel de MVSregio bovengemiddeld. Kinderen leven hier bijna anderhalf keer zo vaak in armoede als volwassenen. Ook het voorzieningengebruik is in alle drie de gemeenten afgenomen. Het aandeel inwoners in een huishouden met één of meer armoede- of schuldenvoorzieningen is MVS-breed gedaald van 10,0% in 2018 naar 9,1% in 2020. Onder de drie gemeenten leefden in 2018 alleen in Schiedam meer personen in een huishouden met een laag inkomen dan in een huishouden met één of meer armoede- of schuldenvoorzieningen. Dat kan wijzen op verborgen armoede, dat wil zeggen dat niet iedereen die recht heeft op een armoede- of schuldenvoorziening er ook gebruik van maakt. Het verschil bedraagt echter slechts 0,1%-punt. Dit betekent dat de verborgen armoede naar alle waarschijnlijkheid ook gering is. De afname is relatief groot onder kinderen, dertigers en veertigers. In de leeftijdscategorieën 55-64 jaar en 80+ is juist sprake van een lichte toename. Wat betreft de 55-plussers gaat het vermoedelijk om werkloos geworden werknemers en zelfstandigen met omzetverlies, die door de coronacrisis relatief vaak een beroep op armoede- en schuldenvoorzieningen deden.

Voor dertigers en veertigers geldt dat minder; zij hebben een sterkere positie op de arbeidsmarkt. Daarnaast vroegen zij minder voorzieningen aan voor zichzelf en/of hun kinderen, omdat veel voorzieningen (zoals sportverenigingen, zwembaden en muzieklessen) tijdens de lockdown niet beschikbaar waren. Ook waren de wijkteams en de Formulierenbrigade (de grootste intermediair voor kindregelingen) tijdelijk alleen op afspraak te bezoeken. Tot slot zijn in 2020 de kindtoeslag op de individuele inkomenstoeslag en de vrijwilligerspremie in Maassluis en Vlaardingen afgeschaft. De vrijgekomen gelden worden nu ingezet voor preventie. De afname van het voorzieningengebruik is onder vrouwen iets sterker dan onder mannen, hoewel vrouwen nog altijd vaker zijn aangewezen op die voorzieningen. De economische positie van vrouwen is gemiddeld genomen slechter dan die van mannen, maar hierin komt wel steeds meer verandering. Verder is de afname relatief groot onder inwoners met een Turkse of Marokkaanse achtergrond en relatief klein onder inwoners met een Nederlandse achtergrond. De verschillen tussen bevolkingsgroepen wat betreft armoede, en als gevolg daarvan ook wat betreft voorzieningengebruik,

november 2021, versie 4

-2-

Inzicht in armoede 2021 blijven echter groot: inwoners met een Antilliaanse of Marokkaanse achtergrond zijn het vaakst aangewezen op armoede- en schuldenvoorzieningen, inwoners met een Nederlandse of Midden- of Oost-Europese achtergrond het minst. De oorzaak van de verschillen in welvaart tussen bevolkingsgroepen ligt grotendeels in de arbeidsmarkt. Inwoners met een migratieachtergrond doen vaker laag betaald werk. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat inwoners met een migratieachtergrond minder vaak de vereiste opleiding hebben. Echter, ook met een vergelijkbare opleiding hebben zij gemiddeld slechter betaalde banen; zij doen dus ook vaker werk onder hun niveau. Een aanvullende verklaring is dat discriminatie (bewust of onbewust) een rol speelt in werving en selectie. Sollicitanten met een migratieachtergrond maken pas een even grote kans op een baan als vergelijkbare sollicitanten met een Nederlandse achtergrond, wanneer zij meer ervaring en opleiding hebben of hun betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving uitspreken en aantonen met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Tot slot verschillen armoede en voorzieningengebruik sterk van buurt tot buurt, vooral in Schiedam. Dit heeft te maken met het woningaanbod, dat in Schiedamse buurten minder gevarieerd is.

In de meeste buurten waar de daling van het voorzieningengebruik bovengemiddeld groot is, heeft sloop en/of nieuwbouw van woningen plaatsgevonden in de jaren 2018-2020. Eerste gevolgen van corona Het is onmogelijk om de gevolgen van corona uitputtend te beschrijven, ook omdat de pandemie nog altijd gaande is, sommige beperkingen nog van kracht zijn en het Rijk tot 1 oktober 2021 nog financiële steun verleende. Pas wanneer deze steun enige tijd ten einde is, zal blijken hoe groot de schade van corona echt is, ook ‘achter de voordeur’. Het aantal uitkeringen op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) piekte direct na ingang van de eerste lockdown, in de periode van maart tot en met juni 2020. Er volgde een kleinere piek rond februari 2021. Daarna daalde het aantal Tozo-uitkeringen geleidelijk en per 1 oktober 2021 is de regeling beëindigd. In tegenstelling tot de Tozo, vertoont het aantal bijstandsuitkeringen (PW, IOAW, IOAZ, Bbz) weinig fluctuatie sinds de coronacrisis. Vanaf maart 2017 was de trend wat betreft het aantal lopende bijstandsuitkeringen in alle drie de gemeenten dalend: in Maassluis licht, in Vlaardingen iets sterker en in Schiedam nog sterker. Sinds eind 2019 is het aantal bijstandsuitkeringen in alle drie de gemeenten vrijwel stabiel.

Effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid Naast de al beschreven ontwikkelingen in armoede en voorzieningengebruik, komt over de effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid het volgende naar voren:  Zowel in Maassluis als in Schiedam zijn in de afgelopen jaren meer inwoners met een laag inkomen hun gezondheid als (zeer) goed gaan ervaren. Dit aandeel steeg in Maassluis van 53,5% in 2018 naar 56,8% in 2020, in Schiedam van 47,9% in 2017 naar 51,9% in 2019. Dit is des te belangrijker omdat arme inwoners relatief vaak gezondheidsproblemen hebben. Ter vergelijking: van de inwoners met een midden- of hoog inkomen ervaart in Maassluis 81,6% de eigen gezondheid als (zeer) goed en in Schiedam 83,7%.  Eenzaamheid en sociaal isolement zijn echter toegenomen onder inwoners met een laag inkomen, in Maassluis in lichte mate en in Schiedam iets sterker. Omgerekend naar een rapportcijfer daalde de score voor het sociale leven in Maassluis van 7,1 in 2018 naar 7,0 in 2020 en in Schiedam van 6,9 in 2017 naar 6,6 in 2019. Ter vergelijking: inwoners met een midden- of hoog inkomen scoren in Maassluis een 8,1 en in Schiedam een 8,0.

 Het vinden van betaald werk is niet alleen de belangrijkste reden voor het beëindigen van bijstand, maar ook de reden die het meest in belang is toegenomen: in 2018 werd 24,5% van de bijstandsuitkeringen beëindigd vanwege arbeid in loondienst, in 2020 29,7% (exclusief Tozo).  In 2018 was bij 47,2% van de beëindigingen van schuldhulpverlening de reden dat de cliënt niet voldeed aan de verplichtingen, zoals het leveren van gegevens over de schulden en schuldeisers november 2021, versie 4

-3-

Inzicht in armoede 2021

  

of het verschijnen op de informatiebijeenkomst. Bijna de helft van de cliënten viel dus voortijdig uit. In 2020 is deze uitval gehalveerd, tot 23,4%. Ook als wordt gekeken naar de uiteindelijke afloop van alle trajecten – dus inclusief hulpverlening door derden en zelfstandig aflossen – is een groter aandeel succesvol. Het bereik van schuldhulpverlening is iets vergroot: in 2018 kreeg MVS-breed 13,1% van de huishoudens met probleemschulden schuldhulpverlening, in 2020 ongeveer 14%. Tegelijkertijd is de problematiek van de cliënten ernstiger: hogere schulden, meer schuldeisers en langere looptijden. De vroegsignalering, die door een wijziging in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) sinds 1 januari 2021 van kracht is, zal naar alle waarschijnlijkheid helpen het bereik verder te vergroten en de uitval te beperken. Het aandeel cliënten schuldhulpverlening met betaald werk is flink gestegen. De oorzaak is waarschijnlijk drieledig. Ten eerste zijn er meer mensen met betaald werk in de schulden geraakt. Het aantal deeltijdwerkers en zelfstandigen zonder personeel neemt gestaag toe en juist deze groepen lopen een relatief hoog risico op armoede en schulden. Ten tweede hebben de laatste jaren steeds meer bijstandsgerechtigden, waaronder mensen met een schuldenregeling, betaald deeltijdwerk gevonden.

Tot slot kan de zogenoemde armoedeval een rol spelen: mensen met laag betaald werk hebben netto soms minder te besteden dan bijstandsgerechtigden, waardoor ze sneller in de financiële problemen kunnen komen. Bij een saneringskrediet neemt de Kredietbank de schulden over en lost de cliënt drie jaar op maximale capaciteit af aan de Kredietbank, met kwijtschelding van de restschuld. Het voordeel hiervan is voor schuldeisers dat zij direct worden afbetaald en voor cliënten dat zij met nog maar één schuldeiser te maken hebben, de Kredietbank. Saneringskrediet wordt nog altijd weinig ingezet, terwijl het bij andere sociale diensten vaker dan schuldbemiddeling slaagt (het contract met de schuldeisers komt tot stand) en ongeveer even vaak succesvol is (de cliënt lost drie jaar lang op maximale capaciteit af). In 2018 ging het om 0,6% van de schuldenregelingen (drie gevallen) en in 2020 om 2,1% (dertien gevallen). Overigens is Stroomopwaarts eind 2020 begonnen saneringskrediet vaker in te zetten. De uitgaven aan beschermingsbewind (inkomensbeheer op aanwijzing van de rechter) zijn aan de lage kant en ook iets gezakt ten opzichte van het voorgaande jaar. Stroomopwaarts geeft dus niet extreem veel uit aan dit relatief zware en dure instrument.

Toch is het aantal vergoedingen voor beschermingsbewind ten laste van het minimabeleid sinds 2018 toegenomen met 13,7% en het aantal vergoedingen voor budgetbeheer (een vrijwillige vorm van inkomensbeheer) met 9,7%. Budgetcoaching (het ondersteunen en stimuleren van personen om de financiële zelfredzaamheid te vergroten) wordt bij ongeveer 5% van de cliënten schuldhulpverlening ingezet. Dit is vergelijkbaar met andere sociale diensten, maar wel minder dan in het voorgaande jaar. Stroomopwaarts biedt vrij veel cliënten nazorg: zo’n 15%, tegenover gemiddeld 12% binnen de benchmark. Toch komt recidive (binnen vijf jaar opnieuw schuldhulpverlening aanvragen) relatief vaak voor: bij zo’n 10% van de cliënten, tegenover 6% in de hele benchmark. Stroomopwaarts doet relatief veel aan maatschappelijke participatie van minderjarigen. De uitgaven per kind aan regelingen voor kinderen bedragen bijna het dubbele van het benchmarkgemiddelde. De uitgaven per kind aan particuliere initiatieven en fondsen voor kinderen (Stichting Leergeld, Jeugdfonds Sport en Cultuur) bedragen bijna het drievoudige van het benchmarkgemiddelde.

november 2021, versie 4

-4-

Inzicht in armoede 2021

1 Inleiding Waarom armoede aandacht verdient Armoede is meer dan geldgebrek of een inkomensgrens. Armoede beïnvloedt alle aspecten van het leven. Wie arm is, kan minder goed meedoen in de samenleving. Armoede gaat vaak samen met sociale uitsluiting, eenzaamheid,1 stress en gezondheidsproblemen.2 Mensen die in armoede leven doen dan ook relatief vaak een beroep op Wmo-voorzieningen.3 Armoede kan ouders onzeker maken over hun rol als opvoeder, wat weer kan leiden tot opvoedingsproblemen. Het is dan ook niet verrassend dat huishoudens met probleemschulden relatief vaak te maken hebben met geestelijke gezondheidszorg en jeugdzorg.4 Bovendien is armoede tot op zekere hoogte erfelijk: wie als kind in armoede leeft, heeft een grotere kans om later als volwassene ook in armoede te leven. Hoe langer de armoede tijdens de jeugd heeft geduurd, en hoe vroeger in de jeugd dit was, des te groter is die kans.5 Tot slot hebben concentraties van armoede en andere problemen in de stad hun weerslag op de leefbaarheid in buurten en wijken. Om al deze redenen is het van groot belang om de armoede te monitoren en te bestrijden of, beter nog, te voorkomen. Data-analyse en bronnenonderzoek De armoedemonitor, waarvan dit rapport de derde editie vormt, is vijf jaar geleden ontstaan vanuit de wens om iets aan armoede te doen door slimmer gebruik te maken van data.

Door uiteenlopende gegevens te koppelen en te analyseren wordt een veel completer en gedetailleerder beeld verkregen van de omvang van het armoedeprobleem, de mensen die erdoor worden geraakt en de kenmerken van die mensen. Dit onderzoek is dan ook grotendeels gebaseerd op data-analyse. Daarnaast is gebruik gemaakt van bronnenonderzoek (onderzoeken van derden), om de bevindingen uit de data-analyse verder te duiden en te verklaren. De uitkomsten van het bronnenonderzoek zijn weergegeven in aparte kaders. Twee definities van armoede In dit onderzoek wordt armoede op twee verschillende manieren gedefinieerd. Als arm worden beschouwd: 1. Alle inwoners die deel uitmaken van een huishouden met een inkomen van ten hoogste 110% van het sociaal minimum; 2. Alle inwoners die deel uitmaken van een huishouden met één of meer van de volgende armoede- of schuldenvoorzieningen: bijstand, bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, schuldhulpverlening.

1

Inwoners met een laag inkomen voelen zich relatief vaak eenzaam. In de vorige armoedemonitor bleek dat het sociale leven van inwoners van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam met een laag inkomen een 7,0 krijgt en van inwoners met een midden- of hoog inkomen een 8,1. Ook feitelijk hebben inwoners met een laag inkomen minder vaak contact met vrienden en familie. Dit verschil bedraagt zo’n 5% tot 15% ten opzichte van de gemiddelde inwoner. Daarnaast nemen inwoners met een laag inkomen minder vaak deel aan activiteiten in club- of verenigingsverband. Dit is een verschil van wel 30% tot 40% ten opzichte van de gemiddelde inwoner (bron: Kenniscentrum MVS, Inzicht in armoede 2019, wat zijn de ontwikkelingen en hoe effectief is het beleid?, juli 2019). 2 Van de inwoners van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam met een laag inkomen ervaart ongeveer 50% de eigen gezondheid als goed tot zeer goed, van de overige inwoners ongeveer 80% (bron: Kenniscentrum MVS, Inzicht in armoede 2019, wat zijn de ontwikkelingen en hoe effectief is het beleid?, juli 2019). 3 Inwoners van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam die in armoede leven maken ruim anderhalf keer zo vaak gebruik van Wmo-voorzieningen als inwoners die in niet in armoede leven: 14,3% tegenover 8,2% (bron: Kenniscentrum MVS, Armoede in de MVS-gemeenten, welke inzichten levert data-analyse op?, maart 2018).

4 Zie: CBS, Schuldenproblematiek in beeld, huishoudens met geregistreerde problematische schulden, 20152018, september 2020. Zie ook het kader in paragraaf 2.2.3. 5 Zie: SCP, Voorbestemd tot achterstand? Armoede en sociale uitsluiting in de kindertijd en 25 jaar later, 2011.

november 2021, versie 4

-5-

Inzicht in armoede 2021 De eerste definitie (gebaseerd op inkomen) is wellicht het meest objectief. Voor dit deel van het onderzoek zijn inkomensstatistieken gebruikt die beschikbaar zijn op stads-, wijk- en buurtniveau. De tweede definitie (gebaseerd op voorzieningengebruik) biedt om twee redenen toegevoegde waarde. Ten eerste zijn de cijfers over voorzieningengebruik actueler dan de inkomensstatistieken; de inkomensstatistieken komen ruim twee jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar. Ten tweede zijn de cijfers over voorzieningengebruik beschikbaar met een hogere resolutie, namelijk op persoonsniveau. Hierdoor zijn de mogelijkheden voor datakoppeling en -analyse optimaal. Bij gebruik van dit soort zogenoemde microdata is het uiteraard van essentieel belang om de privacy goed te beschermen. Over het gebruik van persoonsgegevens en privacy is voorafgaand aan het onderzoek dan ook uitvoerig nagedacht; de overwegingen hierover zijn te lezen in bijlage 1. Hoeveel is 110% van het sociaal minimum? Het gaat in 2021 om de volgende netto maandbedragen, inclusief vakantietoeslag:  voor een alleenstaande tot de pensioenleeftijd: € 1.186,57;  voor een gehuwd of samenwonend paar tot de pensioenleeftijd: € 1.695,10;  voor een alleenstaande na de pensioenleeftijd: € 1.319,98;  voor een gehuwd of samenwonend paar na de pensioenleeftijd € 1.789,79.

Leeswijzer Hoofdstuk 2 gaat over de ontwikkeling van de armoede. Paragraaf 2.1 beschrijft deze ontwikkeling aan de hand van inkomensgegevens. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan langdurige armoede, armoede onder kinderen en verschillen tussen buurten. Verder wordt de lange-termijnontwikkeling van armoede beschreven, waarbij wordt ingegaan op de invloed van de conjunctuur op armoede. Paragraaf 2.2 gaat over het gebruik van armoede- en schuldenvoorzieningen en de ontwikkelingen daarin. Allereerst worden bijstand, bijzondere bijstand / minimaregelingen en schuldhulpverlening afzonderlijk beschreven. Daarna wordt de groep inwoners die deel uitmaakt van een huishouden met één of meer van deze voorzieningen beschreven wat betreft leeftijd, geslacht, herkomst en woonbuurt. Hoofdstuk 2 eindigt met een beknopte en voorlopige beschrijving van de eerste gevolgen van de coronacrisis voor armoede en voorzieningengebruik. Hoofdstuk 3 gaat over de effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid. Allereerst worden in paragraaf 3.1 de beleidsdoelen beschreven. In paragraaf 3.2 worden de belangrijkste bevindingen van de Divosa Benchmark (een vergelijking van de uitvoeringspraktijken van verschillende sociale diensten) op een rij gezet. Paragraaf 3.3 beschrijft de effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid aan de hand van een reeks evaluatievragen.

Deze vragen zijn grotendeels afgeleid van de beleidsdoelstellingen, maar beperken zich niet daartoe. De bijlagen bevatten de privacyoverwegingen bij dit onderzoek en kaarten met de wijk- en buurtindelingen van de drie gemeenten. Een samenvatting van het hele onderzoek is te vinden aan het begin van dit rapport. Tot slot nog een opmerking: bij cijfers die ook in de vorige armoedemonitor voorkomen zijn in dit rapport op enkele punten verschillen te zien. Soms heeft dit te maken met het beschikbaar komen van betrouwbaardere gegevens, zoals de nieuwe cijfers over probleemschulden (zie paragraaf 2.2.3). Soms is het een kwestie van voortschrijdend inzicht in de wijze waarop grootheden gecategoriseerd en berekend moeten worden. Een enkele keer gaat het om gecorrigeerde rekenfouten. Waar in dit rapport vergelijkingen worden gemaakt tussen de recentste en de voorgaande periode, zijn deze altijd op dezelfde wijze tot stand gekomen, tenzij anders vermeld. Zodoende worden zo veel mogelijk ‘appels met appels’ vergeleken.

november 2021, versie 4

-6-

Inzicht in armoede 2021

2 Ontwikkeling van de armoede 2.1 Inkomen In paragraaf 2.1 worden huishoudens met een inkomen van ten hoogste 110% van het sociaal minimum beschouwd als arm. Het sociaal minimum is het jaarlijks door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde minimumbedrag waarvan een huishouden zou moeten kunnen rondkomen. Hierbij wordt tot op zekere hoogte rekening gehouden met de samenstelling van het huishouden, zoals het aantal personen en de leeftijden van die personen. Langdurig arm betekent hier dat deze huishoudens al ten minste vier jaar op rij leven van een laag inkomen.

2.1.1 Huishoudens en personen met een laag inkomen De tabellen 2.1 en 2.2 tonen de belangrijkste inkomensstatistieken over 2018 en 2017. De cijfers zijn afkomstig uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het kalenderjaar 2018 is het recentste jaar waarover definitieve cijfers beschikbaar zijn. Het CBS rondt de aantallen af op honderdtallen.6 Tabel 2.1 Huishoudens en personen met een laag inkomen (≤ 110%), 2018 Maassluis Vlaardingen Schiedam MVS # Arme huishoudens 1.400 4.100 4.700 10.100 % Arme huishoudens 9,7% 12,3% 13,5% 12,3% # Langd. arme huish. 800 2.300 2.500 5.600 % Langd. arme huish. 5,6% 7,3% 8,0% 7,3% # Arme personen 2.500 6.700 7.900 17.100 % Arme personen 7,8% 9,7% 10,7% 9,8% # Arme kinderen 600 1.700 1.900 4.200 % Arme kinderen 10,5% 13,2% 13,3% 12,8%

Nederland 780.200 10,6% 408.600 5,9% 1.242.100 7,6% 264.900 8,2%

Arme huishoudens: huishoudens met een laag inkomen, in dit geval ten hoogste 110% van het sociaal minimum Langdurig arme huishoudens: huishoudens met een laag inkomen gedurende ten minste vier jaar op rij Arme personen: personen van alle leeftijden die deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen Arme kinderen: personen jonger dan 18 jaar die deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen

Tabel 2.2 Huishoudens en personen met een laag inkomen (≤ 110%), 2017 Maassluis Vlaardingen Schiedam MVS # Arme huishoudens 1.400 4.200 4.900 10.600 % Arme huishoudens 10,1% 12,9% 14,1% 12,9% # Langd. arme huish. 800 2.200 2.500 5.500 % Langd. arme huish. 5,6% 7,2% 7,9% 7,2% # Arme personen 2.600 7.100 8.300 18.000 % Arme personen 8,2% 10,3% 11,3% 10,3% # Arme kinderen 700 1.900 2.000 4.600 % Arme kinderen 11,5% 14,4% 14,4% 13,9%

Nederland 797.400 10,9% 400.500 5,8% 1.277.600 7,9% 275.600 8,5%

6

Overigens zijn de verschillen in vermogen (de waarde van alle bezittingen minus de waarde van alle schulden) aanmerkelijk groter dan de verschillen in inkomen. Een laag vermogen verhoogt het risico op armoede. Het doorsnee of mediane vermogen van een particulier huishouden in Nederland is € 49.800. Het hoogste vermogen hebben huishoudens in Bloemendaal (€ 381.000), het laagste in Rotterdam (€ 6.100). In Maassluis is het mediane vermogen € 34.200, in Vlaardingen € 20.400 en in Schiedam € 14.600. Omdat de huizenprijzen zijn gestegen (en blijven stijgen tijdens de coronacrisis), is het vermogen van de meeste eigenhuisbezitters toegenomen (bron: CBS, Vermogen van huishoudens in 2019 hoger door eigen woning, 13 oktober 2020). Daarnaast hebben de meeste Nederlandse huishoudens (in het bijzonder huishoudens met midden- en hoge inkomens) tijdens de coronacrisis minder geconsumeerd en meer gespaard dan normaal, waardoor het vermogen van die huishoudens verder is toegenomen (bron: CBS, Huishoudens sparen ruim 4 miljard euro meer in eerste kwartaal, 24 juni 2020). Meer over de economische gevolgen van corona is te lezen in paragraaf 2.2.6.

november 2021, versie 4

-7-

Inzicht in armoede 2021 De grafieken 2.1 en 2.2 illustreren de ontwikkelingen van 2017 op 2018. Grafiek 2.1 toont hoe het aandeel arme huishoudens zich heeft ontwikkeld en vermeldt daarbij ook het aandeel langdurig arme huishoudens (ten minste vier jaar op rij een laag inkomen). Grafiek 2.2 laat zien hoe het aandeel arme personen zich heeft ontwikkeld en geeft daarbij ook het aandeel arme minderjarige kinderen weer.

Grafiek 2.1 Aandeel huishoudens met laag inkomen (≤ 110%) naar duur, 2018 en 2017 16% 14%

12,3%

12% 10%

14,1% 12,9%

12,4%

10,6%

10,1%

9,7%

7,3%

8% 6%

13,5%

12,9%

5,6%

7,2%

8,0%

7,9%

7,3%

10,9%

7,2% 5,9%

5,6%

5,8%

4% 2% 0% 2018

2017

Maassluis

2018

2017

Vlaardingen

2018

2017

2018

Schiedam

Ten minste 1 jaar

2017 MVS

2018

2017

Nederland

4 jaar of langer

Grafiek 2.2 Aandeel personen in huishoudens met een laag inkomen (≤ 110%) naar leeftijd , 2018 en 2017 16%

14,4% 13,2%

14% 12% 10% 8%

10,5%

11,5% 9,7%

10,3%

13,3% 10,7%

14,4%

13,9% 12,8%

11,3% 9,8%

10,3%

8,2%

7,8%

8,2% 7,6%

8,5% 7,9%

2018

2017

6% 4% 2% 0% 2018

2017

Maassluis

2018

2017

Vlaardingen

2018

2017

2018

Schiedam

Alle leeftijden

2017 MVS

Nederland

Minderjarigen

Allereerst blijkt hieruit dat Vlaardingen en Schiedam vergeleken met het landelijk gemiddelde veel huishoudens met een laag inkomen tellen. In Maassluis ligt de armoede juist dicht bij het landelijk gemiddelde, al is het aandeel arme minderjarige kinderen wel aanmerkelijk hoger dan landelijk. In deze regio leven kinderen bijna anderhalf keer zo vaak in armoede als volwassenen. Dit verschil tussen volwassenen en kinderen is in alle drie de gemeenten veel groter dan landelijk. Dit komt doordat juist arme huishoudens in deze regio vaak kinderrijk zijn. Overigens zijn er onder arme huishoudens ook relatief veel éénpersoonshuishoudens, vandaar dat het aandeel arme huishoudens hoger ligt dan het aandeel arme personen. november 2021, versie 4

-8-

Inzicht in armoede 2021 De belangrijkste conclusie die uit deze cijfers kan worden getrokken is echter dat de armoede in elk van de drie gemeenten is afgenomen, en wel in sterkere mate dan landelijk. Ook de aandelen arme personen en arme kinderen zijn iets sterker afgenomen dan landelijk. Tegelijkertijd is het aandeel langdurig arme huishoudens toegenomen, zowel landelijk als in deze regio.

2.1.2 Lange-termijnontwikkeling lage inkomens Grafiek 2.3 toont hoe het aandeel huishoudens met een laag inkomen zich door de jaren heen heeft ontwikkeld.7 Dit aandeel steeg jaren achtereen, vooral als gevolg van de wereldwijde kredietcrisis die in 2008 ontstond en in 2009 ook Nederland raakte. Het economisch herstel begon in 2013. Toen steeg in Nederland voor het eerst sinds 2009 zowel het bruto binnenlands product (de totale geldwaarde van alle in Nederland geproduceerde goederen en diensten tegen marktprijzen) als het consumentenvertrouwen (de mate waarin consumenten vinden dat het goed gaat met de Nederlandse economie en met hun eigen financiële situatie). Toch bleef het aandeel huishoudens met een laag inkomen nog enkele jaren verder stijgen. Sinds 2015 neemt de armoede landelijk weer af.

Grafiek 2.3 Ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen (≤110%) 15% 13,7%

14%

14,0%

13,2%

13% 12%

13,0% 12,3%

12,9%

14,2% 13,2%

14,1% 13,5% 13,0%

12,9% 12,3%

11,9%

10,4%

11,2%

10,7% 10,8%

10% 9%

14,3%

12,5%

11,1%

11%

14,2%

10,3%

11,0%

10,5% 10,1%

11,0%

10,4%

10,9%

10,6%

12,3%

10,4%

10,1%

9,7%

9,7%

9,5%

8% 2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Maassluis

Vlaardingen

Schiedam

Nederland

Maassluis*

Vlaardingen*

Schiedam*

Nederland*

2019

* Op basis van voorlopige cijfers

In de afgelopen jaren vertoonde het aandeel arme huishoudens in Maassluis en Vlaardingen een enigszins grillig verloop, met sinds 2017 een afname van de armoede. In Schiedam is de omslag al te zien in 2016, zij het nog heel licht. Op basis van deze cijfers kan worden gesteld dat huishoudens met een laag inkomen in Maassluis, Vlaardingen en Schiedam sinds 2017 meedelen in het economisch herstel, in die zin dat het een deel van die huishoudens lukt de armoede te ontstijgen. De voorlopige inkomenscijfers van het CBS suggereren dat de ontwikkelingen binnen de drie gemeenten vanaf 2019 uiteen zijn gaan lopen. Zoals de stippellijnen in grafiek 2.3 tonen, zette de afname van de armoede in Maassluis nog verder door, in lijn met de landelijke ontwikkeling. In Schiedam was de afname sterker dan landelijk, terwijl in Vlaardingen de afname stopte en de armoede stabiliseerde. 7

Om de kleine verschillen van jaar tot jaar beter zichtbaar te maken, begint de schaal in deze grafiek niet bij 0%, zoals gebruikelijk is. Een grafiek met een schaal die begint bij 0% zou vlakkere curves vertonen.

november 2021, versie 4

-9-

Inzicht in armoede 2021 Hoewel het tempo van het herstel in Nederland halverwege 2018 iets afnam, was er tot en met begin 2020 sprake van economische groei. Echter, aan het einde van 2019 vond de uitbraak van het coronavirus plaats, dat zich snel over de hele wereld verspreidde. Vanaf 2020 heeft corona ook in Nederland het economische en sociale leven drastisch afgeremd of soms zelfs stilgelegd. Daarmee was de coronacrisis een feit. Anders dan bij de kredietcrisis reageerde het Rijk met een uitgebreid steunpakket. Hoe groot het effect per saldo zal zijn op de armoede is nog niet exact duidelijk. In paragraaf 2.2.6 wordt iets verder ingegaan op de eerste gevolgen van de coronacrisis. Hoe langer armoede duurt, des te lastiger is het om eruit te raken. Grafiek 2.4 toont de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen, dat wil zeggen gedurende ten minste vier jaar op rij.8 In de grafiek is te zien dat in de afgelopen jaren in alle drie de gemeenten het aandeel langdurig arme huishoudens is toegenomen. In Maassluis ligt het aandeel langdurig arme huishoudens al jaren dicht bij het landelijk gemiddelde, maar in Vlaardingen en Schiedam ligt dit aanmerkelijk hoger.

Uit de voorlopige cijfers blijkt dat de ontwikkelingen in 2019 waarschijnlijk enigszins uiteen zijn gaan lopen: in Maasluis is een lichte toename te zien (in lijn met de landelijke ontwikkeling), in Vlaardingen een stabilisatie en in Schiedam een lichte afname van het aandeel langdurig arme huishoudens.

Grafiek 2.4 Ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen (≤110%) 9%

8%

7,9%

8,0%

7,9%

7,2%

7,3%

7,3%

5,7%

5,8%

5,9%

5,5%

5,6%

5,6%

5,7%

2016

2017

2018

2019

7,6% 7,3%

7%

6,9%

6,9% 6,5%

6,3%

6% 5,3%

5%

6,0%

5,4%

5,4%

5,3%

2014

2015

4% Maassluis

Vlaardingen

Schiedam

Nederland

Maassluis*

Vlaardingen*

Schiedam*

Nederland*

* Op basis van voorlopige cijfers

Het lijkt wellicht tegenstrijdig dat het aandeel langdurig arme huishoudens blijft toenemen tijdens economisch herstel, maar hiervoor bestaat een verklaring. Tijdens een economische crisis neemt zowel het aandeel arme huishoudens als het aandeel langdurig arme huishoudens toe. In tijden van economisch herstel lukt het huishoudens die nog niet zo lang arm zijn vaak beter de armoede te ontstijgen dan huishoudens die al langer in armoede leven. Verder worden die huishoudens die sinds kort arm zijn en die het niet lukt de armoede te ontstijgen na verloop van tijd langdurig arm. Hierdoor kan het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen blijven toenemen, ook in tijden van economisch herstel. 8

Om de verschillen van jaar tot jaar beter zichtbaar te maken begint ook in deze grafiek de schaal niet op 0%. Cijfers van vóór 2014 zijn niet beschikbaar.

november 2021, versie 4

- 10 -

Inzicht in armoede 2021

2.1.3 Lage inkomens in wijken en buurten Uiteraard is de armoede niet gelijkmatig verspreid over de wijken en buurten in de drie gemeenten. Grafiek 2.5 toont de aandelen huishoudens met lage inkomens per stad en per wijk in 2018 en 2017. De nummering van de wijken is conform de officiële wijkindeling (zie bijlage 2).

Grafiek 2.5 Aandeel huishoudens met lage inkomens (≤110%) per stad en wijk, 2017 en 2018 9,7% 10,1%

MAASSLUIS 4,8%

1 Taanschuurpolder

2018

2017

6,3%

2 Dijkpolder

13,8% 14,1%

3 Sluispolder

14,2% 14,5% 12,1% 12,3%

4 Kapelpolder 6,2% 6,7%

5 Burgemeesterswijk 2,5% 2,5%

6 Steendijkpolder VLAARDINGEN

12,3% 12,9%

1 Centrum

12,3% 13,1% 15,5% 16,1%

2 Westwijk

19,3% 19,0%

3 Vettenoordse Polder 12,3% 12,1%

4 Oostwijk

10,3% 10,9%

5 Vlaardinger Ambacht

14,2% 14,8%

6 Holy-Zuid 9,2% 9,5%

7 Holy-Noord SCHIEDAM

13,5% 14,1%

1 Centrum

14,5% 14,1% 15,6% 16,1%

2 Oost 9,9% 10,4%

3 West

14,9% 15,1%

4 Zuid

22,0% 22,4%

5 Nieuwland 16,7% 17,7%

6 Groenoord 5,7% 5,6%

7 Kethel

8,2% 9,0%

8 Woudhoek 1,9% 2,6%

9 Spaland/Sveaparken 0%

november 2021, versie 4

5%

10%

15%

20%

25%

- 11 -

Inzicht in armoede 2021 Uit deze grafiek blijkt allereerst dat er wat betreft armoede grote verschillen bestaan tussen de stadwijken, vooral in Schiedam, maar ook in Vlaardingen en Maassluis. Verder is te zien dat de afname van de armoede relatief groot is in de Maassluise wijk Taanschuurpolder, de Vlaardingse wijk Centrum en de Schiedamse wijken Groenoord en Woudhoek. Er zijn echter ook wijken waar de armoede niet is afgenomen, maar toegenomen. Dit geldt vooral voor de Schiedamse wijk Centrum, maar bijvoorbeeld ook voor Vettenoordse Polder en Oostwijk in Vlaardingen. De grafieken 2.6 tot en met 2.8 tonen voor elk van de drie gemeenten de aandelen huishoudens met een laag inkomen per buurt. De nummering van de buurten is conform de officiële buurtindeling (zie bijlage 2). Niet alle buurten komen voor in deze grafieken, omdat het CBS omwille van de privacy een publicatiegrens aanhoudt van minimaal 100 huishoudens.

Grafiek 2.6 Aandeel huishoudens met lage inkomens (≤ 110%) per buurt, Maassluis 2018 22 Bloemenbuurt

22,0%

33 Binnenstad

21,0%

42 Componistenbuurt

18,4%

41 Kapelpolder

13,8%

21 Vertobuurt

12,8%

31 Sluispolder oost

12,4%

32 Sluispolder west

12,3%

52 Burgemeesterswijk

11,9%

23 Bomendal

10,5%

43 Koningshoek

8,8%

11 Taanschuurpolder e.o.

4,8%

44 Het Balkon

3,2%

61 Steendijkpolder noord

3,0%

51 Vogelbuurt

2,4%

62 Steendijkpolder zuid

2,1%

0%

5%

10%

15%

20%

25%

In Schiedam lopen de armoedepercentages per buurt het meest uiteen. Dit blijkt ook uit de schaal op de horizontale as: deze loopt bij Maassluis en Vlaardingen tot 25% en bij Schiedam tot 35%. In Schiedam is dus niet alleen de armoede omvangrijker, maar ook de fysieke scheiding tussen verschillende inkomensgroepen – de zogenoemde geografische segregatie – is in Schiedam sterker. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat het woningaanbod in Schiedam homogener is, niet zo zeer stadsbreed, maar wel op het niveau van buurten en wijken. In Vlaardingen en Maassluis is het woningaanbod van buurten en wijken vaak gevarieerder, wat ook leidt tot meer variatie in inkomens.

november 2021, versie 4

- 12 -

Inzicht in armoede 2021

Grafiek 2.7 Aandeel huishoudens met lage inkomens (≤ 110%) per buurt, Vlaardingen 2018 22 Zuidbuurt

22,8%

74 Hoofdstedenbuurt

19,9%

66 Vogelbuurt Zuid

18,2%

37 Maasboulevard

17,1%

54 Babberspolder Oost

17,0%

64 Vogelbuurt Noord

15,9%

21 Hoogkamer

14,9%

24 Lage Weide

14,2%

72 Kruidenbuurt

13,8%

42 Oostbuurt

13,6%

12 Vettenoordse Polder Oost

13,2%

62 Statenbuurt

13,0%

13 Centrum

12,1%

61 Vaart Zuid

11,5%

11 Indische Buurt

11,1%

23 Wetering

10,2%

76 Hoevenbuurt

10,0%

53 Babberspolder West

9,2%

63 Loper Zuid

8,6%

78 Vaart Noord

7,1%

73 Loper Noord

4,8%

41 Hofbuurt

2,5%

51 Babberspolder Noord

2,3%

52 Oranjebuurt

2,2%

71 Drevenbuurt 75 Park Holy Noord

0,7% 0,0%

0%

november 2021, versie 4

5%

10%

15%

20%

25%

- 13 -

Inzicht in armoede 2021

Grafiek 2.8 Aandeel huishoudens met lage inkomens (≤ 110%) per buurt, Schiedam 2018 67 Nolensbuurt 72 Groenoord-Zuid 68 Wibautbuurt 15 Wetenschappersbuurt 33 Fabribuurt 12 Natuurkundigenbuurt 43 Piet Sandersbuurt 42 Eilandenbuurt 63 Staatsliedenbuurt 00 Binnenstad 62 Spieringshoek 34 Frankenland 16 Newtonbuurt 21 Brandersbuurt 74 Groenoord-Noord 65 Hollandiabuurt 13 Singelkwartier 73 Groenoord-Midden 17 Rotterdamsedijk 75 Kethel-dorp 22 Walvisbuurt 66 Schiehart 41 Noletbuurt 92 Ambachtenbuurt 14 Stationsbuurt 32 Schrijversbuurt 93 Kastelenbuurt 44 Maasboulevard 31 Schildersbuurt 91 Toneelspelersbuurt 77 Tuindorp 94 Botenbuurt 39 Distillateursbuurt 38 Haverschmidtkwartier 35 Liduinabuurt 23 De Plantage 64 Vakbondsliedenbuurt 36 Nassaukwartier 97 De Akkers en De Velden 37 Oranjekwartier 96 De Vlinderhoven/Sveaholm 76 Vogelbuurt 95 De Gaarden/Sveafors 98 Sveaborg en -Dal 99 Noordkethelpolder 71 Parkenbuurt/Bijdorp

32,2% 28,5% 24,1% 21,4% 20,3% 19,5% 18,4% 18,1% 18,0% 17,8% 17,5% 17,0% 16,7% 16,2% 16,0% 15,8% 15,4% 15,2% 13,8% 13,7% 13,2% 12,8% 10,9% 9,4% 9,2% 9,1% 9,0% 8,7% 8,4% 8,1% 8,0% 7,1% 6,4% 5,6% 5,6% 5,1% 4,3% 2,9% 2,8% 2,4% 2,1% 1,5% 1,0% 0,7% 0,0% 0,0%

0%

november 2021, versie 4

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

- 14 -

Inzicht in armoede 2021

2.2 Voorzieningengebruik In paragraaf 2.2 worden huishoudens die gebruik maken van één of meer van de volgende armoedeen schuldenvoorzieningen aangemerkt als arm: bijstand, bijzondere bijstand en/of minimaregelingen, schuldhulpverlening. Allereerst wordt het gebruik van de afzonderlijke voorzieningen beschreven. Daarna volgt een beschrijving van de armoede, afgemeten aan het voorzieningengebruik.

2.2.1 Bijstand Op 30 juni 2020 telden de drie gemeenten samen 6.014 lopende bijstandsuitkeringen. Op 30 juni 2018 was dit 5.948. In twee jaar tijd is het aantal lopende uitkeringen dus met iets meer dan 1% gestegen. Grafiek 2.9 toont de aantallen per regeling en per gemeente. Van deze uitkeringen is 86,4% toegekend op grond van de Participatiewet (PW), 8,7% op grond van het Besluit Bijstandverlening Zelfstandigen (Bbz) en 4,9% op grond van Inkomensvoorzieningen voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers of Zelfstandigen (IOAW/IOAZ). De 6.014 uitkeringen worden betaald aan 5.996 rechthebbenden; achttien personen ontvangen bijstand op grond van niet één maar twee regelingen, namelijk een combinatie van PW en IOAW.

Bijstandsuitkeringen naar regeling, 2020 en 2018 3.000 2.500

111 168

108 7

148 279

2.233

2.360

2.231

2020

2018

2020

174 5

2.000 1.500 1.000 500

35 79

40 6

730

785

2020

2018

2.463

0 Maassluis

Vlaardingen PW

Bbz

2018 Schiedam

IOAW/IOAZ

Ten opzichte van twee jaar geleden is zowel het aantal PW-uitkeringen als het aantal IOAW/IOAZuitkeringen afgenomen, met 7%, respectievelijk 9%. Het aantal Bbz-uitkeringen is in die twee jaar echter gestegen van minder dan 20 tot meer dan 500. Deze toename is een gevolg van de coronacrisis, waardoor meer zelfstandigen een beroep op bijstand deden (zie ook evaluatievraag 6 in paragraaf 3.3). Door deze sterke toename van het aantal Bbz-uitkeringen steeg ook het totale aantal bijstandsuitkeringen, ondanks de afname van het aantal PW- en IOAW/IOAZ-uitkeringen. Zoals blijkt uit grafiek 2.9, is de sterke stijging van het aantal Bbz-uitkeringen te zien in alle drie de gemeenten, maar het meest in Schiedam. Inkomsten naast bijstand In de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 hadden precies 2.400 bijstandsgerechtigden inkomsten naast hun bijstandsuitkering. Dit is bijna 40% van alle bijstandsgerechtigden. Gemiddeld gaat het om € 415 per maand; de mediane of doorsnee verdienste is € 335. In 2018 waren deze bedragen € 389, respectievelijk € 324. De vergelijking tussen de twee perioden is niet helemaal zuiver, want in 2018 zijn inkomensgegevens gebruikt uit de periode van 1 januari tot 1 oktober 2018. Het vierde kwartaal ontbreekt dus en juist in deze periode is de werkgelegenheid relatief laag. november 2021, versie 4

- 15 -

Inzicht in armoede 2021 Het is hoe dan ook duidelijk dat het aandeel bijstandsgerechtigden met neveninkomsten flink is toegenomen, volgens de beschikbare cijfers van 28,4% in 2018 naar 39,9% in 2020. In grafiek 2.10 zijn deze aandelen weergegeven, ook per gemeente. Tegelijkertijd is de frequentie van die inkomsten afgenomen van 81,6% van alle kalendermaanden naar 59,1% van alle kalendermaanden. Het gaat dus vaker om onregelmatige inkomsten. In Maassluis hebben iets meer bijstandsgerechtigden neveninkomsten dan in Vlaardingen en Schiedam. Maassluise bijstandsgerechtigden hebben ook het meest frequent neveninkomsten en Schiedamse bijstandsgerechtigden het minst frequent.9

Grafiek 2.10 Inkomsten naast bijstand, 2020 en 2018 (aandeel gerechtigden en aandeel maanden met inkomsten) 100%

88,2%

90%

82,1%

70%

66,3%

61,1%

50%

59,1%

54,4%

60% 44,7% 31,8%

39,9%

39,7%

38,7%

40%

29,2%

30%

81,6%

78,1%

80%

28,4%

26,8%

20% 10% 0% 2020

2018

Maassluis

2020

2018

Vlaardingen

% Bijstandsgerechtigden met inkomsten

2020

2018

Schiedam

2020

2018 MVS

% Maanden met inkomsten

Deze wijzigingen hangen samen met veranderingen in het uitvoeringsbeleid van Stroomopwaarts. In eerste instantie stuurt Stroomopwaarts aan op duurzame uitstroom uit de bijstand naar voltijds werk. Echter, uit onderzoek blijkt dat een tijdelijke deeltijdbaan een goede opstap kan zijn naar meer werk en daarmee ook naar uitstroom.10 Om die reden wordt tegenwoordig ook bij klanten met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt ingezet op deeltijdwerk. Daarnaast biedt Stroomopwaarts klanten ondersteuning bij het aanvragen van een persoonsgebonden budget (PGB) voor de zorg aan zorgbehoevende kinderen, ouders en/of partners. De gedachte is dat zij daarmee minder zorgtaken krijgen en meer mogelijkheden om te werken. Als gevolg van deze twee beleidslijnen hebben meer bijstandsgerechtigden neveninkomsten. Ook is de gemiddelde duur van de neveninkomsten korter, omdat een deel van de cliënten sneller volledig uitstroomt uit de bijstand. Grafiek 2.11 toont de belangrijkste bronnen van inkomsten naast bijstand in 2020 en 2018. In lijn met het beleid van Stroomopwaarts is arbeid in loondienst de meest voorkomende bron van neveninkomsten.

Wel komt deze inkomstenbron in 2020 iets minder vaak voor dan in 2018, waarschijnlijk doordat de duur vaak wat korter is (de percentages in de grafiek zijn tot stand gekomen door het aantal maanden waarin de inkomsten zijn genoten te delen door het totaal aantal kalendermaanden). Ook pensioenen en belastingkorting komen minder vaak voor. Inkomsten als zelfstandige, alimentatie en uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid komen juist vaker voor. 9

Ook landelijk is het beeld dat er steeds meer kleine deeltijdbanen zijn, zie: CBS, Meer werkenden met kleine deeltijdbaan, 17 juni 2021. 10 Zie bijvoorbeeld: Divosa, Factsheet Parttime werk in de bijstand, 2019. Dit onderzoek is samengevat in de vorige armoedemonitor.

november 2021, versie 4

- 16 -

Inzicht in armoede 2021 Vooral de forse stijging van het percentage inkomsten als zelfstandige is opvallend. Dit komt doordat veel zelfstandigen vanwege de coronacrisis een beroep op bijstand moesten doen, als aanvulling op hun teruggelopen inkomsten.

Grafiek 2.11 Inkomstenbronnen naast bijstand, MVS 2020 en 2018 (percentage van aantal maanden waarin deze inkomsten zijn genoten) 46,5% 50,0%

Arbeid in loondienst 13,5% 12,7%

Alimentatie

10,5% 11,6%

AOW/bedrijfspensioen

9,9% 9,3%

Uitkering arbeidsongeschiktheid

6,2%

Inkomsten als zelfstandige

1,2%

Uitkering werkloosheid

3,3% 3,5%

Belastingkorting

2,8% 3,9% 2,1% 2,3%

Ziektewet/ziektegeld Inkomsten partner

0,5% 0,5%

Uitkering asielzoeker/gedoogde

0,5% 0,8% 4,1% 4,3%

Overig 0%

10%

20% 2020

30%

40%

50%

60%

2018

2.2.2 Bijzondere bijstand en minimaregelingen In de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 hebben 4.160 inwoners van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam een uitkering ontvangen in het kader van het minimabeleid. Het gaat dan om bijzondere bijstand of één van de minimaregelingen, zoals collectieve aanvullende verzekering, individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag en de kindregelingen van Stichting Leergeld en Jeugdfonds Sport en Cultuur. In de periode van 22 januari 2018 tot en met 21 januari 2019 ging het om 4.348 personen. Dit betekent dat het aantal ontvangers van bijzondere bijstand ten opzichte van het vorige onderzoek is afgenomen met 4%. Grafiek 2.12 toont de meeste voorkomende vergoedingen op grond van het minimabeleid, afgemeten aan het aantal verrichte maandbetalingen. Het overgrote deel van de vergoedingen is voor inkomensbeheer: beschermingsbewind (op aanwijzing van de rechter) of budgetbeheer (vrijwillig). Het aantal betalingen voor beschermingsbewind is in 2020 toegenomen met 13,7% ten opzichte van 2018, het aantal betalingen voor budgetbeheer met 9,7%. Het aantal personen met beschermingsbewind is toegenomen met 14,2% en het aantal personen met budgetbeheer met 8,5%. Het aantal vergoedingen voor veel andere kosten is afgenomen, bijvoorbeeld voor individuele inkomenstoeslag, rechtsbijstand en vrijwilligerswerk. november 2021, versie 4

- 17 -

Inzicht in armoede 2021

Grafiek 2.12 Meest voorkomende vergoedingen minimabeleid, MVS 2020 en 2018 (aantal maandbetalingen) 12.535 11.028

Budgetbeheer/bewindvoer.kosten rechtelijk Budgetbeheer niet-rechtelijk

3.391 3.090

Individuele inkomenstoeslag

2.713 2.841 697 796

Rechtsbijstand Vergoeding vrijwilligerswerk

236 312

Griffierecht

174 161

Inrichtingskosten woning

144 230

Reiskosten

119 155

Huur en vastrecht

91 71

Aanvullende bijstand jonger dan 21 jaar

85 166 0

2.000 2020

4.000

6.000

8.000 10.000 12.000 14.000

2018

Grafiek 2.13 laat zien dat het aantal gerechtigden bijzondere bijstand en minimaregelingen in alle drie de gemeenten is gedaald. Verder is te zien dat dit aantal in verhouding tot de bevolking het hoogst is in Vlaardingen. Ook het gemiddeld aantal uitkeringen per gerechtigde is vrij hoog in Vlaardingen. In Maassluis is het aantal gerechtigden relatief laag en in Schiedam is het gemiddeld aantal vergoedingen per gerechtigde relatief laag.

Grafiek 2.13 Minimabeleid: aantal gerechtigden per 1.000 inwoners en gemiddeld aantal uitkeringen, 2020 en 2018 30

20

26,2

25,2

25

24,7

22,1

19,6

24,6

22,5

21,5

15 10 5

4,76

4,69

5,34

4,69

4,52

4,25

4,96

4,54

0 2020

2018

Maassluis

2020

2018

Vlaardingen

Aantal gerechtigden per 1.000 inwoners

november 2021, versie 4

2020

2018

Schiedam

2020

2018 MVS

Gemiddeld aantal uitkeringen per gerechtigde

- 18 -

Inzicht in armoede 2021

2.2.3 Schuldhulpverlening Op 30 juni 2020 had Stroomopwaarts 1.442 cliënten schuldhulpverlening. Van hen hadden er 618 een schuldenregeling. Begin oktober 2018 waren er 1.346 cliënten en 553 schuldenregelingen. In de tussenliggende periode is het aantal actieve trajecten toegenomen met 7% en het aantal schuldenregelingen met 12%. Bij 95% van de schuldenregelingen gaat het om schuldenbemiddeling en bij de overige 5% om een betalingsregeling of schuldsanering. Bij bemiddeling wordt een schikking getroffen met de schuldeisers om drie jaar lang af te lossen op maximale afloscapaciteit tegen finale kwijting, dat wil zeggen dat de na drie jaar resterende schuld wordt kwijtgescholden. Bij een betalingsregeling betaalt de cliënt een maandelijks bedrag tot de schulden volledig zijn afgelost. Bij een saneringskrediet neemt de Kredietbank de schulden over en lost de cliënt drie jaar op maximale capaciteit af aan de Kredietbank, met kwijtschelding van de restschuld. Het voordeel hiervan is voor schuldeisers dat zij direct worden afbetaald en voor cliënten dat zij met nog maar één schuldeiser te maken hebben, de Kredietbank. Tabel 2.3 Kerncijfers schuldhulpverlening 2020 Maassluis Cliënten SHV per 1.000 inwoners 4,8 % Schuldenregelingen 43% Gemiddelde schuld € 40.639 Mediane schuld € 24.735 Mediaan aantal schuldeisers 15 Mediane looptijd (maanden) 23 Mediaan maandinkomen € 1.374

Vlaardingen 8,4 45% € 40.955 € 24.303 14 23 € 1.385

Schiedam 8,1 42% € 41.426 € 25.131 14 21 € 1.391

MVS 7,8 43% € 41.127 € 24.781 14 22 € 1.388

Tabel 2.4 Kerncijfers schuldhulpverlening 2018 Maassluis Cliënten SHV per 1.000 inwoners 4,1 % Schuldenregelingen 33% Gemiddelde schuld € 35.669 Mediane schuld € 23.207 Mediaan aantal schuldeisers 13 Mediane looptijd (maanden) 18 Mediaan maandinkomen € 1.352

Vlaardingen 8,3 46% € 41.648 € 24.199 13 20 € 1.327

Schiedam 7,1 42% € 45.635 € 22.148 11 18 € 1.394

MVS 7,0 43% € 42.781 € 23.361 12 19 € 1.348

Tabellen 2.3 en 2.4 tonen de kerncijfers schuldhulpverlening in 2020 en 2018. Uit een vergelijking van de twee tabellen blijkt dat het aantal cliënten schuldhulpverlening per 1.000 inwoners vooral is toegenomen in Schiedam en Maassluis. In Vlaardingen is het ongeveer gelijk gebleven, maar daar was het al hoog in vergelijking met de andere gemeenten. Ook is te zien dat in Maassluis het aandeel cliënten met een schuldenregeling is gestegen tot een vergelijkbare waarde als in Vlaardingen en Schiedam. In alle drie de gemeenten is zowel het mediaan (doorsnee) aantal schuldeisers als de mediane looptijd toegenomen. Verder valt op dat de mediane schuld veel sterker is toegenomen dan het mediane inkomen, althans in Schiedam en Maassluis. In grafiek 2.14 is te zien welke inkomensbronnen de cliënten met een schuldenregeling hebben. Hier valt op dat het aandeel cliënten met betaald werk flink is gestegen in Schiedam en Vlaardingen (in Maassluis was het al hoog). Tegelijkertijd is het aandeel cliënten met bijstand gedaald. De oorzaak is waarschijnlijk drieledig. Ten eerste zijn er meer mensen met betaald werk in de schulden geraakt. Het aantal deeltijdwerkers en zelfstandigen zonder personeel neemt gestaag toe en juist deze groepen

november 2021, versie 4

- 19 -

Inzicht in armoede 2021 lopen een relatief hoog risico op armoede en schulden.11 Ten tweede hebben de laatste jaren steeds meer bijstandsgerechtigden, waaronder mensen met een schuldenregeling, betaald deeltijdwerk gevonden (zie paragraaf 2.2.1). Tot slot kan de zogenoemde armoedeval een rol spelen: mensen met laag betaald werk hebben netto soms minder te besteden dan bijstandsgerechtigden, waardoor ze sneller in de financiële problemen kunnen komen.

Grafiek 2.14 Inkomensbronnen van cliënten met schuldenregeling 100% 90%

1% 6% 7%

5% 7%

2% 3% 9%

4% 4% 8%

80%

3% 1% 5% 18%

2% 2% 7%

3% 3% 7%

20% 30%

26%

70%

2%3% 7%

30%

34%

60% 50% 40%

86%

89% 74%

30%

60%

20%

58%

49%

69% 56%

10% 0% 2020

2018

Maassluis Salaris/Ziektewet

2020

2018

2020

Vlaardingen Bijstand

2018

Schiedam

Arbeidsongeschiktheid

AOW/Anw

2020

2018 MVS

Werkloosheid

Dankzij nieuwe CBS-cijfers (zie het kader hierna) is nu met een redelijk grote nauwkeurigheid te zeggen hoeveel huishoudens probleemschulden hebben. Dit is weergegeven in grafiek 2.15.12

Grafiek 2.15 Aandeel huishoudens met geregistreerde problematische schulden 15% 14,2% 12,4%

12,0%

10% 9,2%

8,3%

5% 0% Maassluis

Vlaardingen

Schiedam

MVS

Nederland

11

Zie SCP, Als werk weinig opbrengt, werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten, oktober 2018. Dit rapport is samengevat in de vorige armoedemonitor. 12 De cijfers die tot nu toe beschikbaar waren lopen nogal uiteen, ook al omdat elk bureau zijn eigen definitie heeft. In de vorige armoedemonitor ging het Kenniscentrum uit van een publicatie van het SCP uit 2016: 15% van de Nederlandse huishoudens zou ‘problematische schulden’ hebben. Onderzoeksbureau Panteia kwam in 2015 uit op 9,7%. Brancheorganisatie Divosa stelde in 2017 dat ongeveer één op de vijf huishoudens, dus 20%, ‘risicovolle schulden’ heeft.

november 2021, versie 4

- 20 -

Inzicht in armoede 2021 Nieuwe cijfers over schulden Om een beter beeld te krijgen van de schuldenproblematiek heeft het CBS data uit tien landelijke registraties gecombineerd, onder meer van Bureau Krediet Registratie (BKR), zorgverzekeraars en de Belastingdienst. Op 1 januari 2018 bedroeg het aandeel huishoudens met geregistreerde problematische schulden in Nederland 8,3%, dus één op de twaalf. Dit aandeel was in de jaren 2015 tot 2018 redelijk stabiel. Ruim de helft had al ten minste drie jaar schulden en bijna een kwart pas sinds één jaar. Het hoogste aandeel had Rotterdam met 15,8%, gevolgd door Lelystad met 14,8%. Problematische schulden komen relatief vaak voor in de leeftijdsgroep van 25 tot 65 jaar, onder personen met een niet‐westerse migratieachtergrond, onder laagopgeleiden en in huishoudens met kinderen. Er zijn naar verhouding ook veel zelfstandig ondernemers bij. Huishoudens met probleemschulden hebben relatief vaak te maken met geestelijke gezondheidszorg en jeugdzorg. Levensgebeurtenissen met een relatief hoge kans op het ontstaan van probleemschulden zijn: verlies van een baan en vervolgens in de bijstand komen, verdacht worden van een misdrijf, stoppen met het volgen van onderwijs zonder een startkwalificatie te behalen en beëindiging van een huwelijk of samenwoningsrelatie.

Van alle Nederlanders van 16 jaar en ouder behoorde op 1 januari 2018 2,7% tot één of meer risicogroepen, bijvoorbeeld omdat zij een laag vermogen hebben, leven van een uitkering of verdachte zijn van een misdrijf. Mensen in een risicogroep hebben gemiddeld een zeven keer zo grote kans om in probleemschulden te raken: de kans is 6,5% voor risicogroepen en 0,9% voor de overige Nederlanders. Het hoogste aandeel personen in een risicogroep hebben de drie grote steden met elk 5,2%. Van alle huishoudens met probleemschulden in Nederland is slechts 14,4% in beeld bij de hulpverlening, dat wil zeggen dat er sprake is van bewindvoering, curatele, een bij BKR gemeld minnelijk traject of een Wsnp‐traject. Slechts één op de zeven huishoudens met probleemschulden (CBS schrijft abusievelijk één op de zes) zit dus in een hulpverleningstraject. CBS, Schuldenproblematiek in beeld, 17 augustus 2020

Zoals blijkt uit grafiek 2.15, liggen de aandelen huishoudens met geregistreerde probleemschulden in elk van de drie gemeenten boven het landelijk gemiddelde: in Maassluis heeft één op de elf huishoudens probleemschulden, in Vlaardingen één op de acht en in Schiedam één op de zeven. Daarnaast lopen sommige inwoners zonder schulden een verhoogd risico om in de probleemschulden te raken, bijvoorbeeld omdat zij een laag vermogen hebben en/of van een uitkering leven. Grafiek 2.16 toont welk aandeel van de inwoners tot een dergelijke risicogroep behoort: in Maassluis is dit gelijk aan het landelijk gemiddelde (2,7%), in Vlaardingen is het 3,2% en in Schiedam 4,3%. Personen in een risicogroep hebben gemiddeld een zeven keer zo grote kans om in probleemschulden te raken: de kans is 6,5% voor risicogroepen en 0,9% voor de overige Nederlanders. In Maassluis is de instroomkans ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde (6,6%), in Schiedam is het 7,6% en in Vlaardingen 8,8%. In Maassluis raakt van de inwoners uit een risicogroep dus één op de vijftien daadwerkelijk in de schulden, in Schiedam één op de dertien en in Vlaardingen één op de elf.

november 2021, versie 4

- 21 -

Inzicht in armoede 2021

Grafiek 2.16 Aandeel personen met verhoogd risico op schulden en de kans dat zij instromen in de schulden 10% 8%

8,8% 6,6%

6,5%

4% 2%

7,9%

7,6%

6%

4,3% 3,2%

2,7%

3,6% 2,7%

0% Maassluis

Vlaardingen

Schiedam

MVS

Nederland

Aandeel personen van 16 jaar en ouder met verhoogd risico op schulden Instroomkans van personen uit een risicogroep

Met de nieuwe schuldencijfers is nu ook nauwkeuriger te bepalen wat het bereik is van schuldhulpverlening. Tabel 2.5 combineert de nieuwe CBS-cijfers (peildatum: 1 januari 2018) met cijfers van Stroomopwaarts over de schuldhulpverlening in 2018. Hieruit blijkt dat MVS-breed ruim één op de acht (13,1%) huishoudens met probleemschulden schuldhulpverlening krijgt, variërend van ruim één op de tien in Maassluis (10,5%) tot bijna één op de zes in Vlaardingen (15,7%). Tabel 2.5 Huishoudens met geregistreerde problematische schulden 2018 Maassluis Vlaardingen Schiedam # huish. met ger.probl.schulden 1.300 4.000 5.000 % huish. met ger.probl.schulden 9,2% 12,0% 14,2% # huishoudens met SHV 140 630 580 % huishoudens met SHV* 10,5% 15,7% 11,7% # personen in risicogroep (16+) 700 1.900 2.800 % personen in risicogroep (16+) 2,7% 3,2% 4,3%

MVS 10.300 12,4% 1.350 13,1% 5.400 3,6%

Nederland 650.700 8,3% 93.700 383.800 2,7%

* Huishoudens met schuldhulpverlening als percentage van de huishoudens met geregistreerde probleemschulden

Dat het bereik van schuldhulpverlening niet zo groot is, heeft verschillende oorzaken. Ten eerste is deelname vrijwillig. Ten tweede lag het initiatief tot voor kort bij de schuldenaars zelf: wie gebruik wilde maken van schuldhulpverlening moest zich melden bij Stroomopwaarts of een wijkteam (Vraagraak in Maassluis, Minters in Vlaardingen of een wijkondersteuningsteam in Schiedam). Het merendeel van de huishoudens meldt zich echter niet. Waarschijnlijk komt dit vooral door schaamte en stress, maar mogelijk ook door onbekendheid met de hulpverlening of het onderschatten van de ernst van de situatie. Een wijziging in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) sinds 1 januari 2021 brengt hierin verandering. Deze wijziging biedt gemeenten een wettelijke basis om inwoners van wie bekend is dat zij probleemschulden hebben actief te benaderen en schuldhulpverlening aan te bieden. Meer hierover is te lezen in paragraaf 3.3, onder evaluatievraag 8. Ten derde wordt bijna een kwart van de schuldhulpverleningstrajecten bij Stroomopwaarts voortijdig beëindigd, omdat de cliënt niet voldoet aan de verplichtingen. Overigens is dit al beduidend lager dan bij de vorige armoedemonitor; toen werd nog bijna de helft van alle trajecten voortijdig beëindigd.

Huishoudens met een schuldenregeling moeten drie jaar leven van een zeer laag bedrag, namelijk van wat resteert na maximale afdracht aan de schuldeisers. Waarschijnlijk schrikt dit vooruitzicht veel huishoudens af. Meer hierover is te lezen in paragraaf 3.3, onder evaluatievraag 7. november 2021, versie 4

- 22 -

Inzicht in armoede 2021

2.2.4 Armoede gemeten naar voorzieningengebruik Medio 2020 hebben 7.890 inwoners van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam één of meer armoedeof schuldenvoorzieningen. Zij zijn de hoofdgebruikers van deze voorzieningen. Grafiek 2.17 geeft een beeld van de samenloop tussen de verschillende voorzieningen. Vooral de combinatie van bijstand en bijzondere bijstand en/of één of meer minimaregelingen komt vaak voor. Grafiek 2.17 Samenloop van armoede- en schuldenvoorzieningen, MVS 2020 (aantallen hoofdgebruikers met desbetreffende voorziening(en))

Bijstand 2.881

130

2.583 402

Bijzondere bijstand / minimaregelingen 984

194

Schuldhulpverlening 716

Bij het al dan niet toekennen van de voorzieningen wordt niet de financiële situatie van de hoofdaanvrager, maar die van het hele huishouden als uitgangspunt genomen. Om die reden is het gerechtvaardigd om alle leden binnen een huishouden met één of meer armoede- of schuldenvoorzieningen aan te merken als arm. Zodoende kan een beter beeld worden verkregen van de armoede in de drie gemeenten. Op basis van het voorzieningengebruik zijn MVS-breed in 2020 in totaal 16.936 personen aan te merken als arm. In 2018 was dit 18.190. Uitgedrukt als percentage van de totale bevolking is de armoede op basis van voorzieningengebruik in de MVS-gemeenten gedaald van 10,0% naar 9,1%. In paragraaf 2.1.1 bleek al dat het MVS-brede aantal personen in een huishouden met een laag inkomen is afgenomen van 10,8% van de bevolking naar 9,8%.13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11038921/1