Bijlage 1 Bestemmingsplan Spechtstraat
Tekst van het document
SPECHTSTRAAT MAASSLUIS bestemmingsplan 8 februari 2022
1/1
Spechtstraat Maassluis
Maassluis
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.0556.BpSpecht‐VA01
30‐06‐2021 26‐11‐2021 08‐02‐2022
concept ontwerp vastgesteld
projectnummer:
055600.20200511 opdrachtleider:
drs. G.M. Boiten
Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Geldend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Beoogde ontwikkeling
10
Hoofdstuk 3
Ruimtelijk beleidskader
13
3.1
Inleiding
13
3.2
Rijksbeleid
13
3.3
Provinciaal beleid
18
3.4
Regionaal beleid
20
3.5
Gemeentelijk beleid
21
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
25
4.1
Inleiding
25
4.2
Milieueffectrapportage
25
4.3
Geluid
26
4.4
Verkeer en parkeren
28
4.5
Water
29
4.6
Bodem
33
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
34
4.8
Externe veiligheid
35
4.9
Bedrijven en milieuhinder
38
4.10
Ecologie
39
4.11
Luchtkwaliteit
40
4.12
Kabels en leidingen
42
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
43
5.1
Aard van het bestemmingsplan
43
5.2
Uitleg van de planregels
44
5.3
Inleidende regels
44
5.4
Bestemmingsregels
44
5.5
Algemene regels
45
5.6
Overgangs‐ en slotregels
46
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
4
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
47
6.1
Economische uitvoerbaarheid
47
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47
Bijlagen toelichting (separaat) Bijlage 1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Bijlage 2
M.e.r.‐beoordelingsbesluit
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 5
Stikstofberekening
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
Bijlage 7
Soortgericht onderzoek vleermuizen en huismussen
Bijlage 8
Nota Staat van Wijzigingen
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
69
Artikel 1
Begrippen
69
Artikel 2
Wijze van meten
72
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
73
Artikel 3
Tuin
73
Artikel 4
Verkeer ‐ Verblijfsgebied
74
Artikel 5
Wonen
75
Artikel 6
Waarde ‐ Archeologie 8
78
Hoofdstuk 3
Algemene regels
81
Artikel 7
Anti‐dubbeltelregel
81
Artikel 8
Algemene bouwregels
82
Artikel 9
Algemene gebruiksregels
83
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
85
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
86
Hoofdstuk 4
Overgangs‐ en slotregels
87
Artikel 12
Overgangsrecht
87
Artikel 13
Slotregel
88
Bijlagen regels Bijlage 1
Rho adviseurs voor leefruimte
SvB 'functiemenging'
055600.20200511
TOELICHTING
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het braakliggend terrein aan de Spechtstraat worden nieuwe woningen gerealiseerd. Voorheen was op deze locatie een school gevestigd, dit gebouw is eind 2017 gesloopt. Wel is ter plaatse nog een gebouw, waarin de Kunst en Cultuuracademie (KCA) is gevestigd, aanwezig. Voorafgaand aan het proces is besloten de herontwikkeling te doen door middel van een intensief participatietraject. Dit traject is in 2019 met omwonenden doorlopen en hiermee is een breed gedragen plan ontwikkeld. Het voornemen is 38 woningen te realiseren, deels appartementen en deels grondgebonden woningen. De realisatie van woningen is op basis van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied bevindt zich tussen de Spechtstraat en de Merellaan in Maassluis. Aan de zuidzijde zijn meerdere appartementengebouwen gelegen en hierachter ligt die Nieuwe Waterweg. Het plangebied wordt aan de andere zijde omringd door rijwoningen.
Figuur 1.1: Locatie plangebied (bron: Arcgis luchtfoto 2019)
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
8
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan ter plaatse is 'Maassluis Noordwest' (vastgesteld op 6 juni 2017). Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse de bestemming 'Maatschappelijk'. Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 8'.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Maassluis Noordwest' met plangebied rood gearceerd (bron: ruimtelijke plannen) De gronden bestemd als 'Maatschappelijk' zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen met bijhorende voorzieningen. Binnen de bestemmingen 'Maatschappelijk' is het niet mogelijk om woningen te realiseren. Geconcludeerd wordt dat de gewenste ontwikkeling niet past binnen de vigerende bestemmingen. Naast het bestemmingsplan 'Maassluis Noordwest' gelden ook de bestemmingsplannen 'Parapluherziening Parkeernormen' (vastgesteld op 6 februari 2018) en de 'Parapluherziening Overbewoning' (vastgesteld op 13 oktober 2020).
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 komt de ruimtelijke analyse van het plangebied aan de orde en wordt het initiatief beschreven. Vervolgens wordt de ontwikkeling in hoofdstuk 3 aan het actuele en relevante beleidskader getoetst. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten en de bijbehorende onderzoeken beschreven. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. Ten slotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
9
Hoofdstuk 2
2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit een gebouw dat in gebruik is door de Kunst en Cultuur Academie. Verder bestaat het plangebied uit een braakliggend terrein. In 2.1 is de luchtfoto van de huidige situatie opgenomen en in figuur 2.2 de huidige bebouwing.
Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied
Figuur 2.2: Huidige bebouwing plangebied
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
10
2.2
Beoogde ontwikkeling
De ontwikkeling betreft het realiseren van een appartementencomplex met 22 sociale huurwoningen en 16 grondgebonden eengezins koopwoningen. In figuur 2.3 is een impressie van de beoogde ontwikkeling weergegeven.
Figuur 2.3: Impressie beoogde ontwikkeling (bron: Steenhuis Bukman Architecten) Het appartementengebouw en de grondgebonden woningen van 3 verdiepingen passen stedenbouwkundig binnen de huidige ruimtelijke structuur. De omgeving van het plangebied karakteriseert zich door rijwoningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
11
In figuur 2.4 is de ontwikkeling en structuur weergegeven.
Figuur 2.4: Beoogde ontwikkeling
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
12
Langs de Merellaan komt een groene rand. Tussen de woningen er de parkeerplaatsen wordt tevens extra groen gerealiseerd. Tussen de appartementen en de grondgebonden woningen wordt een groene verblijfsruimte voor inwoners van binnen en buiten het plangebied gerealiseerd.
Figuur 2.5: Groenstructuur beoogde ontwikkeling
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
13
Hoofdstuk 3
3.1
Ruimtelijk beleidskader
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het voor het plangebied relevante ruimtelijke beleidskader. De ontwikkeling is in overeenstemming met het rijks‐, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Nationale Omgevingsvisie Voor de doorwerking van de Rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze visie is van een dermate hoog abstractieniveau dat hieruit geen concrete beleidsuitgangspunten voor de ontwikkeling volgen. Toetsing beoogde ontwikkeling Het Barro en de NOVI kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van deze herontwikkelingslocatie. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking, artikel 3.1.6 Bro De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is vastgelegd als procesvereiste in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel bepaalt dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de behoefte daaraan moet worden beschreven. Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, moet bovendien worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk gerealiseerd kunnen worden.
Het toevoegen van meer dan 12 woningen of meer dan 500 m2 aan stedelijke functies wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is, zijn de geldende planologische mogelijkheden. De woonfunctie is nu niet mogelijk en wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Hierna is de woningbehoefte beschreven. Daarbij is het uitgangspunt een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Beschrijving woningbehoefte In het Regioakkoord 2018‐2030 (Vastgesteld tijdens Regiotafel Wonen op 23‐01‐2019) maken de veertien gemeenten van het Samenwerkingsverband Wonen zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam met 54.000 uit te breiden. De gemeenten en de woningcorporaties zetten zich ook in voor een betere balans van het woningaanbod in de regio. Deze regionale afspraken zijn leidend voor de woningbehoefte en opgave per gemeente.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
14
De behoefte blijkt ook uit de provinciale woningbehoefteraming (WBR). Bij de bepaling van de behoefte (gewenste woningvoorraadgroei) wordt gewerkt met twee demografisch gestuurde ramingen: 'binnenlands migratiesaldo nul' (WBR) en 'binnenlands migratiesaldo trendmatig' (TR). De provincie stelt eens in de drie jaren het hoogste aantal woningen per regio vast als standaard voor de onderbouwing van de woningbehoefte. Uit de actuele provinciale Woningbehoefteraming blijkt dat de woningbehoefte in de regio Rotterdam groter is dan in 2016 was berekend. De Trendraming komt voor deze regio het hoogste uit. In de periode 2020 ‐ 2030 zijn op basis van de Trendraming meer dan 44.000 woningen nodig, waarvan 480 in de gemeente Maassluis. Er moet bovendien rekening worden gehouden met planuitval, zodat meer woningen moeten worden gepland om uiteindelijk in de behoefte te voorzien.
Figuur 3.1: Gewenste Woningvoorraadtoename regio Rotterdam (bron: WBR 2019) De ontwikkeling voorziet in een invulling om een deel van dit aantal woningen mogelijk te maken en een bijdrage te leveren in de opvang van de grote regionale woningbehoefte. Uit onderzoek van ABF (18 mei 2018) en RIGO (7 juni 2018) blijkt dat per saldo de totale woningvoorraad tot 2030 met 53.700 moet toenemen om de verwachte huishoudensgroei op te vangen en voldoende doorstroming te realiseren.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
15
Figuur 3.2: De regio realiseert voldoende woningen in de totale voorraad (bron: Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam) De gemeente Maassluis zet zich in om ruim 2.100 woningen aan de voorraad toe te voegen in de periode 2017 ‐ 2030. De gemeente houdt zelf een woningbouwplanning bij om zicht te houden op de verhouding tussen de plancapaciteit en de behoefte. De gemeentelijke planning blijft binnen de woningbehoefteraming zoals opgenomen in de WBR 2019, zodat overaanbod in de regio wordt voorkomen. De woningbouwplanning wordt regelmatig regionaal afgestemd. In de woonvisie 2019‐2024 is aangegeven dat de gemeente de ambitie heeft om de woningvoorraad te laten groeien tot 17.100 woningen in 2030, zoals genoemd in het regioakkoord. Dat betekent een uitbreidingstempo van zo’n 175 nieuwbouwwoningen per jaar gemiddeld. Met de regiogemeenten in de subregio Waterweg, de regio Rotterdam en de Provincie Zuid‐Holland zijn afspraken gemaakt over deze gewenste voorraadontwikkeling. De voorgenomen bouwinspanningen zijn afgestemd met de andere gemeenten in de regio en vastgelegd in een regioakkoord. De provincie Zuid‐Holland onderschrijft dit programma. Omdat de realisatie met veel (onzekere) factoren rekening moet houden, hanteert de gemeente een bandbreedte. Er is meer ruimte dan het programma waarmee wordt gerekend.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
16
Figuur 3.3: Woningvoorraadontwikkeling (bron: woonvisie) Begin 2019 is er een potentiele bouwcapaciteit voor tenminste 3.500 woningen in het bouwprogramma. Een groot deel daarvan zit in goedgekeurde bestemmingsplannen. De extra bouwlocaties in ‘overige projecten’ (Spectrum, Spechtstraat, Kapelpolder en andere binnenstedelijke locaties die worden bekeken) zijn ook nodig om de recente bevolkingsprognose te kunnen opvangen (Primos 2018, woningvoorraad van 17.500 in 2030). Beschrijving kwalitatieve woningbehoefte De ontwikkeling betreft het realiseren van een appartementencomplex met 22 sociale huurwoningen en 16 grondgebonden eengezins koopwoningen. In regionaal verband is de behoefte aan sociale huurwoningen onderzocht, waaruit blijkt dat er in de sociale voorraad in Maasluis een tekort is van 184 woningen.
Figuur 3.4: De regio realiseert voldoende woningen in de sociale voorraad (bron: Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam)
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
17
In de woonvisie is aangegeven dat van de woningzoekenden uit Maassluis 47% een sociale huurwoning zoekt (WoON 2018). Van de 2.220 mensen die naar Maassluis willen verhuizen wil 58% in een huurwoning wonen, een flinke stijging ten opzichte van de 44% in 2015. Ook in de huursector is de druk groot. Het aantal belangstellenden voor een sociale huurwoning is sterk toegenomen. In de koopsector zijn de prijzen de afgelopen jaren sterk gestegen. Dat is te zien in de groei van de waarde van de woningvoorraad. Ruim de helft van de 2.800 woningzoekenden uit Maassluis richt zich op een koopwoning (volgens WoON 2018). Daarvan wil 22% een goedkope koopwoning onder €200.000.
Figuur 3.5: Waarde koopvoorraad bestaande woningen Wonen werd voor grote groepen de laatste jaren duurder. Woonlasten zijn gestegen maar de inkomens stegen minder. Woonlasten (en in de sociale huursector ook oplopende wachttijden) maakten het voor grote groepen lastiger om een woning te bereiken. Zowel voor middeninkomens als voor lagere inkomens, in de koop en in de huur. In de koopsector is er een grote behoefte aan koopwoningen tot een prijs van € 320.000 en deels onder de € 200.000, de middeldure en goedkope koopwoningen. De vraag naar sociale huurwoningen is ook sterk toegenomen. In de huursector is de druk op de markt flink opgelopen door een dalende mutatiegraad en een stijgend aantal woningzoekenden. Uitbreiding van de sociale woningvoorraad door nieuwbouw is de aangewezen weg om de toegenomen vraag op te vangen. Speerpunten zijn: Uitbreiding van de sociale voorraad naar ruim 6.000 woningen. De sociale huurvoorraad is begin 2019 in Maassluis 36 % van de totale woningvoorraad. In het coalitieakkoord “Samen Maassluis, investeren in een duurzame toekomst” is afgesproken dat ook het relatieve aandeel sociale huurwoningen in Maassluis niet onder de 33% uit zal komen. Nieuwbouw meer richten op €180.00 ‐ €220.000 en € 220.000 ‐ €320.000. Doorstroming bevorderen, waardoor woningen voor knelpuntgroepen vrijkomen.
Knelpuntgroepen zijn eengezinswoningen voor gezinnen, grote woningen voor grote huishoudens en jongerenwoningen voor jongeren. In dit geval kunnen ook grondgebonden koopwoningen voor gezinnen worden gerealiseerd, waarmee verhuisketens op gang gebracht kunnen worden. Conclusie Met de realisatie van 22 sociale huurappartementen en 16 grondgebonden eengezins koopwoningen wordt tegemoet gekomen aan de vraag naar woningen in de sociale huursector en de vraag naar grondgebonden eengezins koopwoningen. Er is sprake van een behoefte, waaraan met dit bestemmingsplan invulling wordt gegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
18
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsverordening Zuid‐Holland (2019) De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads‐ en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet‐ en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. 3.3.2 Omgevingsvisie Zuid‐Holland (2019) In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke plannen. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de onderstaande artikelen relevant. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en; het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. 2. Lid 2 is niet relevant, omdat de locatie niet ligt in een gebied met een beschermingscategorie.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
19
3.
4.
Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn: a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom‐ en sierteelt; wegnemen van verharding; toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. b. de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken; c. in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.
Toetsing aan artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit De kwaliteitskaart waarnaar in artikel 6.9 lid 3 sub 1 Bro wordt verwezen is de kaart die bij de Omgevingsvisie hoort en is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur‐ en natuurlandschapen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. Voor het plangebied zijn de volgende richtpunten van de laag van de stedelijke occupatie relevant: Steden en dorpen 1. Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. 2. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen‐ en waterstructuur. 3. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Er is in dit geval sprake van inpassen. Een vrijgekomen locatie binnen de stad wordt getransformeerd naar een nieuwe woonfunctie. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.
indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
20
Toetsing aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Door de herontwikkeling wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking: allereerst het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied en daarna het benutten van locaties aansluitend aan stedelijk gebied. Met betrekking tot de ladderonderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van dit bestemmingsplan. Conclusie Het provinciale beleid staat de ontwikkeling niet in de weg. De ontwikkeling sluit aan bij het provinciale beleid. De ontwikkeling draagt bij aan de woningbehoefte in de regio.
3.4
Regionaal beleid
Regionaal afsprakenkader geluid & ruimtelijke ontwikkeling De gemeente Maassluis heeft samen met andere gemeenten in de regio, Havenbedrijf Rotterdam, provincie Zuid‐Holland, Deltalinqs en DCMR het Regionaal afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling (RAK) ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over ruimtelijke plannen in de omgeving van de gezoneerde industrieterreinen. Het doel van het RAK is een brede afstemming op regionaal niveau in een vroeg stadium van woningbouw‐ en havenontwikkeling om problemen in vergunningprocedures te voorkomen, elkaar niet te verrassen en geen onnodige kosten te maken. In het RAK wordt afgesproken met welke werkwijze de partners rondom haven en omgeving, binnen de geldende geluidkaders, samenwerken om zowel haven als omgeving te blijven ontwikkelen. Toetsing In paragraaf 4.3 wordt ingegaan op het aspect industrielawaai. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het aspect geluid de ontwikkeling niet in de weg staat.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
21
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1 Structuurvisie Maassluis 2012‐2025 (2012) De ontwikkeling van het wonen en de Maassluise opgaven zijn opgenomen in de Structuurvisie 2012‐2025.
Figuur 3.6: Uitsnede Structuurvisiekaart Het plangebied is in de structuurvisie aangemerkt als bestaand stedelijk gebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
22
Toetsing De realisatie van woningen op herontwikkelingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied geeft invulling aan het gemeentelijk beleid. 3.5.2 Woonvisie 2019‐2025 In de Woonvisie 2019‐2025 staat waar Maassluis nu staat en waar de gemeente op het gebied van wonen de komende jaren naartoe wil. De woonvisie 2020‐2024 bouwt logisch voort op eerdere documenten: De ruimtelijke structuurvisie 2012‐2025 Het coalitieakkoord 2018‐2022 “Samen Maassluis. Investeren in een duurzame stad” Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018‐2030 De woonvisie maakt inzichtelijk dat bijsturing nodig is om op de 7 grote opgaven resultaat te boeken. De gemeente stuurt dus bij, in het besef dat ook in het eindbeeld van 2030 nog 95% van de huidige woningen er staat en de grote nieuwbouwlocaties in handen zijn van private bedrijven waarmee in het verleden al contracten zijn gesloten. Het bijsturen van de woningmarkt is dus te vergelijken met het bijsturen van een olietanker: de marges zijn smal, een koerswijziging kost veel energie en wordt pas op termijn zichtbaar. De 7 speerpunten zijn: 1 Passend huisvesten Nieuwbouw meer richten op €180.00 ‐ €220.000 en € 220.000 ‐ €320.000. Aanbod betaalbare koop (met verkoop regulerend beding) uitwerken voor € 180.000 ‐ €220.000. Minimum omvang sociale huur voorraad is 33%, ombuigingen in bouwprogramma noodzakelijk.
Sociale voorraad uitbreiden tot 6.020 woningen in 2030. Menging en betaalbaarheid garanderen met doelgroepenverordening. 2 Doorstroming en woonruimtebemiddeling Meer doorstroming door het bouwprogramma vooral te richten op appartementen en grondgebonden woningen voor senioren, Voorrang voor doorstromers die een eengezinswoning achterlaten. Labelen van schaarse segmenten voor knelgroepen. Doorstroom ouderen naar passende levensloopbestendige woningen bevorderen. Toepassen directe aanbieding bij knelgroepen en personen ‘tussen wal en schip’. 3 Bouwen, bouwen, bouwen Verhoging van het jaarlijkse bouwprogramma naar gemiddeld 175 woningen. Woningvoorraad tenminste 17.100 woningen in 2030. Nieuwe locaties vinden voor 400 à 500 woningen (binnenstedelijk, herbestemming). De herstructurering van Sluispolder‐west en de Burgemeesterswijk afronden. Nieuwbouw op Het Balkon, Wilgenrijk, de Kade en overige locaties. 4 Maassluis duurzamer maken Opstellen van een warmtetransitievisie. Samen optrekken met Maasdelta bij het klimaatadaptief maken en de warmtetransitie in de socialehuurvoorraad. Stimuleren en faciliteren in de particuliere sector met ‘no‐regret’ maatregelen.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
23
5 Wonen met begeleiding en zorg Wonen in de woonservices zones bevorderen. Ouderen bewust maken van tijdig nadenken over huisvesting op oude dag (Wooncoach, campagne). ‘Verzorgd wonen plus’ uitbreiden, voor Maassluisse ouderen. 6 Leefbaarheid in wijken en buurten bevorderen Sociale cohesie bevorderen, onder meer via het programma ‘de wijk op maat’. Stevige samenwerking met betrokken partijen bij aanpakken overlast. Overbewoning tegengaan. 7 Tijdelijk wonen Segment pauzewoningen uitbreiden. Kopen om te verhuren terugdringen ten behoeve van de leefbaarheid in bestaande wijken. Verkennen of short‐stay woonruimte voor arbeidsmigranten dichtbij werkgelegenheid mogelijk is. Toetsing Het initiatief geeft specifiek invulling aan speerpunt 1 tot en met 3. Er is een groot tekort aan sociale huurwononingen. Ook zijn de prijzen voor koopwoningen flink gestegen. Het is lastiger voor starters en jonge gezinnen om hun eerste huis te kopen. De middeninkomens vallen als snel tussen wal en schip. De doorstroming stagneert daardoor. Zie voor de toetsing ook paragraaf 3.2.2. Conclusie De ontwikkeling past binnen het beleid van de gemeente Maassluis.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
24
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
25
Hoofdstuk 4
4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 38 woningen en blijft (ruim) onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling'.
In bijlage 1 is de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Op 16-11‐2021 vastgesteld dat geen MER nodig is (zie bijlage 2).
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
26
4.3
Geluid
Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen of spoorwegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. Voor de beoordeling daarvan wordt aangesloten bij de systematiek van de Wgh. Langs spoorwegen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder moet worden getoetst. De zonebreedte van spoorwegen is afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde Geluidproductieplafond (GPP) en wordt gemeten uit de kant van de buitenste spoorstaaf. Op het industrieterrein Europoort‐Maasvlakte zijn inrichtingen gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken (ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd). Voor dergelijke industrieterreinen is op grond van de Wet geluidhinder een geluidszone industrielawaai vastgesteld.
Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het industrieterrein niet meer bedragen dan 50 dB(A). Binnen de geluidzone geldt een onderzoeksplicht en mogelijk beperkingen voor nieuwbouw van woningen en andere gevoelige bestemmingen, vanwege een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) die op de gevel geldt. Nieuwe woningen en andere gevoelige bestemmingen binnen de zone op locaties waar de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein hoger is dan 50 dB(A), zijn slechts toelaatbaar in bijzondere situaties. Dit is alleen mogelijk indien de geluidsbelasting als gevolg van het industrielawaai ter plaatse 55 dB of minder bedraagt. Onderzoek Het plangebied ligt in de nabijheid van gezoneerd industrieterrein Maasvlakte‐Europoort, spoorlijn de Hoekse Lijn en lokale wegen. De woningen liggen niet binnen de geluidzone van wegen. Wel worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie de niet gezoneerde wegen (30 km/uur wegen) onderzocht op wegverkeerslawaai. In het akoestisch onderzoek zijn de Merellaan, Spechtstraat, Nachtegaallaan, IJsvogelstraat, Eksterstraat en Lepelaarplantsoen (30 km/uur) beschouwd. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De conclusies van het akoestisch onderzoek zijn hieronder opgenomen.
Wegverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van de Merellaan overschrijdt richtwaarde van 48 dB, maar blijft ruimschoots onder de waarde van 63 dB (die in de Wgh als uiterste grenswaarde voor gezoneerde wegen geldt). Het toepassen van bron‐ en overdrachtsmaatregelen is niet doeltreffend of redelijkerwijs niet mogelijk vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, financiële of praktische aard. Voor de woningen direct gelegen aan de Merellaan geldt een akoestische kwaliteit met typering ‘onrustig’. Dit is voor dit gebied passend. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Aanbevolen wordt bij het dimensioneren van de gevels rekening te houden met de geluidbelasting van de omliggende wegen zonder aftrek, teneinde een binnenwaarde van 33 dB te waarborgen. Voor de overige wegen wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
27
Spoorweglawaai De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt op geen enkele woning overschreden. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van het industrieterrein “Europoort‐Maasvlakte”. Het betreft een geluidgevoelige bestemming. Voor de industrieterreinen Maasvlakte‐Europoort en Botlek‐Pernis is door de betrokken gemeenten, de Provincie Zuid‐Holland, de DCMR, het Havenbedrijf Rotterdam en Deltalinqs een convenant afgesloten. In dit convenant, het Regionaal Afsprakenkader Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK), dat is ondertekend op 8 juli 2015, zijn afspraken gemaakt over onder andere de wijze waarop wordt omgegaan met woningbouw binnen de invloedsgebieden van de industrieterreinen.
Figuur 4.3: Ligging locatie in RAK contouren Ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte ‐ Europoort bedraagt de geluidbelasting op het plangebied 49 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Cumulatie Aangezien vanwege de wettelijke geluidbronnen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden is er conform het Reken‐ en meetvoorschrift geluid geen aanleiding voor het berekenen van de gecumuleerde geluidbelasting. Conclusie Het aspect geluid staat de ontwikkeling niet in de weg. Het aanvragen van hogere waarden is niet nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
28
4.4
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De gemeente Maassluis heeft haar parkeernormen geregeld in de Beleidsregel Parkeren Maassluis 2012. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). Het kencijfer wordt bepaald aan de hand van de stedelijkheid (adressendichtheid). De gemeente heeft een weinig stedelijk karakter. Het plangebied ligt in de rest bebouwde kom. Binnen de bandbreedte van het kencijfer wordt het gemiddelde gehanteerd op basis van het gemiddelde autobezit van de gemeente ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Verkeersstructuur Gemotoriseerd verkeer Het plangebied ligt aan de Spechtstraat en de Merellaan. Via de Merellaan en de Nachtegaallaan wordt de Westlandseweg bereikt. Via deze route is de kern van Maassluis en de A20 te bereiken.
De wegen nabij het plangebied zijn ingericht als erftoegangswegen en hebben een maximum toegestane snelheid van 30 km/u. Openbaar vervoer Het plangebied is eveneens te bereiken met het openbaar vervoer. Binnen loopafstand (370 meter) ligt het metrostation Maassluis West. Hier halteert de metrolijn tussen Hoek van Holland en het centrum van Rotterdam. Langzaam verkeer Op de omliggende erftoegangswegen rond het plangebied deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. De omliggende wegen van het plangebied zijn daarnaast voorzien van trottoirs voor voetgangers. Parkeren De parkeernormen van de gemeente Maassluis zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381). Deze zijn vertaald in de Beleidsregel Parkeren Maassluis 2012, hierbij is de ligging in 'rest' gehanteerd. Tabel 4.1 Parkeerbehoefte Functie benaming Appartementen Woning 75 m2 < bvo < 100 m2 Grondgebonden Woning EGW > 160 m2 bvo woningen Totaal
Hoeveelheid 22 16
Parkeerkencijfer Parkeerbehoefte 1,7 per woning 37,4 pp 2,1 per woning 33,6 pp 71 pp
Binnen het plangebied worden 71 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze worden aan de rand gesitueerd en worden ontsloten via de Spechtstraat en de Merellaan. Binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om de parkeerbehoefte op te vangen.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
29
Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van het plangebied is berekend op basis van de voorgenomen ontwikkelingen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de gemiddelde kengetallen van het CROW (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381), hierbij zijn de kenmerken 'matig stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De verkeersgeneratie is opgenomen in tabel 4.2. In de huidige situatie genereert het plangebied ook verkeer. Op het drukste tijdstip zal er een cursus van circa 30 mensen zijn in het gebouw van de Kunst en Cultuur Academie. Het uitgangspunt is dat er circa 8 auto's in het drukste uur van of naar het plangebied komen. Tabel 4.2 Verkeersgeneratie in mvt/etmaal Functie benaming CROW Appartementen Huur appartement midden/goedkoop Grondgebonden Koop tussen/hoek woning Toename
Hoeveelheid 22 eenheden
Mvt/hoeveelheid Verkeersgeneratie 3,6 per woning 79,2 mvt/etmaal
16 eenheid
7,1 per woning
113,6 mvt/etmaal 192,8 mvt/etmaal
De verkeersgeneratie van de ontwikkeling bedraagt circa 193 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Het aanwezigheidspercentage bedraagt op het maatgevende moment 100%. Voor woningen ligt het maatgevende moment op werkdagavonden en ‐nachten. De verkeersafwikkeling wordt beoordeeld in het drukste uur van de dag, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalwaarde wordt afgewikkeld. In het drukste uur zullen de ontsluitende wegen een verkeerstoename van circa 11 mvt ondervinden (19 mvt toekomstig en 8 mvt huidig al aanwezig). Deze verkeerstoename is derhalve gering dat deze verwachting geen negatieve gevolgen hebben op de omliggende ontsluitingswegen. Conclusie Het plangebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en per openbaar vervoer. De parkeerbehoefte kan worden voorzien binnen het plangebied. De verkeerstoename is derhalve gering en zal zodoende niet tot knelpunten leiden in de verkeersafwikkeling. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkelingen dan ook niet in de weg.
4.5
Water
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Om te voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer is bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan al in een vroeg stadium overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
30
Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Omgevingsvisie Provinciale Omgevingsverordening Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 5 (WBP 5) beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016‐2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop, de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtige manier zijn afgewogen. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. 3.
Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Huidige situatie Algemeen Het plangebied bevindt zich tussen de Spechtstraat en de Merellaan in Maassluis. Het betreft een perceel met de bestemming 'maatschappelijk'. Momenteel staat er op de locatie een gebouw waarin de Kunst en Cultuuracademie (KCA) is gevestigd. Dit gebouw heeft een oppervlakte van 425 m2. Het gebied is grotendeels onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom van Maassluis is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten noorden van de locatie bestaat de grond uit klei met zware tussenlaag of ondergrond. Met betrekking tot grondwater is er ten noorden van het plangebied sprake van grondwatertrap III. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen de 80 en 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa NAP +3,8 m.
Waterkwantiteit Volgens de Legger ligt er ten westen van het plangebied een secundaire watergang (zie figuur 4.1). De afstand tot het plangebied is circa 100 meter. De beoogde ontwikkeling bevindt zich niet in de beschermingszone van de watergang.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
31
Veiligheid en waterkeringen Volgens de Legger ligt de Delflandsedijk ten westen van het plangebied (zie figuur 4.1). Het plangebied ligt buiten de beschermingszone.
Figuur 4.1: Uitsnede Legger Hoogheemraadschap van Delfland Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen De ontwikkeling betreft het realiseren van een appartementencomplex met 22 woningen en 16 grondgebonden woningen. Bodem en grondwater Er wordt niet onder het maaiveld gebouwd. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Indien sprake is van toename van verhard oppervlakte, dient te worden voorzien in watercompensatie. De toekomstige bouwvlakken hebben een oppervlakte van 2.070 m2. Hiernaast komt er 2.660 m2 aan verharding bij door de bestemming 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied'. Voor de overige gronden met de bestemming Tuin en Wonen (zonder bouwvlak) wordt een uitgangspunt van 50% verhard gehanteerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
32
Tabel 4.3 Toename verharding Bestemming Wonen (met bouwvlak) Verkeer ‐ Verblijfsgebied Tuin en Wonen (zonder bouwvlak) Totaal
Verharding 2.070 m2 2.660 m2 965 m2 5.695 m2
De ontwikkeling leidt tot een toename van ongeveer 5.695 m2 verhard oppervlak in het plangebied. De hemelwateropgave wordt Rainproof ingevuld, 60 mm berging binnen het plangebied. Er wordt in het plangebied een berging gerealiseerd die een bui van 60 mm in één uur kan verwerken. Er wordt gewerkt volgens het Rainproof voor professionals principe. In dit geval een combinatie van bufferend groen (circa 7 mm), ondergrondse buffers (tot circa 30 mm) en de mogelijkheid voor water op straat (tot circa 60 mm). HWA riool en Rainproof Het klimaat in Nederland verandert: hete, droge zomers, zachte winters en hevige regenbuien. De negatieve gevolgen van die verandering moeten worden opgevangen in het afwateringssysteem. In Maassluis werkt men met de Rainproof aanpak om wateroverlast zoveel als mogelijk te beperken. Vasthouden, bergen en dan pas afvoeren is de norm. Het regenwater wordt eerst zoveel mogelijk lokaal vast gehouden, dan geborgen in oppervlaktewater of andere bergvoorzieningen, en pas als dit niet mogelijk is, wordt het regenwater afgevoerd. De eerste stap, het water langer vasthouden, is bij de Rainproof aanpak veel belangrijker. Het regenwater wordt vastgehouden zoals bij een spons, die water opneemt en dat dan geleidelijk weer loslaat. Met de Rainproof aanpak doen we dit samen, dus niet alleen in de openbare ruimte, maar ook op particulier terrein.
Hierbij gelden de volgende voorwaarden: Binnen de plangrens van een project moet minimaal 60 mm berging worden gerealiseerd; De afwatering moet worden berekend op een bui 09 (het samenhangende systeem van riolen, straat en groen); Alle panden moeten 1 m3 berging op eigen terrein krijgen. Om het overzichtelijk te houden, zijn de regenbuien in 4 categorieën verdeeld, uitgewerkt in de handleiding “Rainproof Maassluis voor professionals”: Buien tot 7 mm horen niet in het riool; Buien tussen de 7 en 30 mm blijven beschikbaar binnen een bemalingsgebied; Binnen de plangrens van een project wordt minimaal 60 mm berging gerealiseerd; Inzichtelijk maken van gevolgen van buien van 60 mm of meer. Het afwateringssysteem moet aansluiten bij het vigerende GRP (Gemeentelijk Rioleringsplan) en BRP (Basis Rioleringsplan) en het HIOR (Handboek Inrichting Openbare Ruimte). Klimaatadaptatie Om hittestress tegen te gaan kan gebruik worden gemaakt van de daken van het appartementengebouw. Hierbij kan worden gedacht aan het realiseren van een groen dak, eventueel in combinatie met waterberging en zonnepanelen. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
33
Veiligheid en waterkeringen De ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, hebben geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in‐) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. DWA riool (huishoudelijk afvalwater) Huishoudelijk afvalwater (DWA) wordt gescheiden van schoon regenwater (HWA) aangeleverd op de gemeentelijk hoofdriolering. Het afwateringssysteem moet aansluiten bij het vigerende GRP (Gemeentelijk Rioleringsplan) en BRP (Basis Rioleringsplan) en het HIOR (Handboek Inrichting Openbare Ruimte). Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater.
In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
4.6
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Maassluis is de bodem in het plangebied schoon tot licht verontreinigd. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is sprake van een functiewijziging van maatschappelijk naar wonen. Het verkennend bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 4.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
34
De onderzoeksresultaten laten zien dat in de bovengrond plaatselijk zware metalen voorkomen in concentraties hoger dan de achtergrond. Ook in de ondergrond zijn diverse parameters, waaronder drins (groep bestrijdingsmiddelen), concentraties hoger dan de achtergrond vastgesteld. In het grondwater overschrijden de gehalten arseen en barium de streefwaarden. Conclusie Voor de geplande werkzaamheden in dit deelgebied moeten sanerings‐ en veiligheidsmaatregelen worden getroffen. In overleg met het bevoegd gezag Wet bodembescherming worden de vervolgstappen bepaald. Hierdoor wordt de bodemkwaliteit gewaarborgd. Het aspect bodem staat de beoogde bestemmingswijziging niet in de weg.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Het nationale beleid voor archeologie volgt uit Europees vastgesteld beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er met het Europees archeologisch Erfgoed moet worden omgegaan. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten hiervan zijn in de Nederlandse wet‐ en regelgeving verankerd. Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Het archeologisch erfgoed in de bodem moet zoveel mogelijk behouden worden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Dit vindt plaats via archeologisch onderzoek. Gemeenten hebben een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Deze rol blijft in stand, maar wordt naar de nieuwe Omgevingswet overgeheveld. Alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komen daarin terecht. Overgangsrecht Monumentenwet 1988 naar Omgevingswet De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet.
Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het gaat daarbij onder meer vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Nadat de gemeenteraad in zijn vergadering van 16 april 2013 het archeologiebeleid had vastgesteld, heeft hij in zijn vergadering van 19 mei 2015 de geactualiseerde 'Archeologische beleidskaart' vastgesteld. Dit beleid bestaat uit een archeologische verwachtingenkaart voor het grondgebied van Maassluis. Daarbij is ook aandacht voor de cultuurhistorie. Volgend op de archeologische verwachtingenkaart heeft de gemeente de maatregelenkaart opgesteld inclusief de planregels, waarin de omgang met archeologische waarden en verwachtingen kan worden vastgelegd in bestemmingsplannen. Het plangebied waarop het bestemmingsplan 'Spechtstraat' betrekking heeft, valt onder de categorie 'gebied met onbekende (geo‐archeologische) verwachting'. De maatregelenkaart heeft per gebied aparte vrijstellingscriteria opgesteld. Wanneer in het desbetreffende gebied de gestelde criteria niet worden overschreden, is sprake van vrijstelling van (nader) archeologisch onderzoek.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
35
Onderzoek Archeologie Op locatie waarop het bestemmingsplan betrekking heeft ligt de dubbelbestemming 'Waarde – archeologie 8'. Voor deze gronden geldt dat archeologisch onderzoek is vereist, wanneer het gaat om een locatie met een oppervlakte van 200 m2 en meer èn wanneer de gronden 300 cm of dieper worden geroerd (aan beide eisen dient te worden voldaan). Deze dubbelbestemming wordt in het onderhavige bestemmingsplan overgenomen. Hiermee is de archeologie binnen het gebied dat het bestemmingsplan omvat gewaarborgd. Cultuurhistorie Conform het huidige bestemmingsplan 'Maassluis Noordwest' zijn binnen en in de nabije omgeving van het plangebied geen panden en objecten die als rijks‐ dan wel als gemeentelijk monument aangewezen. Verder maakt het plangebied geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. De Nieuwe Waterweg is in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid‐Holland, regio Delfland en Schieland aangeduid als historisch‐landschappelijke lijn van redelijk hoge waarde. Hierop heeft de ontwikkeling in het plangebied geen invloed. Conclusie Wanneer binnen de gestelde grenzen (oppervlakte en diepte) wordt gebleven, vormt dit, voor zover dit de archeologie betreft, en er van of een toevalsvondst of waarneming zoals in de Erfgoedwet vermeld, geen sprake is, geen belemering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
36
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, zijn in de nabije omgeving van het plangebied enkele risicobronnen gelegen (figuur 4.2). Over de Nieuwe Waterweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Ook bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied van risicovolle inrichting Broekman Logistics Europoort B.V.
Figuur 4.2: Uitsnede professionele risicokaart met plangebied rood omkaderd
Rho adviseurs voor leefruimte
055600.20200511
37
Risicovolle inrichtingen Aan de overzijde van de Nieuwe Waterweg ligt het industrieterrein Botlek. Op dit industrieterrein zijn meerdere Brzo‐bedrijven aanwezig. De PR 10‐6‐contour van deze bedrijven ligt ver buiten het plangebied. Wel ligt plangebied in het invloedsgebied van risicovolle inrichting Broekman Logistics Europoort B.V. Het invloedsgebied bedraagt 3.973 meter waardoor een groot gedeelte van Maassluis, Europoort en Brielle hierin liggen. De beoogde ontwikkeling bevindt zich op een afstand van circa 3,8 kilometer van de risicovolle inrichting. Hierdoor zal het project een geringe effect hebben op het groepsrisico. Een berekening van het groepsrisico is niet noodzakelijk, wel dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Waterweg Ten westen van het plangebied is sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Waterweg (vaarwegroute Corridor Rotterdam – Duitsland). Het plangebied ligt buiten de PR 10‐6‐contour van de route. Het invloedsgebied van de vaarroute reikt tot 1.070 meter. Het plangebied ligt op circa 516 meter van de vaarroute en valt daarmee binnen het invloedsgebied. Het plangebied ligt buiten 200 meter van de transportroute, waardoor berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.