CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Spechtstraat

gemeenteraad 15 februari 2022, gemeente MaassluisBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststellen bestemmingsplan Spechtstraat19.107 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit het bovenstaande onderzoek komt naar voren dat het plangebied niet binnen het maatgevende plaatsgebonden risicocontour 10‐6 per jaar van risicovolle inrichtingen of de vaarroute is gelegen. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van verschillende risicovolle bronnen, waarvoor hieronder een beknopte verantwoording van het groepsrisico is gegeven. Beknopte verantwoording groepsrisico De onderstaande beknopte verantwoording van het groepsrisico wordt op basis van het advies van de veiligheidsregio nog nader uitgewerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via verschillende wegen, waaronder de Spechtstraat, Merellaan en IJsvogelstraat. Deze straten sluiten alle aan op het verdere wegennetwerk van Maassluis.

Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in vier richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal het plangebied bestaan uit woningen. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt er echter van uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

38

Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Nieuwe Waterweg en risicovolle inrichting Broekman Logistics Europoort B.V. Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling en de afstand tot de risicobronnen zal het groepsrisico echter niet aanzienlijk toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende kunnen worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.

Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek In de beoogde situatie worden 38 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. In het gebied zijn voornamelijk woningen gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'. Ten noorden van het plangebied op een afstand van circa 150 meter bevindt zich de bestemming 'Gemengd ‐ 3'. Hier mag detailhandel gerealiseerd worden. Dit valt in milieucategorie 1 en heeft een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Op een afstand van circa 195 meter ten zuidoosten van het plangebied bevinden zich een theater en bibliotheek. Maatgevend hierbij is het theater dat in milieucategorie 2 valt met een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk. Hier wordt ruim aan voldaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad en dat ter plaatse van woningen in en om het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.

Het aspect milieuhinder vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

39

4.10

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Spoedwet Aanpak Stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak stikstof in werking getreden. Hierbij is de toets bij Wnb‐ vergunningen ten aanzien van Natura 2000 gebieden aangepast, niet alleen voor stikstofdepositie, maar ook voor andere effecten. Er is nu alleen een vergunning nodig als er sprake is van mogelijke significante (negatieve) effecten. Voorheen was dit ook het geval als er sprake was van enige verstoring of verslechtering van een Natura 2000‐gebied, die op zich niet significant was. Dan kon deze vergunning wel worden verleend, maar vaak wel onder voorwaarden. Nu is er voor deze activiteiten geen vergunning meer nodig, geringe effecten moeten worden tegengegaan door middel van het beheerplan voor het Natura 2000‐gebied.

Natura‐2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

40

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied is gelegen op een afstand van circa 5,7 kilometer en betreft het gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. Gezien de afstand tot een Natura 2000‐gebied is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 5. Zowel voor de gebruiksfase als voor de aanlegfase is geen depositiebijdrage binnen Natura 2000‐gebieden berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Soortenbescherming Voor de beoogde ontwikkeling wordt een gebouw gesloopt en worden verschillende houtopstanden verwijderd. Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 6. Uit de quickscan blijkt dat de aanwezigheid van vleermuizen en huismussen niet op voorhand is uit te sluiten. Voor deze soorten is soortgericht onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen voortplantings‐ of rustplaatsen vastgesteld van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger zijn aangetroffen. In het plangebied zijn ook geen nesten, rustplaatsen of essentieel leefgebied van de huismus vastgesteld. Wel is noodzakelijk om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Conclusie Significante negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten kunnen worden uitgesloten. Het aspect ecologie staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.11

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings‐ praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel 4.3 weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

41

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24‐uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg/m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden twee situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht;  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 38 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit nibm onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Merellaan. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.

De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020; 21,7 µg/m3 voor NO2, 19,6 µg/m3 voor PM10 en 11,8 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7,3 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

42

Figuur 4.3: Rekenpunten luchtkwaliteit (NSL‐monitoring.nl) Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied, het project valt onder het Besluit nibm. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een acceptabel woon‐ en leefklimaat.

4.12

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

43

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Aard van het bestemmingsplan

5.1.1 Standaard opbouw en verbeelding en regels In het bestemmingsplan Spechtstraat Maassluis is gebruikgemaakt van de landelijke richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Hierin zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en bestemmingen. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn daarnaast eventuele afwijkings‐ en wijzigingsregels opgenomen. 5.1.2 Bestemmingsvlak en bouwvlak De in het plangebied aanwezige bestemmingen bestaan in de meeste gevallen uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Bij een aantal bestemmingen, zoals bijvoorbeeld 'Tuin' en 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' geldt uitsluitend een bestemmingsvlak. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat binnen deze bestemmingen geen gebouwen mogen worden gebouwd. Het bestemmingsvlak geeft namelijk aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Het bouwvlak is over het algemeen een gebied dat op de verbeelding is aangeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen en overkappingen te bouwen in de regels zijn aangegeven. 5.1.3 Aanduidingen Op de verbeelding is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen.

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen en als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringsaanduidingen, waaronder de bouwhoogte en het maximum aantal wooneenheden. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. In het plangebied zijn bijvoorbeeld bouwaanduidingen opgenomen voor onderdoorgangen en specifieke gebieden waar twee‐aaneengebouwde woningen gebouwd mogen worden. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bij de toepassing van het bestemmingsplan specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. In het plangebied is een gebiedsaanduiding opgenomen voor de geluidszone industrielawaai (zie paragraaf 4.3).

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

44

5.2

Uitleg van de planregels

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de planregels. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs‐ en slotregels. Deze worden hieronder toegelicht.

5.3

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

5.4

Bestemmingsregels

Artikel 3 Tuin De tuinbestemming is gelegd op de bij de woningen behorende gronden, waarop in principe geen bebouwing is toegestaan. Dit betreffen de gronden gelegen aan de voorzijde van de woning. Artikel 4 Verkeer ‐ Verblijfsgebied Het openbaar gebied is bestemd tot Verkeer ‐ Verblijfsgebied. Binnen deze bestemming zijn zowel gebieden met een verblijfsfunctie, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, speeltoestellen en speelplaatsen, wegen, voet‐ en fietspaden en water toegestaan, waardoor een zekere mate van flexibiliteit wordt geboden. Artikel 5 Wonen De woonfunctie is de belangrijkste functie in het plangebied. Het beleid is erop gericht de kwaliteit van de woonomgeving waar mogelijk te versterken. Rekening houdend met dit uitgangspunt, is een regeling geformuleerd die het resultaat is van de afweging tussen enerzijds een maximaal woongenot voor de bewoners en anderzijds de opgave om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Hoofdgebouwen Het hoofdgebouw van de woning mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gerealiseerd. Bijbehorende bouwwerken Buiten het hoofdgebouw mogen op het perceel zowel binnen als buiten het bouwvlak bijbehorende bouwwerken worden opgericht. Dit betreft bijgebouwen, uit‐ of aanbouwen en overkappingen. Deze bouwwerken mogen alleen op het zij‐ en achtererf worden gerealiseerd.

Het gezamenlijke oppervlak aan bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 50% van het zij‐ en achtererf met een maximum van 50 m².

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

45

Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een aparte maximale maatvoering opgenomen. Beroep‐ en bedrijf‐aan‐huis Daar waar de gronden zijn bestemd voor wonen is de uitoefening van een 'aan‐huis‐verbonden beroep of bedrijf' onder voorwaarden toegestaan. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 25% van het vloeroppervlak van de woning (met een maximum van 50 m²), inclusief aan‐ en uitbouwen en bijgebouwen, worden benut ten behoeve van de uitoefening van aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. De activiteiten mogen niet hoger zijn dan categorie A uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'. Daarnaast moet in voldoende parkeergelegenheid voorzien zijn en mogen de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca of detailhandel. Internetverkoop is eveneens toegestaan, mits geen opslag en/of logistiek plaatsvindt en geen sprake is van fysieke uitstalling van goederen. Afwijken van de gebruiksregels Binnen de bestemming Wonen kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning van enkele specifieke gebruiksregels worden afgeweken indien wordt voldaan aan de opgenomen voorwaarden uit de afwijkingsregels.

Zo kunnen bedrijfsactiviteiten‐aan‐huis worden toegestaan die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' voorkomen, mist blijkt dat deze naar aard en omvang gelijk zijn aan een categorie A‐bedrijf. Daarnaast is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor realisatie van een Bed & Breakfast, conform het bepaalde in de beleidsnota Bed & Breakfast. Artikel 6 Waarde ‐ Archeologie 8 Deze dubbelbestemming beschermt de mogelijk aanwezige archeologische waarde ter plaatse op basis van het gemeentelijk archeologisch beleid. Archeologisch onderzoek is vereist, wanneer het om locaties gaat met een oppervlakte van 200 m2 en meer èn er sprake is dat de grond 300 cm en dieper wordt geroerd.

5.5

Algemene regels

Artikel 7 Anti‐dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel bevat de bepaling 'Overschrijding bouwgrenzen'. Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. In artikel 8.3 is opgenomen dat bij een nieuwe ontwikkeling dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn vormen van gebruik genoemd die strijdig zijn met dit bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

46

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Dit artikel bevat enkele algemene wijzigingsregels. Binnen de opgenomen voorwaarden zijn burgemeester en wethouders bevoegdheid het plan te wijzigen.

5.6

Overgangs‐ en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 12.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 12.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 13 Slotregel De slotregel beschrijft op welke wijze de regels aangehaald moeten worden.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

47

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie Voor de ontwikkeling van het plangebied is een uitgebreid participatietraject doorlopen. Een Meedenkgroep, bestaande uit omwonende en belanghebbende, heeft in 2019 voorstellen gemaakt met behulp van een architect. Hierna is een digitale bijeenkomst georganiseerd om de plannen met de Meedenkgroep te bespreken. Uit het participatietraject is het onderliggende plan voortgekomen. Hierna heeft de gemeenteraad op dinsdag 13 oktober 2020 het woonprogramma voor het plangebied vastgesteld. Terinzagelegging Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is aan eenieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Binnen deze periodes zijn geen reacties ontvangen. Overleg HHD Naar aanleiding van overleg met HHD is de toelichting van het bestemmingsplan aangepast. De ondergeschikte aanpassingen zijn toegelicht in de Nota staat van wijzigingen, zie bijlage 8.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

48

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

Bijlage 2 M.e.r.‐beoordelingsbesluit

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

Bijlage 5 Stikstofberekening

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

Bijlage 6 Quickscan flora en fauna

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

Bijlage 7 Soortgericht onderzoek vleermuizen en huismussen

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

Bijlage 8 Nota Staat van Wijzigingen

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

REGELS

69

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan 'Spechtstraat Maassluis' met identificatienummer NL.IMRO.0556.BpSpecht‐VA01 van de gemeente Maassluis. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan‐ en uitbouw a. aanbouw: een aangebouwd gebouw, dat in bouwkundig en functioneel opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw; b. uitbouw: een uitbreiding van de woonruimte, dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6 aan‐huis‐gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8 bestaand gebruik Het gebruik, zoals aanwezig op de dag van het in ontwerp ter inzage leggen van dit plan en in gebruik conform de geldende gebruiksregels of een omgevingsvergunning. 1.9 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.

1.10 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

70

1.11 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.12 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.13 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is. 1.14 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.15 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.16 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.17 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.18 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.19 geluidzone ‐ industrie de met de gebiedsaanduiding 'geluidzone ‐ industrie' aangegeven zone, zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder.

1.20 hoofdgebouw een gebouw op een bouwperceel, dat zich door zijn constructie, afmetingen of functie onderscheidt van overige bouwwerken en/of als belangrijkste is aan te merken. 1.21 huishouden één persoon dan wel twee of meer personen die duurzaam met elkaar samenleven, dan wel een daarmee vergelijkbare samenstelling die gebruikmaken van gezamenlijke voorzieningen. 1.22 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding‐ of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen‐ en vergunningenbesluit milieubeheer geldt en waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

71

1.23 maatschappelijke voorzieningen (overheids)voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, sport, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren. 1.24 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.25 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en minimaal 2 open wanden/gevels. 1.26 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.27 ruimtelijke plannen alle bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, omgevingsvergunningen en daarmee gelijk te stellen plannen en besluiten, met uitzondering van beheersverordeningen. 1.28 wonen het wonen in een (bedrijfs)woning. 1.29 woning een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting uitsluitend bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor een met een huishouden gelijk te stellen minder traditionele woonvorm.

1.30 woonruimte oppervlakten met een duidelijke woonfunctie zoals woonkamer, hal, keuken, slaapkamers en badkamer. Hiertoe wordt nadrukkelijk niet gerekend ruimten zonder daglicht. Bij schuine daken mag de oppervlakte als woonoppervlakte worden gerekend vanaf 1,5 m hoogte.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

72

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot de perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 2.4 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

73

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Bestemmingsregels

Tuin

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste: 1. van erf‐ en terreinafscheidingen: 1 m; 2. van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde: 2,5 m. 3.3 Specifieke gebruiksregels Per bouwperceel blijft minimaal 50% van het oppervlak onverhard. 3.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 voor het bouwen van overkappingen met een maximale oppervlakte van 4 m² en een maximale bouwhoogte van 2,5 m.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

74

Artikel 4

Verkeer ‐ Verblijfsgebied

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, groen, reclame‐uitingen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, fiets‐ en voetpaden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, fietsenstallingen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en kunstobjecten. 4.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, bedraagt ten hoogste 3 m.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

75

Artikel 5

Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen met aan‐huis‐gebonden‐beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, bergingen, parkeervoorzieningen, tuinen en water. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedraagt het aantal woningen ten hoogste het maximum aangegeven aantal'; c. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd; d. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' ten hoogste de aangegeven bouwhoogte. 5.2.2 Bijbehorende bouwwerken a. bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. het gezamenlijk oppervlak van aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van het zij‐ en achtererf tot een maximum van 50 m², met dien verstande dat in ieder geval 20 m² is toegestaan; c. de diepte van aan‐ en uitbouwen, gemeten vanuit de gevel van het hoofdgebouw waaraan de aan‐ of uitbouw wordt gebouwd, bedraagt ten hoogste 3 m; d.

de goothoogte van aan‐ en uitbouwen bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; e. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; f. de bouwhoogte van aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 5 m; g. de afstand van aan‐ en uitbouwen en bijgebouwen tot de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten minste 1 m; h. de afstand van aan‐ en uitbouwen en bijgebouwen tot perceelsgrenzen bedraagt 0 of ten minste 1 m; i. in afwijking van de onder f bepaalde maximale bouwhoogte zijn dakterrassen toegestaan op aan‐ en uitbouwen en bijgebouwen, met dien verstande dat deze terrassen aan weerszijden (voor zover deze zijde(n) zich op minder dan 2 m van de grenslijn van het erf (de zijdelingse perceelsgrens) bevindt (bevinden)) worden afgeschermd met ondoorzichtig materiaal met een hoogte van ten minste 1,2 m en ten hoogste 1,8 m tenzij de eigenaar van het naburige erf geen toestemming heeft gegeven om een doorzichtige of géén afscherming te plaatsen.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

76

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste: a. van erf‐ en terreinafscheidingen grenzend aan openbaar gebied 1 m; b. van erf‐ en terreinafscheidingen elders 2 m; c. van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde 3 m. 5.3 Specifieke gebruiksregels 5.3.1 Aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Op de gronden met de bestemming Wonen is – in samenhang daarmee – ook het gebruik toegestaan van gedeelten van hoofdgebouwen, inclusief aan‐ en uitbouwen, voor aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover: a. het vloeroppervlak ten behoeve aan‐huis‐gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw, inclusief aan‐ en uitbouwen, met een maximum van 50 m²; b. de milieucategorie van de betreffende activiteiten niet hoger is dan categorie A uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'; c. de betreffende activiteiten worden genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'; d. het gebruik niet tot ernstige hinder leidt voor het woonmilieu c.q. afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt; e. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer; f.

er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid; g. er geen horeca wordt uitgeoefend; h. er geen detailhandel wordt uitgeoefend met uitzondering van ondergeschikte detailhandel; i. het beroep of de activiteit door de bewoner wordt uitgeoefend; j. internetverkoop is toegestaan, onder de voorwaarde dat: k. deze plaatsvindt zonder opslag en/of logistiek ter plaatse; l. er geen sprake is van een fysieke uitstalruimte die gericht is op en/of toegankelijk is; m. er geen sprake is van een bedrijfsactiviteit met ter plaatse werkzame personen; n. catering, seksinrichting en munitie‐ en vuurwerkopslag zijn niet toegestaan; o. de in deze bestemming toegelaten geluidsgevoelige functies zijn toegestaan indien de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer/een industrieterrein/een spoorweg op de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van een geluidsgevoelig terrein niet meer bedraagt dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde. 5.3.2 Onverhard en onbebouwd  per bouwperceel blijft bij particulieren tuinen minimaal 30% van het oppervlak met de bestemming Wonen buiten het bouwvlak onbebouwd en onverhard;  per bouwperceel blijft bij gemeenschappelijke tuinen minimaal 50% van het oppervlak met de bestemming Wonen buiten het bouwvlak onbebouwd en onverhard.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

77

5.4 Afwijken van de gebruiksregels 5.4.1 Bed & Breakfast Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.1 om een Bed & Breakfast toe te staan, onder de voorwaarden welke vastgesteld zijn in de “Beleidsnotitie Bed & Breakfast 2015”. 5.4.2 Aan‐huis‐gebonden beroepen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.3.1: a. om aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toe te laten in één categorie hoger dan de toegelaten categorie, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm, alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de toegelaten categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'; b. om aan‐huis‐gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de toegelaten categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

78

Artikel 6

Waarde ‐ Archeologie 8

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde ‐ Archeologie 8' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in lid 6.1 bedoeld, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m. 6.2.2 Relatie enkelbestemming Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien op basis van archeologisch onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. 6.2.3 Uitzondering op bouwregels Het bepaalde in lid 6.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op de volgende activiteiten of bouwwerken: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 200 m²; c.

een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 300 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. 6.3 Afwijken van de bouwregels a. Bij een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in lid 6.2 ten behoeve van de bouw van bouwwerken en ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en), met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, indien is gebleken dat het oprichten van het bouwwerk niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin. b. Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid alsook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en ‐criteria. c. Voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: 1.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

79

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde ‐ Archeologie zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen en ontgraven van de bodem; b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het hoogheemraadschap; e. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport‐, energie‐, telecommunicatie of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; j. het scheuren van grasland; k. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.

6.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 6.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 6.2 en 6.3 in acht is genomen; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m²; c. niet dieper dan 300 cm onder maaiveld reiken; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

80

6.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 6.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: a. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate blijkt dat: c. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; d. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; e. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad; f. voor zover de in lid 6.4.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kan het bevoegd gezag aan de vergunning de volgende voorschriften verbinden: g. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; h. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet; i.

de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; j. alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 6.4.1, wint het bevoegd gezag advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige. 6.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat: a. de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie 8' op de verbeelding wordt veranderd in 'Waarde ‐ Archeologie 2' voor gronden die op basis van deskundig archeologisch (voor)onderzoek archeologische waarden blijken te bevatten die op grond van de gangbare waarderingssystematiek door burgemeester en wethouders als behoudenswaardig zijn bevonden (positief selectiebesluit); b. de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie 8' op de verbeelding wordt veranderd in 'Waarde ‐ Archeologie 3' en 'Waarde ‐ Archeologie 4' voor gronden die op basis van deskundig archeologisch (voor)onderzoek een hoge archeologische verwachting blijkt te hebben; c. de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie 8' kan vervallen, indien uit deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

81

Hoofdstuk 3

Artikel 7

Algemene regels

Anti‐dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

82

Artikel 8

Algemene bouwregels

8.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's, afdaken, liften en installaties, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. 8.2 Ondergeschikte bouwonderdelen op daken van gebouwen Bouwwerken op het dak van een gebouw, zoals installatiecontainers, centrale verwarmings‐ en luchtbehandelinginstallaties, liftschachten, hekwerken en soortgelijke bouwwerken om installaties uit het zicht te houden worden niet meegerekend bij de bepaling van de bouwhoogte van het gebouw, als zijnde ondergeschikt, mits: a. de hoogte van de bouwwerken vanaf het dak gemeten maximaal 3,5 m bedraagt; b. de oppervlakte van deze bouwwerken maximaal 1/3 bedraagt van het grondoppervlak van het gebouw. 8.3 Parkeren, laden en lossen 8.3.1 Parkeren Ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's dient in voldoende mate ruimte te zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de 'Beleidsregels Parkeren Maassluis 2012'.

Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd dient rekening te worden gehouden met de wijziging. 8.3.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de voorwaarden, zoals vastgelegd in de 'Beleidsregels Parkeren Maassluis 2012'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd dient rekening te worden gehouden met de wijziging. 8.3.3 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.3.1 en 8.3.2: a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer‐ of stallingruimte, dan wel laad‐ of losruimte wordt voorzien.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

83

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

9.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval begrepen: a. het opslaan van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; b. het gebruik als opslagplaats van onbruikbare of althans aan hun persoonlijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; c. het gebruik van onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van doeleinden van handel of bedrijf, een prostitutiebedrijf daaronder mede begrepen; d. het gebruik van bouwwerken als belhuis/internetcafé e. het wonen in een woning door meer dan één huishouden. 9.2 Uitzondering In afwijking van het bepaalde in 9.1 onder sub e zijn in een woning ook minder traditionele woonvormen toegestaan, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners. Hieraan wordt voldaan als sprake is van de volgende omstandigheden: a. het niet meer dan drie bewoners per woning betreft; b. de bewoners op het betreffende adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie; c.

alle gezamenlijke ruimtes zoals woonkamer, keuken, toilet en badkamer gezamenlijk worden gebruikt; d. er een minimale woonoppervlak is van 25 m2 per persoon; e. er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlak van minder dan 13 m2 er 1 persoon per slaapkamer wordt gehuisvest; f. er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlakte van 13 m2 of meer er maximaal 2 personen per slaapkamer worden gehuisvest; g. maximaal 10% van het aantal woningen per unieke postcode gebruikt mag worden ten behoeve de huisvesting waarvoor vergunning wordt verleend.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

84

9.3 Afwijken van de gebruiksregels 9.3.1 Afwijkingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen afwijking verlenen van het gestelde in artikel 9.1 bij: a. particuliere verhuur van een woning, indien: 1. de woonvorm wordt gehuisvest in een bestaande woning; 2. er een relatie is met het bedrijf bij huisvesting van een woonvorm in een bedrijfswoning; 3. er maximaal 6 personen worden gehuisvest per woning/bedrijfswoning; 4. de bewoners zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie; 5. de woonvorm geen nadelige effecten heeft voor bedrijven in de omgeving; 6. er een minimale woonoppervlak is van 25 m2 per persoon 7. er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlak van minder dan 13 m² er 1 persoon per slaapkamer wordt gehuisvest; 8. er bij slaapkamers met een netto vloeroppervlakte van 13 m² of meer er maximaal 2 personen per slaapkamer worden gehuisvest; er in voldoende mate wordt voorzien in parkeerplaatsen, waarbij in gebieden met een bezettingspercentage van 80% of meer in de avond: I. voor 4 te huisvesten personen er 1 extra parkeerplaats wordt gerealiseerd; II. voor 5 tot 6 te huisvesten personen er 2 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd; 9. voor zover het ruimtelijk plan de functie ’parkeren’ in de tuin niet toestaat, er niet in de tuin geparkeerd mag worden of parkeerplaatsen mogen worden gerealiseerd 10.

er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken en het woon‐ en leefklimaat van omliggende percelen; 11. maximaal 10% van het aantal woningen per unieke postcode gebruikt mag worden ten behoeve de huisvesting waarvoor vergunning wordt verleend; 12. het aantal woningen niet toeneemt 13. er wordt voldaan aan de in artikel 9.3.2 opgenomen algemene bepalingen; b. verhuur van een woning door organisaties die huisvesting aanbieden of werkgevers, indien zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, sub a onder 1 en zij tevens zijn opgenomen in het register van Stichting Normering Flexwonen (SNF) en daarmee voldoen aan het SNF‐keurmerk. 9.3.2 Aanvullende voorwaarden In aanvulling op de voorwaarden in de in artikel 9.3.1 opgenomen afwijkingsbevoegdheid, zijn de hierna opgenomen algemene bepalingen van toepassing: a. veiligheid en hygiëne dienen te zijn gewaarborgd; b. bij verwarming door middel van gaskachels dient een CO‐melder aanwezig te zijn; c. CV, gaskachel en geiser dienen jaarlijks aantoonbaar gecontroleerd te zijn; d. er is brandblusmateriaal aanwezig, waarvan de minimale eisen zijn: 1. 6 liter brandblusser; 2. gebruiksinstructie op brandblusser; 3. brandblusser bevindt zich binnen een afstand van 5 meter waar gekookt wordt; e. er is een branddeken aanwezig bij de kookgelegenheid; f.

er zijn werkende rook‐ en CO‐melders gemonteerd op voorgeschreven plaatsen; g. per bewoner moet er een handboek zijn met huis‐ en leefregels in de taal van het land van herkomst met daarin tenminste: 1. telefoonnummer hulpverlener werkgever; 2. telefoonnummer politie; 3. 112, waarbij is aangegeven dat dit nummer alleen is te gebruiken in levensbedreigende situaties; 4. verkorte huis‐ en leefregels. Deze regels dienen te worden opgesteld en verstrekt door degene die verantwoordelijk is voor het verstrekken van de huisvestingslocatie; h. huisvuil op de reguliere wijze dient te worden aangeboden en/of afgevoerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

85

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

10.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan, tenzij op grond van hoofdstuk 2 ter zake reeds kan worden afgeweken, bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor: a. afwijkingen ten aanzien van de aanduidingen en in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken, dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; c. het oprichten van ondergrondse pompgemalen ten behoeve van riooltransportleidingen.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

86

Artikel 11

Algemene wijzigingsregels

11.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Het bevoegd gezag kan de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein, met dien verstande dat de overschrijdingen niet meer mogen bedragen dan 3 m en het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% mag worden vergroot.

Rho adviseurs voor leefruimte

055600.20200511

87

Hoofdstuk 4

Artikel 12

Overgangs‐ en slotregels

Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11117731/2